Waw magazine

Waw magazine

Menu

 Tussen de koetsen van weleer en de studenten van nu heeft het kasteel La Berlière de tijd zien voorbijgaan, zonder dat het iets van zijn charme verloor.

 

Het kasteel La Berlière is een van de best bewaarde geheimen van Wallonië. Hoewel het als uitzonderlijk erfgoed beschermd is, wordt het slechts weinig bezocht. Tenzij door leergierige jongeren. In 1946 werd het kasteel immers gekocht door de paters Jozefieten, die er een middelbare school van maakten. Naar het schijnt herkennen de oud-leerlingen van de school elkaar omdat ze de typische roep kunnen nadoen van de pauwen die in het grote park van het domein lopen te schreeuwen. Als u jongeren ziet die elkaar op de schouder kloppen en met een ondeugend blik “léééonn” toeroepen, dan zijn het hoogstwaarschijnlijk oud-leerlingen.

In 1790 vraagt Balthasar d’Ennetières, de tiende baron van La Berlière, aan de Doornikse architect Antoine Payen om een nieuw kasteel voor hem te bouwen. Het vorige was immers door de revolutionaire troepen in brand gestoken. Het huidige kasteel, dat sinds 1790 maar weinig veranderd is, ligt aan de rand van een reeks vijvers, in het midden van het park dat enkele hectaren groot is. Vanaf de weg moet u door een bijna één kilometer lange schaduwrijke dreef lopen vooraleer u het U-vormige kasteel met zijn klassieke uitzicht kunt bewonderen. Vóór u het binnengaat, kunt u een blik werpen op het bordes, dat door twee elegante sfinxen bewaakt wordt en dat waarschijnlijk gebouwd is met ’s werelds grootste tegel van natuursteen.

 

©DOC Internat La Berlière

 

De allegorie van de vier jaargetijden

Achter de weelderige grote hal van waaruit de eretrap vertrekt, liggen de salons die zich aan het schoolleven hebben moeten aanpassen. In die gelambriseerde kamers met stucwerkplafonds op de benedenverdieping ziet men nu tot zijn verbazing een lange toog van roestvrij staal en met formica beklede tafels, waaraan jongens en meisjes onder luid geroezemoes hun middagmaal verorberen. In een van die tot refter verbouwde salons, kunnen de jongelui een allegorie van de vier jaargetijden bewonderen die op het plafond geschilderd werd. In een andere ruimte is er ook een marmeren spoelbak met bloedrode vlekken, die gebruikt werd om de opbrengst van de jacht te reinigen! Sommige deurklinken zijn nog versierd met het familiewapen van Ennetières. De schilderijen en het houtwerk zijn trouwens de laatste elementen die in de jaren 1990 een grote restauratie ondergingen. De keukens in de kelder hebben nog hun volume en sommige inrichtingen die uit de 18de eeuw dateren, bewaard, maar die voor het overige modern zijn uitgerust, wat nodig is om de maaltijden van de leerlingen te bereiden. Op de verdieping bevindt zich de privéwoning van de pater directeur, alsook een kleine kapel die tegenwoordig door de leden van de congregatie wordt gebruikt, maar die nog steeds het balkon heeft dat vroeger voor het personeel van het kasteel diende. Het was onder graaf Adhémar d’Oultremont, die het kasteel in 1849 erfde, dat het zijn meest luisterrijke jaren kende. Samen met zijn echtgenote, prinses Clémentine de Croÿ, verbouwde en verfraaide de graaf het kasteel. Getuige daarvan is de Franse tuin die hij liet aanleggen aan de voorzijde van het kasteel, in het verlengde van de erelaan die recht naar de toegangspoort leidt. Alleen al voor het onderhoud waren er toen zowat veertig tuinarbeiders uit het dorp nodig. De vrouwen stonden in voor het onderhoud van de paden en voor de juiste volgorde van de vijf reeksen keien: twee blauwe, één witte, twee blauwe. De tuin bestaat nog steeds, maar het onderhoud ervan vergt nu tienmaal minder personeel. De vijver van La Berlière, waar de kleine Watereppe (berle) of wilde selderij groeit die het kasteel zijn naam gaf, werd uitgebreid met drie op elkaar volgende waterpartijen met telkens een charmante aanlegsteiger in Japanse stijl, en met een kanaal waaruit men vroeger in de winter ijs voor de ijskelder hakte.

 

Internationale faam

Het echtpaar, dat bekendstond voor het “gelukkige en eenvoudige” leven dat het leidde, bezat niettemin paardenstallen die tot de best voorziene van het koninkrijk behoorden. Ze herbergden een zeventigtal spannen van allerlei aard en een dertigtal paarden die speciaal waren gedresseerd voor lange jachtpartijen, waaraan gekroonde hoofden uit heel Europa deelnamen, onder wie Albert I. In de stallen zijn nu het internaat en de leslokalen ondergebracht. In de jaren 1950 werd een van de stallen verbouwd tot kapel voor de leerlingen. Men ziet er bouwstijlen uit verscheidene periodes naast elkaar, zoals zuilen van gepolijste natuursteen en glasramen met gekleurde geometrische vormen.

 

©Gilles Bechet

 

Aan de andere kant van de Franse tuin staan de gebouwen van de vroegere modelhoeve. Die indertijd spitstechnologische installaties waren tot ver buiten onze grenzen bekend. Men ziet er nog de boxen met hun onderbouw van baksteen voor de trekdieren, alsook de sporen van het wagonnetjessysteem dat gebouwd werd om de mest uit het varkensteeltcentrum af te voeren. Wanneer men met zijn rug naar de hoeve staat, is het vroegere jachtpaviljoen, waarin graaf Adhémar zijn fotoatelier onderbracht, zichtbaar. Met zijn door klimop bedekte bakstenen muren en zijn merkwaardig hoektorentje van gekleurde keramiektegels heeft het jachtpaviljoen een zeer victoriaanse aandoende charme. In 1991 nam Pierre Granier-Deferre er trouwens zijn film “Archipel” met Michel Piccoli op, waarvoor La Berlière de rol van een Engels college speelde. In 1893 overleed gravin Clémentine op 36-jarige leeftijd. De ontroostbare Adhémar liet op het kerkhof van Houtaing een mausoleum bouwen voor zijn dierbare overledene. Dat achthoekig neogotisch monument werd door de Brusselse architect Victor Evrard ontworpen naar het voorbeeld van het gedenkteken voor Leopold I in het park van Laken. Onder de kapel ligt een crypte met 14 grafkelders voor de kasteelbewoners en hun nakomelingen. Opdat hij elk uur van de dag en de nacht de spits van het mausoleum zou kunnen zien, liet de graaf enkele tientallen bomen verplaatsen naar de rand van het park, om zo een doorkijk te maken naar de op 2 km van het kasteel gelegen kapel. Vandaag kan men, vanaf het terras van het salon en tussen de groter geworden bomen, nog vaag het gekartelde profiel van het gebouw zien. Als uitzonderlijk beschermd erfgoed van Wallonië werd het mausoleum in de jaren 2000 uitvoerig gerestaureerd. Het is privébezit en wordt slechts tweemaal per jaar opengesteld, namelijk naar aanleiding van de erfgoeddagen en van de grafzegening op 2 november. Terzelfder tijd als het mausoleum liet graaf d’Oultremont een rusthuis bouwen, waarin het personeel van het kasteel een comfortabele oude dag zou kunnen slijten. Dat gebouw is te huur gesteld en wordt momenteel door de eigenaar ervan gerestaureerd. Op de hoek van de Rue du Carnier, in de buurt van het rusthuis, kan men een rond bekken zien, waar de paarden die de koetsen van het kasteel trokken, kwamen drinken. Er is ook een bankje waarop de bewoners van Houtaing graag komen zitten om dromerig te kijken naar het onbeweeglijke wateroppervlak van het bekken en daarbij misschien denken aan de zachte Clémentine.

 

INLICHTINgen:
Château de La Berlière
Route de Frasnes, 243
B-7812 Houtaing

 


 

HET ELIXIR VAN CLÉMENTINE

Het was bijna per toeval dat Beatrice Roucour uit Bergen zich in Houtaing kwam vestigen. Vanuit haar tuin kan ze het mausoleum zien. Ze kwam dan ook al vlug in de ban van het gebouw en stak al haar energie in het oprichten van een vereniging voor het behoud van het monument. Bij het uitpluizen van het archief van de familie d’Oultremont vond ze het recept van een verfrissende drank die Clementine haar genodigden aanbood en die bestond uit bronwater, citroensap, amandelsiroop en een geheim ingredient. Zo ontstond de Climonade, die met Ardens bronwater wordt gemaakt door een limonadefabrikant uit de provincie Luxemburg. Deze licht bruisende drank, wordt al geserveerd in enkele selecte gelegenheden in Brussel en Wallonie. De Climonade wordt koud gedronken, met ijsblokjes of in een cocktail, en is verrassend zacht.

©Le Cercle de Clémentine
 INLICHTINgen:
Béatrice Roucour
 +32 (0)494 58 05 63

De vroegere abdij van Heylissem, met haar befaamde koepel, vormt de historische kern van een domein van 40 hectaren, dat een ambitieus programma voor de volgende decennia kreeg.

