Waw magazine

Waw magazine

Menu

staat de tijd stil

In het dal van de Masblette, in het beschermde natuurgebied van het Grote Sint-Hubertuswoud, ligt het provinciaal domein van de ‘Fourneau Saint-Michel’, waarin zich het ‘Musée du Fer’ en dat van het ‘Vie rurale en Wallonie’ bevinden. Een dubbele duik in het verleden.

 


© P. Willems

Aan het einde van de 18e eeuw liep de industriële ambitie van Dom Nicolas Spirlet, de laatste abt van de Sint-Hubertusabdij, op een fiasco uit. Het klooster ging niet alleen onder zware schulden gebukt (voor een bedrag van meer dan 625.000 huidige euro’s), maar was ook nog niet aan het einde van zijn lijdensweg. Tijdens de Franse Revolutie werden in 1791 alle bezittingen van de abdij aangeslagen door de Republiek en als nationaal bezit geveild. De oven werd aangekocht door Leopold Zoude, een industrieel en zakenman uit Saint-Hubert. Hij probeerde de oven verder uit te baten, maar moest uiteindelijk genoegen nemen met het maken van landbouwgereedschap.

De heropleving

In 1942 werd de oven door de familie Zoude verkocht en tien jaar later door de Koninklijk Commissie voor Monumenten en Landschappen beschermd als Belgisch nationaal erfgoed. Daarmee was hij evenwel nog niet gered ! De gebouwen kwamen in verval en geraakten vergeten. Toen verscheen echter de historicus en archeoloog Willy Lassance op het toneel, die verliefd was geworden op dat hoekje van het Masblette-dal. Geboeid als hij was door het oude gebouw, de rijke kloosterarchieven en de mondelinge overlevering, stichtte deze medewerker van de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis van Brussel in 1959 de vzw ‘Le Fourneau Saint-Michel’. Van de laatste in België overgebleven, op houtskool werkende hoogoven, die door de historici werd beschouwd als het mooiste Waalse metaalindustriecomplex uit de 18e eeuw, wilde hij een museum van de metaalverwerkende nijverheid maken en tegelijk enkele oude Ardense beroepen (zoals die van spijkermakers, klompenmakers, kuipers, smeden …) tot hun recht doen komen.

De droom van Willy Lassance kreeg in 1960 vorm met de financiële steun van de provincie Luxemburg – die de site zes jaar later aankocht – en van de stad Saint-Hubert.

In een nieuw kleedje

Het ‘Musée du Fer et de la métallurgie ancienne’ (Museum voor IJzer en vroegere Metaalbewerking), dat vanaf 2012 volledig werd vernieuwd, stelde in 2018 zijn houtskoolloods, ovenmond, schuur, hoogoven en gieterij weer open … De bezoeker maakt er kennis met de productie van gietijzer en met het belang van ijzer in het leven van vroeger … en nu.

Het museum is heel modern en maakt bijvoorbeeld gebruik van een bewegend model om waterkracht uit te leggen. Met aanraakschermen kunnen kinderen de versieringen van de schoorsteenplaten bekijken, zoals die met Adam en Eva die zich laten ompraten door de slang en die van de wraaklustige ooievaar uit de fabel van La Fontaine, die de sluwe vos bedriegt … Moderne ambachtslieden (slotenmakers, fabrikanten van riooldeksels …) praten er over hun beroep en een filmpje legt de werking uit van de ‘maka’, de 500 tot 600 kilogram wegende hamer waarmee de slakken uit de ijzermassa werden verwijderd. Door te hameren koekten de metaalkorrels aan elkaar en werd het ijzer geweld en tot ruwe staven omgevormd. Dat veroorzaakte een oorverdovend lawaai, dat men tot ver in het dal van de Masblette hoorde.

Vertel eens over het vroegere leven op de buiten !


