Waw magazine

Waw magazine

Menu

DOET DE KRACHT VAN ENZYMEN HERLEVEN


George en Gordon Blackman

Realco is een pionier op het gebied van enzymatische hygiëneoplossingen, die 100% biologisch afbreekbaar zijn.
Het bedrijf, dat sinds 1995 in Louvain-la-Neuve is gevestigd, versterkt nu zijn marktleiderschap door uitbreiding naar het buitenland.


Escherichia coli, Salmonella en Listeria zijn enkele voorbeelden van onzichtbare organismen die mogelijk verwoestende gevolgen kunnen hebben voor de voedingsmiddelenindustrie en grootkeukens. Lange tijd vertrouwde men uitsluitend op chemische middelen om deze ziekmakende bacteriën klein te krijgen. De komst van Realco heeft de regels van dit gevecht om de gezondheid ingrijpend veranderd. Dit bedrijf, dat in 1991 werd overgenomen door Gordon Blackman, heeft namelijk de bijzondere eigenschappen van natuurlijke enzymen ontdekt en reinigings- en waterzuiveringsproducten op de markt gebracht die 100 % biologisch afbreekbaar zijn.

Vier werkterreinen

Realco is actief in vier bedrijfssectoren. Het belangrijkste qua volume is de voedingsmiddelenindustrie, die onderverdeeld kan worden in industriële productiebedrijven en grootkeukens. Hier maakt Realco de dagelijkse reiniging van productielijnen en installaties mogelijk. Daarnaast zijn er de producten die bestemd zijn voor hygiëne in huis, waaronder de eezym-lijn, die in supermarkten worden verkocht. Hoewel het door de komst van het coronavirus steeds belangrijker is om het huis te ontsmetten, kan men bepaalde chemische ontsmettingsmiddelen beter niet te veel gebruiken. Op lange termijn kunnen bacteriën er namelijk resistent van worden. De natuurlijke enzymen in de producten van Realco breken het vuil af en garanderen daarbij een grondige reiniging die de bacteriën aanpakt maar het milieu ontziet. Verder is er een productlijn voor de reiniging van zwembaden verkrijgbaar die plotseling in trek was tijdens de lockdown. Tot slot is OneLife een dochteronderneming die zich richt op de ontsmetting van ziekenhuisomgevingen.

Met hulp van de UCL en het INRA

Sinds het begin werkt Realco nauw samen met universiteitslaboratoria. Zo kon Realco dankzij de wetenschappelijke inbreng van de UCL en het INRA (Franse nationaal instituut voor landbouwkundig onderzoek) de aanwezigheid van biofilms aantonen en oplossingen toepassen om deze te verwijderen. Een biofilm is een beschermende matrix die wordt gevormd door de ophoping van bacteriën en die zeer moeilijk te vernietigen is met traditionele reinigings- en ontsmettingsmiddelen. Dat komt omdat de bacteriën in een biofilm tot duizend keer resistenter zijn dan bacteriën in de vorm van planktoncellen. Door zijn aanbod van enzymatische producten kan Realco een preventieve en curatieve behandeling van biofilms garanderen.

De expansiestrategie van het bedrijf draait om onderzoek en ontwikkeling. Niet alleen om de bestaande producten voortdurend verder te verbeteren, maar ook om nieuwe producten of protocollen te ontwikkelen. “We hebben drie jaar gewerkt aan een enzymatisch reinigingsproces voor productielijnen, waardoor bedrijven uit de voedingsmiddelenindustrie de uiterste gebruiksdatum van hun producten kunnen verlengen. Deze resultaten zijn overigens bevestigd door de publicatie van een artikel in een wetenschappelijk tijdschrift.


De natuurlijke enzymen uit de producten van Realco breken het vuil af op een milieuvriendelijke wijze.

De vooroordelen tegen ‘groene chemie’

Realco kent geen echte concurrentie voor zijn producten, maar moet toch altijd rekening houden met onbegrip en hardnekkige vooroordelen ten aanzien van ‘groene chemie’. “Het idee dat ecologische producten minder goed werken dan traditionele producten, leeft nog steeds bij een deel van het publiek. Omdat onze prijs iets hoger is, aarzelen sommige mensen om de sprong te wagen. Gelukkig krijgen we feedback van consumenten die de werkzaamheid van onze oplossingen benadrukken en bewijzen dat we gelijk hebben.

Voor Realco is groene chemie meer dan alleen een slogan. Het bedrijf heeft trouwens een milieuhandvest ondertekend dat een milieuvriendelijk afval- en energiebeheer bevordert en het personeel aanmoedigt om de fiets te nemen voor alle korte afstanden.

Dochterondernemingen in het buitenland

Naast de verkoop van zijn producten verleent het bedrijf ook advies- en begeleidingsdiensten. Zo kan Realco zijn klanten helpen om de beste hygiënestrategie te formuleren door eerst de bacteriën te identificeren en vervolgens het meest geschikte product te kiezen. “Bedrijven hebben vaak reinigingsprotocollen die goed werken, maar niet altijd foutloos zijn. We proberen aansluiting bij het proces te vinden om het nog efficiënter te maken.

Realco is via een netwerk van partners en distributeurs vrijwel overal aanwezig in het buitenland en wil zich bovendien via dochterondernemingen in andere werelddelen vestigen. Omdat de Belgische dreumes het op wereldniveau moet opnemen tegen grote ondernemingen, is het van het grootste belang om stevig voet aan de grond te hebben in het buitenland. “We hebben een dochteronderneming genaamd Realzyme in de Verenigde Staten, waar drie mensen werken. En we zijn de meest geschikte locatie aan het evalueren om een dochteronderneming in Azië te openen.

Eerst brand, toen het coronavirus!

2020 zal in twee opzichten een gedenkwaardig jaar zijn in de geschiedenis van Realco, dat tegenwoordig wordt geleid door George Blackman. In januari werden de productie- en opslagruimtes van het bedrijf in het wetenschapspark van Louvain-la-Neuve volledig door brand verwoest. Gelukkig vielen er geen slachtoffers en bleven de managementstructuur en R&D-voorzieningen onaangetast. Twee maanden later sloeg de coronapandemie toe en ging de hele planeet in lockdown ! Het bedrijf, dat werkt biedt aan 53 mensen, heeft deze twee zware klappen gelukkig zonder langetermijnschade doorstaan.

We hebben niemand hoeven te ontslaan”, zegt productmanager Valentine Neirynck verheugd. “Het personeel stelde zich heel flexibel op. Sommige functies moesten natuurlijk tijdelijk anders worden ingevuld. Er waren bijvoorbeeld verkopers die op de verpakkingsafdeling kwamen helpen. Het is echt aan de betrokkenheid van onze medewerkers te danken dat we de moeilijkheden te boven zijn gekomen.

De continuïteit ten opzichte van de klanten kon gewaarborgd worden door samen te werken met onderaannemers. “We konden rekenen op de voorraden die nog beschikbaar waren bij partners en distributeurs. En door de inzet van onderaannemers konden we de productie binnen zes weken weer hervatten.

Het is nog niet te overzien hoe verstrekkend de gevolgen van de coronapandemie zijn, maar één ding is wel duidelijk : ontsmetting en hygiëne staan meer dan ooit op de agenda ! Hoewel zijn producten en basisactiviteiten niet direct getroffen waren, heeft Realco zijn steentje bijgedragen door de productie van hydroalcoholische gel, die volgens een zorgvuldig vastgelegde formule gemaakt moet worden. “Mede hierdoor konden we het hoofd boven water houden.”


www.realco.be

OF DE VUURSTEENREVOLUTIE

In het op 6 kilometer van Bergen gelegen Spiennes bevindt zich een groot netwerk van mijngangen die door mensen uit het Neolithicum werden gegraven voor het ontginnen van silex of vuursteen. Die uitzonderlijke site van het Waalse erfgoed, die dit jaar het feit viert dat ze twee decennia geleden werd erkend door de Unesco, werd verrijkt met een interpretatiecentrum.

 


© AWaP-SPW

Tijdens het Neolithicum werd de vuursteenmijn van Spiennes bijna tweeduizend jaar lang ontgonnen, namelijk tussen 4350 en 2300 vóór onze tijdrekening. Een tijdschaal die ons doet duizelen in een periode waarin alles zo snel verandert. Eeuw na eeuw zijn mannen in verticale putten van soms zestien meter diep afgedaald om er de kostbare rots uit te halen met houwelen en gereedschap van silex. In die tijd was er wegens de permanente vestiging en de ontwikkeling van de landbouw nieuw gereedschap nodig, zoals hakwerktuigen van gepolijste silex om het terrein van struikgewas te ontdoen en om bomen te vellen. Silex, die overvloedig aanwezig is in de streek, biedt het voordeel dat hij gemakkelijk kan worden gespleten en dan harde en scherpe ribben vertoont. Het gebruik ervan vormt een grote stap vooruit in de culturele en technologische evolutie van de voorhistorische mens.

Het gebruik van Silex betekent een grote stap vooruit in de culturele en technologische evolutie van de voorhistorische mens.


10.000 tot 40.000 putten

De resten van de mijnen van Spiennes, die in de 19e eeuw opnieuw werden ontdekt en in december 2000 op de werelderfgoedlijst van de Unesco werden geplaatst, bestrijken een honderdtal hectare over twee zones, Camp-à-Cayaux en Petit Spiennes, die aan weerszijden van het Trouille-dal liggen. Op 140 jaar konden slechts een vijftiental putten worden onderzocht, terwijl er volgens de ramingen 10.000 tot 40.000 dergelijke putten op de site liggen. Zelfs verscheidene generaties van archeologen zullen dat werk nooit kunnen afmaken. Het Waalse Erfgoedagentschap wil dus vooral de resten van die mijnbouw beschermen en bestuderen.

Spiennes maakt deel uit van een niet-doorlopend geheel dat zich over heel Europa uitstrekt en bijna 200 sites telt. Spiennes is echter uitzonderlijk omdat het zo uitgestrekt is en soms twee silexbanken bevat, waarvoor er bredere gangen nodig waren, waarin de huidige bezoekers rechtop kunnen staan. “Het is een belangrijke site voor het onderzoek naar silex”, zegt Hélène Collet, archeologe bij het Waalse Erfgoedagentschap. “De site is ook een unieke getuige van het begin van de mijnontginning. Er zijn niet veel archeologische sites en nog minder prehistorische die op de erfgoedlijst van de Unesco staan.

Op 140 jaar konden slechts een vijftiental putten worden onderzocht, terwijl er volgens de ramingen 10.000 tot 40.000 dergelijke putten op de site liggen.

 


© AWaP-SPW

Het Silex’s-interpretatiecentrum

In tegenstelling tot de latere periodes, is prehistorische archeologie zelden spectaculair. Ze moet in het juiste perspectief worden geplaatst en er is heel wat uitleg voor nodig. Het is in die optiek dat het in 2015 ingewijde Silex’s-interpretatiecentrum werd opgevat. Het door architect Etienne Holoffe ontworpen gebouw werd als een kroon op de opgravingssite geplaatst en omvat zowel didactische elementen als producten van de opgravingen. Vitrines en didactische panelen geven toelichting bij het Neolithicum in China, Amerika, het Nabije Oosten en Europa; pas daarna besteden ze aandacht aan Spiennes. De opgegraven stukken geven ons een beter inzicht in de technieken die voor het ontginnen van silex werden gebruikt, alsook een kijk op het dagelijks leven van de bewoners van 6000 jaar geleden.

Bezoek van de mijngangen

Langs een loopbrug krijgen we toegang tot de putten en de gangen van de mijn. Het bezoek verloopt in speciale omstandigheden en wie aan claustrofobie lijdt, blijft er beter weg. Het bezoek gebeurt in kleine groepjes en enkel op afspraak. De bezoekers krijgen een veiligheidsharnas en een helm. Dan dalen ze langs een metalen ladder af tot in de gangen, die een tiental meter diep liggen en waar een ruimte van 100 m2 werd vrijgemaakt. Daar worden de bezoekers niet aan zichzelf overgelaten, want op die uitzonderlijke plaats kunnen zich in elke wand sporen uit een ver verleden bevinden: nu eens zitten er werktuigen of gebeenten aan de oppervlakte van de rots, dan weer fossielen van dieren die leefden in de zeeën die 70 miljoen jaar geleden de streek overdekten.


© SRPH

De resten van de mijnen van Spiennes bestrijken een honderdtal hectare over twee zones, Camp-à-Cayaux en Petit Spiennes, die aan weerszijden van het Trouille-dal liggen.


Een opgegraven dorp

Tijdens de opgravingswerken hebben de archeologen de resten blootgelegd van een dorp dat tussen 4000 en 3500 vóór onze tijdrekening werd gebouwd door de gemeenschappen die de mijn ontgonnen. Ze hebben ook werkruimten voor het hakken van silex blootgelegd, want dat gebeurde meestal op de ontginningsplaats zelf, terwijl het polijsten, dat meer tijd en geduld vergde, ook op andere plekken kon worden uitgevoerd. In die werkplaatsen werd de opgegraven silex in stukken verdeeld. Men trof er ook ‘mislukte’ silexstenen aan, die verkeerd gehakt of gebroken waren tijdens het bewerken of het hakken.

Dankzij de opgravingen die twintig jaar lang werden uitgevoerd door het Waals Erfgoedagentschap en de Maatschappij voor Prehistorisch Onderzoek in Henegouwen, kon er enorm veel vooruitgang worden geboekt betreffende het kennen en begrijpen van het leven van de mijnwerkersgemeenschappen uit het Neolithicum. Soms werden er heel onverwachte en opzienbarende ontdekkingen gedaan, zoals die van de haast volledige gebeenten van een volwassen man en van een zuigeling, die werden aangetroffen in een van de putten die ongetwijfeld als begraafplaats werden gebruikt.

Maar de interessantste ontdekkingen hebben dikwijls betrekking op het ontginnen van een materiaal dat in de 19e eeuw zou worden verwaarloosd”, benadrukt de archeologe. Bij het fijnzeven van aarde en rotsresten, vindt men graankorrels en beenderfragmenten die veel te vertellen hebben …

Twintig jaar opgravingswerk leverde bijzonder veel ontdekkingen op. En er valt nog heel wat te onderzoeken.


Twintig jaar ontdekkingen

Dankzij tarwekorrels en pollen, bijvoorbeeld, kon men een reconstructie maken van het omliggende landschap, dat werd gekenmerkt door de aanwezigheid van een lindewoud met veel hazelaars en meidoorns. Ze leren ons ook iets over het voedsel van die gemeenschappen, dat onder meer bestond uit emerkoren, de eerste tarwe die door de mens werd geteeld, uit peulgewassen (erwten of wikkes) en hazelnoten.

Archeologen doen veel meer dan het verzamelen van voorwerpen en sporen uit het verre verleden”, legt Hélène Collet uit.Er is ook een prospectieve aanpak, die begint met het ontleden en interpreteren van zelfs de kleinste vondsten. Gebeenten en karkassen van foetussen bewijzen bijvoorbeeld dat die bewoners zwijnen en runderen voor consumptie kweekten. Met onkruid vermengde tarwe doet vermoeden dat er velden waren.