 

De mensen uit de streek noemen de abdij “het kasteel”. Met zijn symmetrische opbouw en zijn klassiek uitzicht lijkt het gebouw, dat het ereplein van het domein van Heylissem afsluit, immers meer op een adellijke woonst dan op de oorspronkelijke abdij. In de tweede helft van de 18de eeuw werd de abdij van Heylissem beschouwd als “de mooiste parel van de streek”, terwijl de norbertijnerkannuniken, die er al sinds de 12de eeuw verbleven, een van de machtigste en rijkste kloostergemeenschappen uit Haspengouw vormden. Het neoklassieke gebouw dat vanaf 1768 werd opgetrokken, was ontworpen door Laurent-Benoît Dewez, de toenmalige hoofdarchitect van de Oostenrijkse Nederlanden, die veel kerken en abdijen bouwde, waaronder het kasteel van Seneffe. Dé blikvanger is de centraal geplaatste oude abdijkerk met haar breed fronton van Gobertangesteen en haar majesteitelijke koepel. Aan weerszijden daarvan bevinden zich beide vleugels van de prelatuur met hun leistenen dak. Het vroegere klooster aan de achterzijde van het gebouw bestaat vandaag niet meer, maar het spoor van de bogen ervan is nog zichtbaar op de buitenmuren. Als gevolg van de Franse Revolutie, de religieuze vervolging en het Concordaat, konden de premonstratenzers niet lang profiteren van de macht die ze wilden verheerlijken.

Na het revolutionaire geweld werd de abdij ontwijd en omgevormd tot een kasteel dat van hand tot hand ging. Aan het einde van de 19de eeuw deed eigenaar Gustave van den Bossche, de latere baron van Heylissem, een beroep op Alphonse Balat om enkele verbouwingen aan zijn weelderige woonst uit te voeren. De beroemde architect, die de favoriet was van de toenmalige jetset, verhoogde de granaatvormige spitsboogkoepel en voegde er een door een balustrade afgesloten terras aan toe. Hij gaf de op de vijver uitziende zijgevel ook een neoklassieke stijl. In 1962 werd het kasteel, samen met de bijgebouwen en het park, aan de provincie Brabant verkocht.

Beide kasteelvleugels werden opnieuw ingericht in de jaren 1970-1990 en aan het begin van de jaren 2000, waarbij ze veel van hun binnendecoratie en inrichting verloren. Enkel de monumentale eiken trap uit de 18de eeuw en de versieringen die Balat had ontworpen voor de plaatsen op de benedenverdieping, zijn bewaard gebleven. De indrukwekkende koepel, die het koor van de vroegere abdijkerk vormde, heeft een haast duizelingwekkende hoogte van 40 m. Het vroegere plaveisel werd vervangen door beige marmeren tegels, met in het midden een ster uit wit marmer van Carrara. In een van de tegenover elkaar liggende bijgebouwen aan weerszijden van de binnenplaats bevindt zich het museum voor archeologische interpretatie. Het is bedoeld voor kinderen en gewijd aan het dagelijks leven van rendierjagers en aan het gereedschap van de prehistorische jagers-verzamelaars. Kleuters en kinderen uit de basisschool leren het daar na te maken en te gebruiken.

 
Een nieuwe zaal

Om het klaar te maken voor de toekomst werden er over de jaren heen heel wat projecten op het domein van Heylissem gestart: een hotel, een microbrouwerij en een koekjesdozenmuseum. Vandaag heeft het domein een concreter kader gekregen. Het Stedenbouwkundig en Milieureglement dat in juni jongstleden bij de gemeente werd ingediend, legt de richting vast die de bevoegde overheden willen geven aan de uitbating van het domein, dat jaarlijks al ongeveer 180.000 bezoekers trekt. “Het domein van Heylissem is een beschermde erfgoedsite van neoklassieke stijl met een romantisch park. Wij willen ervoor zorgen dat het een familiaal en multifunctioneel gebied voor ontspanning en vrije tijd blijft”, stelt bestendig gedeputeerde Mathieu Michel. Het 38 ha grote domein werd uitgebreid door de aankoop van een bijkomend perceel van 12 ha. De voornaamste verandering zal de bouw zijn van een nieuwe zaal die rechtstreeks met het kasteel verbonden is. “Vandaag is de koepel een doel op zich; wij willen die herinrichten als toegangshal tot een polyvalente zaal voor 500 personen. We zullen ervan profiteren om het landschapskarakter van het park te veranderen en om visuele verbindingen te maken tussen de verschillende zones.” Op de verdieping van de kasteelvleugels komen zalen voor seminars en een logeerruimte. In de buurt van het kasteel zijn er nog overblijfselen van de vroegere boerderij en de mooie paardenstallen, waarvan de renovatie vragen doet rijzen, omdat er geen goede bestemming voor is. Het domein zal ook de sportuitrustingen voor tennis en ruiterij versterken, en in ‘La Bascule’ onderkomen aan scholen verschaffen. Dankzij de grote werkzaamheden voor het heraanleggen van het park, zal er tussen de oever van de derde vijver en de rand van het speelplein een cafetaria kunnen worden gebouwd. De grote grondwerken zullen dienen om nieuwe verbindingswegen tussen de verschillende zones van het domein aan te leggen. Indien alles volgens plan verloopt, zullen de werken eind 2016 - begin 2017 van start gaan. Het is natuurlijk niet de bedoeling elke vierkante meter van het terrein in beslag te nemen. De ontwerpers willen integendeel ruimte scheppen en de zones en soorten activiteiten in een nieuw kader plaatsen naargelang de behoeften en de evolutie van de aangrenzende gebieden.

 

Inlichtingen:

Het Provinciaal Domein van Hélécine

Rue Armand Dewolf, 2

B-1357 Helecine

+32 (0)19 65 54 91

www.domainehelecine.be

 

Na werkzaamheden die meer dan twee jaar geduurd hebben, is het slagveld van Waterloo klaar om te blijven herinneren aan een gebeurtenis die het lot van Europa bepaald heeft. Er is een nieuw museum, ondergronds, zodat het landschap en het uitzicht op de Leeuwenheuvel beter tot hun recht komen. En in aansluiting op de tweehonderdste verjaardag laat Wallonië ook andere plekken tot hun recht komen die te maken hebben met de napoleontische veldtocht.

Amper enkele jaren na de slag al kwamen de eerste Engelse toeristen de site bezoeken. Toch was er niets anders te zien dan een vlakte vol verschrikkelijke herinneringen. Sinds 1826 is de leeuw dan op de heuvel gaan staan, om te vermijden dat de kanonskogel opnieuw over een al gekneusd Europa zou rollen. In 1912 werd het Panoramagebouw opgetrokken om plaats te bieden voor het 360-gradendoek van Louis Demoulin. In 2015 zijn deze getuigen van het verleden er nog altijd, maar ze komen niet meer aan de oppervlakte, want om het landschap van het slagveld te beschermen is het gebouw van het Memoriaal volledig ondergronds gebouwd. De muur langs de helling die toegang biedt tot de site wordt bedekt met een plantentapijt dat uit elf soorten bestaat, waaronder vijfbladige wingerd, clematis, klimhortensia en kamperfoelie. Dit project is een van de grootste toeristische investeringen ooit in de Waalse regio (40 miljoen euro) en werd in goede banen geleid door La Belle Alliance, een consortium van zeven ervaren bedrijven en partners. De wetenschappelijke begeleiding van alles wat in dit Memoriaal staat, werd toevertrouwd aan een comité van Napoleonkenners uit de vijf oorlogvoerende landen van toen.

Voor de bezoeker begint aan het parcours door 1.700 m² tentoonstellingsruimte, kiest hij een virtuele gids uit veertig personages van de slag bij Waterloo. Of het nu Fransen zijn, Engelsen, Pruisen of Nederlanders, al deze personages zijn reëel en hun notities en geschriften zijn bewaard gebleven. Om de verschillende legers die deelnamen te leren kennen, trekt de bezoeker langs een galerij waar geüniformeerde soldaten klaar staan om naar het front te trekken. Deze slag kan je maar begrijpen als je de geschiedkundige en politieke achtergrond hebt ontcijferd.

De wetenschappelijke begeleiding van alles wat in dit Memoriaal staat, werd toevertrouwd aan een comité van Napoleonkenners uit de vijf oorlogvoerende landen van toen.


Ten tijde van Napoleon, die als een outlaw werd beschouwd, was Europa ideologisch diep verscheurd. De militaire inzet hing vaak af van het type wapens waarover de soldaten in elk kamp beschikten en dat hun strategie bepaalde. Symbolische voorwerpen uit die tijd of kopieën ervan bakenen de route af. Er is een ereplaats voor de mooiste stukken uit de beroemde collectie Brassine (zoals we al bespraken in WAW nummer 25). Verschillende interactieve, viertalige schermen zorgen voor boeiende informatie, die niet langdradig is. ‘We stellen vier niveaus voor, die almaar gedetailleerder worden. De bezoeker heeft de keuze om er uit te pikken wat hem interesseert, eerder dan een overvloed aan onverteerbare informatie te moeten slikken die op het scherm verschijnt’, verduidelijkt Philippe Chiwi van het audiovisuele bedrijf Pinxi, dat de interactieve inhoud heeft ontwikkeld. Deze Brusselse firma, die 3D-films maakt voor ontspanning of voor de inrichting van musea, heeft een stevige reputatie opgebouwd bij een groot publiek in België en in het buitenland. Zo heeft Pinxi voor het Bagacum van Bavay in Frankrijk een interactief archeologisch verhaal gemaakt, voor het olympisch museum in Lausanne interactieve modules rond de bestaande collectie, maar ook de virtuele multimedia-omgeving van de tentoonstelling Golden Sixties in Luik.