© Province de Luxembourg

Waarvoor diende toch dat 32 centimeter hoge en 44,5 centimeter diepe voorwerp met diepgeëtste messing ? In de vaktaal van de suikerbakker is dat een ‘cilinderframe’. In het begin van de vorige eeuw kon men daarin snoepjes gieten. Door aan een kruk te draaien, drukte men een afbeelding af op de gearomatiseerde stroopstroken die op de cilinders waren aangebracht. Zo maakte men snoepjes die gescheiden en gezeefd werden. Dat was in de tijd van het (toen reeds) zeer gegeerde suikergoed. Het gebruik van bietsuiker, die goedkoper was dan de geïmporteerde rietsuiker, gaf vleugels aan de suikerbakkers …

Dat cilinderframe is een van de talloze voorwerpen die je kunt ontdekken in het in 1970 opgerichte ‘Musée de la vie rurale en Wallonie’, dat zich vlakbij de ‘Fourneau Saint-Michel’ bevindt. De provincie Luxemburg heeft daar op een veertigtal hectare een reeks gebouwen bijeengebracht, die typisch zijn voor de verschillende streken en plaatsen ten zuiden van Samber en Maas. De in het midden van de 19e eeuw voor de Ardennen en de Famenne zo kenmerkende ‘Chaumière de Malvoisin’, met woonhuis, schuur en stal, opende de reeks, die in de loop der jaren werd uitgebreid met vierenvijftig andere landelijke gebouwen (hoeven, scholen, kapellen, winkels, bakkerijen, ambachtelijke werk-plaatsen …).

De provincie Luxemburg heeft daar op een veertigtal hectare een reeks gebouwen bijeengebracht, die typisch zijn voor de verschillende streken en plaatsen ten zuiden van Samber en Maas : hoeven, scholen, kapellen, winkels, bakkerijen, ambachtelijke werkplaatsen ...


Gesloopte en weer opgetrokken gebouwen

Al die gebouwen werden eerst gedemonteerd waar ze stonden en dan op de nieuwe plek weer opgericht onder gebruikmaking van vroegere technieken en materialen om het authentieke uitzicht ervan te behouden. Het personeel van de provincie heeft dus zijn toevlucht moeten nemen tot sommige ambachtelijke en haast vergeten technieken, zoals het maken van pleisterspecie die bestaat uit een mengsel van gehakt stro, kalk, aarde en (insectenwerende) runderurine.

Met dit openluchtmuseum wil men het oude gebouwen-
erfgoed bewaren en ook de levensomstandigheden, de tradities van de landbouwers en ambachtslieden op het platteland leren kennen. Want de keukens, kamers en werkplaatsen zijn voorzien van meubels, gebruiksvoorwerpen, toebehoren, gereedschap en machines uit die tijd.

Het museum is een echte weergave van de wijze waarop men vroeger woonde en werkte op de buiten”, vertelt Marie-Eve Soenen, de directrice van het Domein. “We hebben in onze verzameling ongeveer 40.000 voorwerpen, die ons grotendeels werden geschonken sinds 1970.

Biotopen reconstrueren

Een huis uit Belgisch Lotharingen of uit de Ardennen weer opbouwen heeft geen zin wanneer men het verwijdert uit zijn omgeving. Op de site zie je dus ook hagen, moestuinen, boomgaarden, hooiweiden, poelen en vijvers … Het ‘Domaine du Fourneau Saint-Michel’ heeft dus niet meer de natuurlijke plantengroei die men nu aantreft in het Sint-Hubertuswoud. Je ziet er zeldzame planten en dieren die nog maar uitzonderlijk voorkomen in onze streken (wilde orchideeën, bevers …).

Een wereldreis in het woud


© P. Willems

‘Tsuga heterophylla’, zegt u dat iets ? Die Californische naaldboom met zijn dichte en mooi heldergroene begroeiing en zilveren weerschijn in de lente, heeft wortel geschoten in het arboretum van de ‘Fourneau Saint-Michel’. Net zoals de Japanse lariks, waarvan de naalden een oranjegele glans krijgen in de herfst.

Maar wat doen die twee exotische boomsoorten eigenlijk in het domein van het Ardense Sint-Michielswoud ? Het was koning Leopold II die dat arboretum in 1899 liet aanleggen om na te gaan in hoever exotische soorten zich konden aanpassen aan het klimaat en de bodem van de Ardennen “Dankzij observatie konden verscheidene soorten worden ingevoerd, waaronder de uit Oregon stammende Douglas-den”, zegt André Detroz, de boswachter van
de zone van Nassogne.

