- Patrimoine
Door Gilles Bechet
Tussen de koetsen van weleer en de studenten van nu heeft het kasteel La Berlière de tijd zien voorbijgaan, zonder dat het iets van zijn charme verloor.
Het kasteel La Berlière is een van de best bewaarde geheimen van Wallonië. Hoewel het als uitzonderlijk erfgoed beschermd is, wordt het slechts weinig bezocht. Tenzij door leergierige jongeren. In 1946 werd het kasteel immers gekocht door de paters Jozefieten, die er een middelbare school van maakten. Naar het schijnt herkennen de oud-leerlingen van de school elkaar omdat ze de typische roep kunnen nadoen van de pauwen die in het grote park van het domein lopen te schreeuwen. Als u jongeren ziet die elkaar op de schouder kloppen en met een ondeugend blik “léééonn” toeroepen, dan zijn het hoogstwaarschijnlijk oud-leerlingen.
In 1790 vraagt Balthasar d’Ennetières, de tiende baron van La Berlière, aan de Doornikse architect Antoine Payen om een nieuw kasteel voor hem te bouwen. Het vorige was immers door de revolutionaire troepen in brand gestoken. Het huidige kasteel, dat sinds 1790 maar weinig veranderd is, ligt aan de rand van een reeks vijvers, in het midden van het park dat enkele hectaren groot is. Vanaf de weg moet u door een bijna één kilometer lange schaduwrijke dreef lopen vooraleer u het U-vormige kasteel met zijn klassieke uitzicht kunt bewonderen. Vóór u het binnengaat, kunt u een blik werpen op het bordes, dat door twee elegante sfinxen bewaakt wordt en dat waarschijnlijk gebouwd is met ’s werelds grootste tegel van natuursteen.

De allegorie van de vier jaargetijden
Achter de weelderige grote hal van waaruit de eretrap vertrekt, liggen de salons die zich aan het schoolleven hebben moeten aanpassen. In die gelambriseerde kamers met stucwerkplafonds op de benedenverdieping ziet men nu tot zijn verbazing een lange toog van roestvrij staal en met formica beklede tafels, waaraan jongens en meisjes onder luid geroezemoes hun middagmaal verorberen. In een van die tot refter verbouwde salons, kunnen de jongelui een allegorie van de vier jaargetijden bewonderen die op het plafond geschilderd werd. In een andere ruimte is er ook een marmeren spoelbak met bloedrode vlekken, die gebruikt werd om de opbrengst van de jacht te reinigen! Sommige deurklinken zijn nog versierd met het familiewapen van Ennetières. De schilderijen en het houtwerk zijn trouwens de laatste elementen die in de jaren 1990 een grote restauratie ondergingen. De keukens in de kelder hebben nog hun volume en sommige inrichtingen die uit de 18de eeuw dateren, bewaard, maar die voor het overige modern zijn uitgerust, wat nodig is om de maaltijden van de leerlingen te bereiden. Op de verdieping bevindt zich de privéwoning van de pater directeur, alsook een kleine kapel die tegenwoordig door de leden van de congregatie wordt gebruikt, maar die nog steeds het balkon heeft dat vroeger voor het personeel van het kasteel diende. Het was onder graaf Adhémar d’Oultremont, die het kasteel in 1849 erfde, dat het zijn meest luisterrijke jaren kende. Samen met zijn echtgenote, prinses Clémentine de Croÿ, verbouwde en verfraaide de graaf het kasteel. Getuige daarvan is de Franse tuin die hij liet aanleggen aan de voorzijde van het kasteel, in het verlengde van de erelaan die recht naar de toegangspoort leidt. Alleen al voor het onderhoud waren er toen zowat veertig tuinarbeiders uit het dorp nodig. De vrouwen stonden in voor het onderhoud van de paden en voor de juiste volgorde van de vijf reeksen keien: twee blauwe, één witte, twee blauwe. De tuin bestaat nog steeds, maar het onderhoud ervan vergt nu tienmaal minder personeel. De vijver van La Berlière, waar de kleine Watereppe (berle) of wilde selderij groeit die het kasteel zijn naam gaf, werd uitgebreid met drie op elkaar volgende waterpartijen met telkens een charmante aanlegsteiger in Japanse stijl, en met een kanaal waaruit men vroeger in de winter ijs voor de ijskelder hakte.