Een kwartier lang de ervaring meemaken van de veldslag is ongetwijfeld een van de hoogtepunten van het bezoek. Om de toevloed van bezoekers in de hand te houden is er een wachtzone. Die heeft de vorm van een bivak bij een stormachtige nacht. In de projectieruimte zorgt een scherm van 25 meter lang bij 4,5 meter hoog voor een meeslepende en originele ervaring. Met zijn panoramische 3D-camera zuigt regisseur Gérard Corbiau de 90 bezoekers meteen mee in het heetst van de strijd. Legers vallen aan, mannen en paarden sneuvelen, kogels vliegen rond, bloed vloeit. Na al dat tumult moet je proberen om weer bij je zinnen te komen, terwijl je het resultaat aanschouwt van wat een bloedbad echt was. Een tijdlijn maakt de bezoekers bewust van de impact die Waterloo had op het lot van de verschillende oorlogvoerende landen. Via zijn persoonlijke audiogids laat de bezoeker langs het parcours dat hij koos digitale ‘kiezelsteentjes’ achter, waarmee hij op het einde van zijn bezoek een multimediamozaïek kan samenstellen – een blijk van ‘zijn’ bezoek die hij een paar dagen later in zijn mailbox ontvangt.

Een kwartier lang de ervaring meemaken van de veldslag is ongetwijfeld een van de hoogtepunten van het bezoek. Om de toevloed van bezoekers in de hand te houden is er een wachtzone. Die heeft de vorm van een bivak bij een stormachtige nacht.


Het Memoriaal 1815 is ontworpen om jaarlijks zowat 700.000 à 800.000 bezoekers te ontvangen. Voor het ondergrondse museum van Waterloo rekent men op een gemiddelde van 500.000, waardoor het niet lang verborgen zal blijven en geen enkele moeite zal hebben om de aandacht te vestigen op deze erfgoedplaats, die de belangrijkste Europese site is geworden voor herdenkingstoerisme.

Een paar honderd meter verder wordt ook het Hôtel du Musée grondig gerenoveerd. De hongerige en dorstige bezoekers kunnen terecht in restaurant Wellington (90 couverts) of brasserie Le Bivouac de l’Empereur (138 couverts), die allebei weer over alle elementen beschikken om te kunnen fungeren als historisch decor.

Ook de boerderij van Hougoumont, de laatste authentieke getuige van de strijd, wordt gerestaureerd. Hier worden de cruciale momenten van de slag uitgebeeld. Dit wordt een plaats voor bezinning en verzoening. Het hoofdgebouw, ook wel ‘huis van de tuinman’ genoemd, heeft op de eerste verdieping een gîte met twee kamers. Ondanks het verschrikkelijke bloedbad waarop dit gebouw twee eeuwen geleden uitkeek, is het hier rustig slapen.

www.waterloo1815.be

DE MOOIE AFTOCHT

Op 19 juni 1815 vernam maarschalk Grouchy de nederlaag van de keizer toen hij met zijn 35.000 manschappen van het derde en vierde leger Waver verliet. Het was warm die dag. De mannen waren vuil en uitgeput. Ze hadden dorst en ze hadden vier dagen lang nauwelijks geslapen toen ze zich vechtend terugtrokken langs de weg naar Namen, achtervolgd door het leger van Blücher. Vandaag is het aangenamer om de Route de l’Armée Grouchy te nemen, de toeristische weg die Wallonië doorkruist van Waver via Namen tot Givet. ‘We hebben de Route Napoleon die door het Waals Gewest werd ontwikkeld, als voorbeeld genomen’, legt Josette Champt uit, directrice van de Toeristische dienst voor de Brabantse Ardennen. ‘Met dezelfde bedoeling, Erfgoed dus het napoleontische spoor volgen om alle elementen te waarderen die te maken hebben met de Belgische campagne.’ Natuurlijk zijn het grondgebied en de straten niet meer dezelfde als in 1815, maar helemaal onherkenbaar zijn ze niet geworden. De deelnemende gemeenten hebben geprobeerd om een route uit te stippelen die zo trouw mogelijk blijft aan de historische feiten. Het eerste gedeelte van de route, van Waver naar Namen, stelt twee mogelijkheden voor die elk overeenkomen met de weg die een colonne volgde om het terugtrekken zo vlot mogelijk te laten verlopen. De eerste loopt langs Gembloux, de andere langs Grand-Leez. Tegenwoordig zie je geen karren meer die voortgetrokken worden door uitgehongerde paarden en over aarden wegen hobbelen. De Route de l’Armée Grouchy heeft zich aangepast aan de moderne transportmiddelen en biedt over de hele lengte een traject dat je met de wagen kunt afleggen, en een andere route voor de zwakkere weggebruikers. Sommigen willen zo snel mogelijk de opmerkelijke plekken bezoeken, terwijl anderen de reis belangrijker vinden dan de bestemming. Zij willen genieten van de landschappen, te voet of met de fiets.

Op 15 april begint de Campagne 2015 met verschillende evenementen in Waver en in Namen rond de plaatsen die gelinkt zijn aan de napoleontische veldtocht. Naast de herdenkingen van het tweehonderdste jaarfeest zal de route vereeuwigd worden door de toeristen voor te stellen om gedurende enkele uren de streek te ontdekken en te proeven van het erfgoed en de landschappen, om even geraakt te worden door de geschiedenis en dan weer verder te gaan.

Vanaf april 2015:
napoleon-grouchy-1815.com

 

ZO DICHT MOGELIJK BIJ DE STRIJD

‘Als ik in Ligny op het slagveld wandel, dan weet ik waar welk regiment stond opgesteld, ik weet vanwaar de kanonnen schoten en als ik naar de molen van Naveau kijk, dan kan ik bijna Napoleon zien die naar me kijkt’. Als kind droomde Léon Bernard ervan om archeoloog te worden, of politieman. Hij werd politieman en commissaris bij de gerechtelijke politie. Toen hij 35 was, is hij een verzameling begonnen van objecten en souvenirs in verband met de doortocht van Napoleon in België. Hij noemt zichzelf veldhistoricus en is de onbetwiste specialist van de slag bij Ligny, de laatste overwinning van de keizer. Hij kent de hele topografie van dit slagveld, dat twee keer zo groot is als dat van Waterloo en dat hij in alle seizoenen onderzocht heeft. Nu hij geniet van een welverdiend pensioen heeft hij meer tijd om zich te wijden aan het kleine privémuseum waar hij een deel van zijn schatten tentoonstelt. Kanonskogels langs de muur, kisten boordevol kogels, scherven van obussen, granaten die opgegraven werden op het slagveld. In de uitstalkasten staan loden soldaatjes naast knopen, zwaarden, pistolen, stukken van een pijp, vingerhoedjes, of een brief in gezwollen taal die gericht was aan meneer Février, keizerlijk notaris in Sombreffe.

‘Wat mij interesseert is hoe de mensen toen leefden en wat er gebeurd is in dat kleine stukje België, toen 160.000 soldaten hier neerstreken met hun wapens en kanonnen. Hoe wil men het heden begrijpen, als men het verleden niet kent?’ Léon Bernard heeft in eigen beheer een geschiedenis van de veldslag in vijf boekdelen uitgegeven en begeleidt op aanvraag bezoeken aan de sites van Ligny en Fleurus.

Léon Bernard
+32 (0)476 73 67 12

Het ‘Plan Ambition 2020’ wil de krachten bundelen rond vier uitdagingen, waarvan de tewerkstelling en het onderwijs de basis vormen. De mobilisatie is nog te vaag en het herstel in Wallonië is dringend.

‘Er is geen Marshallplan of Plan Ambition 2020 als we niet de problemen aan de basis aanpakken, namelijk de rekrutering van mensen met kwalificaties die de economie nodig heeft.’ Dat is één van de prioriteiten die naar voren is gekomen in de denkoefening die Marcel Miller, de voorzitter van Alstom Belgium, leidde in het kader van het Plan Ambition 2020. Het plan gaat uit van de ‘Union Wallonne des Entreprises’ (UWE – Waalse unie van bedrijven), de ‘Union des Classes Moyennes (UCM – Unie van middenklassen) en alle Waalse Kamers van Koophandel en de Industrie. Het heeft de ambitie Wallonië klaar te maken voor de verankering van zijn economische ontwikkeling, voornamelijk door op zijn eigen krachten te rekenen. Miller kreeg de opdracht voorstellen uit te werken op het vlak van tewerkstelling, onderwijs en opleiding en ging verder met de denkoefening die in de schoot van Agoria Wallonie was begonnen.

Heel wat technische studierichtingen zijn wanhopig op zoek naar nieuwe kandidaten, terwijl er een groot aantal mensen met een op het eerste gezicht geschikt profiel op zoek is naar werk. Op het eerste gezicht, want er is soms een groot verschil tussen het profiel dat iemand beweert te hebben en de competenties die echt zijn verworven. ‘We moeten absoluut de dialoog verbeteren tussen de bedrijfswereld en de personeelswerving. We hebben verschillende uitstekende beroepsopleidingsinstituten. De grote uitdaging is om er alle mensen die willen werken naartoe te krijgen. Ik denk dat het onze plicht en ons recht is om een doelpubliek te screenen dat zijn voordeel zou doen met een gerichtere begeleiding.’ Marcel Miller denkt in de eerste plaats aan mensen die pas hun werk kwijt zijn en die we niet in de steek mogen laten, maar ook aan de jongelui die makkelijker toegang moeten krijgen tot de arbeidsmarkt.

Een andere manier om jongeren aan te spreken

Op het vlak van opleidingen verdedigt hij alternerend leren, zoals het met succes in Frankrijk en Duitsland wordt toegepast. ‘Er is een hele categorie van jongeren die zich beter voelen op de werkvloer dan in een studieomgeving.’ Er is een pilotproject opgezet met een opleiding voor mensen met een diploma beroepsopleiding. Twee jaar lang volgen ze een masteropleiding waarbij ze evenveel tijd doorbrengen in een bedrijf en op de schoolbanken. Voor dit eerste experiment, in samenwerking met instituten voor hoger onderwijs, werden vier richtingen uitgekozen: facilitymanagement, productiebeheer, bouw en biomedische wetenschappen. ‘We gaan niet in concurrentie met traditionele opleidingen. Het is voor de ondernemingen een andere manier om in dialoog te gaan met jongeren, om ze beter te motiveren.’