Twintig jaar opgravingswerk leverde bijzonder veel ontdekkingen op. En er valt nog heel wat te onderzoeken. “We weten weinig over mijnbouw in de prehistorie. Het is een werk dat veel geld kost, maar gelukkig worden we al twintig jaar gesteund door het Waalse Erfgoedagentschap. Het is een boeiende en belangrijke opdracht, die ons voortdurend met onze menselijkheid confronteert. Wanneer we gehakte of gepolijste silex vinden, is dat niet zomaar een stuk rots, maar het gereedschap van een mijnwerker van 6000 jaar geleden. Gereedschap dat ontelbare op te lossen vragen doet rijzen.

Naar aanleiding van de Erfgoeddagen 2020, vinden er rondleidingen plaats op 12 en 23 september.

www.minesdespiennes.org

www.silexs.mons.be


© AWaP-SPW

VUURSTENEN VOOR GEWEREN

Silex werd niet enkel in het Neolithicum ontgonnen in Spiennes, maar later ook nog een beetje in de 19e eeuw. Die, zoals dikwijls toevallige, ontdekking gebeurde bij preventieve opgravingen in de lente van 2017. Een ondernemer die een wijngaard wilde aanleggen op de zuidelijke helling van de hoogvlakte van ‘Petit-Spiennes’ in Nouvelles, nam contact op met het Waals Erfgoedagentschap, dat archeologische sleuven groef waardoor er interessante sporen van silexontginning werden ontdekt, alsmede een zone voor het maken van vuurstenen, die volgens schriftelijke bronnen bestond tussen 1819 en 1833.

Sinds de uitvinding van de haakbus werden de patronen ontstoken door middel van een silexplaatje. Zolang onze streken door Frankrijk werden overheerst, werden de vuurstenen aangevoerd vanuit het departement Loir-et-Cher. Onder de Nederlandse overheersing begon de plaatselijke bevolking op de site van Spiennes een bescheiden ontginning om in haar behoeften te voorzien. Lang heeft die niet geduurd, door de opkomst, in de helft van de 19e eeuw, van slagplaatjes en slaghoedjes met fulminaat werd de vroegere techniek immers voorbijgestreefd.

Om die kwetsbare resten te beveiligen, werd er één hectare van het wijngaardproject afgezonderd en beschermd als archeologisch erfgoed.

 

HET WILDE WOUD VOOR IEDEREEN

In dit uitgestrekte bosdomein in Theux, aan de voet van de Hoge Venen, overheerst de natuur op twee manieren. In het dierenpark komen de wilde dieren uit onze streken tot hun recht, terwijl het avonturenpark een hele reeks uitzonderlijke boomklimtrajecten aanbiedt.


Om sporen te vinden van de laatste wilde beren in de Waalse wouden, moet je al teruggaan tot de 12
e eeuw. Sindsdien leefde die zoolganger nog enkel voort in onze verbeelding, in soms angstaanjagende en soms onschuldige en geruststellende sprookjes en verhalen. We kijken dus altijd met gemengde gevoelens naar de wijze waarop die fascinerende dieren ravotten in de streken die ooit hun natuurlijke omgeving vormden. Net zoals wolven, lynxen, bizons en nog vele andere dieren, vind je die beren nu terug in het dierenpark van Forestia, waar ze in halve vrijheid leven.

Dit aan de voet van de Hoge Venen gelegen domein van 44 hectare ontstond in de jaren 70 als wildpark. Privéondernemers die zeer onder de indruk waren van de prachtige site, besloten in 2002 om er het middelpunt van een activiteitenpark van te maken, dat voor iedereen open zou staan. De nieuwe beheerders, die zich lieten inspireren door het unieke naast elkaar bestaan van loof en naaldbomen, kwamen op het idee daar de eerste boomklimtrajecten in België uit te zetten.

Elf boomklimtrajecten

We zochten informatie in verscheidene landen, zoals in Frankrijk, waar het concept ontstond op initiatief van technici uit wintersportcentra die nieuwe activiteiten zochten voor de zomer, maar ook in Canada en in Polen”, vertelt Philippe Lafontaine, de directeur van het park. “Daarna hebben we contact opgenomen met touwtechnici voor het uitwerken van ons concept, dat we in de loop der jaren hebben aangepast om het beter en aangenamer voor de gebruikers te maken.

Nu bestaat het avonturenpark uit elf trajecten met obstakels waarvan de moeilijkheidsgraad verschilt. De deelnemers gaan over loopbruggen die tussen de stammen of het gebladerte van de bomen zijn gespannen op hoogten tussen 2 en 17 meter, met een uniek uitzicht. “We hebben de trajecten zo uitgestippeld, dat hele gezinnen ze veilig en begeleid kunnen afleggen. Zelfs kinderen vanaf 4 jaar kunnen eraan deelnemen. We hebben zelfs een klein traject voor peuters vanaf 2 jaar. Met helmpjes op en klimgordeltjes aan, kunnen ze daar aan ramping doen, wat ze heel leuk en avontuurlijk vinden.” Naast het Coccinelle-traject voor kinderen vanaf 4 jaar en het Puma-traject voor de liefhebbers van sterke gewaarwordingen, is er een aanbod voor elk wat wils en voor alle mogelijke lichaamscondities.

We kijken dus altijd met gemengde gevoelens naar de wijze waarop die fascinerende dieren ravotten in de streken die ooit hun natuurlijke omgeving vormden.


Forestia
Rue du Parc 1
B-4910 Theux
+32 (0) 87 54 10 75

www.forestia.be

300 dieren, 30 soorten

Het dierenpark is opgevat als een uitnodiging om 3 tot 5 kilometer te wandelen tussen omheinde erven waar driehonderd dieren van een dertigtal verschillende soorten leven. “De erven zijn soms zo groot, dat je wel eens 5 tot 10 minuten stil moet blijven staan eer je de dieren ziet. Uiteindelijk zie je ze altijd, want het traject is zodanig uitgetekend, dat je helemaal rond de erven loopt. Alles is ontworpen opdat je vroeg of laat de dieren zou zien. Je moet enkel een beetje geduld hebben.

Er zijn zes beren, drie bruine en drie zwarte. Die laatste zijn wat kleiner en ze kwamen ook later in het park. Ze werden geschonken door een Amerikaans opvangasiel, dat ze na de dood van hun moeder in het woud had aangetroffen. Ze werden ondergebracht op een groot erf, dat gescheiden is van dat van de bruine beren en ze hebben zich perfect aangepast. Er zijn ook acht uit Canada afkomstige wolven, die nu een volledig in het Waalse woud geïntegreerde meute vormen. Forestia heeft besloten die dieren te steriliseren om te vermijden dat ze zich zouden voortplanten. “Er zijn in de wereld al genoeg dieren die op slechte wijze worden gevangen gehouden, dat we er nog niet méér willen laten geboren worden.” Ondanks die voorzorgen, kunnen er toch onverwacht nieuwe komen, zoals Kinder, in 2010, een prachtig beertje van Gamin en Fifille, de twee beren die vanaf het begin in het park aanwezig waren.

Didactische trajecten

Als dicht bij de natuur gelegen wandelpark, heeft Forestia ook besloten geen opvoeringen te organiseren, die niet altijd van goede smaak getuigen, maar liever didactische uiteenzettingen te geven, tijdens dewelke beren en wolven zich laten zien om de hun aangeboden versnaperingen op te eten. Om de ter beschikking van de bezoekers gestelde voorzieningen aan te vullen, biedt de Forest Bar gezellige gezinsmaaltijden aan. “We hebben gekozen voor kwaliteit en zorgen voor bediening aan tafel. Bij ons vind je geen plateaus van plastic en hoef je niet eindeloos aan te schuiven, zoals in sommige pretparken.

“ Alles is ontworpen opdat je vroeg of laat de dieren zou zien. Je moet enkel een beetje geduld hebben.”


Ondanks de economische weerslag van de door het coronavirus veroorzaakte crisis, ziet Philippe Lafontaine de toekomst met vertrouwen tegemoet. Forestia zal, zoals altijd, blijven evolueren met nieuwe activiteiten, waarover hij nu nog niet wilt spreken. “Wat niet zal veranderen, is dat we trouw zullen blijven aan ons DNA, dat gebaseerd is op het verwelkomen van een familiaal publiek in een nabije natuur, waar dieren uit de noordelijke streken van Europa leven.

DIERENKLINIEK ‘LE MARTINET’

Wat het publiek niet ziet, is dat er in Forestia ook een VZW bestaat die belangrijk werk levert, waardoor gewonde of verzwakte wilde dieren hun natuurlijke habitat kunnen terugvinden. ‘Le Martinet’, die op de site gevestigd is sinds 2011, is tegenwoordig het belangrijkste CREAVES-centrum (revalidatiecentrum voor in het wild levende diersoorten) van Wallonië. Elk jaar worden daar 1200 tot 1300 dieren opgevangen en verzorgd, vooraleer ze weer in vrijheid worden gesteld. Vogels vormen 80% van de klanten van die kliniek. Daar zijn veel roofvogels bij, maar ook kleinere vogels zoals merels en mussen, waaraan de dertig vrijwilligers en de drie dierenartsen evenveel aandacht besteden. Alle opgenomen dieren werden door het publiek in de natuur aangetroffen en werden tijdens de opvanguren of via de 24 op 24 uur toegankelijke opvanginfrastructuur binnengebracht.

Tot groot genoegen van het team, kan 65% van de gevonden en naar het centrum gebrachte dieren na verzorging en herstel terugkeren naar hun natuurlijke omgeving. “Elk dierlijk leven is belangrijk. Wanneer we een ooievaar weer zien wegvliegen of een egel naar zijn schuilplaats zien weerkeren, zijn we tevreden omdat we een bijdrage hebben kunnen leveren aan de natuurlijke keten”, besluit Mélanie Krings, die aan het hoofd van de VZW staat.

 

le Martinet
+32 (0) 496 76 83 55

www.lemartinet.be

een vrouwelijke vanzelfsprekendheid

Vrouwen en digitale technologie?
De vijf kunstenaars die we hebben ontmoet en die aan of met verschillende soorten nieuwe technologieën werken, bewijzen dat deze voor hen een middel zijn om zich te uiten en verbinding te maken met de wereld. Ze zijn dus geen doel op zich.

 
Virginie Pierre :

“Hoe hebben we ooit zonder zulke hulpmiddelen kunnen leven?”

Digitale technologie gaat vrouwen overal redden.” Deze nogal profetische bewering is van Virginie Pierre, een multi-actieve vrouw die zich beweegt tussen vrouwelijk ondernemerschap (ze werkte als projectleider voor het Diane-netwerk van de UCM) en de kunstwereld (ze was curator van tentoonstellingen). Tegenwoordig staat er ‘International Poetic Business Developer’ op haar visitekaartje. Naast andere activiteiten helpt ze om vrouwelijke kunstenaars te promoten en leidt ze projecten in alle uithoeken van de wereld.

Toen ik geboren werd, hadden telefoons nog een kiesschijf”, zegt ze lachend. “Dankzij internet kon ik op afstand werken en bij mijn kinderen zijn, maar ook kunstenaars en projecten in alle delen van de wereld promoten. Het is enorm belangrijk voor de zichtbaarheid van kunstenaars, want hierdoor kunnen ze overal meer bekendheid geven aan hun werk, zelfs wanneer ze ver van de grote stedelijke centra wonen. Achteraf beschouwd vraag ik me af hoe we ooit zonder zulke hulpmiddelen hebben kunnen leven ...

Hoewel ze toegeeft dat het niet altijd voor alle vrouwen eenvoudig is, wantrouwt Virginie Pierre onderzoeken die verkondigen dat vrouwen terughoudend zijn tegenover digitale technologie. “Mijn ervaring is dat vrouwen in Wallonië, net als overal in de wereld, bezit hebben genomen van internet. En ze zijn op sociale media aanwezig om hun projecten te stimuleren. Daarbij wil ik aantekenen dat ik niet geloof in de angst voor ontmenselijking die rond deze media hangt. Ze vormen in de eerste plaats een hulpmiddel dat onze banden versterkt. Sociale media stimuleren betekent voor mij dat je ze een ziel geeft.”

De kunstenaars die we in dit minidossier presenteren, bevestigen deze woorden. Voor dj Ada Lattanzi is de digitale techniek nooit een belemmering geweest om haar passie te uiten en heeft ze nooit het gevoel gehad dat haar vrouw-zijn ook maar enig nadeel kon opleveren. Integendeel. Terwijl het internet ons overspoelt, nodigt actrice Valérie Cordy ons uit om ons niet te laten tegenhouden door de technologie en er niet in te verdrinken, maar juist te kijken wat ze van ons maakt. Hetzelfde doet choreografe Julie Bougard in haar voorstelling Stream Dream, waarin het haar lukt om het effect van videogames op ons leven op te roepen zonder ook maar één beeld op de planken te laten zien. Filmmaakster Guionne Leroy leeft alleen voor CGI, want deze techniek ontwikkelt de creativiteit en de teamgeest.

“Daarbij wil ik aantekenen dat ik niet geloof in de angst voor ontmenselijking die rond deze media hangt. Ze vormen in de eerste plaats een hulpmiddel dat onze banden versterkt. Sociale media stimuleren betekent voor mij dat je ze een ziel geeft.”

 
Het is waar dat we achterlopen op de toekomst”, gaat Virginie Pierre verder. “Er is nog voorlichting nodig. Naar het voorbeeld van bepaalde Scandinavische landen denk ik dat kinderen vanaf zeer jonge leeftijd moeten leren programmeren, net zoals ze leren lezen.

Maar regisseuse Anne-Cécile Vandalem trekt een grens als het gaat om het gebruik van nieuwe technologieën, ondanks het feit dat deze in al haar stukken aanwezig zijn. Zij vindt dat de menselijke kant centraal moet blijven staan in haar werk.

Anne-Cécile Vandalem

honger naar verhalen

Identiteit: Anne-Cécile Vandalem
Leeftijd: 41 jaar
Herkomst: Luik
Opleiding: Koninklijk Conservatorium Luik
Passie: Haar verhalen delen met het publiek

De Luikse schrijfster en theatermaakster Anne-Cécile Vandalem combineert haar verhalen met theater, geluid, beeld en muziek tot een totaalvoorstelling. Daarmee heeft ze een persoonlijk oeuvre opgebouwd dat volle zalen trekt tot ver in het buitenland.


Het is 2025. Zes personages aan boord van de Arctic Serenity, een schip dat stuurloos ronddrijft op de Noordelijke IJszee, zijn op zoek naar geheimen die verborgen liggen in het verleden. Dat is de plot van een dromerige sciencefictionthriller met de opwarming van de aarde en industriële controle over natuurlijke rijkdommen als achtergrond. Op het toneel vormen de hutten en gangen van een cruiseschip het indrukwekkende draaiende decor van een totaalvoorstelling die theater, cinema, muziek en special effects combineert. Met dit ambitieuze stuk bouwt Anne-Cécile verder aan een persoonlijk en origineel oeuvre, dat technologieën en media combineert om verhalen op een aangename manier te vertellen. Arctique, dat in januari 2018 voor het eerst werd opgevoerd in het Théâtre National in Brussel, is met applaus ontvangen, niet alleen in Frankrijk, Duitsland en Luxemburg, maar ook in Minsk (Wit-Rusland).

