Waw magazine

Waw magazine

Menu
Image (taile : 44x40px OBLIGATOIRE): 
Image rose (taile : 44x40px OBLIGATOIRE): 

In 1986 bouwde Ion Beam Applications (IBA) zijn eerste cyclotron in Louvain-la-Neuve. Sindsdien is het hard gegaan. Momenteel heeft het in 15 landen 1.300 mensen in dienst en is het wereldleider op gebied van protontherapie.

‘Weten dat je een bijdrage levert aan het redden van mensenlevens, dat geeft een warm gevoel. En helemaal als het om kinderen gaat…’ Yves Jongen weet waarover hij het heeft. Hij is de Chief Research Officer van IBA, het bedrijf dat hij in 1986 oprichtte. Op dit moment werken er 1.300 medewerkers, verspreid over vijftien landen en een zestigtal vestigingen. Daarvan werken er zo’n 500 in België, hoofdzakelijk in Louvain-la-Neuve. De onderneming produceert radiofarmaceutische tracers waarmee tumoren vroegtijdig kunnen worden opgespoord. Toch heeft het zijn reputatie vooral te danken aan de cyclotrons die speciaal voor radiotherapie worden ontworpen, en met name voor het diagnosticeren en behandelen van kanker. Sterker nog, IBA is wereldwijd marktleider op het gebied van protontherapie. Een techniek die kankercellen vernietigt door ze te bestralen met een bundel protonen in plaats van fotonen. Het voordeel? Met deze techniek kan er beter op de tumoren worden gericht en kunnen de bijwerkingen ervan, die bijzonder gevaarlijk zijn bij kinderen, worden beperkt.

Ondanks de grote concurrentie van Amerikaanse en Japanse researchers heeft de onderneming uit Louvain-la-Neuve 50% van het marktaandeel op dit gebied in handen. ‘We hebben een ruime voorsprong, dat klopt, maar de wedloop gaat onverminderd voort’, vertelt de ingenieur ons in de kelderverdieping van een van de vier sites van de onderneming in Louvain-la-Neuve. Hier worden de activiteiten op gebied van onderzoek & ontwikkeling verzameld. ‘Nog niet zo lang geleden moest een ziekenhuis dat zalen voor protontherapie wilde inrichten 100 à 120 miljoen euro investeren. Dankzij onze ontwikkeling van een nieuwe generatie kleinere cyclotrons die gebruikmaken van het principe van supergeleiding, zijn de kosten gedaald tot ongeveer 20 miljoen euro’, benadrukt hij. Ondertussen toont hij aan de ene kant het traditionele model van 200 ton en 4,70 meter diameter, dat op het punt staat naar Dresden te worden vervoerd. En aan de andere kant een cyclotron van 50 ton en 2,50 meter diameter. Zodra ‘deze jongste telg’ helemaal gemonteerd is en uiterst accuraat is afgesteld, krijgt deze een mooie bestemming: het centrum voor protontherapie in Nice.

Op dit moment doen al 22 ziekenhuizen of therapiecentra over de hele wereld voor hun protontherapie een beroep op de Belgische onderneming (zie kader). De tijd van de eerste cyclotron, die in 1986 in een containerpark in Louvain-la-Neuve werd ontworpen, ligt inmiddels ver achter ons. Yves Jongen was in die tijd directeur van het Centre de recherche du cyclotron, dat deel uitmaakte van de UCL (Université catholique de Louvain). Toen kwam hij op het idee kleinere deeltjesversnellers te ontwerpen en te bouwen. Niet meer voor nucleaire, maar voor medische toepassingen. ‘We weten bijvoorbeeld dat suiker zich bij voorkeur aan tumoren of metastasen hecht. Door hem met radioactieve tracers te merken, kunnen we hem volgen en de kankercellen opsporen. We hebben nagedacht over de eigenschappen die een ideale cyclotron moest hebben voor de productie van radio-isotopen en radiotherapie, en hebben hem vervolgens ontworpen. Maar omdat dit systeem te revolutionair werd bevonden, was geen enkele onderneming bereid hem te bouwen. Uiteindelijk heeft het Waalse Gewest ons geholpen. Het deed de suggestie een vennootschap op te richten om dit project tot een goed einde te brengen en was bereid 75% van het benodigde startkapitaal voor te schieten. Onze spin-off ontstond in de schoot van de UC L en kende een snelle start, want al in het eerste jaar kregen we vier orders.’