Verschillende bedrijven, zoals Audi, Fabricom of GSK, hebben zelf het initiatief genomen om opleidingsprogramma’s te lanceren. Marcel Miller zou, in het kader van Plan Ambition 2020, willen dat het werd uitgebreid naar andere richtingen en andere opleidingsniveaus op het einde van het secundaire onderwijs, en vooral dat het beloond wordt met een diploma. ‘Misschien zien sommigen dat als een revolutie, maar wees gerust, we willen de opleiding niet privatiseren, maar jongeren weer naar richtingen brengen waar er een tekort is. De bedrijfswereld heeft het experiment uitgevoerd, nu is het aan de politiek en het onderwijs om weer aan de slag te gaan.’

We gaan verder op zoek naar de problemen aan de basis en komen uit bij de beroepsoriëntatie. Het is een beslissend moment dat Marcel Miller met verstomming slaat. ‘Het is een betreurenswaardige vaststelling dat opleidingen voor knelpuntberoepen moeten sluiten omdat ze geen leerlingen hebben, terwijl er andere zijn die geen vooruitzichten bieden op werk, die een groot succes kennen en royaal worden gesubsidieerd.’ Hij dringt erop aan om de opleidingen voor knelpuntberoepen te ondersteunen, maar erkent dat hij geen mirakeloplossing heeft. Waarom zouden we niet een soort bonus-malus invoeren naargelang van de behoeften op de arbeidsmarkt ? ‘Dat zijn dingen die de mensen niet echt graag horen.’

De dertig voorstellen van Ambition 2020 zijn nog maar een begin. De bedrijfswereld heeft begrepen dat ze niet langer alleen maar lessen kunnen geven, maar dat ze tot de actie moeten overgaan en samenwerkingen moeten opzetten tussen werkgevers, vakbonden en opleidingen. Zonder te wachten tot het 2020 is. ‘Ik geloof niet dat je met dwang dingen kunt oplossen. We moeten de motivatie aanzwengelen. Met de opa-boom die voor de deur staat, hebben jongelui nochtans redenen genoeg om de toekomst hoopvol tegemoet te zien. Er komen onverwachte kansen voor hen - tenminste, voor diegenen die gemotiveerd en opgeleid zijn.’

www.ambition2020.be

 

Langs het circuit

Drie dagen lang zal op het mythische Ardense racecircuit het geronk van de bolides de concentratie van de deelnemers of de nieuwsgierigheid van de 40.000 tot 60.000 bezoekers niet verstoren. Spa-Francorchamps was een natuurlijke keuze. Geen enkele andere Waalse infrastructuur kon in zijn onmiddellijke nabijheid de combinatie van 40.000 m² expositieruimte en een hotelcapaciteit van 2.000 kamers bieden. Perszalen, ontmoetingsruimtes en conferentiezalen: geen enkele ruimte blijft onbenut. De schilders en wegenbouwers zullen zich op de parkeerplaats installeren, de bloemisten in de garages, de stilisten in de receptiezalen, en op het uitgestrekte terras van de Pit Building zullen er demonstraties van beroepen zijn. ‘Het circuit rendeert volop,’ bevestigt directeur-generaal Pierre-Alain- Thibaut. ‘Sinds een jaar of twee, drie positioneren we ons als een congresen seminarcentrum.’ De mensen die verantwoordelijk zijn voor het circuit gaan naar de grote beurzen van de MICE-sector (Meeting Incentive, Conferences and Exhibitions), waar ze veel internationale klanten ontmoeten, die zich laten verleiden door de troeven van de site. Dat zijn vooral de grote ruimten, maar het is ook een aantrekkelijke gedachte dat je je eerste circuitervaring kunt opdoen op het asfalt waar Schumacher, Button, Alonso en andere beroemdheden je voor zijn geweest. ‘In het seizoen zijn er heel veel mogelijkheden, en in de winter ook in de weekends.’

Op de site van het circuit bevindt zich de autocampus, die op het vlak van opleidingen synergieën mogelijk maakt. Het is ontstaan uit een partnerschap tussen Forem Formation (de opleidingsafdeling van de Waalse tewerkstellingsdienst), de universiteit van Luik, het Institut für Kraftfahrwesen Aachen (IKA) en Agoria (de federatie voor de technologische industrie). De campus biedt opleidingssessies, zowel voor geroutineerde ingenieurs en technici als voor beginnelingen. Op het circuit heeft het jonge bedrijf Green Propulsion ook zijn Imperia GP, een rasechte raceauto met hybride motor, uitgetest en aan het publiek voorgesteld. De aanwezigheid van een business incubator en de industriezone van Blanchimont maken van Spa- Francorchamps een unieke ontwikkelingspool voor de automobielsector. En dat op zich is krachtiger dan een aanzetmotor.

www.spa-francorchamps.be
www.formationcampus-automobile.be

Virginie Pieters maakt zich klaar om ons land te verdedigen in de categorie dakwerken. Het is een goede gelegenheid om even stil te staan bij de plaats van de vrouw in de bouwsector en de bewustmakingsen begeleidingsmaatregelen van het opleidingsfonds van de Waalse bouwsector.

Als je op straat langs een bouwplaats loopt, zie je niet altijd of de arbeiders in hun overall en helm mannen of vrouwen zijn. Maar er zijn wel steeds meer vrouwen in de bouwsector actief. Eind 2011 waren dat er 465, of 0,8% van het totale aantal bouwvakkers. In 2009 was dat nog maar 0,5 %. Agnès Marlier timmerde aan de weg met het project ‘Femmes et Construction’ (Vrouwen en de bouwsector), dat samenliep met een mentaliteitswijziging. Het project werd door de sector gelanceerd, in samenwerking met de opleidingsorganisaties en de verenigingen ter verdediging en promotie van de diversiteit. Deze bewustmakingscampagne speelt op alle niveaus: beroepsoriëntatie, opleiding en arbeidsmarkt, en ook in de bedrijven die mensen aannemen en bij kandidaten die werk zoeken. Een conclusie dringt zich op: vooroordelen en angst bestaan aan beide kanten. Zo hoor je bijvoorbeeld al snel zeggen dat een vrouw niet de fysieke kracht heeft om op een bouwplaats te werken. Dat klopt niet. Statistisch gezien is 50% van de vrouwen even sterk als 70% van de mannen. Denk maar aan verpleegsters, die in één dag anderhalve ton dragen, wat neerkomt op 50 blokken van 30 kilo of 60 zakken cement. Die argumentatie halen we uit de folder waarin een antwoord wordt gegeven op de kant-en-klare ideeën van zowel bedrijfsleiders als werkzoekenden. Agnès Marlier communiceert niet alleen, maar verricht ook veldwerk naast de kandidaten in de bedrijven. ‘Als ik van een bedrijf hoor dat ze niet bang zijn om een vrouw aan te nemen, kan daar een zekere angst uit spreken. De bedrijven die het eerlijkst praten over hun angst, zorgen voor samenhang in het debat. Als je zover bent, kun je de vooroordelen ombuigen.’

In dit opzicht is je eerste baan of je eerste stage vaak een sleutelmoment. ‘Je moet waakzaam zijn, want een slechte ervaring kan het beeld wijzigen dat een kandidaat zich over een sector vormt.’ In haar eentje zorgt Agnès Marlier voor de begeleiding van vrouwen. ‘Dat is soms te kort’, biecht ze met een glimlach op. Die begeleiding kan niet anders dan individueel zijn. Ze weet uit ervaring dat de bereidwilligheid om vrouwen aan te nemen, afhangt van een beslissing en de visie van de bedrijfsleider. Grote bedrijven staan er niet meer of minder voor open dan kmo’s. Zelfs als een vrouw een bedrijf leidt, kan ze moeite hebben met het idee om een arbeidster aan te nemen.

Maar als de integratie eenmaal is gebeurd, verdwijnen veel angsten en kunnen de argumenten worden omgedraaid. Dat geldt ook voor de beruchte fysieke minderwaardigheid. We merken vaak dat vrouwen er veel meer op bedacht zijn om zware lasten op de beste manier te dragen, zonder dat het pijn doet. Mannen die er met minder scrupules invliegen, zullen misschien sneller in de Ziektewet lopen.

Valérie Gilles, timmervrouw, Isabelle Crucifix, verwarmingstechnica, Noémie Chavepeyer, schilderes, en Virginie Pieters, dakwerkster, zijn de vier iconen die de campagne ‘Vrouwen in de bouwsector’ naar voren schuift. De kracht van het voorbeeld is belangrijk om de jonge meisjes te steunen die voor een atypisch parcours hebben gekozen. Het is fijn om te weten dat je niet alleen bent, dat ook anderen het doen, en het ook goed doen. Het is een noodzakelijke steun tijdens de studie, wanneer het zelfvertrouwen nog broos is. De meisjes worden vaak niet aangemoedigd tijdens hun opleiding, en vaak vinden ze hun weg pas als iemand ze onvoorwaardelijk steunt. Valérie was in haar school het eerste meisje dat een diploma van timmervrouw haalde, en ze heeft haar weg gemaakt dankzij het luisterend oor van een leraar metselwerk. In technische en beroepsopleidingen zijn meisjes altijd in de minderheid en het is belangrijk dat de scholen er zorg voor dragen dat iedereen gerespecteerd wordt. Nee, het is niet normaal dat een meisje zich systematisch laat pesten door de jongens, en een meisje is niet noodzakelijk ‘zwakker’ dan een jongen.