Technische trucjes

Als kind schrijft Anne-Cécile al verhalen, die ze opneemt op haar cassetterecorder. Dromend van een filmcarrière schrijft ze zich in aan het Koninklijk Conservatorium Luik om een acteursopleiding te volgen. Daar ontdekt ze haar groeiende passie voor het theater. Na haar afstuderen in 2001 maakt ze twee jaar later haar eerste voorstelling, Zaï Zaï Zaï Zaï, waarvoor ze haar eigen gezelschap opricht. “Wanneer ik een verhaal bedenk, denk ik zowel aan de inhoud als aan de vorm en aan wat bij de productie nodig is om die vorm op te bouwen. Het is echt een geheel.” Sinds die eerste voorstelling, waarin een man en een vrouw hun leven door anderen laten leiden via tv-programma’s, zijn live streaming en schermen onlosmakelijk verbonden met het verhaal.

Ik heb altijd graag technische trucjes toegepast omwille van het verhaal. Dat heb ik gedaan voor ‘Zaï Zaï’ en ‘Hansel et Gretel’ en nog een keer met het geluid voor ‘Self Service’. Voor de laatste twee voorstellingen zijn de middelen belangrijker geworden.” In het totaaltheater van Anne-Cécile zorgt het verlangen naar vernieuwing ervoor dat de toeschouwer naar onontdekte toneelstreken wordt gevoerd. Beeld, geluid, licht en decors smelten samen om een integraal onderdeel te vormen van het verhaal dat op de planken wordt verteld. De acteur staat in dienst van het verhaal, net als de musicus, de cameraman en de videoregisseur. “Wanneer technologie onmenselijk wordt, ontstaat er voor mij een probleem. Daarom kan ik er niet tegen wanneer beeld en geluid niet synchroon lopen. Dat drijft mijn medewerkers soms tot wanhoop, want op videogebied houd ik er heel snel mee op. Ik wil geen effecten, ik wil geen beelden buiten het toneel. Er is een grens waar ik niet overheen ga.

In 2019 creëerde Anne-Cécile Vandalem Die Anderen in de Schaubühne (Berlijn). Het stuk is een politieke dystopie die zich buigt over de gevolgen van de Europese zorgeloosheid omtrent de opvang van vluchtelingen.


Ambitieuze projecten

Na Tristesses en Arctique, twee grote producties in termen van decor en personeel, droomt de schrijfster soms van iets lichters. Tegelijkertijd betwijfelt ze of ze daartoe in staat is. “In mijn begintijd met Jean-Benoît Ugeux vroeg ik me voor de lol wel eens af of ik ooit een voorstelling zou kunnen maken met één acteur en één stoel. Dat zou het hoogtepunt van mijn carrière zijn! Op mijn 85ste misschien, maar voorlopig ben ik daar niet toe in staat. Ik zeg ook tegen mezelf dat dit nu eenmaal mijn manier van werken is. Ik houd van grote teams om me heen en vind het fijn wanneer dertig mensen geconcentreerd aan hetzelfde doel werken. Ik houd van ambitieuze projecten. Niet uit grootheidswaanzin, maar omdat ik die energie nodig heb om te leven.

Twee jaar na de oeropvoering is Arctique aan zijn negentigste voorstelling toe. Voor een voorstelling waarbij het gezelschap en het decor in een bestelwagen passen, is dat misschien weinig, maar voor een tournee van deze productie zijn 25 mensen nodig en duurt het drie dagen om alles op te bouwen. En dan is negentig een enorm aantal. Daarvoor moet ze coproducenten in het buitenland overtuigen voordat überhaupt met het werk wordt begonnen. En dat is geen kleinigheid. “Bij ‘Arctique’ had ik de indruk dat ik een gratis rondje had gewonnen na ‘Tristesses’. De voorstelling is dus relatief gemakkelijk opgebouwd. Alle mensen die me via ‘Tristesses’ hadden ontdekt, vroegen zich af waar ze me waren misgelopen. Ze wilden dus absoluut meewerken aan mijn volgende voorstelling! Veel mensen hebben zich aangediend als coproducent. Anderen hebben zich daarna ook teruggetrokken, wat nooit gemakkelijk is. Je stort je op een ambitieus project en dan is de realiteit dat er subsidies wegvallen en dat je minder geld hebt. Je moet dus keuzes maken. We hadden twee grote coproducenten die zich hebben teruggetrokken terwijl de repetities al waren begonnen. Op dat moment kun je niets. In dat opzicht is ons gezelschap heel kwetsbaar vergeleken met de gevestigde instellingen, omdat het niet de nodige reserves heeft.

Nu Tristesses en Arctique blijven draaien, is Anne-Cécile begonnen met schrijven aan haar volgende voorstelling, die langzaam vorm krijgt. Haar toekomst op langere toekomst is nog ongewis. “Ik heb verschillende aanbiedingen gekregen om een theater te leiden in Frankrijk, maar die ambitie heb ik niet. Ik wil gewoon mijn werk kunnen ontwikkelen zonder het te reproduceren. Als ik zie dat niemand er meer door wordt geraakt en dat het nergens meer toe dient, ontwikkel ik misschien een hulpmiddel of een plek die me in staat stelt om mensen op een andere manier in contact te brengen met mijn verhalen.

“In mijn begintijd met Jean-Benoît Ugeux vroeg ik me voor de lol wel eens af of ik ooit een voorstelling zou kunnen maken met één acteur en één stoel. Dat zou het hoogtepunt van mijn carrière zijn!”


Guionne Leroy

animatie op zijn Belgisch

Identiteit: Guionne Leroy
Leeftijd: 53 jaar
Herkomst: Luik
Opleiding: Afgestudeerd als animatiefilmer aan de École de la Cambre
Passie: Speelfilms op basis van CGI-animatie

Guionne Leroy is een Luikse animatiefilmer, die aan de École de la Cambre heeft gestudeerd. Ze heeft veel gereisd om ervaring op te doen en vertoont nu haar kunsten in België. We nemen een kijkje in haar wereld, van klei-animatie tot Computer Generated Imagery (CGI).


Met haar diploma op zak wordt Guionne gespot door John Lasseter, die haar vraagt om mee te werken aan Toy Story 1, de eerste speelfilm die volledig met CGI is gemaakt. Ze vertrekt naar San Francisco om in de Amerikaanse studio’s te gaan werken. Vervolgens wordt ze ingeschakeld voor The Nightmare before Christmas van Henry Selick, waarna ze met Nick Park, Peter Lord en het team van Aardman in Bristol meewerkt aan de productie van Chicken Run.

Ik heb traditionele animatie gestudeerd voordat CGI ontstond. Ik heb stop-motion werk gedaan, dat was mijn eerste passie. Ik behoor tot degenen die werk in het buitenland moesten vinden: vier jaar in de VS, vijf jaar in Engeland en anderhalf jaar in Zwitserland. Bij het maken van een speelfilm hebben we het statuut van werknemer zolang het project in kwestie duurt. Dat is niet zo fijn voor je pensioen!

Tussen de bedrijven door heeft Guionne de tijd gevonden om in België een aantal persoonlijke reclamespotjes en korte films te maken, waaronder La Traviata en Arthur, die niet onopgemerkt zijn gebleven. “Het was een rationele beslissing om over te stappen op CGI, want ik had geen andere keuze als ik me weer in België wilde vestigen. En het is ook heel zwaar om twee of drie jaar van je leven in de huid van een animatiefiguurtje te kruipen! Zowel fysiek als mentaal. Bij stop-motion heb je een poppetje waarvan je alle onderdelen met de hand moet uitsnijden. Wanneer je aan een scène begint, moet je doorgaan tot het einde. Pas daarna weet je of de opname gelukt is of niet. Dat levert dus veel meer stress op!

Guionne Leroy nam deel aan de avonturen van Toy Story 1, Coraline en Chicken Run.

 


Eén à twee seconden animatie per dag!

Er zijn trouwens minder dan tweehonderd animatiekunstenaars in de wereld die dat kunnen, zo specifiek is dat werk. CGI is daarentegen veel algemener. “Bij animatiefilms wordt het project opgedeeld en krijgt elk team een deel van het werk. Mijn rol is om te bepalen wie wat doet. Ik doe de coördinatie, zodat alles goed verloopt. Daarna worden de plannen verdeeld tussen de verschillende animators. Voor iedereen worden het decor en de personages klaargezet, maar die zijn nog niet geanimeerd. Ze bewegen dus nog niet! Het is onze taak om ze tot leven te brengen.

De regisseur gaat op zijn beurt de verschillende studio’s langs. Hij maakt opmerkingen en brengt verbeteringen aan. Dat zijn heel langzame processen. Bij een speelfilm vormt de animatie slechts een derde van het project en dat duurt minimaal een jaar. Per dag kom je gemiddeld op één à twee bruikbare seconden animatie per animator! Eén seconde komt overeen met 24 lichaamshoudingen van het personage, die van het ritme, de snelheid en het silhouet afhangen. Alles gebeurt op de computer en de animators worden erbij gehaald wanneer het werk van tevoren goed is voorbereid. “Op creatief niveau hebben we niets te zeggen. Wij zijn als het ware acteurs. We worden geleid door de regisseur, die ons uitlegt welke emoties we moeten overbrengen.”

Door haar jarenlange werk in de bekende studio’s heeft ze natuurlijk veel herinneringen en ervaring opgedaan. Maar Guionne houdt van haar vrijheid. “Dat is de reden waarom ik tegenwoordig als freelancer werk. Ik las pauzes in tussen twee projecten om bij te komen. Zo ga ik vandaag (begin februari, red.) vijf weken ertussenuit voordat ik aan mijn volgende project begin, dat me drie jaar in beslag zal nemen!

Een project met de Luikse studio Mikros

Bij terugkomst gaat Guionne namelijk verder met een Luxemburgs project dat in coproductie met de Luikse studio Mikros is opgezet. “Ik ga met hen samenwerken aan de animatie van de speelfilm ‘Icare’ van regisseur Carlo Vogele, die tien jaar bij Pixar heeft gewerkt. Dat wordt de eerste keer dat ik de kans krijg om samen met Mikros aan zo veel animaties te werken.” Het is namelijk zo dat de Luikse studio vooral special effects doet, zoals het geval was met de film Le Prince oublié van Michel Hazanavicius (de regisseur van The Artist), waar Guionne vorig jaar aan heeft meegewerkt. “We zijn allemaal heel trots dat we mochten bijdragen aan zijn speelfilm. Speelfilms geven veel meer voldoening. Door dit werk kun je een personage echt tot leven brengen, maar je kunt ook je creativiteit meer laten spreken. En het is teamwork, waarbij de sfeer en het gevoel belangrijk zijn.

Korte biografie
  • 1993 Maker van de korte klei-animatiefilm La Traviata voor L’Opéra imaginaire (Pascavision, Parijs)

  • 1993-1994 Animator van Toy Story 1, geregisseerd door John Lasseter (Pixar, San Francisco)
  • 1998 Hoofdanimator van de stop-motion speelfilm Chicken run (Aardman Studios, Bristol)
  • 2008 Stop-motion animator van de speelfilm Coraline, geregisseerd door Henri Selick (Laika, Portland)
  • 2019 Animator van Un Prince oublié van Michel Azanavicius (Mikros, Luik)


De digitale asteroïden

VAN Valérie Cordy

Identiteit: Valérie Cordy
Leeftijd: 52 jaar
Herkomst: Bretagne
Opleiding: Afdeling theater van het Institut National Supérieur des Arts du Spectacle (INSAS) en management van culturele instellingen aan de Universiteit Paris-Dauphine
Passie: De motor van de nieuwe technologieën demonteren om te begrijpen hoe ze ons leven kunnen beïnvloeden

In haar ‘connected performances’ heeft actrice en kunstenares Valérie Cordy een bijzondere taal ontwikkeld om het verhaal van de hedendaagse wereld te vertellen zoals wij die via ons toetsenbord waarnemen.


We zitten in een digitaal bad”, legt Valérie uit. “Toch ontkennen we wat de technologieën met ons doen. Zelfs de jongeren die ermee zijn opgegroeid, vragen zich over het algemeen niet af wat hun via het scherm wordt aangeboden.

Sinds 2003 ontwikkelt de kunstenares ‘connected performances’, die ze asteroïden noemt. Daarin interesseert ze zich voor de maatschappelijke effecten van de digitale wereld op basis van de gegevensstroom die ons omringt. Gezeten aan een tafel in een hoekje van het toneel doet Valérie alsof het publiek niet bestaat. Op haar laptop zoekt ze online naar informatie, die ze weergeeft op het grote scherm achter haar rug. Ze heeft zelfs al een keer e-mails verzonden naar haar publiek.

Ik zit in een hoekje, waar ik niet voor iedereen zichtbaar ben. Ik laat daarom aan iedereen zien wat ik doe. Het scherm werkt als een spiegel voor de toeschouwers. Ik weerkaats alleen hun vrijwel dagelijkse bezigheden, wanneer ze verdwalen op sociale media en daar hun tijd en soms zelf hun leven verspillen.” Omdat de voorstellingen nooit volledig voorbereid of gearchiveerd worden, zijn ze altijd kortstondig en uniek. In plaats van een aanklacht met de gebruikelijke clichés op te stellen, baseert ze zich op de fascinatie voor de wereld van het internet om het publiek mee te voeren in een verhaal met meerdere vertakkingen. “Ik probeer de mensen aan het lachen te maken om iets heel buitengewoons te vertellen. Ik verdraai de werkelijkheid graag met een bepaalde lichtheid.

Valérie, die niet alleen acteert maar ook regisseert, is kort na 11 september 2001 overgestapt naar de digitale wereld. “Die zeer plotselinge gebeurtenis heeft me getraumatiseerd, omdat ze iets zei over onze maatschappij. Ik voelde de behoefte om te werken met een directer kunstzinnig medium, dat me in staat stelt om te praten over wat er nu gebeurt. De actualiteit is het basismateriaal van mijn verhalen geworden.”

Op haar laptop zoekt Valérie Cordy online naar informatie, die ze weergeeft op het grote scherm achter haar rug. Ze heeft zelfs al een keer e-mails verzonden naar haar publiek.