In het arboretum treft men tegenwoordig 67 harshoudende boomsoorten aan, alsook 37 loofboomsoorten. De twee hectaren zijn onderverdeeld in 86 percelen, waarvan elk één of meer soorten bevat. Een drie kilometer lang didactisch parcours doorkruist het terrein. “Schoolgroepen die hier op bezoek komen, maken een reis rond de wereld”, voegt de boswachter eraan toe. “Wanneer ik hun uitleg dat de sequoia, waarvan de indrukwekkende stam een diameter van twee meter heeft, oorspronkelijk uit de Sierra Nevada in Californië komt, zie ik hun ogen schitteren. Dat is Amerika ! ”

 

Fourneau Saint-Michel
Fourneau Saint-Michel 4
B-6870 Saint-Hubert
+32 (0) 84 210 890

www.fourneausaintmichel.be

 

Saint-Hubert, de Europese jachthoofdstad, is ook een plaats die tot beschouwing aanzet. Deze tocht door het Woud van Koning Albert, die langs de Fourneau Saint-Michel loopt, is een open boek over de fauna en flora van de streek.


Op deze winterochtend is het Sint-Hubertus-woud met rijm bedekt. Vóór de zon door de nevel breekt en warmte begint te geven, doen de eiken en beuken denken aan bevroren standbeelden. Met de glimlach en opgetogen omdat we door een van de mooiste streken van het land gaan fietsen, verlaten we Saint-Hubert langs de rue Saint-Michel. Na een kilometer slaan we rechtsaf en volgen de groene wegwijzers naar het wildpark. Het pad voert ons dan het woud binnen. De indrukwekkende beuken steken hoog boven ons uit en doen ons op Klein Duimpje lijken.

In dit grote Ardense woud trekken onze banden hun spoor over de pootafdrukken van de dieren. In de buurt van het veenmoeras van Le Bèyôli, worden we door het immense woud omringd als door nevelige herfstdraden, die de omtrekken ervan doen vervagen. Tot ons genoegen horen we alleen nog het geluid van onze banden … Op deze gemakkelijke wegen nemen we de geweldige luister van dit woud in ons op. Het is overal prachtig.

Na de afdaling langs de Palogne-beek, gaat de weg naar de Masblette-beek, die van rots tot rots springt en schittert, terwijl de beuken als zuilen het licht doorlaten gelijk in een kathedraal. Vooraleer die beek over te steken, kunnen we verder rijden tot aan het Arboretum Saint-Michel en zelfs tot op de historische plaatsen van het domein van de Fourneau Saint-Michel, waar we het IJzermuseum in openlucht (zie pagina 46) kunnen bezoeken.

Afstand : een parcours van 29 km langs het netwerk van bewegwijzerde routes voor mountainbikes.
Moeilijkheidsgraadhoog (voor elektrische fietsen).
Bewegwijzering : het traject volgt eerst route nr. 2 (groene bewegwijzering) en sluit dan aan op nr. 3 (gele bewegwijzering) via het traject van de GTA (Grande traversée des Ardennes of Grote Ardennentocht, met vierkante wit-gele bewegwijzeringsborden).
Vertrek : place du Fays in Saint-Hubert.

De abdij werd heropgebouwd in 1729 en is tot op heden een architecturaal juweel te midden van het Ardense woud.


De Sint-Hubertusabdij

In de 7e eeuw predikte Hubertus het Evangelie in een streek met een donker woud waarin het christendom slechts moeilijk kon doordringen. De heilige Hubertus werd de eerste bisschop van Luik en stierf in 727.
Zijn stoffelijk overschot werd overgebracht naar het centrum van de Ardennen, naar de verlaten hoogvlakte van Andage. Daar vestigden zich benedictijner-monniken, die er een abdij oprichtten, een van de oudste en de beroemdste van West-Europa. De verering van de heilige Hubertus zal de nieuwe nederzetting haar naam geven. In de 11e eeuw is de abdij voorspoedig en sticht ze verscheidene priorijen. Ze werd heropgebouwd in 1729 en is tot op heden een architecturaal juweel te midden van het Ardense woud.