Vrouwen zullen zeker niet de langdurige tekorten in bepaalde takken van de bouwsector opvullen, maar ze kunnen op hun niveau wel een deel van de oplossing bieden. Meer vrouwen in de bouwsector is ook in de eerste plaats een teken dat de maatschappij volwassen wordt. Het project ‘Femmes et Construction’ wordt voortgezet, zonder dat er een doelcijfer aan wordt verbonden. ‘We weten dat dit een atypisch project is en dat we tegen de stroom in zwemmen. We willen niet alleen de statistieken de hoogte in krijgen, maar vooral ook duurzame banen creëren.’

In afwachting van de website Femmes et Construction (die komt er in oktober), onderhoudt Agnès Marlier de erg dynamische Facebookpagina ‘Construction en tout Genre’ (Bouw in elk genre – van elk geslacht) met heel wat info en getuigenissen uit België, Frankrijk en zelfs Québec.

 

Gemiddelde jaarcijfers over de actie Femmes et Construction:

• 35 vrouwen die via een tussenkomst bij de opleidingsoriëntatie bewust worden gemaakt
• 25 vrouwen die worden gecoacht
• 17 vrouwen die worden opgeleid
• 7 vrouwen die in de sector aan de slag gaan
• 2 vrouwen die een leercontract tekenen
• 2 vrouwen die in een andere sector aan de slag gaan

Alles wat je ooit wilde weten over de beroepen zonder ze ooit te durven proberen, vind je nu bij elkaar in CurioCity.

Naast de competitieruimte, waar de zenuwen gespannen, de aandacht scherp en de opwinding tastbaar zullen zijn, zullen de bezoekers van Euroskills CurioCity kunnen ontdekken. Het wordt een gezellige ruimte vol animatie, demonstraties en proeven, met als doel de technologische beroepen naar het voorplan te brengen.

‘Het is belangrijk dat jonge mensen andere jonge mensen een beroep zien uitoefenen, en dat ze het zelf zullen kunnen uitproberen,’ vertelt Francis Hourant. ‘Die animaties zijn gericht op de jongelui, maar ook op de ouders die de keuze van hun kinderen hiermee naar waarde zullen kunnen schatten. Het wordt een unieke gelegenheid om te ontdekken hoe een 3D-printer werkt, om loodgieterij of dakwerken uit te proberen, om de wielen van een auto uit te balanceren of een defect op te sporen. We willen dat het publiek verleid wordt door de geuren, dat ze de dingen willen aanraken. Als je niks aanraakt met je handen, laat je een belangrijke motivatie links liggen.’

Er zullen ook een veertigtal studiebemiddelaars aanwezig zijn, die vragen zullen beantwoorden en de jongelui de richting zullen wijzen in deze bruisende beroepenkorf. Er wordt in het bijzonder gemikt op jongelui vanaf het zesde leerjaar en leerlingen van het tweede jaar secundair onderwijs die voor een studiekeuze staan.

Een echt huis met houten skelet 

De bouwsector wil zich in de eerste plaats tot jongelui van 10 tot 14 jaar richten. ‘In de afgelopen jaren richtten we ons tot jongelui vanaf 14 jaar. Maar zoals uit één van onze enquêtes is gebleken, zijn de negatieve vooroordelen op die leeftijd al stevig ingesleten,’ vertelt ons Nathalie Berger et , directrice van Tewerkstelling, Opleiding en Communicatie bij de Bouwconfederatie, en coördinatrice van het bouwteam. ‘Op de leeftijd van 14 of 15 jaar heb je al vrienden die naar een technische opleiding zijn overgeschakeld omdat ze in een andere opleiding hebben gefaald. Ze hebben zich al een mening gevormd, terwijl jongere kinderen nog nieuwsgieriger en opener zijn. Ze willen graag dingen ontdekken.’

Vanop de banken zullen de jonge bezoekers van CurioCity kunnen volgen hoe een echt huis met houten skelet wordt gebouwd. De verschillende ambachten bundelen hun krachten om een huis van begin tot einde te bouwen, van de installatie van de keuken tot de plaatsing van de leien op het dak. De bezoekers krijgen spelletjes waarin technieken of materialen worden aangewend, om op die manier hun aandacht vast te houden. Veertien verschillende beroepen zullen bovendien vertegenwoordigd zijn en hun hoogwaardige, innoverende knowhow voor het voetlicht brengen. Met domotica hebben informatica en elektronica massaal hun intrede gedaan in de huizen, en dat gaat nooit meer weg. ‘Het is ook belangrijk om te laten zien dat de basistechnologieën geëvolueerd zijn, in het bijzonder op het vlak van isolatie en verwarming. De energieproblematiek en de ontwikkeling van lage-energiewoningen of passiefhuizen hebben de sector nieuw leven ingeblazen en maken er de inzet voor morgen van.’

Een statusverhogende toegangspoort

De patrimoniumberoepen zijn levende getuigen. Ze houden de traditionele handelingen en materialen van de bouwsector in leven. Je vindt ze uiteraard in het centrum van het bouwdorp, naast de technisch modernere beroepen. Bezoekers kunnen meehelpen aan demonstraties van leienplaatsen, raamrestauratie, siersmeden, steenhouwen, glasraamontwerpen en zelfs orgelbouwen. Al deze ambachtelijke patrimoniumberoepen zijn helemaal geen nicheberoepen. De helft van wat er in Wallonië gebouwd is, dateert immers van het begin van de 20ste eeuw of vroeger. De belangstelling voor duurzame en natuurlijke materialen heeft vandaag de dag het werken met hout, klei of kalk en de technieken die daarmee gepaard gaan weer eervol gemaakt. ‘Het patrimonium heeft een ambachtelijke kant en er is liefde voor goed uitgevoerd werk. Daardoor kan het een statusverhogende toegangspoort zijn voor de bouwberoepen, waar er nog steeds een nijpend tekort is’, denkt Ingrid Boxus, die samen met anderen verantwoordelijk is voor de pedagogische activiteiten in het Centre de la Paix-Dieu. Het zijn uitzonderlijke beroepen, die je na een uitzonderlijk opleidingsparcours onder de knie krijgt. Het loopt zelden in een rechte lijn en je hebt er een flinke dosis uithoudingsvermogen voor nodig. De jonge meester-glazenier die zijn knowhow laat zien in de glas-in-loodramen die hij ontwerpt, heeft van zijn passie zijn beroep gemaakt, na een communicatiestudie en een voortgezette opleiding in Chartres, waarvoor hij een studiebeurs heeft ontvangen. Op dit moment wordt de toekomst hertekend. Er ontstaat belangstelling voor beroepen die achterhaald leken, en er worden partnerschappen gesmeed. In samenwerking met het IFAPME (beroepsopleiding) wordt er gewerkt aan een centrum voor steenberoepen op de site van de gewezen steengroeve van Zinnik. De jongelui die het publiek zullen uitnodigen om de blauwe steen met hun beitel te strelen, zijn er de eerste ambassadeurs van.

Jongeren geven uitleg aan jongeren

‘Als je spreekt over het beroep van machineman of onderhoudstechnicus, heeft een jongeling daar geen precies beeld van. Voor een beroep als elektricien of autotechnicus is dat anders’, vertelt Brigitte Remacle, en ze vindt dat jammer. Ze is adviseur bij het Opleidingsdepartement van het IFPM en coördinator van het Industrie-team. In een grote tent van 400 m2 zal dat team, in samenwerking met een aantal onderwijsinstellingen, demonstraties geven van solderen, machines bedienen en onderhoud. Achter de machines en de schermen nemen jongelui uit het 6de en 7de jaar plaats, onder begeleiding van beroepsexperts uit competentiecentra. ‘Het principe is dat jongelui andere jongelui uitleg geven en dat ze hen laten zien wat er schuilgaat achter de namen van beroepen die heel diverse functies omvatten. Soms zijn die eenvoudig, andere keren complex.’ Nadat ze een beroep hebben uitgetest, kunnen de bezoekers een concreet souvenir meenemen naar huis: een mooi uitgesneden leisteen of een elektrisch minicircuit. ‘We moeten absoluut inzetten op de jeugd, want de industrie heeft een gebrek aan kandidaten voor bepaalde beroepen, terwijl in het onderwijs net die opleidingen waar dat beroep wordt aangeleerd, moeten sluiten bij gebrek aan kandidaten.’

De grafische sector zet zijn middelen in op een ludieke animatie in grafisch design. De jongeren, maar ook volwassenen, kunnen zich amuseren met het ontwerpen van een animatie in ‘stop motion’, die ze vervolgens op de site van Euroskills kunnen uploaden. Met enkele muisklikken zullen de deelnemers een virtuele trofee hebben gemaakt, die uiteraard maar een voorsmaakje geeft van de eisen van dit boeiende beroep. ‘Informatica trekt heel wat jongelui aan die niet altijd weten hoe moeilijk het wel is.’ Nathalie Gautier is directeur van het opleidingscentrum Cepegra en coördinator van het Informatica-, Webdesign- en Drukwerkteam. Om een duidelijk beeld te geven van hoe het beroep werkelijk is, moedigt ze het publiek aan om de kandidaten te volgen die geconfronteerd worden met de druk en de stress van de wedstrijd. Ook al leven de jongeren in een wereld waar ze omgeven zijn door technologie en informatica, toch staan ze niet massaal te springen om zich in te schrijven aan het Cepegra. ‘Onze inschrijvingsvoorwaarden zijn vrij hoog, omdat we op het niveau van het hoger onderwijs opereren.’

In de straten van dit bijzondere dorp zal het drie dagen lang gonzen van de activiteiten. Sommigen zullen ervan profiteren om (bijna) alles uit te proberen en anderen zullen zich nauwgezet richten op alle aspecten van één enkel beroep. Maar iedereen zal het erover eens zijn: het loont echt wel de moeite om nieuwsgierig te zijn!