Directeur van de Fabrique de Théâtre

Wanneer ze niet op het toneel staat, ontwikkelt Valérie andere projecten in de Fabrique de Théâtre, waarvan ze sinds 2012 directeur is. Deze creatieve hotspot bevindt zich aan de rand van Bergen, in een gebouw waarin vroeger een schoenmakersschool zat, en ontplooit zich langs verschillende lijnen: kunstenaarsresidenties, met zo’n veertig roulerende gezelschappen per jaar, een regisseursschool, uitzending van voorstellingen in de 23 cultuurcentra van de provincie Henegouwen en tot slot bemiddelingswerk, waarin digitale technologieën opkomen en tot vragen leiden, net als in de maatschappij. Te beginnen met de ‘Ateliers des rêves contradictoires’, een reeks filmworkshops die openstaan voor een kwetsbaar publiek. “Als je de moeite neemt om naar ze te luisteren, hebben deze mensen ons misschien wel meer te bieden dan wij hun kunnen bieden.” Dankzij zeer ingewikkelde digitale tools maken de deelnemers hun eigen avatars, waarmee ze hun verhaal op film kunnen vertellen. “Wanneer je niet luistert naar kwetsbare mensen, raak je de essentie kwijt ...

Eén keer per jaar, in oktober-november, worden de Ateliers, Partages, Rencontres des Écritures en Mutation (APREM) gehouden. Tijdens deze permanente-educatiebijeenkomsten worden de relaties tussen podiumkunsten en de digitale wereld nader bestudeerd in het gezelschap van genodigden. De behandelde onderwerpen lopen uiteen van algoritmes tot big data en digitaal verzet.

Valérie deelt haar nieuwsgierigheid en haar vragen over de digitale wereld ook in een cursus die ze aan de École de la Cambre geeft. “Digitale technologieën zijn meer dan alleen tools. Het kunnen uiterst krachtige hefbomen zijn om de wereld te veranderen. Zoals de pharmakon van Plato zijn ze zowel de remedie als het vergif. Het is onze taak om ze goed te doseren en gebruiken.

www.valerie-cordy.com

Ada Lattanzi

muziek delen met anderen

Identiteit: Ada Lattanzi
Leeftijd: 44 jaar
Herkomst: La Hestre (Manage)
Opleiding: Begeleidster, autodidact op muzikaal gebied
Passie: Muziek maken en delen om mensen te laten dansen

Ada Lattanzi is een van de weinige vrouwelijke dj’s en producers in Wallonië. Een passie waar ze soms ’s avonds en ’s nachts mee bezig is, ook al heeft ze ervoor gekozen om het niet voor haar beroep te doen.


De koningin van de nacht is de elektronische muziek. Duizenden jonge en minder jonge mensen kunnen zich geen weekend voorstellen waarin ze niet door beats en elektronische geluidsgolven worden meegevoerd. Dansen te midden van honderden andere mensen die het ook heerlijk vinden om op te gaan in de muziek en het ritme. Achter zijn draaitafels en mengpaneel is de dj de grote regelaar van dit hedonistische feest. Het zijn vaak mannen die hun passie uitleven in dit beroep.

Toch zijn er in Wallonië ook enkele vrouwen die deze loopbaan gekozen hebben. Een van hen is Ada Lattanzi. Voor de Henegouwse is het eerder een passie dan een beroep. Nu is het wel zo dat ze op latere leeftijd is begonnen. “Ik had een bijbaantje in het uitgaansleven en daar ontmoette ik mijn tweede man, die dj was. Gaandeweg kreeg ik interesse voor wat hij deed. Omdat hij zijn opnamestudio aan huis had, begonnen we samen te werken.” Voor haar was het heel natuurlijk om aan de andere kant van de draaitafels te gaan staan. Dat ging bijna zonder dat ze het besefte. “Je oefent thuis, vindt het leuk om te doen en gaat steeds een stapje verder, totdat je op een dag op een evenement staat en beseft dat je best wel bekend bent en een publiek hebt dat op je muziek wacht.” Ze heeft niet de indruk dat het nadelig voor haar is geweest om een vrouw te zijn. Integendeel. Omdat vrouwelijke dj’s in Henegouwen tamelijk zeldzaam zijn, trekken ze de aandacht.

Tevens producer

Ada, die de veertig al is gepasseerd, heeft de tijd van de megadancings meegemaakt. Ze heeft gezien hoe de muziekwereld is veranderd en professioneler is geworden. “Ik heb de indruk dat het vroeger feestelijker was. Tegenwoordig zijn er steeds meer dj’s, die elkaar beconcurreren. Met de nieuwe technologieën is het voor bijna iedereen mogelijk om mixes te maken. Je hoeft niet per se veel talent te hebben om door te breken. Sommigen lukt het omdat ze een goede promotiemachine hebben, omdat ze zich weten te verkopen. En het zijn niet altijd de echte artiesten die de top bereiken.

Hoewel ze zo bescheiden is om zichzelf niet als musicus te beschouwen, beperkt ze zich niet tot het maken van mixes. Ze is begonnen met het maken en produceren van haar eigen stukken, die ze uitbrengt op gespecialiseerde Belgische labels. “Sommige mensen doen aan sport, maar ik ga aan mijn computer zitten om te componeren. Ik geef graag een emotionele lading aan mijn stukken door er meeslepende vocals aan toe te voegen, vooral oosterse en etnische stemmen. Dat is heel opwindend, maar ik zie het ook als een uitdaging om muziek te maken die het publiek raakt en laat dansen.

Wanneer ze aan het werk is in een studio, goochelt Ada met klanken zonder dat haar hoofd ervan gaat draaien. “Hoewel ik de hele tijd naar nieuwe klanken zoek, ben ik niet verzot op technologie. Je kunt er niet omheen als je vooruit wilt komen en niet altijd hetzelfde wilt aanbieden. Door telkens bepaalde ‘extraatjes’ aan mijn werk toe te voegen, probeer ik me te onderscheiden van anderen.” Een van haar mooiste herinneringen is dat ze op haar verjaardag samen met haar man op het podium van de Rockerill stond tegenover een laaiend enthousiast publiek.

Ze heeft niet de indruk dat het nadelig voor haar is geweest om een vrouw te zijn. Integendeel. Omdat vrouwelijke dj’s in Henegouwen tamelijk zeldzaam zijn, trekken ze de aandacht.


Werk als begeleidster en gezinsleven

Haar carrière was waarschijnlijk anders gelopen als ze op jongere leeftijd was begonnen. Maar ze heeft geen spijt. Voor haar gevoel is ze nu volledig tot ontplooiing gekomen. Met haar werk als begeleidster in een centrum voor gehandicapten in de buurt van Anderlues en haar gezinsleven heeft Ada haar prioriteiten bepaald. Dat belet haar niet om te blijven leren en ontdekken en vooral om mensen te laten dansen zonder naar de klok te kijken. “Ik plan niets, maar laat het gewoon op me afkomen. Het enige wat ik wil, is mijn muziek met anderen blijven delen, ook als ik me moet beperken tot lokale of Belgische evenementen. Ik heb namelijk een goed contact met een trouw publiek.” En wat zou haar grootste droom zijn? “Het zou geweldig zijn als een beroemde dj een van mijn stukken zou draaien op Ibiza.

Julie Bougard

in de spiegel van het virtuele

Identiteit: Julie Bougard
Leeftijd: 48 jaar
Herkomst: Bergen
Opleiding: Dansonderwijs aan het Koninklijk Atheneum Brussel en opleiding in hedendaagse dans aan de Arts Educational School in Londen
Passie: Dans, podiumkunsten en onderwijs voor een zo divers mogelijk publiek

In een jongerenvoorstelling ontcijfert choreografe Julie Bougard de verleiding en logica van de gamingwereld. Daarvoor gebruikt ze de verschrikkelijke kracht van de dans, “de kunst waarmee alles mogelijk is” !


Met haar nieuwe voorstelling Stream Dream duikt choreografe Julie Bougard in de gamingwereld. Voor haar is dat vanzelfsprekend. Tijdens de vele workshops die ze aan tieners en jonge kinderen geeft, kan ze alleen maar constateren dat het scherm in al zijn vormen steeds meer aanwezig is in het leven van haar leerlingen … en hun ouders. “Het dringt echt in alle ruimtes door. Maar om eerlijk te zijn, ben ik waarschijnlijk nog meer verslaafd dan de kinderen”, erkent Julie, die veel gegamed heeft toen ze jonger was. Ze had er plezier in en heeft er veel van geleerd. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de voorstelling niet bedoeld is als een afrekening en nog minder als kritiek op de gamingwereld. “Wanneer je de moeite neemt om wat verder te kijken dan de bekende titels, ontdek je een heel interessante wereld met veel knap gemaakte games.

Als choreografe is het haar niet ontgaan dat het lichaam alomtegenwoordig is in videogames. Een lichaam dat van een balletje van enkele pixels verandert in een krachtpatser met wie de gamer zich vereenzelvigt om avonturen en sensaties te beleven die onbereikbaar zijn in het echte leven.

Julie heeft zich in het begin al afgevraagd hoe ze het levende en het virtuele lichaam bijeen kon brengen op een podium. Het ene is onderworpen aan de zwaartekracht, terwijl het andere zich daar volledig aan onttrekt. De gamingwereld onderzoekt niet alleen de beweging in de ruimte, maar ook de sociale reflexen en gedragingen. “Er wordt gesproken over emancipatie ten opzichte van de wereld en het vermogen om voor jezelf te zorgen. De gamingwereld is vaak heel competitief. Je speelt om te winnen. Wat zegt ons dat over de winnaar in het dagelijks leven? Is dat degene die de anderen verplettert, degene die het sterkste is of degene die het meeste geld heeft?

Suggestie door beeld en geluid

De choreografe geeft al snel het idee op om het decor van een videogame op het podium te reproduceren en kiest in plaats daarvan voor suggestie door de architectuur van de game met zijn verdwijnlijnen en codes op te roepen. Bij performing arts moet een lange weg worden afgelegd om een project te realiseren. In haar onderzoeksfase richt Julie zich tot Numédiart, het onderzoeksinstituut voor creatieve technologieën van de Universiteit van Bergen, en tot docenten van de Haute École Albert Jacquard in Namen. Het eerste idee dat gestalte krijgt, is het projecteren van virtuele avatars van de dansers op een scherm om met de tweedeling tussen beide werelden te spelen. Omdat de graphic designer niet beschikbaar is, moet het team radicaler te werk gaan en zich op het beeld en geluid concentreren.

Aan de knoppen zit elektro-akoesticus, muzikant en sound designer Laurent Delforge, die een geluidsband maakte om te ondersteunen wat er op het podium gebeurt. “Het suggestieve vermogen van geluid is heel sterk. Er zijn geen beelden nodig om te suggereren dat de vertolkers vliegen, uitglijden of in het water vallen. Alle podiumtechnieken leveren een bijdrage aan deze suggestieve werking en met name het licht, want daarmee kun je zowel grotten als doolhoven creëren en dansers in een oogwenk laten verschijnen en verdwijnen.

Stream Dream, dat op 6 mei in Brussel (in La Raffinerie van Charleroi-Danse) wordt gepresenteerd, richt zich op een jong publiek. Het is een première voor de choreografe, maar ook een logisch vervolg van haar artistieke en professionele loopbaan. Naast haar workshops heeft ze namelijk ook meegespeeld in
Tel Quel!, een jongerenvoorstelling van Thomas Lebrun. “Ik heb veel contact gehad met kinderen en heb zelf ook tieners thuis. Ze hebben een eigen wereld, die ik steeds beter begin te begrijpen. Dat geeft me vertrouwen en tegelijkertijd zeg ik niet dat ik een voorstelling voor kinderen maak. Ze is op hen gericht, maar moet in de eerste plaats tot mij spreken.

Stream Dream, dat op 6 mei in Brussel (in La Raffinerie van Charleroi-Danse) wordt gepresenteerd, richt zich op een jong publiek. Het is een première voor de choreografe, maar ook een logisch vervolg van haar artistieke en professionele loopbaan.


De meest volledige kunstvorm? Dans!

Sinds het einde van de jaren negentig heeft Julie een vijftiental solo- of groepsvoorstellingen gemaakt waarin ze dans en theater combineert. Wanneer ze niet wordt geïnspireerd door auteurs als Beckett en Fassbinder, bevat haar werk vaak een geamuseerde blik op het dagelijks leven. Of het nu gaat om Drache uit 2008, waarin ze door de Belgische landschappen wandelt in een gele oliejas en een gillekostuum, of L’Ogre de Tervuren uit 2009, waarin ze de vreselijke zomer van 1969 van Eddy Merckx in herinnering roept. “Ik maak geen choreografieën maar voorstellingen. Ik neem de vrijheid om het medium te gebruiken dat daar het meest geschikt voor is, of dat nu geluid, licht of film is. Tot nu toe heb ik altijd met beelden gewerkt. De eerste keer dat ik ze niet gebruik, doe ik dat om een wereld op te roepen met een sterke visuele identiteit, dus dat is best wel tegenstrijdig. Tegenwoordig worden we zo overweldigd door de beelden die ons vormen, ons ontroeren en onze herinneringen oproepen, dat het een hele uitdaging wordt om een voorstelling zonder beelden te maken.

Maar ze heeft een onwrikbaar vertrouwen in de kracht van dans, dus wat dan nog. “In mijn ogen is dans de meest volledige kunstvorm. Het gaat over ruimte, tijd, ritme en emotie. Iedereen kan het begrijpen. Het is poëtisch, abstract en beeldend. Het is de kunstvorm waarmee alles mogelijk is.

zonder grenzen

Het Virtual Park in Moeskroen, bedacht door twee broers met een passie voor informatica, automatisering en virtual reality, is met zijn 4000 m2 het grootste VR-park van Europa.

 

Virtual Park

In Moeskroen is er een plek die op geen enkele kaart staat. De coördinaten zijn namelijk afhankelijk van de verbeelding en bedrevenheid van degenen die het gebied verkennen. Je verplaatst je er met een boog of lasergeweer in de hand, op een lichtgevende motorfiets of op de rug van een oorlogsrobot. Je kunt er de top van de Mount Everest beklimmen of over de zeebodem lopen. Met zijn 4000 m2 is het Virtual Park het grootste attractiepark in Europa dat op virtual reality (VR) en augmented reality (AR) is gericht. Het park opende zijn deuren in maart 2019 en acht maanden later zijn er al bijna 12 000 bezoekers geweest, terwijl de weekends meerdere weken van tevoren zijn volgeboekt.

Eerste test in Doornik
Dit innovatieve project is opgezet door Frédéric en Jean-Louis Verbaert, twee broers met een passie voor VR, die ervan overtuigd zijn dat deze technologie enorme mogelijkheden biedt in de recreatiesector.

Om hun idee te testen, openen ze in januari 2017 Virtual Cabs in Doornik. Achter de deur van deze voormalige wasserij aan de Rue des Clarisses bevinden zich vier lege game rooms van ongeveer 15 m2. Met een bril op zijn hoofd en een draadloze controller in elke hand kan de speler zich door tien verschillende virtuele werelden bewegen zonder risico om van een klif te vallen, op de bodem van de oceaan te verdwalen of tegen de muren aan te lopen. Het is meteen een succes. Terwijl de beschikbare VR-brillen en -hardware voor particulieren nog erg duur zijn, maakt Virtual Cabs geavanceerde technologie toegankelijk tegen een schappelijke prijs.