Al gauw voelde de onderzoeker Yves Jongen de noodzaak zich te laten bijstaan door iemand met een commerciële achtergrond. Dat werd Pierre Mottet, handelsingenieur (UCL) en toekomstig directeur (CEO) van de onderneming. Afgelopen mei werd hij benoemd tot vicevoorzitter van de raad van bestuur. Pierre ging met Yves een lange en vruchtbare samenwerking aan en werd in 1997 ‘Manager van het jaar’. ‘In 1989 nam IBA een cruciale wending, toen het diensthoofd radiotherapie van het ziekenhuis Cliniques universitaires de Saint-Luc me opbelde. Hij zette me op het spoor van de protontherapie’, vervolgt Yves Jongen. ‘We hebben tot 1994 moeten wachten om onze eerste order binnen te halen. Die kregen we van het therapiecentrum in Boston. Sindsdien is het hard gegaan. Zelfs zo hard, dat we vier jaar later besloten naar de beurs te gaan…’

‘We weten bijvoorbeeld dat suiker zich bij voorkeur aan tumoren of metastasen hecht. Door hem met radioactieve tracers te merken, kunnen we hem volgen en de kankercellen opsporen. We hebben nagedacht over de eigenschappen die een ideale cyclotron moest hebben voor de productie van radioisotopen en radiotherapie, en hebben hem vervolgens ontworpen. Maar omdat dit systeem te revolutionair werd bevonden, was geen enkele onderneming bereid hem te bouwen.’


Het ging niet altijd over rozen. In het begin van de jaren 2000 moet de groep opboksen tegen de gevolgen van de zaak Lernout & Hauspie en het wantrouwen van de banken. Maar cyclotrons begeven het niet zo snel, en tegenwoordig neemt IBA weer personeel aan: 120 nieuwkomers in 2011. In 2012 worden dat er waarschijnlijk 150… ‘Hoofdzakelijk voor onze afdelingen Onderzoek & Ontwikkeling in Louvain-la-Neuve’, zegt de personeelsdirecteur Didier Cloquet. Hij benadrukt dat de onderneming fysici, ziekenhuisfysici, chemici, elektronici, elektriciën- werktuigkundigen en vertegenwoordigers zoekt, maar dat het hen toch vooral aan ingenieurs ontbreekt. ‘Dit is een boeiend project voor jongeren die willen reizen: één of twee jaar met een team naar het buitenland gaan om er een ziekenhuis bedrijfsklaar te maken. Een project waarvoor je zelfstandig en besluitvaardig moet zijn, want je mag de patiënten niet laten wachten!’

Een centrum voor protontherapie in Wallonië?

‘IBA is geen dividendenkanon, want wij investeren onophoudelijk in nieuwe producten en diensten. Daarom stijgt en daalt de koers van het aandeel regelmatig’, zegt Yves Jongen. Het hoofd van het onderzoek verbergt niet dat een nieuw idee, een nieuwe uitdaging, maar door zijn hoofd bleef malen en zijn grijze cellen bleef teisteren: de bouw van een onderzoekscentrum voor protontherapie in België! ‘Dat is onze grote hoop. Zo’n centrum is gerechtvaardigd voor een bevolking van 10 miljoen inwoners. Het project bestaat al tien jaar in ons land, maar zoals zovele andere tegenwoordig, vindt het moeilijk aansluiting op federaal niveau. Met de steun van de UC L, de Cliniques universitaires Saint-Luc, het Waalse Gewest en IBA zou het in Wallonië kunnen worden opgericht.’

De eerste inwoner van Louvain-la-Neuve

Yves Jongen komt uit Nijvel, waar hij zijn jeugd doorbracht. Hij studeerde af aan de Université catholique de Louvain en kende de universiteitsstad al toen het nog niet meer was dan een modderveld tussen een handvol Brabantse hoeves en enkele oude gebouwen. ‘Ik heb mijn opleiding ingenieur elektronica afgesloten met een specialisatie in nucleaire fysica. Daardoor nam de UC L me aan om het Centre de recherche du cyclotron te leiden’, legt hij uit. ‘Ik kon wonen in een huis aan de rue Basse, dicht bij het toekomstige centrum van de nieuwe stad. In 1970 ben ik erin getrokken en werd zo de eerste inwoner van Louvainla- Neuve. Stukje bij beetje zag ik het uit de modder oprijzen. Letterlijk. Ik herinner me dat ik laarzen moest aantrekken om de bouwplaatsen over te steken als ik in een rechte lijn van mijn woning naar de cyclotron wilde gaan.’