In 2010 schitterden Denis, Antoine en Kevin in de Portugese hoofdstad, op de tweede editie van Euroskills. Het was een ervaring die ze niet licht zullen vergeten.

Denis Poncin, Zilveren medaille in teamverband en bronzen medaille individueel.

Categorie Drukwerk

De jongeman kreeg een eerste verrassing toen hij aan de competitie begon: hij moest werken met een machine die al 50 jaar trouwe dienst had. ‘Ik had nog nooit met dergelijk materiaal gewerkt. In België is er waarschijnlijk nog maar eentje actief, in een familiale onderneming. Alles was 100% handwerk. Je moest de machine afstellen met een Engelse sleutel.’ Het eerste ernstige probleem dook op met het bevochtigingssysteem, toen het water ongeremd over het papier stroomde. ‘Ik wist niet dat je er stoppen in moest duwen om dat te verhinderen. Ik heb toen 30 minuten verloren, wat me de tweede plaats heeft gekost. Ik was zodanig gestrest dat ik moest huilen, maar zoals mijn coach zei: ‘Een goeie drukker kan zijn stommiteiten altijd weer goedmaken’.’

Tegenwoordig werkt Denis in de kleine drukkerij van een autoconcessiehouder, met een contract van onbepaalde duur. Toen hij net was afgestudeerd, had hij vier jaar lang tijdelijke baantjes, om zieke of afwezige arbeiders te vervangen. Hij bleef op de loer voor alle vacatures en verstuurde spontaan zijn kandidatuur naar verschillende drukkerijen. Zo kwam hij via Namen, Luik en Charleroi bij een drukkerij in Brussel terecht. Op al die plekken deed hij technische maar ook menselijke kennis op. ‘Ik heb de kans gehad om met alle mogelijke machines te werken. Ze zijn allemaal anders. Het mechanische deel is wel hetzelfde, maar ze hebben allemaal een eigen karakter. Uiteindelijk heb ik door mond-tot-mondreclame mijn huidige contract gekregen.’ Zijn keuze voor het drukkersvak was een beetje toeval. Hij ging op advies van een vriend naar het IATA in Namen, waar hij koos voor de afdeling drukwerk. ‘Ik heb me ingeschreven, maar wist eigenlijk niet goed wat ik kon verwachten. In het vierde jaar hadden we een offset-cursus van vier uur per week. Dat is bij mij aangeslagen, en nu zou ik niets anders meer willen doen.’

Later wil hij op zijn beurt graag lesgeven aan het Cepegra (Centre de compétence de l’industrie graphique – Competentiecentrum voor de grafische industrie) in Gosselies, waar hij zijn opleiding heeft afgesloten met een stage van zes maanden. ‘Ik wil er over twee jaar solliciteren. Ik hou van dit vak en als je met andere mensen rond een machine staat, gaat je manier van werken evolueren.’

In oktober gaat hij naar Francorchamps om de Belgische deelnemers een hart onder de riem te steken en dag te zeggen tegen zijn vrienden. ‘Ik heb er best veel mensen leren kennen, en ik wil ook de nieuwe kandidaten aan het werk zien. Ik heb maar één goede raad: wat er ook gebeurt, blijf zen. Als het je niet lukt, zoek dan ander werk, want als je later met klanten gaat werken, is de stress nog veel groter.’

 

Antoine Habran, Zilveren medaille individueel en eerste prijs in teamverband

Categorie Informatica (Open Source-specialist)

‘Ik werkte al op het moment van de wedstrijd en als ik bij een klant een klus moest gaan doen, was ik altijd bang. Zelfs al had ik alles tot in de puntjes voorbereid, dan had ik nog geen zelfvertrouwen,’ vertelt de jonge informaticus. ‘Daar ben ik dankzij de wedstrijd van verlost. Ik heb gemerkt dat ik er met het werk kan komen.’ Antoine herinnert zich van Euroskills in Lissabon ook de goeie groepssfeer, maar niet zozeer het contact met de andere delegaties. ‘Als we de anderen zagen, gaven we meestal valse informatie over waar we al stonden, in een poging om ze aan het wankelen te brengen,’ vertelt hij met een monkellachje. ‘Zo’n wedstrijd speelt vooral op het mentale vlak.’ Hij moet zowat tien jaar zijn geweest toen de informatica voor hem iets begon te betekenen. Hij herinnert zich nog de eerste e-mail die hij heeft zien vertrekken. ‘Ik begreep maar niet dat een brief zo snel zo’n lange afstand kon afleggen. Daar ben ik me vragen beginnen te stellen.’ Het was vrij logisch dat hij voor een diploma in de informatica ging, maar daar is hij niet veel verder in gegaan. Hij begon aan een graduaatsstudie, ‘omdat dat de norm was’, maar hij voelde zich daar niet thuis. ‘Ik besefte dat dat niks voor mij was. Ik was een beetje onrustig. Ik kon niet op m’n stoel blijven zitten en ik kon me niet concentreren op dingen die me niks zegden.’ Hij vond zijn geluk in Technofutur. Met alleen informaticacursussen en omringd door volwassenen werd de jongeman van 21 meteen een stuk rustiger. Hij had geen zin meer om nog de grote pief uit te hangen. Toen hij afstudeerde, kreeg hij een voorstel van Financial Art. Dat was drie jaar geleden, en hij werkt er nog steeds. ‘Ik besef dat ik veel geluk heb gehad. Ik ben er gekomen zonder lang te studeren. Ik ben daar nog steeds verwonderd over. Je hebt een basis nodig, maar je beroepservaring doe je op het terrein op. Je hebt geen diploma nodig om iemand met talent te zijn, die vlug van geest is.’ Vandaag heeft hij niet het gevoel dat hij werkt. Hij kan twintig uur aan één stuk doorpezen ‘zonder dat het me te veel wordt.’ En hij stopt pas als zijn lichaam alarmsignalen begint te geven. In Spa-Francorchamps zal hij niet op de afspraak ontbreken.

Voor de sfeer natuurlijk, maar vooral ook omdat hij de jonge Belgische IT-kandidaten wil zien winnen. Hij zat in het selectiecomité en heeft de gelukkigen die het haalden gevolgd en ook wat raad gegeven. ‘Het is leuk om je ervaring te delen en ze wat trucjes te geven om te winnen. Het is een ploeg met heel wat potentieel. Ik vind zelfs dat ze beter zijn dan ik destijds.’

 

Kevin Herman, Zilveren medaille, zowel individueel als in teamverband

Categorie Metselwerk

In 2007 maakte Kevin Herman deel uit van de Belgische bouwploeg op de Wereldwedstrijd in het Japanse Shizuoka. Hij heeft toen vooral gezien wat er ontbrak. ‘We waren niet voorbereid, niet op het vlak van het materiaal en niet op het vlak van tijdsbeheer.’ In 2010, in Lissabon, werd het een heel ander verhaal. Behalve zijn medailles heeft hij er ook de herinneringen aan overgehouden aan buitengewone momenten waarop iedereen elkaar hielp en met een open geest werkte. ‘Na zo’n wedstrijd voel je dat je gegroeid bent. Je beseft het niet op het moment zelf, maar pas later, als je eraan terugdenkt.’ Net zoals bij de Olympische Spelen gooien de kandidaten zich in de strijd om de medaille, maar ook om te laten zien tot wat ze in staat zijn en om hun vak bij de jongeren te promoten. ‘Het publiek? Daar heb je niet echt oog voor, omdat je zo geconcentreerd bent op de proef. Het is pas tijdens de pauzes dat je echt beseft wat er om je heen gebeurt en dan ben je wel danig onder de indruk.’ Ter plaatse is het moeilijkste om je werktijd te beheren, op een manier die je in je dagelijkse werk niet hoeft te doen. ‘Ik had alles voorbereid en had iedere dag opgedeeld in stukjes van tien minuten, die ik niet mocht overschrijden om alles gedaan te krijgen.’

Kevin was 13 toen hij zin kreeg om in de bouw te gaan werken. ‘Toen mijn ouders hun huis bouwden, heb ik behoorlijk wat tijd doorgebracht op de bouwplaats. Een jaar later ben ik mijn studie begonnen in de Bouwafdeling van het Koninklijk Atheneum van La Roche.’ Vandaag is hij bijna 25 en leidt hij al vier jaar een kleine kmo. Hij heeft werk zat: zijn orderboekje is voor 2013 bijna helemaal gevuld en er zijn al opdrachten voor 2014. Op zijn cv krijgen zijn prestaties in Lissabon een ereplaats. ‘Er zijn best wel wat klanten die me erover aanspreken, en in bepaalde gevallen heeft dat me echt geholpen om contracten in de wacht te slepen.’ In oktober zal hij in Spa-Francorchamps natuurlijk van de partij zijn. Hij heeft zin om de andere kandidaten terug te zien, met wie hij via de sociale media hechtere vriendschapsbanden heeft gesmeed. ‘Ik heb echt zin om voor de Belgen te supporteren. Ze moeten het verste kunnen komen, want op het vlak van bouwen heeft België echt wel veel potentieel.’

Het is niet voldoende dat jongelui met eenzelfde doel worden samengebracht. Om een hechte ploeg met solidariteitsgevoel te creëren, beschikt het team van Euroskills over een specifieke opleiding die wordt verzorgd door een pluridisciplinair team dat ervaring heeft met de begeleiding van sportlui.

Jullie zijn sportlui. Drie dagen lang gaan jullie van je beroep een sport maken!’ In de grote hal van het Sunpark in Vielsalm worden de Belgische deelnemers met die woorden begroet bij het begin van hun eerste gemeenschappelijke vormingsweekend. De wedstrijd ligt nog meer dan 100 dagen ver in de toekomst, en er heerst nog geen spanning. Maar zodra de 35 jongelui in oktober op Euroskills hun werkruimte zullen hebben ingenomen, zal de druk van de omgeving en uit zichzelf stijgen. Ze kunnen er dus maar beter klaar voor zijn.