Door dit succes kon het duo bij investeerders aankloppen en een nog grootser project verdedigen. “Als een technologie zich ontwikkelt, moet je ooit de kans aangrijpen en iets op de markt brengen wat nog niet bestaat. Wij hadden vertrouwen in een technologie die we beheersen en konden vaststellen dat het publiek grote verwachtingen had”, merkt Frédéric Verbaert op. Dankzij de steun van WAPInvest en particuliere middelen via een win-winlening konden ze de benodigde 1 miljoen euro bijeenbrengen. “Desondanks heeft het ons twee jaar gekost. Het was een hele uitdaging om met niets te beginnen. De sector van de nieuwe technologieën kon niet altijd op de interesse van investeerders rekenen, maar dat is nu aan het veranderen.” De Intercommunale d’Etude et de Gestion (IEG) heeft aan de rand van Moeskroen een groot gebouw met een doorlopende ruimte zonder pilaren aan de broers ter beschikking gesteld om het Virtual Park te huisvesten.

Maximaal 300 bezoekers per dag
De wereld van VR en digitale technologie is lang beschouwd als een aangelegenheid van nerds, waar alleen een nichepubliek voor te vinden is. Het Virtual Park wil die trend omkeren door zich ook op gezinnen te richten. De bezochte werelden worden niet bevolkt door zombies en andere bloeddorstige monsters. Wanneer je in teamverband je domein tegen indringers moeten verdedigen, gebeurt dat zonder bloedvergieten. Het accent ligt op het verkennen van een andere omgeving. Je hoeft niet vertrouwd te zijn met draadloze controllers om bij het Virtual Park naar binnen te stappen. De bediening van de accessoires is eenvoudig en voor iedereen bereikbaar. En mocht dat niet het geval zijn, dan zijn er altijd medewerkers aanwezig om hulp en advies te verlenen.

Door de week is het attractiepark geopend voor bedrijven, die welkom zijn voor teambuildingsessies of andere ‘corporate’ evenementen. Ze krijgen dan de beschikking over het Virtual Park met een begeleidingsprogramma op maat, dat op hun specifieke budget en wensen is afgestemd.

De capaciteit is opzettelijk beperkt tot 300 mensen per dag. “Je moet kijken naar de belevingskwaliteit. Als je duizend mensen tegelijk toelaat, wordt de wachttijd drie keer zo lang. Wij zijn niet bereid die kwaliteit te verminderen om meer winst te maken.” Het Virtual Park werkt met toegangsprijzen voor een hele of een halve dag, zodat het publiek volledig kan profiteren van zijn virtuele ervaring op hoog niveau. De formule lijkt gewaardeerd te worden door de bezoekers, die vaak afkomstig zijn uit Vlaanderen en Noord-Frankrijk, maar ook uit Nederland en Duitsland.

Samenwerking met de Universiteit van Bergen
De technologieën waarop de attracties van het park berusten, zijn niet origineel, maar daar staat tegenover dat de uitvoering ongeëvenaard is. “We hebben geen kant-en-klare pakketten gekocht, maar alles eigenhandig gemaakt. De technologie die we gebruiken, is een soort monster van Frankenstein op basis van dingen die al bestonden, maar die we hebben aangepast.” Zo is de motion capture die voor de game Arena 42 wordt gebruikt, bewerkt om de beweging in realtime vast te leggen. Voor de content is een samenwerking aangegaan met het Franse bedrijf SmartVR. Het Virtual Park kan rekenen op een interne R&D-afdeling met twee ingenieurs, die ondersteund worden door een groot aantal externe samenwerkingspartners, met name de Universiteit van Bergen. “Wat we niet hebben, proberen we zelf te maken. We proberen een coherente synergie tot stand te brengen om deze technologie hier in België vooruit te helpen.

Een jong team
Het project is voor 100% eigendom van de twee broers, die ook de volledige leiding in handen hebben. Frédéric Verbaert is ervan overtuigd dat het attractiepark zijn succes in de eerste maanden zowel te danken heeft aan de originele content – veel buitenlandse bezoekers bevestigen nog nooit zoiets te hebben gezien – als aan het bedrijfsmodel op basis van een beperkt aantal multifunctionele medewerkers. “We hebben een heel goed team gevormd, bestaande uit jonge mensen. Wij kunnen op hen rekenen en zij kunnen op ons rekenen.

Het Virtual Park heeft momenteel geen concurrent met dezelfde ambities. Die komt er waarschijnlijk wel, maar de broers Verbaert zijn vastbesloten om de koppositie te behouden. “Na het succes van de Virtual Cabs in Doornik hebben we enkele initiatieven zien ontstaan die daarop zijn gebaseerd, maar dat blijft beperkt tot een zeer lokaal niveau.

De komende maanden maakt het Virtual Park zich gereed om in een hogere versnelling te schakelen met een nieuwe ontwikkeling waarover het duo verder niets kwijt wil. Virtual reality blijft ons verbazen.

Virtual Park

Zeven werelden om te ontdekken in het Virtual Park
Arena 42. In een arena komen twee teams van vier spelers tegen elkaar uit met de planeet Mars als grandioze achtergrond. De bewegingen van de compleet opgetuigde spelers worden vastgelegd in motion capture. “Dit is de eerste attractie die de bewegingen van de spelers zo nauwkeurig weergeeft in een virtuele modus.
Team 51. Nog steeds op Mars, maar dan voor een samenwerkingsmissie waarbij vier tot zes spelers een vooruitgeschoven post te hulp moeten komen waarvan niets meer is vernomen. Opgelet, de buitenaardse wezens zijn nooit ver weg!
Robot Ring. Twee spelers nemen het tegen elkaar op door robotjes te bedienen met behulp van hun smartphone. Wat de robots zien, wordt in realtime op het scherm van hun smartphone weergegeven. Bestemd voor grote en kleine kinderen.
VR Box. Tien individuele cabines, vergelijkbaar met die waarop het succes van Virtual Cabs is gebaseerd. Er zijn een stuk of vijftien games en werelden beschikbaar. Ideaal om vertrouwd te raken met VR. “Ze bieden optimale omstandigheden om, afhankelijk van je stemming, dingen actief te beleven of juist meer te beschouwen.
V-Race. Twee spelers zitten op een futuristische motorfiets voor een dolle rit door werelden waarvoor de film Tron als inspiratiebron diende.
The Playground. Dankzij AR reageert deze intelligente ruimte in realtime op het gedrag en de interacties van de spelers. Deze plek is een combinatie van amusement, creativiteit en lichamelijke conditie.
Tower Defense. Dit is de laatste activiteit tot nu toe. Met behulp van zijn boog en virtuele laser moet de speler zijn dorp verdedigen tegen de aanvallen van orks. In de twee controllers en de bril zitten sensors waarmee de speler zijn positie in de virtuele ruimte in realtime kan aanpassen met een foutmarge van minder dan een millimeter. Na elk succes krijgt de speler toegang tot een van de vier in elkaar schuivende werelden. 

 
Virtual Park 
Rue des Bengalis 4
7700 Moeskroen

www.virtualpark.eu

  • /

Men zondigt met smaak

Op een steenworp van de abdij van Leffe ligt Le Confessionnal, een restaurant waarvan de keuken en zaalinrichting uit het verleden lijken te komen. De chef, Philippe Gérard, sublimeert er traditionele, eenvoudige en rijkelijke gerechten zoals onze grootmoeders die maakten.

 

Philippe Gérard

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Als we heel eerlijk zijn, worden we eerder blij van een stevige maaltijd dan stilletjes op een houten bankje onze zonden op te biechten. Het restaurant ligt aan de poort van Dinant en wordt vandaag geleid door Philippe Gérard. Het dankt zijn naam aan de nabijheid van de abdij van Leffe die aan de andere kant van de weg ligt.  De zaak is gevestigd in twee voormalige werkhuizen, waarvan er één de schoenmaker was. Wanneer je de deur openduwt, lijk je wel een antiekwinkel binnen te gaan. De kleine houten tafels met een geruit tafellaken zijn omringd door een hoop door de tijd gepatineerde voorwerpen: kaasstolpen nestelen zich in de buurt van een meerkleurig sinterklaasbeeld, de schilderijen van een boerenerf hangen naast een eigenaardige voorganger van de typemachine.

In 2016 nam Philippe Gérard de zaak over, die een paar jaar eerder door Alain Blondiaux werd opgericht. Het grootste deel van de renovatie was al voltooid. De nieuwe chef-kok heeft een persoonlijkere sfeer gecreëerd met voorwerpen die je op rommelmarkten en markten vindt. Daarna brachten de klanten ze zelf mee: een oude soepterrine, een oud kookboek of een houten monnikshoofd.

Potten op tafel

De keuken weerspiegelt die warme en drukke sfeer. “Wanneer de gasten me zeggen: “Ik heb gegeten zoals bij mijn oma.”, dan is dat het mooiste compliment dat ik kan krijgen”, zegt de chef-kok. Op de menukaart staan enkel lokale gerechten die de tafels van de meeste restaurants geleidelijk aan hebben verlaten. In de oven geroosterd beenmerg met toast, kalfszwezerik met cantharellen of boeuf bourguigon. “We koken eenvoudig zonder gedoe. We zetten de potten op tafel want het is gezelliger en je kan porties delen.” Er zijn slechts 20 zitplaatsen bij Le Confessionnal. Philippe Gérard staat alleen achter het fornuis maar hij krijgt hulp voor de zaal en voor de afwas. Alles wordt ter plekke klaargemaakt, van begin tot eind. “Voor de stoofpot koop ik het stuk kalfsvlees dat ik zelf heb gesneden voordat ik het klaarmaak. Daarna proeven we dat omdat er nog stukjes kraakbeen te vinden zijn, terwijl het vlees van industriële blanquettes helemaal vezelig is.” Hetzelfde geldt voor de koninginnenhapjes die geen kipbereidingen zijn, zoals overal, maar bereid worden op basis van kip die lang heeft gesudderd.

‘s Middags en ‘s avonds volzet

Met zijn beperkt aantal plaatsen is het restaurant vol voor de lunch en het diner, verschillende dagen van tevoren. 's Middags schakelt Philippe Gérard vaak het antwoordapparaat aan in plaats van altijd te moeten antwoorden dat er geen plaats meer is, zodat hij zich op zijn pannen kan concentreren. De klanten zijn lokale mensen en stamgasten, waaronder sterrenchefs die hij vaak zijn authentieke keuken heeft horen prijzen. “De enige klacht die ik heb gehoord is dat het te rijkelijk is.”

In tegenstelling tot het gastronomisch correcte, is de keuken van Le Confessionnel niet voor kleine eters. “Als je op dieet bent, kom je niet naar hier. Ik zie ook dat mensen die op hun lijn letten als eerste het mes in de boter zetten. Omdat ik nooit reclame maak, komen gasten die hier al geweest zijn terug met vrienden want ze weten dat ze het lekker zullen vinden.”

Philippe Gérard is gepassioneerd door zijn werk en heeft echt geen dikke nek. Volgens hem is er niets meer uit te vinden in de keuken, we passen gewoon het oude aan. “Neem nu koken op lage temperaturen, het is niet nieuw. Als je een steelpan op de rand van een fornuis laat sudderen, heb je lage temperaturen. Voor keukenapparatuur is het net hetzelfde. Er is gewoon een motor toegevoegd en overal plastic omheen geplaatst.”

Dat wil niet zeggen dat de man tegen verandering is. “Niets staat vast, we moeten niet denken dat we alles weten”. Zo zag hij bij het begin van een film op internet dat de chef-kok Jean-Pierre Bruneau zijn stuk kalfsvlees voor de blanquette bereidde voordat hij het sneed en hij nam het idee over.

Het mooiste beroep ter wereld

Hoewel hij alleen werkt, heeft hij nooit een leerjongen gewild. Hij heeft wel geprobeerd, maar de meest ijverige kandidaat werd na een maand bedankt. “Ik kan geen jongere vinden die gepassioneerd genoeg is. Ze zijn al moe zodra ze beginnen en hun grootmoeder kan drie keer sterven als er excuses moeten worden gevonden. Ik heb geen tijd om tien keer hetzelfde uit te leggen. Ik wil werken zonder gestresseerd te zijn.”

Spreek hem niet over Top Chef en alle succesvolle kookprogramma's. Philippe Gerard heeft geen televisie meer sinds hij 9 jaar geleden Le Confessionnal overnam. “Wanneer zou ik ernaar kijken? Ik heb geen tijd. Ik sta om 7 uur op en ga rond middernacht naar bed. Top Chef is niet realistisch. Mijn televisie zijn de mensen. Aan het einde van de avond ga ik graag de zaal in om met de klanten te praten.”

Philippe Gérard is ervan overtuigd dat hij het mooiste werk ter wereld heeft. Toen hij Le Confessionnal overnam, was hij 54 jaar. Omdat hij nog aarzelde om nog aan zo'n avontuur te beginnen, ging hij naar zijn eerste baas, Jean Ureel, die nu La Ferme du Faubourg in Quenast heeft. Met 77 lentes was hij nog altijd aan de slag in de keuken. “Het heeft mijn perspectief veranderd en ik heb er geen spijt van. De dag dat ik zucht bij het idee van het werk dat me te wachten staat als ik opsta, stop ik. Op dit moment vind ik het nog steeds zo leuk. Als ik mensen met een grote glimlach naar mijn zaak zie komen, weet ik dat ik niet beter kan dromen.”

« Ik hou van verandering »

In 1978 studeerde Philippe Gérard af aan de hotelschool van Namen, de stad waar hij opgroeide. Een opleiding die hij koos uit luiheid, geeft hij toe met een glimlach. “Mijn broer en zus hadden geneeskunde of farmacie gestudeerd en dat zag ik mezelf niet doen. Toen ik op school begon, kon ik geen peterselie van een kervel onderscheiden!” Heel snel kreeg de passie voor het beroep de bovenhand. In het weekend, als hij geen verplichtingen had, ging hij op stage. Na zijn vuurdoop in de Auberge de Basse-Cabecque (Rebecq-Rognon), ging hij naar Brussel om te werken in het Ecailler du Palais Royal. Altijd nieuwsgierig naar nieuwe ervaringen, ging hij naar de Côte d'Azur, naar Le Couloubrier (Le Muy), voordat hij terugkeerde naar de Moulin de Lisogne (Dinant). Gedurende 15 jaar bood hij een cateringservice aan. Aangezien het kriebelde, ging hij verder naar de Art de Vivre (Barvaux) en het Quartier Latin (Marche-en-Famenne). Daarna, na een verandering van omgeving met de keukens van de Belgische ambassades (4 jaar in Londen en 3 jaar in Rome), keerde hij terug naar het Quartier Latin om eindelijk het roer van Le Confessionnal over te nemen. “Ik hou van verandering, dat is waar. Alle mensen met wie ik heb samengewerkt, hebben een spoor nagelaten en zijn vaak vrienden geworden voor wie ik graag kook.”

 

Le Confessionnal

Rue Rémy Himmer 4

B-5500 Dinant

+32 (0) 82 22 45 22

www.leconfessionnal.be

Het Geopark Famenne Ardenne, dat zich uitstrekt van Durbuy tot Beauraing, is het eerste van zijn soort in België. Dat label wordt door de Unesco toegekend aan een grondgebied dat zowel geologisch, als toeristisch en ecologisch interessant is. Een voordeel voor die streek.