Ijzer dat breekt


We schrijven 1780. De Sint-Hubertusabdij zit zonder geld ! De abt wil dat er hoogovens worden gebouwd, en wel in ijltempo ! Ambitieus als hij is, wil hij het monopolie van de Luikse metaalfabrikanten breken. Als vestiging wordt Saint-Michel gekozen. De plaats is ideaal. De wouden leveren de voor de hoogovens benodigde brandstof in de vorm van houtskool. En de snelstromende rivieren zorgen voor de energie om de balgen en de hamers (de ‘makas’) aan te drijven. “Het is de mooiste hoogoven van de provincie”, zegt de abt vol trots. Maar haast is zelden goed, want de mannen, die beter met een bijl kunnen omgaan, zijn onhandig. Het erts uit Jemelle is van slechte kwaliteit en de zaken beginnen slecht. Ver van de Ardennen, in de Nieuwe Wereld, bulderen de kanonnen : het is het begin van de Amerikaanse onafhankelijkheidsoorlog. Benjamin Franklin, die later president wordt, komt naar Europa om er wapens te kopen, veel wapens. In Luik hameren de ‘makas’ 24 uur op 24. De vurige stede wordt het arsenaal van de revolutionairen. De abt wil zijn deel van de koek en dus ook kanonnen bouwen. Dat is dan jammer voor de moraal ! Spijtig genoeg maakt de smidse de vuurmonden te snel, waardoor de ene na de andere ontploft … Wat een ramp ! De hoogoven, die zoveel rook en stof heeft uitgespuwd, wordt voorgoed gedoofd. Vandaag zijn het gebouw van de meester-smid, de kolenloods en de hoogoven nog intact en getuigen van de grootheidswaan van de ondernemende abt.

Het fabelachtige woud

De weg duikt dan opnieuw het woud in om route nr. 3 (gele bewegwijzering) te volgen, die sterk stijgt over bijna drie kilometer. In de buurt van Mochamps, een minuscuul gehuchtje van de gemeente Tenneville, zijn er hier en daar verscheidene observatieposten waar we onze ogen de kost kunnen geven en uitkijken naar het embleem van het woud, namelijk het rode hert.

Het nijvere woud

Terwijl de Ardense grond ondankbaar en moeilijk te bewerken is, kunnen de mensen in hun levensonderhoud voorzien door het woud. Het woud heeft beroepen doen ontstaan, die door de opkomst van de machines verdwenen zijn. Zo leefden er in de buurt van Mochamps, ten noorden van Saint-Hubert, klompenmakers en houtskoolbranders. Het maken van houtskool gebeurde op open plekken in het woud, zoals blijkt uit enkele nog zeer goed zichtbare daartoe bestemde putten langs de wegen. De kolenbrander stak het vuur aan hout dat was opgestapeld onder een met aarde bedekte hooischelf. Doordat het van de zuurstof was afgesneden, verkoolde het hout terwijl het brandde, wat wil zeggen dat het zijn vocht en zijn plantaardige stof verloor. Kolenbranders leefden verscheidene weken in het woud om die brandputten in het oog te houden, want die veroorzaakten dikwijls bosbranden.

Het gehucht Mochamps, waar nog steeds geen elektriciteit en waterleiding is, wordt tegenwoordig niet voortdurend meer bewoond !

De observatietoren van Priesse en het uitkijkpunt van Bilaude zijn merkwaardige constructies die opgaan in de natuur en van waaruit we de wilde dieren van nabij kunnen bekijken. In het boekje dat er ter attentie van de wandelaars ligt, noteren we de waarnemingen van die dag. Vanop de vijver ziet het landschap er prachtig uit.