Sinds 2010 is de ploeg die de deelnemers voorbereidt op de uitdaging en de stress van een internationale competitie, uitgebreid en geprofessionaliseerd. En wie kan ze beter voorbereiden dan mensen die beroepsmatig sportlui begeleiden en klaarstomen? De ploeg van opleiders, de ‘teamleaders’, bestaat uit een sportarts, een psycholoog en een fysiotherapeut, verbonden aan de dienst gezondheid en levenskwaliteit van de provincie Luik. Alle drie zijn ze gespecialiseerd in de begeleiding en voorbereiding van sportlui. Ze worden bijgestaan door een sportleraar die weet wat het betekent om een groep te trainen. Hij kiest de verschillende fysieke activiteiten die de opleiding kleuren.

Dat verloopt in drie stappen. Het eerste bedrijf speelt zich af in het vrijetijdscentrum van Vielsalm en de bossen eromheen. Het is gericht op de fysieke aanpak en de groepsdynamiek. ‘Er komen zo’n dertig jongelui, uit de drie verschillende gewesten van het land, en die kennen elkaar niet. Het is voor hen belangrijk dat ze in één ruimte samenleven en gemeenschappelijke activiteiten doen.’ Alle activiteiten zijn erg fysiek gericht, zoals de ‘run & bike’ of de oriëntatieloop. De bedoeling is de groep hechter te maken en solidariteit naar voren te brengen. De activiteiten die werden uitgekozen, stimuleren de kwaliteiten die je in de competitie nodig hebt: inzicht en luisterbereidheid. Hoe de kandidaten reageren op de fysieke uitdagingen geeft een idee van hun mogelijkheid om risico’s te nemen. In iedere groep komen al erg gauw de natuurlijke leiders naar voren. Dat is goed maar ook slecht, als ze blind vertrouwd worden. ‘We proberen beetje bij beetje de jongelui zover te krijgen dat ze hun grenzen uitproberen en ze misschien verleggen, zonder dat ze zichzelf daardoor schade toebrengen’, legt de arts uit. ‘Om je limieten te kennen, moet je ermee spelen, zonder jezelf pijn te doen. In elke competitie is er altijd een oncomfortabel moment, zoals er ook plezier is.’ Naast de groep is er ook het individu. Iedere jongeling wordt persoonlijk begeleid. Samen met hem worden zijn fysieke grenzen maar ook zijn mentale basis besproken. ‘Ik heb een gesprek met hen, om te kijken of ze nog voldoende zin hebben om zich te motiveren voor de competitie. Iedereen heeft zijn eigen kwaliteiten die hij kan uitspelen, zonder dat hij zich daarvan noodzakelijk bewust is.’ Tijdens de gesprekken kwam dit jaar één woord steeds heftiger naar voren: woede. Het is een teken dat de jongeling de situatie niet meer in de hand heeft en zijn greep verliest. Als je daar oog voor hebt, kun je de momenten vermijden waarop alles in een neerwaartse spiraal terechtkomt.

In de wedstrijdweek zullen de teamleaders inspelen op de behoeften van de deelnemers. Net zoals een bokser vooraf de ring gaat inspecteren, gaan zij samen de werktuigen ontdekken waarover ze drie dagen lang zullen beschikken. ‘


In het tweede weekend, op het terrein van Blégny-Mine, ligt de nadruk op het mentale werk en de stressbeheersing. Er worden rollenspellen gespeeld, die ze mogelijkheden bieden om de zaken te relativeren. Een medaille is wel cool, maar geen medaille is geen drama. Er wordt zowel op het individu als op de groep gewerkt. De kracht van de groep versterkt de kracht van ieder individu.

Iemand met wie het slecht gaat, kan de hele groep aansteken. De klemtoon ligt ook op de voeding. Burgers en chips naar binnen zwelgen is niet bepaald de beste manier om je op een wedstrijd voor te bereiden. Relaxatie daarentegen is een van de beste wapens tegen stress, dat is bekend. Maar in de kleine ruimten waar de deelnemers zich ophouden, is er niet voldoende ruimte om languit te gaan liggen. Daarom heeft de ploeg van de teamleaders op advies van de fysiotherapeut ontspanningsmethoden ontwikkeld die zich beperken tot de handen en de tenen. Maar er bestaan op dat vlak geen mirakelrecepten of onfeilbare methodes. ‘Je moet geval per geval bekijken. Iedereen moet de ontspanningsmethode vinden die het beste bij hem past. Sommigen zijn gevoeliger voor een geluidssugestie, anderen voor visuele of tactiele stimuli of voor de ademhaling.’ In de wedstrijdweek zullen de teamleaders inspelen op de behoeften van de deelnemers. Net zoals een bokser vooraf de ring gaat inspecteren, gaan zij samen de werktuigen ontdekken waarover ze drie dagen lang zullen beschikken. Tijdens de proeven blijven de teamleaders op de achtergrond. Ze zijn klaar om in te springen als er iets fout gaat, en als het fout dreigt te gaan, kunnen ze tussen de expert en de jongere in gaan staan – iets wat gelukkig niet vaak voorkomt. De fysiotherapeut zal letten op pijntjes die erop wijzen dat het lichaam onder te veel druk staat. ‘In tegenstelling tot sportlui zijn sommigen van deze jongelui er zich niet altijd van bewust hoe belangrijk het lichaam is. Het respect voor het lichaam hangt nauw samen met het respect voor anderen.’ Tijdens de hele competitie is de concentratie de rode draad die de deelnemer met zijn einddoel verbindt. Om te vermijden dat de deelnemers verstrooid worden of extra druk ondervinden, geven de teamleaders de raad om het contact met familie of vrienden te beperken. Het is een voorzorgsmaatregel die niet altijd goed wordt begrepen. ‘Een paar jaar geleden was er een moeder die op een paar meter van haar dochter ging staan en de hele tijd foto’s maakte. Vandaag zou ik dat niet meer toestaan.’ In de twee dagen voor de bekendmaking van de resultaten ondervinden de deelnemers een spanning die ze onder de knie moeten krijgen, zowel mentaal als in hun gedrag.

Na de competitie vindt de epiloog van de opleiding plaats. Ook al is het niet makkelijk om iedereen nog samen te krijgen, toch blijft het belangrijk om met enige afstand ervaringen uit te wisselen. ‘Als iemand iets mentaal gaat opslaan, is dat nooit op het moment zelf.’ Na de wedstrijd voelen veel jongelui zich gelukkiger en sterker. De solidariteit die ze aan de dag hebben gelegd, veronderstelt een opening naar de anderen, en is niets anders dan een vorm van respect. Het is weer eens een bewijs dat Euroskills veel verder gaat dan een demonstratie van technisch kunnen.

Ieder jaar hebben jonge mensen die een manueel of technisch beroep uitoefenen de kans om mee te doen aan een wedstrijd op Europees of wereldniveau. Het biedt een kijk op de evolutie van deze beroepen van de toekomst. Dit jaar speelt dit unieke gebeuren zich af in Spa-Francorchamps: Euroskills!

In de bouwsector zijn er elk jaar 20.000 vacatures. In de autoconstructie zijn er dat 500 per jaar, en tegen 2025 kan dat cijfer oplopen tot 4 à 5.000. Het Europese centrum voor de ontwikkeling van beroepsopleidingen (Cedefop) spreekt voor de periode 2010-2020 over 8 miljoen nieuwe banen in de Europese Unie, naast de 75 miljoen banen van mensen die de arbeidsmarkt verlaten of om een andere reden moeten worden vervangen. En dan houden we er rekening mee dat de huidige tendensen niet veranderen, dus dat je op de arbeidsmarkt een grondiger kennis nodig zal hebben en dat de dienstensector zal blijven groeien. De behoeften zijn overduidelijk. Maar dat alleen is niet voldoende. Je kiest geen baan omdat je de cijfers kent of om de groei van je land te stimuleren. Je kiest een baan omdat je je er goed en gewaardeerd in wil voelen. En op dat vlak is Euroskills actief, het derde Europese kampioenschap voor manuele, technische en technologische beroepen.

Belgen in de strijd

Aan de rand van het mooiste circuit ter wereld zullen 423 jongelui uit 23 landen hun kennis en behendigheid testen in 44 disciplines. Die komen uit de sectoren creatieve kunsten en mode, informatie- en communicatietechnologie, de industrie, de bouw, transport en logistiek en de dienstensector. Onder hen bevinden zich 36 jonge Belgen, die deelnemen in 29 van de 44 beroepen. Ze werden gekozen uit de 335 kandidaten die de preselecties van de scholen en de opleidingscentra met goed resultaat hadden afgelegd. Zijn het de besten? Misschien niet, maar zeker wel de meest gemotiveerden.

Sommige landen gaan voor zoveel mogelijk medailles, en voor andere is de deelname en de uitwisseling van ervaringen tussen de kandidaten en experts van de verschillende landen het belangrijkste.


‘Het eerste doel van zo’n groot event is de promotie van deze beroepen,’ onderstreept Francis Hourant, directeur-generaal van Skills Belgium. ‘Na het kampioenschap in Frankrijk bleek uit een studie dat het volgende jaar 14 à 15% meer mensen zich had ingeschreven voor een technische opleiding. Het gemeenschappelijke doel maakt het ook mogelijk om de scholen, de opleidingscentra en de ondernemingen samen te laten werken. Vaak werken die anders naast elkaar en soms ook in concurrentie met elkaar.’