www.iba.be

 

Wereldwijd

Tweeëntwintig ziekenhuizen hebben al voor Ion Beam Applications gekozen voor de installatie van hun centrum voor protontherapie. Twaalf zijn al in gebruik en tien bevinden zich in de bouw- of installatiefase:

• Sites in werking : Boston, Chicago, Princeton, Hampton, Philadelphia, Bloomington, Jacksonville en Oklahoma (Verenigde Staten), Kashiwa (Japan), Zibo (China), Ilsan (Zuid-Korea) en Parijs.

• Sites in de installatiefase : Praag (Tsjechië), Essen (Duitsland), Trente (Italië) en Seattle (VS).

• Sites in de bouwfase: Dresden (Duitsland), Dimitrovgrad (Rusland), Uppsala (Zweden), Krakau (Polen), Shreveport en Knoxville (VS).

Grootschalige recycling is dankzij technologische innovatie uitgegroeid tot een bloeiende industrie. Wij namen een kijkje bij een toonaangevend Waals bedrijf in de sector.

In de schaduw van eeuwenoude lifttorens en afvalheuvels doemen er rond de ring van Charleroi andere kunstmatige bergen op. Op dit knooppunt van wegen en rivieren worden er grote hoeveelheden oud ijzer vermorzeld, verbrijzeld en vermaald. Metaalkoersen die de pan uit rijzen, hebben de recyclesector een stevig duwtje in de rug gegeven. In die sector is Cometgroep met een omzet van zo’n 300.000.000 euro het boegbeeld van de Belgische knowhow. Het bedrijf is al bijna 15 jaar actief op het gebied van industriële recycling en heeft zich gaandeweg gespecialiseerd in ferro- en non-ferrometalen. Wat zij doen, gaat heel wat verder dan schroot inzamelen. Meer dan een miljoen ton metaal ging zo al door de vakkundige handen van Comet.

Auto’s, huishoudtoestellen, banden, plastic, motoren, alle soorten metaal zoals ijzer, koper, aluminium, lood, zink… Er gaat niets verloren, er wordt niets weggegooid. Met de verwerking van de materialen en hun afval moet echter zorgvuldig worden omgesprongen. Het materiaal dat aankomt op de verwerkingssites is meestal niet schoon genoeg om rechtstreeks naar de gieterij te gaan. Het moet zo grondig mogelijk gereinigd en gesorteerd worden, zodat de ijzer- en staalfabrikanten, die het gros van de klanten uitmaken, voor hun productie over zo zuiver mogelijk metaal beschikken.

Het metaal wordt in België of in het buitenland in bulk gekocht en in alle mogelijke vormen aangevoerd per boot of vrachtwagen. Het is moeilijk voor te stellen dat een paar uur volstaan om er kleine stukjes van te maken, die gesorteerd, gezuiverd en opnieuw klaar voor gebruik zijn. Daarvoor zijn er verschillende protocols en machines nodig. De gigantische shreddermachine Metso Lindeman bijvoorbeeld, met een vermogen van 7.000 CV. Schijnbaar onverzadigbaar verslindt de Metso alle metalen met een ongelooflijke snelheid. Op het einde van het proces wordt het metaal ingedeeld volgens de eigenschappen en naar de gieterij gestuurd. Daar wordt het opnieuw verwerkt en verpakt. Ooit komt het ongetwijfeld opnieuw tussen de tanden van het stalen monster terecht en begint de cyclus helemaal opnieuw. Aangezien metaal telkens opnieuw gesmolten kan worden zonder aan kwaliteit in te boeten, is het gebruik ervan haast onbeperkt. Metaal recyclen is uiteraard een ecologische noodzaak. Maar ook de aanzienlijke besparingen zijn onmiskenbaar een voordeel. Bij de verwerking van ruw mineraal is immers heel wat elektriciteit nodig om het metaal te scheiden van de van nature aanwezige zuurstof.