Een beetje verder komen we aan het berkenbos van Rouge Poncé, dat in 1969 werd opgericht en dus een van de oudste natuurreservaten is van het Waals Gewest. Dit eigenaardige berkenbos strekt zich over 37 hectare uit op een turfgrond, zoals men die geregeld aantrof in de Ardennen, vóór de drooglegging ervan met het oog op de productie en de uitbating van naaldbomen. Dat berkenbos bestaat uit een opeenvolging van open en vochtig zones, waar men zeldzame soorten aantreft, zoals kraaihei, eenarig wollegras en een van de grootste schildvleugeligen in België, de lederloopkever of lederschallebijter.

We keren terug naar de Masblette-beek, waarlangs we een duizelingwekkende afdaling doen naar de Pont Colle. Links daarvan vinden we de Palogne-beek terug, alsook de route waarlangs we kwamen en die we nu over ongeveer een kilometer in de andere richting gaan volgen, tot we links afslaan en terug op route nr. 2 komen.

Het stille woud

De weg voert ons opnieuw het grote woud in, dat ons weer opslokt. Hoe meer we rijden, hoe dieper we onherroepelijk binnendringen in het woud dat zich eindeloos schijnt uit te strekken. Maar het is somber noch droevig. De loofbomen vangen een deel van het licht op, maar laten andere stralen door om de bodem, de beken en de rotsen te beschijnen. Van de ene klim naar de andere afdaling in het woud, glippen we met alle genoegen tussen de grote bomen door. Het pad mondt uit in een afgelegen vallei, waar hier en daar enkele berken staan te midden van een heideveld. Hoe rustig is het hier ! We sluiten de ogen en luisteren naar de stilte van die grote ruimte … Wie heeft er nooit van gedroomd in een wildernis te wandelen, zich er te herbronnen, er eindeloos in te rijden en er weer op adem te komen ? Wie dergelijke beschermde gebieden doorkruist langs het pad naast het veenmoeras van La Doneuse, voelt een eenvoudig geluk in zich opkomen. Dat brede dal werd in zijn vroegere staat hersteld door er de sparrenbossen uit te verwijderen. Zo krijgen heel wat Ardense valleien eindelijk hun oorspronkelijke toestand terug.

Maar we zijn bijna aan het einde van onze uitstap. De laatste kilometers van de weg sluiten geleidelijke aan op de rand van het woud, waarna de route afdaalt naar de abdij die uitsteekt boven het stadje Saint-Hubert, dat wordt omring door het grote woud dat we zopas tot onze onuitsprekelijke vreugde hebben doorkruist.

De beschrijving van deze uitstap is te danken aan het partnerschap met de uitgeverij Olivier Weyrich en werd ontleend aan de glossy “10-Découvertes”, die werd geschreven door twee fietsdeskundigen, Pierre Pauquay en Olivier Béart.

  

Diep in het Ardense Massief in de provincie Luxemburg ligt de gemeente Saint-Hubert, welbekend bij alle jagers. Saint-Hubert wordt omringd door weelderige natuur, maar koestert tegelijk een soort levenskunst die zowel de smulpapen als de liefhebbers van kunst en erfgoed zal verleiden.

Saint-Hubert is de Europese hoofdstad van de jacht en de natuur. Je zal de reden daarvan beter begrijpen als je de duizenden hectaren bos doorkruist die deze kleine gemeente met amper 5.000 inwoners omringen. In de herfst betreden talloze jagers deze wouden, op jacht naar everzwijnen, herten en reeën. De jacht maakt immers integraal deel uit van de geschiedenis van deze gemeente. Volgens de legende zou de heilige Hubertus, zoon van Bertrand, hertog van Aquitanië en bisschop van Luik (665-727), zich tot het christendom hebben bekeerd toen hij tijdens een jachtpartij in de buurt van Saint-Hubert een groot wit hert zag met een kruis in het gewei. Sint-Hubertus is de patroonheilige van de jagers.