Zoals veel mensen die geen geoloog zijn, vraagt u zich wellicht af wat de Kalkzoom is. Dat is de naam van een bijna 130 kilometer lang kalkreliëf in de ondergrond van de Fagne-Famenne, dat de bekkens van de Lesse, de Lomme en de Ourthe volgt. De opeenvolgende geologische gebeurtenissen hebben daar een in Europa uniek landschap gevormd, dat enerzijds bestaat uit heuvels van aan de oppervlakte komende kalksteen en anderzijds uit grotten die door de erosie van de rotsen werden gevormd. Die zone is de ruggengraat van het Geopark Famenne Ardenne, dat zich over 911 km2 uitstrekt over de gemeenten Durbuy, Hotton, Marche-en-Famenne, Nassogne, Tellin, Rochefort, Wellin en Beauraing. Een geopark is een aaneengesloten territoriale ruimte die door de Unesco werd erkend en gelabeld voor sites en landschappen van internationaal geologisch belang. Wereldwijd zijn er 140 verspreid over 38 landen, waaronder nu ook België.

Het idee werd geopperd door drie geologen, Yves Quinif van de universiteit van Bergen, Vincent Hallet van de universiteit van Namen en Sophie Verheyden van het Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen. "Hoewel het wetenschappelijk belang van de Kalkzoom al lang voor de hand ligt", zegt Alain Petit, de directeur van het Geopark Famenne Ardenne, "meenden we dat we, door er andere spelers uit de politiek en het toerisme bij te betrekken, over een geweldig instrument zouden beschikken voor het ontwikkelen en opwaarderen van dat grondgebied."

Meer dan natuurlijk erfgoed
In 2015 werd er een eerste dossier ingediend. De Unesco-deskundigen die in de zomer van 2015 ter plaatse kwamen, waren onder de indruk van het potentieel van dat grondgebied, dat groter is dan dat van veel andere geoparken. Ze gaven een reeks adviezen voor het oprichten van een vzw, het aanwerven van eigen personeel en het uitbreiden van de aanvankelijk geplande zone. Minder dan drie jaar later, in april 2018, kende de Unesco zijn label toe aan het Geopark Famenne Ardenne.

Het dynamische team dat werd gevormd rond Alain Petit, beseft de uitdagingen en de kansen die het wacht. "Een geopark is niet enkel een kwestie van geologie. Naast het natuurlijk erfgoed, omvat het ook de musea, de kastelen en alle historische sites. Dat is ook van belang voor de bewoners die deelnemen aan het project, het traditionele erfgoed in de dorpen en de plaatselijke producten. Het trappistenbier van Rochefort, bijvoorbeeld, dankt zijn eigenschappen aan het bronwater van de Tridaine, dat nauw verbonden is met de bodem."

Duurzaam toerisme ontwikkelen
Om succes te hebben en nog beter zichtbaar te worden, wil het Geopark zoveel mogelijk belangstellende partners aantrekken, hoofdzakelijk uit de horecasector. Want hoewel het project een wetenschappelijke basis heeft, wil het een model van duurzaam toerisme ontwikkelen. Waterzuivering, beheersing van het energieverbruik, invoering van korte ketens voor voedingswaren en het opstellen van een handleiding voor goed gedrag tijdens wandelingen in het woud. Er zijn geen kleine initiatieven, aangezien ze allemaal bijdragen tot een duurzamer beheer van het milieu. “We kunnen natuurlijk geen dwang uitoefenen inzake milieu of ruimtelijke ordening. Onze rol bestaat er veeleer in ons te baseren op onze deskundigheid en onze bevoegdheden om advies te geven en voor begeleiding te zorgen.”

Een van de prioriteiten van het Geopark steunt op zichtbare informatie. Om te beginnen met panelen die het grondgebied afbakenen en langs de wegen zullen worden geplaatst, meer bepaald langs de E411. Er dienen ook interpretatiepanelen te worden gezet in de buurt van de geologische sites en de panorama’s. “In de zone zijn er nog vijf groeven in ontginning. We denken aan het uitstippelen van een traject met verscheidene panorama’s, waarbij we de plaats identificeren en uitleggen welke economische activiteit daarmee verbonden is. Hoewel het wetenschappelijke team in principe uit geologen bestaat, zullen die door experten worden geholpen naargelang de te behandelen dossiers, bijvoorbeeld inzake fauna, flora of hydrologie voor het beheersen van de rivieren.” 

Een Geoparkhuis in 2020
Er komen tevens bewustmakingscampagnes voor de eerste betrokkenen, namelijk de bewoners, met voordrachten in gemeenten en scholen, die ook zullen worden uitgenodigd voor bezoeken op het terrein. De zichtbaarheid zal eveneens worden bevorderd door een netwerk van een vijftiental onthaalkantoren, die dikwijls zullen worden ondergebracht in de plaatselijke VVV-kantoren. De vzw wil tegen 2020 bovendien een Geoparkhuis openen op de site van het vroegere Museum van de Ondergrond in Han-sur-Lesse. Daar komen schaalmodellen, films en een bibliotheek. Er is ook een groot jaarlijks evenement gepland om een band te scheppen met de spelers en de zichtbaarheid van het grondgebied te vergroten.

De toeristische sector zal trouwens de vruchten plukken van het prestigieuze label van de internationale organisatie. “Met trekpleisters zoals Han-sur-Lesse en Durbuy, bevinden we ons al in een historisch zeer toeristische zone. De toename van de bezoeken zal worden gemeten. Redelijkerwijze kan men rekenen op een stijging van 15 % bij nicheklanten die men tot nu toe niet kon bereiken, zoals de Duitsers, die naar het schijnt veel belang hechten aan het Unesco-label. We willen ook zorgen voor de duurzaamheid van de tewerkstelling van de duizenden die nu al actief zijn in het toerisme.”

Met de steun van de gemeenten en het Gewest
Die te verwachten toename van bezoeken en activiteiten mag natuurlijk geen schade berokkenen aan soms kwetsbare landschappen. De opname in een geopark zou alle spelers op het grondgebied moeten aanmoedigen om zich nog duurzamer te gedragen.

Het wereldwijde geoparklabel levert geen financiële steun vanwege de Unesco op. Die steun komt van de gemeenten die jaarlijks 50.000 euro zullen bijdragen, alsook van een kaderovereenkomst ten belope van 150.000 euro per jaar, die tot eind 2013 zal worden toegekend door de Waalse Minister voor Toerisme. De vzw, die momenteel slechts twee voltijdsequivalenten telt, heeft geen tekort aan werk noch aan projecten. “We zijn Geopark-producten aan het ontwerpen, maar blijven daarbij heel voorzichtig want we willen niet eender wat aanbieden. Zo verbiedt de Unesco ons het opwaarderen van sites die mineralen en fossielen verkopen. Duurzaamheid moet altijd de toon aangeven.”

De oppervlakte kan nog groter worden
Alain Petit heeft al snel de bekendheid van het geoparklabel kunnen meten. Tijdens een bezoek aan het Europees Parlement hebben een honderdtal Chinese overheidspersonen, in wier land zich liefst zevenendertig geoparken bevinden, willen kennismaken met het toeristisch potentieel, de troeven en de duurzame projecten van het Geopark Famenne Ardenne.

Zou de oppervlakte ervan nog kunnen worden uitgebreid? Het reglement bepaalt dat, zolang de uitbreiding kleiner is dan 10%, ze kan worden goedgekeurd zonder dat er een nieuwe kandidatuur hoeft te worden ingediend. “We willen de zaken gedurende twee of drie jaar rustig bekijken. Wanneer onze beheersorganen dan een uitbreiding naar het oosten of het westen willen – waarom niet? Grensoverschrijdende parken doen de synergiedynamiek immers toenemen.”

Let wel: het geoparklabel is niet permanent. Het moet om de vier jaar worden vernieuwd en er moet jaarlijks een verslag worden over opgesteld. Het volgende bezoek van de deskundigen is gepland voor 2021. “Rode kaarten worden zelden uitgedeeld, maar ze kunnen wel gele kaarten trekken, met in het oog te houden en te verbeteren punten.” Tussen nu en dan zullen er heel wat zaken veranderd zijn boven de Kalkzoom, ook al is de tijdschaal van geologen niet helemaal dezelfde als die van gewone stervelingen. 

Geopark Famenne-Ardenne asbl
Place Théo Lannoy 2
B-5580 Han-sur-Lesse (Rochefort)
+32 (0) 84 36 79 30
[email protected]
www.geoparkfamenneardenne.be

Vijf te ontdekken sites

Het Geopark Famenne Ardenne bestaat uit geologische sites, panorama’s, schilderachtige dorpen, historische en erfgoedsites en liefst 350 kilometer fietsroutes. Hier volgt een subjectieve selectie van vijf sites waarvoor u bij voorrang de tijd moet nemen voor een bezoek.

 De grot van Lorette-Rochefort
De afdaling vanop de hoogvlakte tot in een ondergrondse grot loopt haast verticaal. Het traject gaat langs een indrukwekkend labyrint tot aan de Sabatzaal, op een diepte van 60 meter. Wanneer de gids een heteluchtballonnetje langzaam laat opstijgen, kunt u zich een idee vormen van de 85 meter hoge zaal.


www.grotte-de-han.be/fr/la-grotte-de-lorette

Natuursite van Fond des Vaulx
Op twee stappen van Marche-en-Famenne bevindt zich een valleitje met een wild en geheimzinnig landschap. Doorheen een typisch reliëf van de Kalkzoom, volgen door de tijd geërodeerde kalkristen elkaar op in de vorm van rotswanden, karstpijpen en verrassende holten, zoals de afgrond van Trotti-aux-Fosses, waarin bijna 15.000 m2 rotsen gevallen zijn.

Park van de Topiaires
Hoewel “Edward Scharenhand” nooit in Durbuy is geweest, moet hij toch volgelingen hebben gehad die zich naar hartenlust vermaakten in dit unieke parkje in Europa. Men vindt er immers een verzameling van 250 buksbomen die gesnoeid zijn in de vorm van krokodillen, vogels, zeemeerminnen, olifanten en andere in planten uitgewerkte fantasieën die een gezinsbezoek meer dan waard zijn.


www.topiaires.durbuy.be

Het Megalietenhuis

In de buurt van het lieftallige dorpje Wéris, biedt een 8 kilometer lang megalietenveld een uitzonderlijk beeld van rijen menhirs en hunebedden die meer dan 5000 jaar geleden werden gemaakt van puddingsteen. In het museum in het midden van het dorp kunnen reconstructies u een idee doen vormen van het leven van de landbouwers-veetelers uit het neolithicum, alsook van hun begrafenisriten en van de wijze waarop ze die monumenten oprichtten.


www.megalithes-weris.be

Kasteel van Lavaux-Sainte-Anne
De weelderige woonst van de heren van Lavaux kan men bezoeken van de kelders tot de slottoren. Het kasteel, dat door het Waals Gewest als groot erfgoed wordt beschermd, is omringd door slotgrachten en door zijn prachtig park. Het roept een treffend beeld op van het leven, de fauna en de natuur in de Famenne van de 17e tot de 19e eeuw.


www.chateau-lavaux.com

 

In iets minder dan tien jaar is dit bedrijf uit Waals-Brabant er dankzij een open-source managementsoftwarepakket in geslaagd om zich op de veelbelovende mkb-markt te doen gelden. En om een speler te worden die meetelt in de wereld. We richten de schijnwerpers op een boerderij in Grand-Rosière. 

 

 

In 2002 ontwikkelde Fabien Pinckaers op een studentenkamer in Louvain-la-Neuve de eerste versie van een managementsoftware die toen nog Open ERP heette. De opvolger daarvan, Odoo, telt nu bijna 4 miljoen gebruikers en wordt ontwikkeld in een voormalige boerderij in Grand-Rosière (Ramilies) in de provincie Waals-Brabant. De jonge onderneming, die een wereldtournee (Europa, Zuid-Amerika en Azië) heeft gemaakt om de elfde en nieuwste versie van haar eigen pakket te presenteren, wilde haar tweehonderd medewerkers graag de ruimte geven en heeft haar kantoren daarom onlangs uitgebreid naar een andere, nabijgelegen boerderij om in die idyllische omgeving een digitale campus op te zetten die met de hele wereld verbonden is. «Economisch gezien is dat interessant, omdat tegenwoordig niemand meer een boerderij wil en het is ook een voordeel voor het comfort van de werknemers», zegt de CEO van Odoo, die in 2015 door Le Soir werd uitgeroepen tot topmanager van het jaar.

Tweehonderd aanvragen per dag

Odoo, dat als een suite van applicaties werkt, is een multifunctionele gereedschapskist voor bedrijven. Odoo kan worden ingezet voor het beheer van websites, e-mails, servers en klantrelaties, de ontwikkeling van gepersonaliseerde apps, kostenbeheersing, boekhouding en tal van andere taken. De softwaresuite is gratis te downloaden op de site. De kleinste bedrijven kunnen kiezen voor een hostingpakket van 20 euro, terwijl bedrijven met meer dan vijftig werknemers een abonnement moeten nemen waarbij ondersteuning en onderhoud in de service zijn inbegrepen. 

Bij concurrerende producten, zoals SAP en Microsoft Dynamics, is sprake van propriëtaire software, die vaak zwaar en duur is voor het mkb, terwijl Odoo zich juist onderscheidt door zijn toegankelijkheid en veelzijdige inzetbaarheid. Een van de kenmerken van Odoo is dat het open source is. Fabien Pinckaers heeft om ethische redenen daarvoor gekozen. «Ik wilde een transparant en toegankelijk project om het mkb een geïntegreerde en goedkope managementsoftware te bieden.»

Met open source moest wel een verdienmodel bedacht worden. «Tien jaar lang hebben we geld verloren en moesten we doorzetten totdat we het juiste evenwicht hadden gevonden. Nog maar twee jaar geleden verloren we 500.000 euro per maand, terwijl we nu zover zijn dat we 500.000 euro winst maken», zegt de jonge directeur verheugd. «We krijgen momenteel tweehonderd aanvragen van klanten per dag, maar we zijn een piepkleine speler in een reusachtige markt. Voor ons is het probleem om efficiënt te groeien, de juiste medewerkers aan te trekken en ze te trainen.»

De kracht van Odoo is dat het kan rekenen op een netwerk van dienstverlenende bedrijven over de hele wereld. Partners die toezien op het hele onderhouds- en personaliseringstraject in de bedrijven die een abonnement afsluiten. Verspreid over 140 landen zijn er nu duizend van deze partners, die door het moederbedrijf getraind en ondersteund worden. Ze genereren 65% van de winst van het bedrijf.

Internationale expansie

In maart 2017 heeft Odoo een joint venture-overeenkomst gesloten met Inspur, de grootste aanbieder van internetservers en op twee na grootste aanbieder van managementsoftware in China. Het doel was om de oplossingen van Odoo door te verkopen op de reusachtige mkb-markt in het «Rijk van het Midden».