Ultiem afval

‘Comet streeft ernaar om na de verwerking zo weinig mogelijk afval over te houden,’ zegt Frédéric Peigneux, directielid van de groep. ‘We werken eraan om het aandeel van het zogezegde ultieme afval aanzienlijk te verminderen. Op dat gebied staan we aan de Europese top.’ Met een terugwinningpercentage van bijna 90% voor alle materialen doet Comet het heel wat beter dan het Europese gemiddelde (82%). Maar de groep kijkt verder. ‘In de toekomst zullen we verplicht zijn om dit percentage nog verder op te voeren. Wij zijn dus nu al bezig met het verbeteren van onze methodes en het verfijnen van onze prestaties.’

Back to the Future? Brandstof produceren met afval, het kan!

 

Bijna iedereen denkt dat een auto die bij het schroot belandt, wordt samengeperst en gereduceerd tot een metalen kubus. In werkelijkheid wordt 80 tot 85% van de onderdelen gerecycled. Vanaf 2015 zal dat zelfs verplicht 95% zijn. Om deze ambitieuze doelstelling te kunnen halen, volstaan de traditionele technieken niet meer. Ze zijn te ruw en hebben daardoor een te laag terugwinningspercentage. Om hier iets aan te doen, werd het Phoenixproject gelanceerd in het kader van het Marshallplan. Comet werkt binnen dit programma voor duurzame ontwikkeling samen met verschillende Waalse technologiespelers. Het lab GeMMe van de Universiteit van Luik bijvoorbeeld, werkte een gloednieuw procédé uit. Daarbij worden fijne shredderresten van minder dan 1 mm via biometallurgie opgewerkt. ’Dankzij deze nieuwe techniek kunnen we binnenkort metaaldeeltjes onderzoeken tot in de fijnste korrels. Voor koper, zink, tin en edele metalen zullen we een ongeëvenaard terug-winningspercentage behalen,’ verzekert Frédéric Peigneux ons. Naast metaal kan het proces, op basis van lage temperatuur, ook de organische stoffen scheiden. Deze bevinden zich onder meer in de overblijfselen van autowrakken. Tot nu toe belandden deze afvalstoffen steevast op de stortplaats, omdat ze niet verwijderd konden worden. Het streefcijfer van het programma is 97% in drie jaar tijd, ver boven de Europese normen. Dat alleen betekent al een overwinning. Maar het is ook en vooral een stimulans om nieuwe horizonnen te verkennen.

Door gebrek aan de juiste technologie, ontsnapt in Europa elk jaar naar schatting 5 miljoen ton aan het recyclingcircuit en komt het in een centrum voor ingraving terecht. Dat cijfer blijft stijgen. Alleen al voor afgedankte auto’s schat men dat het aantal met 2,25% per jaar zal stijgen tot 77 miljoen in 2030. De opwerking van deze ‘reserves’ is voor een bedrijf als Comet een uitdaging op middellange termijn. Het wil hiermee zijn positie in deze groeisector verbeteren en meehelpen om de ecologische voetafdruk van de metaalindustrie te verkleinen. Concreet zal dankzij Phoenix de hoeveelheid afval dat op het stort belandt aanzienlijk afnemen. Ook de organische resten zullen opnieuw worden gebruikt. Ze bezitten immers een belangrijke verbrandingswaarde, vergelijkbaar met meer dan drie vaten aardolie per ton. Met de resten van een afgedankte auto kun je dus energie produceren en andere auto’s laten rijden!

Alles is recyclebaar

Een auto die brandstof verbruikt, kan toch nooit zelf energie produceren? Toch is dit zo! Een afgedankt voertuig met soms honderdduizenden kilometers op de teller wordt eerst ontmanteld en verbrijzeld om daarna koolwaterstof te produceren. Hoe dat kan? Door het proces van katalytisch kraken. Het procédé werd uitgedacht door een geniale uitvinder uit de omgeving van Doornik, Marcello Fieni. Hij ontdekte hoe we de waardevolle vloeistoffen kunnen hergebruiken die zich onder meer bevinden in het textiel, het rubber en de polymeren van onze auto’s. Dankzij het Phoenixproject konden Comet en zijn partners de uitvinding omvormen tot een industrieel toepasbaar procédé.