Internationale faam
Het echtpaar, dat bekendstond voor het “gelukkige en eenvoudige” leven dat het leidde, bezat niettemin paardenstallen die tot de best voorziene van het koninkrijk behoorden. Ze herbergden een zeventigtal spannen van allerlei aard en een dertigtal paarden die speciaal waren gedresseerd voor lange jachtpartijen, waaraan gekroonde hoofden uit heel Europa deelnamen, onder wie Albert I. In de stallen zijn nu het internaat en de leslokalen ondergebracht. In de jaren 1950 werd een van de stallen verbouwd tot kapel voor de leerlingen. Men ziet er bouwstijlen uit verscheidene periodes naast elkaar, zoals zuilen van gepolijste natuursteen en glasramen met gekleurde geometrische vormen.

Aan de andere kant van de Franse tuin staan de gebouwen van de vroegere modelhoeve. Die indertijd spitstechnologische installaties waren tot ver buiten onze grenzen bekend. Men ziet er nog de boxen met hun onderbouw van baksteen voor de trekdieren, alsook de sporen van het wagonnetjessysteem dat gebouwd werd om de mest uit het varkensteeltcentrum af te voeren. Wanneer men met zijn rug naar de hoeve staat, is het vroegere jachtpaviljoen, waarin graaf Adhémar zijn fotoatelier onderbracht, zichtbaar. Met zijn door klimop bedekte bakstenen muren en zijn merkwaardig hoektorentje van gekleurde keramiektegels heeft het jachtpaviljoen een zeer victoriaanse aandoende charme. In 1991 nam Pierre Granier-Deferre er trouwens zijn film “Archipel” met Michel Piccoli op, waarvoor La Berlière de rol van een Engels college speelde. In 1893 overleed gravin Clémentine op 36-jarige leeftijd. De ontroostbare Adhémar liet op het kerkhof van Houtaing een mausoleum bouwen voor zijn dierbare overledene. Dat achthoekig neogotisch monument werd door de Brusselse architect Victor Evrard ontworpen naar het voorbeeld van het gedenkteken voor Leopold I in het park van Laken. Onder de kapel ligt een crypte met 14 grafkelders voor de kasteelbewoners en hun nakomelingen. Opdat hij elk uur van de dag en de nacht de spits van het mausoleum zou kunnen zien, liet de graaf enkele tientallen bomen verplaatsen naar de rand van het park, om zo een doorkijk te maken naar de op 2 km van het kasteel gelegen kapel. Vandaag kan men, vanaf het terras van het salon en tussen de groter geworden bomen, nog vaag het gekartelde profiel van het gebouw zien. Als uitzonderlijk beschermd erfgoed van Wallonië werd het mausoleum in de jaren 2000 uitvoerig gerestaureerd. Het is privébezit en wordt slechts tweemaal per jaar opengesteld, namelijk naar aanleiding van de erfgoeddagen en van de grafzegening op 2 november. Terzelfder tijd als het mausoleum liet graaf d’Oultremont een rusthuis bouwen, waarin het personeel van het kasteel een comfortabele oude dag zou kunnen slijten. Dat gebouw is te huur gesteld en wordt momenteel door de eigenaar ervan gerestaureerd. Op de hoek van de Rue du Carnier, in de buurt van het rusthuis, kan men een rond bekken zien, waar de paarden die de koetsen van het kasteel trokken, kwamen drinken. Er is ook een bankje waarop de bewoners van Houtaing graag komen zitten om dromerig te kijken naar het onbeweeglijke wateroppervlak van het bekken en daarbij misschien denken aan de zachte Clémentine.
INLICHTINgen:
HET ELIXIR VAN CLÉMENTINE
Het was bijna per toeval dat Beatrice Roucour uit Bergen zich in Houtaing kwam vestigen. Vanuit haar tuin kan ze het mausoleum zien. Ze kwam dan ook al vlug in de ban van het gebouw en stak al haar energie in het oprichten van een vereniging voor het behoud van het monument. Bij het uitpluizen van het archief van de familie d’Oultremont vond ze het recept van een verfrissende drank die Clementine haar genodigden aanbood en die bestond uit bronwater, citroensap, amandelsiroop en een geheim ingredient. Zo ontstond de Climonade, die met Ardens bronwater wordt gemaakt door een limonadefabrikant uit de provincie Luxemburg. Deze licht bruisende drank, wordt al geserveerd in enkele selecte gelegenheden in Brussel en Wallonie. De Climonade wordt koud gedronken, met ijsblokjes of in een cocktail, en is verrassend zacht.