Natuur en erfgoed

Natuur en jacht zijn alomtegenwoordig in het hart van dit stadje. Wel ziet de natuur er iets anders uit als hij op de borden ligt van de restaurants en andere eetgelegenheden die Saint-Hubert rijk is. Hun namen alleen al doen watertanden. Le coin gourmand, Le cor de Chasse, La table des Champions… De jagers en natuurliefhebbers in het algemeen hebben het hier naar hun zin, want Saint-Hubert staat open voor allerlei soorten jacht. Lekkerbekken zijn hier welkom, maar ook toeristen die belangstelling hebben voor geschiedenis, erfgoed en kunst. Dat belet hen trouwens niet om ook te vallen voor de charmes van de ‘borquin’, een lokale specialiteit in de vorm van een varkensworst die naar een oud recept is gemaakt. Liefhebbers van schilderkunst wandelen binnen in het museum Pierre-Joseph Redouté, de aquarellist die in 1759 in Saint- Hubert werd geboren. Die plek is een eerbetoon aan de zogenaamde ‘Raphael van de bloemen’, wereldberoemd voor zijn rozen. Talloze originele werken uit de tijd van Redouté (litho’s), gravures en voorwerpen worden er tentoongesteld. Ook de moeite waard is de kerk van Saint-Gilles-au- Pré, die beschouwd wordt als de oudste parochiale kerk van België. Aan het grote Place de l’Abbaye bevindt zich het Abtenpaleis (Le Quartier), opmerkelijk door zijn fraaie architectuur en zijn roze kleur. Het paleis werd gebouwd in 1729, toen Célestin De Jong hier abt was. Het was een waardige verblijfplaats voor de hoge genodigden, bezoekers of prelaten die hier kwamen. Nu worden er archieven bewaard en zijn er tentoonstellingsruimten. Naast het Abtenpaleis bevindt zich de basiliek van Saint-Hubert, die jaarlijks duizenden bezoekers en bedevaarders trekt.

Een architecturaal palet

‘Duizenden toeristen, bedevaarders en studenten in kunst of architectuur’, onderstreept meteen een van de plaatselijke gidsen. ‘Merkwaardig zijn de verschillende architecturale stijlen van de basiliek, die zich in de loop der eeuwen hebben opgestapeld.’ Inderdaad, hier hebben verschillende, almaar grotere abdijkerken elkaar opgevolgd om plaats te bieden aan zowel kloosterlingen als godvruchtige bedevaarders. De oorsprong van de basiliek gaat terug tot de 7de eeuw, maar het huidige gebouw dateert voornamelijk uit de 16de eeuw (1525-1564) en is opgetrokken uit kalksteen van de nabijgelegen steengroeven. De basiliek is een geschiedenisles over de evolutie van de architectuur en gaat van romaans, via weelderige gotiek en renaissance, tot de barokke gevel uit het begin van de 18de eeuw. Het gebouw is architecturaal waardevol maar herbergt ook diverse objecten. Aan de ingang zien we de standbeelden van de vier evangelisten, de heiligen Johannes, Lucas, Mattheus en Marcus, meesterwerken van de barokkunst. Ze werden in de 18de eeuw gemaakt van lindehout, in de ateliers van Guillaume Evrard, en werden onlangs gerestaureerd. Ook niet te missen zijn de twee grote doeken die het leven van Sint-Hubertus uitbeelden. Eén ervan toont hem op jacht, de dag dat hij het hert met het kruis in zijn gewei ziet en zijn leven − maar ook dat van de gemeente Saint-Hubert, die tot dan Andage heette − helemaal omgegooid wordt. Je kunt er ook het praalgraf bezoeken dat geschonken werd door koning Leopold I, al ligt de heilige Hubertus er niet in. Zijn lichaam blijft tot op heden onvindbaar. Een heilige stola herinnert ook aan de traditionele ‘taille’ die bedevaarders massaal kwamen vragen, in de hoop dat de patroonheilige van de jagers hen zou genezen van hondsdolheid. ‘De “taille” was een sneetje dat gemaakt werd in het voorhoofd van de zieke. Die snee werd met een gouden draad aangeraakt, afkomstig uit de stola van de heilige. Tot het begin van de 20ste eeuw kwamen mensen nog naar hier om zich zo te laten verzorgen’, legt de gids uit voordat hij de bezoekers naar hogere sferen roept. Dat mag je letterlijk nemen, want als je gereserveerd hebt, kan je naar boven in de kerk, tot helemaal in de klokkentoren. Het is een hele tocht, die je de 23 klokken laat ontdekken die samen het klokkenspel vormen. Dat werd in 2011, na 214 jaar afwezigheid, opnieuw ingehuldigd. Maar er zijn ook de indrukwekkende raamwerken en het grote ‘eekhoornrad’, dat gebruikt werd om stenen en hout voor de bouw naar boven te halen.