Met deze wedstrijd willen de organisatoren de jongeren die een technische opleiding hebben gevolgd naar het voorplan brengen. Hij werd in 1950 in Spanje en Portugal gelanceerd en later kwamen er de Latijns- Amerikaanse landen bij. Ook België viel al snel voor het idee: in 1958 werd hier voor het eerst buiten het Iberische schiereiland de wedstrijd georganiseerd. Sinds 2008 is er, naast de internationale competitie die om de twee jaar meer dan 70 landen samenbrengt, een Europees kampioenschap met 23 landen, eveneens om de twee jaar. In meer dan zestig jaar is de basisfilosofie niet veranderd, ook al heeft ieder land zijn eigen strategieën en verwachtingen. Sommige landen gaan voor zoveel mogelijk medailles, en voor andere is de deelname en de uitwisseling van ervaringen tussen de kandidaten en experts van de verschillende landen het belangrijkste. ‘Ook al zijn er landen die met de medailles gaan lopen, Worldskills is een competitie zonder verliezers. Het is ook een unieke gelegenheid om kennis te maken met andere manieren om de techniek aan te pakken.’ In een competitie met een jury en een klassement is er bij de verliezers wel altijd een gevoel van ontgoocheling of ze voelen zich tekortgedaan, maar de competitie is het beste middel om het maximum uit de deelnemers te halen. ‘Het is een vitrine waar de jongeren die zich voor een beroep engageren, kunnen zien dat ze niet de enigen zijn die die keuze hebben gemaakt, en dat er in het buitenland ook anderen zijn die erin uitblinken. Zoals een schooldirecteur het verwoordde: “De winnaars laten de anderen zien waar zij kunnen arriveren”.’ Voor Francis Hourant is het sleutelwoord voor deze drie dagen ‘uitmuntendheid’, een kostbare waarde die je niet met elitarisme mag verwarren. Uitmuntendheid slaat niet alleen op een technische kwestie, maar is ook een menselijke waarde. ‘De jongelui die we selecteren zijn geen machines. We verwachten van hen dat ze menselijke waarden hebben, zoals openstaan voor de anderen en zin om zich te ontwikkelen. Om die reden selecteren we niet altijd diegene die als eerste uit de preselectie komt.’ Op één plek wordt alles samengebracht wat in een bepaald beroep het beste is en wordt dat getoond aan het publiek, de ouders en de opleiders. Er wordt getoond dat de technieken en materialen veranderen, en op die manier kan het beroep groeien. Vandaag de dag wordt alles computergestuurd. Steeds meer handwerkers brengen een deel van hun werktijd door voor een computerscherm. Het worden daardoor polyvalente professionelen die steeds beter gekwalificeerd zijn. Een leraar zei het ooit met een boutade: ‘Wie een technische opleiding niet aankan, moet maar terug naar de Latijn-Griekse.’

In die beroepen waar de technieken steeds sneller evolueren, moet iedereen zich kunnen aanpassen, en dat kan door een opleiding te volgen. Een event als Euroskills is ook een gelegenheid om de stand op te maken van de technische evolutie van de beroepen. ‘In 2003 kwamen de Zwitserse tegelleggers met een machine die ze hadden ontwikkeld. Er werd over gediscussieerd en de meeste ploegen hebben de machine aanvaard. De experts liggen uiteraard op de loer voor elke nieuwigheid. In het Canadese Calgary had onze expert een techniek uitgewerkt om tegelijkertijd twee tegels te snijden. Het nieuws verspreidde zich als een lopend vuurtje en alle andere delegaties zijn komen kijken en hebben die techniek overgenomen.’

www.skillsbelgium.be

 

Skills Belgium, en quelques mots

Skills Belgium heeft een budget van € 1,4 miljoen, waarvan 20% naar de internationale competitie en 80% naar de promotie van de beroepen gaat. Dit is België, en dus gaat niets zomaar vanzelf. De nationale ploeg wordt uitsluitend door de Franstalige en Brusselse overheden gesteund. De Vlaamse overheid heeft andere strategische keuzes gemaakt om technische beroepen te promoten. Maar dat is voor Skills Belgium geen reden om geen Vlaamse experts uit te nodigen. In de raad van bestuur zitten zelfs Vlaamse leden uit de privésector.

.Ze liet zich opmerken als presentatrice van Génies en Herbe en later van de Koningin Elisabethwedstrijd. Maar in de programma’s Ma Terre en Nuwa kon Corinne Boulangier pas echt haar ding doen en haar eeuwige nieuwsgierigheid bevredigen. Betekenis en geluk zijn de woorden die het al rijkgevulde parcours van Corinne Boulangier samenvatten en tevens de waarden waardoor het nieuwe nethoofd van La Première zich laat leiden.

Corinne Boulangier werd geboren in La Louvière op 14 februari 1973. Ze kreeg veel mee van haar grootvader, die van het werk op de boerderij overschakelde naar de liften van het centrumkanaal. Zo ook de overtuiging dat onze relatie met de aarde een centrale plaats inneemt in de wereld van vandaag. Haar band met haar familie gaat ver terug. “Ik weet hoe de vorige generaties gezwoegd hebben om mij te brengen waar ik nu sta. Van kleins af aan werd ik gestimuleerd om naar de wereld rond mij te kijken, naar het agrarisch én het industrieel erfgoed. Vandaar waarschijnlijk mijn interesse voor die aspecten van Wallonië.” Voor het programma Ma Terre werkte ze samen met het Institut du Patrimoine (IPW). Vreemd genoeg herontdekte ze toen pas bepaalde plekken in Wallonië. “Die plekken zijn geen lege omhulsels. De constructies dragen er sporen van het verleden, ze vertellen iets over de strijd, de visie en de creativiteit van de mensen die ze bouwden. Ze laten zien waar we vandaan komen en dat raakt me.”

In 2012 werd ze benoemd tot ridder van de Waalse verdienste. Ze is sterk gehecht aan haar streek en voelt dat haar band met Wallonië met de dag groter wordt. 


Ze is duidelijk erg gehecht aan haar streek en werd in 2012 zelfs benoemd tot ridder van de Waalse verdienste. Haar liefde voor Wallonië wordt er niet minder op. Ze vindt het dan ook erg jammer dat sommige mennr sen zo onverschillig zijn voor hun regio en voor alles wat daar bereikt werd. “Vaak heb ik de indruk dat wie zich niet interesseert voor het verleden, ook het heden negeert en zich vastloopt op de toekomst.”

Communiceren, informeren, bewust maken

“Wanneer je voortdurend met moeilijke situaties geconfronteerd wordt, heb je vaak het gevoel dat er vooral problemen worden aangekaart, maar dat er geen oplossingen worden voorgesteld.” Boulangier laat duidelijk haar bewondering blijken voor de artsen en onderzoekers met wie ze in aanraking komt sinds ze meter is van de Fondation Saint- Luc. De stichting werd opgericht toen het universitaire ziekenhuis Saint-Luc 10 jaar in Brussel gevestigd was. Ze biedt gezondheidswerkers de kans om hun opleiding in het buitenland te vervolmaken en kent beurzen toe aan clinici voor onderzoeksprojecten van twee of drie jaar. De presentatrice- journaliste bekent dat ze het eigenlijk niet zo begrepen heeft op ziekenhuizen, ziektes en spuiten. Haar beslissing om meter te worden, was dus niet zo vanzelfsprekend. Communiceren, informeren en mensen bewust maken, dat zijn haar taken als meter. Ze vervult ze met veel enthousiasme, gedreven door haar nieuwsgierigheid en haar interesse in mensen. “Wat we eerst en vooral willen bereiken, is mensen zoals jij en ik laten inzien hoe belangrijk het onderzoek in soms heel specialistische domeinen is voor de volledige gezondheidsketen. Iedereen heeft daar baat bij.” Op de tweede plaats wil de stichting fondsen voor onderzoek werven en mensen bewust maken van het belang van die financiële steun. “Dat is essentieel, zeker omdat het geen deel van onze cultuur is. Dit soort steun wordt nog al te vaak verward met sponsoring.”

“Het zijn geen lege omhulsels. De constructies dragen er sporen van het verleden, ze vertellen iets over de strijd, de visie en de creativiteit van de mensen die ze bouwden. Ze laten zien waar we vandaan komen en dat raakt me.”


Ze bezoekt de afdeling neonatologie en de spoeddienst, voert diepgaande gesprekken met onderzoekers en ontmoet gepassioneerde mannen en vrouwen. Al die ervaringen staan garant voor boeiende levenslessen. “Het doet me goed. Wanneer je een ziekenhuis bezoekt vanuit het standpunt van de patiënt, heb je een eenzijdige visie. Soms heb je de indruk dat je niet meetelt, dat je niet begrepen wordt. Natuurlijk zijn er artsen die niet weten hoe ze moeten communiceren. Maar ik heb er ook veel ontmoet die niet alleen technisch zeer sterk zijn, maar ook enorm veel empathie en warmte uitstralen.”

Lopen om onderzoek te steunen

Op 26 mei 2013 staat er een team van de Stichting Saint-Luc aan de start van de 20 km van Brussel. Als de sportgoden haar gunstig gezind zijn, is ook Corinne Boulangier van de partij. Ze wil meelopen om iets te veranderen. “Het zal niet makkelijk zijn, want fysiek moet ik van ver komen, maar het is zo’n bijzonder avontuur dat ik minstens moest proberen om de uitdaging aan te gaan.” Iedereen is welkom om mee te lopen of om een loper te steunen. Zo’n honderd lopers van Saint-Luc en de UCL (Université Catholique de Louvain) zullen een ketting vormen vooraan in de groep om de lopers tegen te houden en een valse start te voorkomen. Zij zijn het “start control”-team. Wie zich ook geroepen voelt, wordt verwacht om 8.45 u.

Your opinion counts