Odoo concentreert iets meer dan de helft van zijn personeel in België, waar 224 mensen werken, en heeft 95 medewerkers in India, 90 in de Verenigde Staten, 31 in Hongkong en 7 in Luxemburg. De internationale expansie is heel vroeg en heel natuurlijk gekomen. «We hebben snel bekendheid gekregen via internet en we hebben gereageerd op aanvragen uit de hele wereld. Onze concurrenten hebben meestal moeite om klanten te vinden, maar bij ons is dat het tegenovergestelde. We hebben te veel aanvragen en niet genoeg partners.»

Odoo is een voorbeeld van een bedrijf dat niet los kan worden gezien van zijn enige product, maar Fabien Pinckaers beschouwt dat niet als een rem op de ontwikkeling. «We hebben een team van zeven mensen die naar de behoeften en verwachtingen van de gebruikers luisteren. Dat is al een eerste indicatie om onze ontwikkeling op te richten. We verbeteren onze software voortdurend en introduceren daarnaast twee tot drie belangrijke doorbraken waardoor we stappen vooruit kunnen zetten. We hebben te maken met alle bedrijfsaspecten en er is nog enorm veel te doen, zelfs op die gebieden waar we de indruk hebben dat we alles al hebben bekeken.» 

Salariscalculator

Odoo, dat opviel door spectaculaire fondsenwervingen (4 miljoen dollar in 2010 en 10,4 miljoen in 2014), kan tegenwoordig op eigen vermogen draaien, maar zorgt ervoor dat het gericht investeert en zorgvuldig zijn doelen uitkiest. Dat gebeurt door de toegevoegde waarde van het product – kwaliteit, ergonomie en doeltreffendheid – te versterken, ook al gaat dit ten koste van de marketing.

Deze benadering is uiteraard terug te zien in het wervingsbeleid. Onder de circa tweehonderd mensen die dit jaar in België bij het bedrijf worden aangenomen, bevinden zich 120 ontwikkelaars. Aangezien de UCL er nauwelijks enkele tientallen en de Université de Namur nog iets minder aflevert, gaat het om een ambitieuze doelstelling. Om die te halen, rekent het bedrijf op vijf fulltime recruiters, die een rondgang langs de universiteiten maken en in bedrijven op jacht gaan om met interessante kandidaten terug te komen.

Odoo is niet alleen vernieuwend qua producten, maar ook op het gebied van management en personeelszaken. De aanwezigheid van een salariscalculator op de site heeft veel kandidaten aangetrokken. Met enkele muisklikken kunnen ze hun salarispakket berekenen door te spelen met de aanpassingsvariabelen: verlofdagen, vervoer, auto van de zaak en bijdrage in de internetkosten. Daarna kunnen alle sollicitatie-gesprekken in drie uur worden afgerond. Hieruit blijkt dat Odoo niet alleen met zijn software uitblinkt in transparantie en snelheid.

Afgezien van zijn economische resultaten en technologische innovaties heeft elk bedrijf altijd een moment waarop de legende begon. Voor Odoo was dat niet in een garage in Waals-Brabant, maar in een feestzaal van de UCL, waar Fabien Pinckaers een programma ontwikkelde om de stroom bierfusten optimaal en rationeel te beheren. De jonge directeur kan nu al met tevredenheid terugkijken op de weg die hij heeft afgelegd. Op dertienjarige leeftijd ontwikkelde hij zijn eerste professionele programma, maar daar heeft hij tegenwoordig niet veel tijd meer voor. Dat is de keerzijde van het succes. «Het ontwikkelen is vaak veel leuker en intellectueel stimulerender dan het managen, maar het is ook heel belangrijk om de koers en identiteit van Odoo te bewaken.»

Waar ziet Fabien zijn bedrijf over vijf of zes jaar ? «Ik ben altijd heel slecht geweest in voorspellingen», zegt hij lachend. «Het enige wat ik weet, is dat we over een jaar of tien een consolidatie in de markt voor managementsoftware kunnen verwachten, net zoals we dat bij de computers hebben gezien. Er blijven dan nog maar drie of vier spelers over. En Odoo zal er daar één van zijn.»

De kracht van Odoo is dat het kan rekenen op een netwerk van dienstverlenende bedrijven over de hele wereld.

 

Odoo S.A. 
Chaussée de Namur 40
B-1367 Grand-Rosière
+32 81 81 37 00

www.odoo.com
 

 

  • /

Of ze nu van water, grond of ijzer zijn, trage wegen brengen u tot de verste uithoeken van Wallonië om onbekende of miskende plaatsen te leren kennen,  die wel degelijk tot ons erfgoed behoren.

 

DE RUST VAN HET OUDE KANAAL

Antoing – Henegouwen

In 1826 besloot de Nederlandse koning Willem I, die toen ons land bestuurde, een kanaal te bouwen tussen Pommerœul en Antoing, om de steenkool uit de Borinage naar de Schelde te voeren, zonder de hoge door Frankrijk geëiste heffingen te betalen. Door de toename van het ruimteprofiel van de binnenschepen werd het oude kanaal onbruikbaar. Honderdvijftig jaar later werd het vervangen door een nieuwe waterweg, die toegankelijk is voor schepen tot 1350 ton. Het buiten gebruik gestelde kanaal werd een geliefkoosde plek voor wandelaars die van frisse lucht en rust hielden. De uitstap begint aan de Koninklijke brug, waar hij ook eindigt na een lusvormige wandeling van 5 km. De oude metalen constructie die het kanaal overbrugt, werd in 1924 gebouwd voor treinen die er nooit gekomen zijn. Uiteindelijk geraakte ze zo vervallen en verroest, dat ze moest worden gesloopt. Het plaatselijke verweercomité, dat vastbesloten was een duurzaam in het landschap van Maubray gevestigde constructie te behouden, slaagde erin het gemeentebestuur te overtuigen om de brug op identieke wijze weer op te bouwen.

In de richting van Callenelle loopt de wandeling langs het
volledig door gras bedekte jaagpad waarin soms netels en distels opduiken, alsook waterweegbree met haar brede hartvormige bladeren. Er heerst totale rust. Een oude sluis onderaan de brug maakt pleziervaart onmogelijk. Boven de onbeweeglijke groene rand groeien de langere takken van de loofbomen soms door elkaar om een gewelfboog te vormen. Het beboste talud dat het kanaal van de hoger gelegen weg scheidt, wordt geregeld onderbroken door trapvormige afvoergoten voor het regenwater in geval van hevige neerslag.

In het gehucht Grand Camp keren we terug langs de andere oever, over een hogere weg die is afgezoomd met door klimop omgroeide bomen. De ontwerpers van het kanaal hadden de taluds voorzien van groepen loofbomen om de mensen en de paarden op het jaagpad te beschermen tijdens hun zware werk. Vandaag bieden die bomen de wandelaars een zeer aangename afscherming, zelfs als het heel warm is.

Info: +32 69 44 17 29
[email protected]
www.antoing.net


PRUISISCH SEINHUIS

Robertville – Luik

De wandelaars die vandaag gebruik maken van de RAVeL tussen Aken en Troisvierges, de «Vennbahn» zoals de Duitstaligen zeggen, zullen zeker dit charmante ouderwetse gebouw opmerken, dat ons terugvoert naar de spoorwegen van weleer.

Kenners zullen zien dat de groene verf die het vakwerk bedekt, ongebruikelijk is bij de Belgische spoorwegen. En met reden, want toen dat seinhuis in 1907 in dienst werd genomen, behoorde het tot de Pruisische spoorwegen. Als gevolg van het Verdrag van Versailles ging het gebouw in 1921 deel uitmaken van het Belgische spoorwegnet, waar het gebruikt werd tot 1995, met een onderbreking gedurende de Tweede Wereldoorlog, toen het tijdelijk opnieuw Duits werd. Om te beseffen hoe origineel en belangrijk dit erfgoed is, moet men naar de eerste verdieping gaan. Daar ziet men nog heel de oorspronkelijke uitrusting van het seinhuis. In het midden staat de rij hefbomen die met kabels zorgde voor de manuele bediening van de signalen en de wissels in de omgeving. Aan de achterkant van de toestellen bevindt zich de schakeltafel, een vernuftig mechanisme dat het systeem beveiligde voor het geval de seingever een verkeerde handeling zou doen. De uitrusting is bovendien voorzien van een «telefoonblok» waardoor men in verbinding kon treden met andere stations, seinhuizen en overwegposten om de «beweging» van een trein al dan niet toe te staan. Men ziet er ook verscheidene posters en documenten die getuigen van het leven van het seinhuis. In een hoek bevindt zich een gietijzeren stationskachel met het opschrift «SNCB». De aanwezigheid van twee summiere slaapplaatsen kan verbazing wekken; het gaat echter niet om het oorspronkelijke meubilair, maar om een nieuwe functie die werd bedacht door de VZW 881, die aan de basis van de redding en de restauratie van het gebouw lag. Het seinhuis heeft niet enkel museum- waarde, maar dankzij een stortbad en een chemisch toilet kan het ook als onderkomen voor wandelaars dienen. Enkele meter van het seinhuis staat een holle ronde constructie met een diameter van 16 meter, die bekleed is met rode baksteen. Dat is alles wat er nog rest van een draaischijf om locomotieven over 180° te keren, wat nodig was omdat stoomlocomotieven slechts één stuurpost hadden. Dat door de gemeente Waimes herstelde overblijfsel is kostbaar, omdat dergelijke uitrustingen zeer zeldzaam zijn geworden op de rest van het Belgisch spoorwegnet.

Rue des Scieries (kruising van de RAVeL)
B-4950 Robertville
+32 473 99 06 59
ou +32 496 93 36 89


LUIK ALS WATERSTAD 

Luik

De Vurige Stede is een kind van de Maas en heeft altijd van het potentieel van bevaarbare waterwegen gebruik gemaakt voor haar ontwikkeling. Door het aanleggen van het kanaal tussen Luik en Antwerpen wilde koning Albert I de moderne tijd inluiden en de banden tussen het noorden en het zuiden van het land versterken.

Tussen het begin van de werken in 1930 en de voltooiing ervan in 1939, heeft Luik twee wereldtentoonstellingen gekend, waarvan men tijdens een wandeling de resten kan bekijken en inzien hoe belangrijk de activiteit van de 80 jarige haven is. In 1939 lagen de terreinen van de zogenaamde Waterwereldtentoonstelling rond een waterpartij van meer dan 30 ha op beide Maasoevers en op de punt van het eiland Monsin. De rest van die landtong van meer dan twee kilometer, die was opgehoogd met het puin van de grondwerken voor het kanaal, was gewijd aan de industriële activiteiten die ook nu nog bestaan.

De enige nog overblijvende resten in duurzaam materiaal zijn het vroegere permanente Grote Paleis van de stad Luik, alsook de vuurtoren en het standbeeld van Albert I op de punt van het eiland Monsin. Het indrukwekkende en logge paleis, dat werd ontworpen door Jean Moutschen, de Luikse stadsarchitect, is typisch voor de toenmalige functionele architectuur. De buitenbekleding ervan bestaat uit platen van aardewerk waarvan de kleur, die aanvankelijk vanaf de onderkant tot aan de top van het gebouw varieerde van donkerpaars tot lichtrood, tegenwoordig een eenvormige baksteenkleur heeft. Boven de hoofdingang bevindt zich een fresco in art-decostijl van Alphonse Hansard, dat de kunst, de wetenschap en de industrie van de Vurige Stede uitbeeldt. Nadat er verscheidene decennia lang een schaatsbaan was in ondergebracht, moest het gebouw volledig worden gerenoveerd om deel uit te maken van de toekomstige Ecowijk van Coronmeuse.

Via de Marexhe-brug komen we op het eiland Monsin, waar we het aan het Albertkanaal gewijde fresco kunnen bewonderen. De punt, die vandaag een wandelpark is, blijkt heel winderig, wat er een ideaal terrein om te vliegeren van maakt. Langs het jaagpad loopt RAVeL 1, die naar Maastricht gaat.

Quai de Wallonie 3 (parc Astrid)
B-4000 Liège
+32 497 44 33 90 ou +32 497 06 39 49
[email protected]m

Bezoekprogramma op algatourisme.jimdo.com


EEN KUNSTENAARSKASTEEL

Mettet – Namen

Dit was het onderkomen van Félicien Rops. Zijn kasteel. Daar schilderde, schreef en tekende hij, gaf hij etslessen, plantte hij bomen en bloemen en ontving hij bevriende kunstenaars. Het onzichtbaar in het weelderige park verborgen kasteel van Thozée is een ondefinieerbaar gebouw in een stijl die de kunstenaar «koddig» noemde.

De neoklassieke gevel dialogeert heel harmonieus met de peperbusvormige torentjes en de gotische elementen. Het kasteel werd van de ondergang gered door de koppige inzet van cineast Thierry Zéno, die zijn belofte aan Féliciens kleindochter Elisabeth gestand deed. Zo ontsnapte Thozée uiteindelijk aan het vagevuur. Na een 17 jaar durende restauratie ziet het kasteel er nu prachtig uit. Dat niet alles in de haak staat, maakt het juist zo charmant. De kunstenaars die voor een verblijf worden uitgenodigd en de kinderen die er voor een stage komen, prijzen eenparig de wat warrige maar bijzonder aantrekkelijke sfeer die de plaats uitstraalt. De struiken in het park zijn bomen geworden, waarvan de woekerende wortels de trap uit zijn voegen halen. Toen de muren van het grote salon werden ontdaan van een ouderwets en oninteressant behang, trof men een schets aan die waarschijnlijk door Rops zelf werd gemaakt op de bepleistering.

Een tentoonstelling zal de salons op de benedenverdieping in beslag nemen. Ze omvat uittreksels uit brieven en kopieën van schilderijen die door het Ropsmuseum werden uitgeleend. Men ziet er het leven van de kunstenaar in Thozée en de landschappen die hij schilderde tijdens zijn vele wandelingen aan de oever van de Maas en in de omgeving van Mettet. De bibliotheek doet recht aan zijn belangstelling voor botanica en voor de tuinen van het kasteel. Zelfs toen Félicien Rops in Parijs verbleef, schreef hij een brief aan zijn zoon in Thozée om hem heel nauwkeurig uit te leggen waar de rozen, die hij hem vanuit de Lichtstad had toegestuurd, dienden te worden geplant. De vroegere spoorweglijn 150 A waarlangs Félicien Rops naar het kasteel kwam, is de Ravel Rops geworden, langs dewelke men rustig het vredige landschap kan doorkruisen en langs de boomgaard gaan, waar verdwenen gewaande appelsoorten groeien.

Buiten de activiteiten die door het Fonds Félicien Rops worden georganiseerd, is het kasteel van Thozée niet toegankelijk voor het publiek.