Verschillende, almaar grotere abdijkerken hebben elkaar hier opgevolgd om plaats te bieden aan zowel kloosterlingen als godvruchtige bedevaarders. De oorsprong van de basiliek gaat terug tot de 7de eeuw, maar het huidige gebouw dateert voornamelijk uit de 16de eeuw (1525- 1564) en is opgetrokken uit kalksteen van de nabijgelegen steengroeven.


Twee grote volksfeesten

In de winter lijkt de basiliek ingeslapen, verkleumd door de koude die zijn stenen soms doet barsten. Maar als de mooie dagen eraan komen, warmt hij zich op en weerklinken de stemmen van de toeristen en de bedevaarders uit Frankrijk, Italië of Duitsland, die soms te voet naar hier komen om Sint-Hubertus te eren. De sfeer wordt nog warmer bij twee grote bijeenkomsten. Elk jaar tijdens het eerste weekend van september viert Saint-Hubert de Internationale Dagen van de Jacht en de natuur. Om 11 uur klinken de jachthoorns in de basiliek, die dan bomvol zit. Op 3 november dan is er een grote mis voor het feest van Sint-Hubertus. Tijdens de eredienst wordt het brood gewijd en vervolgens worden de dieren gezegend, aan de uitgang van de basiliek. Typisch voor de verering zijn de kleine broodjes die in zijn naam gewijd worden. ‘Deze rituelen tonen de bescherming die de heilige biedt aan de jagers maar ook aan de dieren. De hele dag is er ook een ambachtsmarkt in het centrum’, verduidelijkt de toeristische dienst van de gemeente. Gezelligheid. Natuur. Traditie. Tafelgenoegens. Je komt altijd terug…

Elk jaar tijdens het eerste weekend van september viert Saint-Hubert de Internationale Dagen van de Jacht en de natuur. Om 11 uur klinken de jachthoorns in de bomvolle basiliek.


www.saint-hubert-tourisme.be

 

te zien en te doen in SAINT-HUBERT

Het Museum van de Kelten
Dit museum ligt in Libramont en laat je het leven ontdekken van de Galliërs en de Kelten, en wat ze hebben nagelaten. Dat gebeurt aan de hand van maquettes, reconstructies, interactieve installaties en merkwaardige archeologische vondsten: vaatwerk, werktuigen, juwelen, wapens, …

Fourneau Saint-Michel
Dit is het museum van het landelijke leven in Wallonië. Het bestaat uit 50 oude woningen en werkplaatsen die samengebracht zijn in een opmerkelijk natuurlandschap.

Het wildpark
Dit park ligt op minder dan twee kilometer van het centrum van Saint-Hubert en wordt doorkruist door talloze wandelpaden. Het toont de bezoeker de verscheidenheid van het wild in de Ardennen, in de natuurlijke omgeving van een bos. Je kunt er ruim honderd diersoorten ontdekken in een halfopen omgeving.

Het Centre Marcassou
De charcuterie van Marcassou, salamiworst en Ardense ham gemaakt naar aloude recepten, is ontstaan aan de Barrière de Champlon. De vroegere productieruimte is nu het Centre Marcassou. Een bezoek leert je hoe Ardense worst en ham gemaakt worden. En je kan er ook proeven.

De Dendronauten, de boomreizigers
‘Een ongewone mysterieuze reis, op zoek naar de geheimen en de charmes van het bos.’ Dat is de belofte van de Dendronauten, de boomreizigers. Concreet wil dat zeggen dat je hier een dagactiviteit kunt volgen waarbij je leert hoe je in bomen klimt, je zintuigen ontwikkelt en alles te weten komt over de mythes en legenden van het bomenrijk. Je kan zelfs een nacht in de bomen slapen.

Your opinion counts