Rue de Thozée 12
B-5640 Mettet
+32 71 72 72 62
[email protected]
www.fondsrops.org


ALLE WEGEN LEIDEN NAAR DE GESCHIEDENIS

Enkele dorpen - Namen

In de eerste eeuw van onze tijdrekening liep er nogal wat  volk over de Romeinse heirbaan die Haspengouw doorkruiste. Lokale ambachtslieden, handelaars en landbouwers gingen daarlangs naar hun werk en soms kwam er een garnizoen voorbij, dat in gesloten gelederen naar Tongeren trok.

Aan hun rechterkant verrees de grafheuvel van een notabele. Vandaag ligt die tumulus nog steeds midden in het veld. Er staan enkele bomen op en hij is een van de voornaamste archeologische en monumentale erfgoedstukken van Braives. Enkele kilometer verder vindt men in het vroegere gerechtshof van Hosdent een tentoonstelling van resten uit het rijke verleden van de gemeente. Sinds het midden van de 19e eeuw tot aan het einde van de 20e, gebeurden er haast voortdurend opgravingen in Braives. De meeste vondsten worden bewaard in externe musea, zoals het Grote Curtius.

Tijdens de Erfgoeddagen in september jongstleden, werd de aandacht van wandelaars en fietsers gevestigd op twee uitstappen die verband houden met de trage wegen en die men natuurlijk ook vandaag nog kan doen.

In Burdinne zal uw belangstelling uitgaan naar het vroegere buurtspoorwegstation. Het werd gebouwd vanaf 1908, tot 1942 gebruikt voor reizigers en tot 1957 voor bietenvervoer. De oude sporen zijn nu bedekt door gras en door een wandelpad, maar heel het gebouw is nog perfect bewaard. Het omvat een perron en een laadkade, een gebouw voor de reizigers, waarin zich nu de gemeentebibliotheek bevindt, een locomotiefloods, een machinekamer, het lampenmagazijn waarin de kolenvoorraad werd bewaard en ten slotte een watertoren.

In Héron kunt u de nisjes bekijken langs de aan Onze-Lieve-Heer van Gembloers gewijde bedevaartweg en kruist u de lijnen van de buurtspoorweg van Envoz. In Wanze, ten slotte, zal iedereen naar het vroegere kasteel van Ramequin kijken. Van dat strategisch op de Maasoever gelegen fort schiet er slechts één van de vier vleugels over, die nu een privéwoning geworden is.

Infos : +32 85 25 16 13
[email protected]

Dankzij de erfgoeddagen heeft het grote publiek kunnen kennismaken met een thematiek die even essentieel als tijdeloos is, namelijk verplaatsingen. Over het water, op de weg en met de trein. Het evenement is dan wel voorbij, maar het Erfgoed blijft bestaan en kan heel het jaar worden verkend. Hier vindt u een reeks adressen waar u in elk jaargetijde terechtkunt.

 

ARDENS WATER
Barrage du Ry de Rome (Petigny) — Namen

Rond het meer achter de Ry de Rome-stuwdam in de buurt van Couvin loopt een asfaltweg. Die is bijzonder goed geschikt voor wandelingen en fietstochten langs wat het grootste reservoir van drinkbaar water uit de streek is.

Het meer met een oppervlakte van 25 ha heeft de vorm van een drievingerige handschoen. Men merkt dat niet onmiddellijk op, want 25 jaar na het bouwen van de dam zijn de op de oevers geplante berkengroepen flink gegroeid. Langs een of andere doorkijk kan men echter wel het verlengde zien van de drie rivieren die in het meer uitmonden: de Ry de Rome, de Ry de l’Ermitage en de Ry des Serpents. Dit speciale meer, dat een dal in het midden van het Ardense woud vult, dankt zijn donkere kleur aan zijn rotsachtige bodem. Die geeft er een ietwat noords uitzicht aan, dat nog versterkt wordt door de omliggende naaldbossen.

Afgezien van een korte en lichte helling, is de weg altijd vlak. Hij ligt wat hoger dan de oever, die wordt beschermd door een beboste strook waarop alanten groeien. Wie goed kan luisteren en in stilte observeren, zal futen en ijsvogels zien, alsook – in september, met een beetje geluk – visarenden, indrukwekkende roofvogels die met gespreide vleugels boven de donkere waterspiegel zweven, tot ze plots naar beneden duiken om een vis te vangen. In de met bossen begroeide hellingen rond het meer kan men zwarte spechten zien (die de grootste spechtensoort vormen) en ook zwarte ooievaars, typische steltlopers uit bosrijke streken, die naar Wallonië beginnen terug te keren sinds het woud door een beredeneerd beheer weer aantrekkelijk werd. Van juli tot oktober wordt de droge en zure grond van de taluds bedekt door roze calluna of zomerheide. Tijdens het wandelen, zal men ook een of ander afdalend pad opmerken, waarlangs reeën en everzwijnen bij dageraad uit het woud komen om aan het meer hun dorst te lessen. Aan het einde van de wandeling staat men opnieuw en met een fris hoofd voor de stuwdam.

Inlichtingen
Barrage du Ry de Rome
B-5660 Petigny
+32 60 34 59 56 ou +32 60 34 01 40 / [email protected]
http://tourisme.couvin.com


TABAKSSMOKKEL
Bohan — Namur

Soms zou je gaan denken dat bepaalde stukken van de grens tussen Frankrijk en België door een grappenmaker werden getekend. Tussen een meander van de Semois en van de Sint-Jansbosbeek kan een wandelaar van het ene naar het andere land gaan, zonder dat die overgang ergens staat aangeduid. Van die toestand hebben de tabakssmokkelaars tussen beide landen vanaf de helft van de 19e eeuw tot aan het begin van de 20e maar al te graag gebruik gemaakt. De toenmalige Franse consumenten die in een stukje België aan de oever van de Semois gekweekte tabak kochten, konden zo ontsnappen aan de douanerechten en de accijnzen. De pakken tabak werden in de rivier geworpen en er enkele kilometer verder weer uitgevist en op barken geladen, die naar een van die “barakken” werden gesleept, waar men zijn voorraad tabak, chocolade, koffie en lucifers kon indoen. De inwoners van Bohan en omstreken kenden de bossen als hun broekzak en speelden kat en muis met de douaniers. Op het pad dat de vier verschillende barakken (of wat ervan overblijft) verbindt, worden nu rondleidingen gegeven. 

De Laurent-barak, waar de wandeling begint, is de enige die voor een groot deel bewaard bleef. Nadat het in streeksteen gebouwde huis met twee verdiepingen na het einde van de smokkelperiode verscheidene keren van eigenaar was veranderd, worden er al 25 jaar bosklassen in gegeven voor groepen minderbedeelde kinderen. Daar waar de Sint-Jansbosbeek in de Semois uitmondt, staan de overblijfselen van de Gérard-barak. Enkele begroeide stukken muur aan de rand van het bos. De olieslagerij waar men de olie voor de lampen maakte, verdween volledig bij de opkomst van de petroleum, omstreeks 1870. Meer dan een eeuw later, is de topografie grondig veranderd. De Gérard-barak kon men toen zien vanop de oevers van de rivier. In de loop der jaren verdwenen de resten beetje bij beetje en overwoekerde het woud opnieuw de stenen en de vervallen muren. Om naar de andere twee barakken te gaan, moet men zich diep in de bossen wagen. Waar nu hoogstammige naaldbomen langs de weg staan, bevonden zich in de tijd van de smokkelaars weiden die in het verlengde van de rivierbedding lagen.

Van de Cagneaux-barak schiet er niet veel meer over, tenzij een laag stenen gebouw waarin zich ongetwijfeld een wasplaats bevond. De in 1938 afgebrande barak werd vervangen door een stenen chalet, dat nu ook in puin gevallen is. Het gebruikte pad ligt iets hoger dan hetgeen dat oorspronkelijk werd gevolgd door de SintJansbosbeek, die in de loop van de tijd verscheidene keren van bedding veranderde.

Van de Léger-barak schieten alleen maar twee vloertegels over. Het waterdebiet werd ook aanzienlijk lager door het aanplanten van naaldbomen, die heel het dal hebben uitgedroogd. Op de zeer mooie site waar de Flexa- en de SintJansbosbeek samenvloeien, heeft men wat verbeeldingskracht nodig om de toenmalige kleurrijke activiteit weer tot leven te roepen. Maar misschien moet men alleen maar naar het landschap luisteren, dat ons nog heel wat te vertellen heeft.

Inlichtingen
Rue du Bois Jean 142 –
B-5550 Bohan
+32 61 29 28 27 / [email protected]


DE LAGEN VAN DE TIJD
Sclayn — Namur

De grot van Sclayn, in de buurt van Andenne, is een uitzonderlijke site. Die in 1971 ontdekte paleolithische plaats wordt sinds 1978 voorturend onderzocht aan de hand van de meest geavanceerde methodes van de moderne archeologie. 

De grot vormde gedurende meer dan 100.000 jaar een tussenstop en een hulponderkomen voor een reeks prehistorische bevolkingsgroepen. In de verschillende geologische lagen vindt men voorwerpen en mensen- en dierenresten uit verscheidene tijdperken. Er werden al heel wat ontdekkingen gedaan, waarvan de beroemdste en ongelooflijkste het Kind van Sclayn is, een neanderthalerkind van wie men de onderkaak en enkele tanden vond in een leemlaag. Met de meest geavanceerde technieken heeft men er zelfs de leeftijd van kunnen bepalen, namelijk 8 jaar en 17 dagen.

Wanneer de site naar aanleiding van de Erfgoeddagen wordt geopend, zullen we kunnen zien hoe belangrijk de waterwegen waren voor de prehistorische bevolkingsgroepen. Ze vormden niet enkel natuurlijke hinderpalen, maar konden ook de verplaatsingen vergemakkelijken van die nomadische jagers, die van hun expedities kostbare minerale, plantaardige of dierlijke materialen meebrachten. De geografische oorsprong van die verschillende grondstoffen maakt het a posteriori mogelijk het spoor van die onvermoeibare reizigers na te trekken. De site is zo rijk, dat er verscheidene decennia of zelfs generaties nodig zullen zijn om alle lagen en hoeken ervan te onderzoeken en te verkennen. De opgravingen gebeuren in een bepaalde volgorde en zone per zone. Natuurlijk moet men zich hoeden voor te snelle conclusies, want sporen die men op dezelfde hoogte vindt, kunnen best behoren tot periodes die verscheidene tienduizenden jaren uit elkaar liggen.

Het bezoek wordt geleid door de archeologen die de site beheren. Ze zullen uitleg geven over hun werkwijzen en over de evolutie van de kennis van de prehistorie. Ze zullen de bezoekers ook helpen bij het decoderen van de wanden van de uitgraving, waar men veel rots- en beenderfragmenten vindt, die haast onherkenbaar zijn voor leken. Het geoefende oog van de archeologen herkent nu eens een hoektand van een hyena, dan weer een silex, een snijtand van een holenbeer, een tand van een wolneushoorn of een stuk hertengewei. En die beelden komen op haast magische wijze voor de geest.


IN HET TEKEN VAN DE SCHELP
Nivelles — Waals-Brabant

Tot het einde van de 15e eeuw waren er zeker honderdduizenden pelgrims, en zelfs meer, die te voet op bedevaart gingen naar de Spaanse stad Santiago de Compostella. Ze hadden daarvoor uiteenlopende redenen, maar velen van hen wilden op die manier uiting geven aan hun verering voor de christelijke apostel en martelaar Jacobus.

Veel van die bedevaartswegen doorkruisten ons land en één ervan liep door Nijvel, dat in de middeleeuwen een belangrijke stad was. Nu de bedevaart naar Santiago in deze nieuwe eeuw duidelijk weer in de belangstelling komt, kunnen we ons eens buigen over de sporen die ze in de stad van de heilige Gertrudis naliet. Net zoals vroeger is de weg door de stad aangeduid. Hij begint in de Sint-Annawijk. Een banketbakker die Jacquet heette, verwijst naar de bijnaam die de bedevaarders op weg naar Santiago de Compostella kregen. Volgens plaatselijke bronnen ving The Pilgrim, die er vandaag met zijn roodgeschilderde gevel als een Ierse pub uitziet, sinds de 17e eeuw de bedevaarders op. Het standbeeld van de heilige Jacobus, dat in het gemeentelijke museum wordt bewaard, geeft een idee van de meest gebruikelijke bedevaardersuitrusting, namelijk het schoudermanteltje dat was versierd met “conchas” (schelpen) die men aantrof op de Gallicische stranden, een pelgrimstaf en kalebas. In de 12e eeuw was de “codex calixtinus” de eerste topografische reisgids voor Compostella. U kunt er enkele reproducties van zien. In de aan de heilige Gertrudis toegewijde kapittelkerk stelt een interessant hoogreliëf de heilige Jacobus en de heilige Gertrudis voor aan de voet van een kruisbeeld, wat eraan herinnert dat de bedevaart in die moeilijke tijden allesbehalve een pretje was. De weg eindigt in de Kleine Sint-Jacobswijk, de oudste van de stad, met haar huizen van rode baksteen, die veel sporen van de doorgang van de bedevaarders behielden. Teken dat de verering voor de heilige Jacobus er nog steeds leeft, is dat de buurtbewoners ze in de Sint-Gertrudistoren hebben opgenomen.

Inlichtingen
Avenue Albert et Elisabeth
B-1400 Nivelles
+32 472 94 17 90 / [email protected]
www.chirel-bw.be


LOCOMOTIEVEN VAN VROEGER
Saint-Ghislain — Henegouwen

De vroegere wagenwerkplaats van het station van Saint-Ghislain is al sinds enkele jaren de pleisterplaats van de enthousiaste leden van het TSP (Toerisme en Spoorpatrimonium). Het rollend materieel werd geduldig gerestaureerd dankzij de liefde voor en de knowhow die de leden hebben van treinen uit heel Europa. Het rollend materieel van gisteren en eergisteren staat er op de sporen voor fotografen en liefhebbers. Zelfs als ze stilstaan, verliezen die indrukwekkende machines niets van hun aantrekkingskracht. Ze van alle kanten bekijken en soms in de stuurhut ervan klauteren, roept herinneringen uit de kindertijd op. Sinds de oprichting ervan in 1989 heeft het TSP een steeds groter en gevarieerder wordende verzameling materieel aangelegd, die de voornaamste van het land is geworden, na die van de NMBS en van Trainworld.

De verdieping herbergt het rijk van de miniatuurtreinen, maar die spoorbanen zijn er niet minder indrukwekkend om. We tellen er vier, waaronder gelijkstroombanen met 2 rails en wisselstroombanen met 3 rails, naar Duits of Belgisch model. In de landschapsmodules zien kenners de trouwe weergave van de stations van Thulin, Blaton en Peruwelz. Een prestatie die geduld en enthousiasme vergt en die soms een levenswerk is.

Geen rechtgeaarde modelbouwer zal de ontmoeting op zaterdag willen missen. Te midden van het gerestaureerde spoorwegmaterieel wordt dan een ruilbeurs met een honderdtal exposanten gehouden.

Inlichtingen
Rue de la Fontaine
B-7330 Saint-Ghislain
+32 495 20 27 78 / [email protected]
www.retrotrain.be

Your opinion counts