Het resultaat is koolwaterstof die assimileerbaar is met benzine en diesel. Op de autocampus van Spa-Francorchamps wordt momenteel de omzetting in elektriciteit in cogeneratiemotoren uitgetest. Naast koolwaterstof produceert katalytisch kraken ook een vast koolstofhoudend residu dat droog en brokkelig is en waarin assen en metalen zoals zink en lood niet vastzitten. Hierdoor is het mogelijk om ze te scheiden en koolstof te produceren die bruikbaar is in de staalindustrie.

Het kraakproces heeft zich al bewezen, maar Comet is nog niet van plan om deze brandstof de komende jaren aan de pomp te slijten. ‘De bedoeling is om in onze energiebehoeftes te voorzien en om elektriciteit te produceren voor onze sites of zelfs brandstof voor onze vrachtwagens. We willen snel energieonafhankelijk zijn, wat ook onze globale visie op afvalverwerking aantoont, en we streven dan ook naar een neutrale of positieve energiebalans,’ besluit Peigneux.

In 2013 zal een eerste industriële installatie voor verwerking van shredderresten gebouwd worden op het nieuwe industrieterrein van Comet Traitements in Obourg. Het project kreeg Europese steun in het kader van Ecoinnovation Biolix. De site zal jaarlijks meer dan 70.000 ton shredderresten kunnen verwerken en meer dan 22 miljoen liter vloeibare brandstof en 8 miljoen kubieke meter gas produceren. Motoren met een totaal elektrisch vermogen van zo’n elf megawatt zorgen voor de omzetting in elektriciteit. Ruimschoots genoeg om in de energiebehoeften te voorzien van het recyclingf iliaal voor shredderafval. Met deze investering verzekert het bedrijf zich van een plaats aan de Belgische en Europese top en creëert het tegelijkertijd ook zo’n vijftig banen.

 

Comet in cijfers:

Omzet van € 300.000.000
1.000.000 ton ferro- en non-ferrometalen
100.000 ton shredderafval
• 10.000 ton plastic
• 10.000 ton banden
Algemeen terugwinningspercentage: > 90 %

www.cometsambre.be

Achter ieder succesvol man staat een sterke vrouw. Bij L’Air du Temps draait het niet om rangorde. Carine staat niet achter of voor, maar aan de zijde van culinaire tovenaar San Hoon Degeimbre. Een verhaal van liefde voor elkaar en voor de gastronomie, maar dan achterwaarts verteld.

Epiloog: Het einde is slechts het begin

Zaakvoerster Carine Degeimbre doet een stap terug uit het tweesterrenrestaurant. Spijt heeft ze niet. Over haar deel in het succes van chef en echtgenoot San wordt weinig geschreven, maar zij weet hoe het zit. In de horeca geraak je er niet alleen. Het koppel startte in 1997 met z’n tweeën en werkt nu met een team van vijftien mensen. Carine staat in voor de administratie en de boekhouding van een onderneming die blijft evolueren. De combinatie van hoogstaande gastronomie, streekproducten, gastvrijheid en het streven naar verbetering staan garant voor een ware explosie van plezier. Voor de spontane Carine was het een hele stap om de service in de zaal niet meer te doen. Ze houdt immers van het contact met de mensen. Maar het was de opoffering waard. In de keuken werkt San rustig verder, het huis wordt ten volle benut en de facturen worden op tijd betaald. En die bijzondere momenten met de klanten zal Carine niet lang moeten missen. Boven in het huis openden zij en haar man immers een B&B met vijf kamers. In de lente kunnen de gasten aanschuiven aan het ontbijt en Carine zal er persoonlijk op toezien dat het hen aan niets ontbreekt.

2013: De droom, Liernu

Een traditionele vierkantshoeve, een eigen stek op het platteland, een charmant bijgebouw om naar hartenlust te relaxen… Vijftien jaar lang koesterden San en Carine die droom temidden van al hun harde werk.

Om die droom te kunnen realiseren, moesten ze vast heel wat kilometers afleggen tussen de tafeltjes van hun eerste, kleinschalige restaurant. Maar bij Degeimbre wordt niet geteld, daar wordt gewerkt. “Ik denk dat ik een uitstekende commis ben.” In de technische en nederige woordenschat van Carine betekent ‘commis’ zoveel als ‘uitvoerder zonder verantwoordelijkheid’ of ‘keukenhulp’. Hard werken is geen schande. Toen San op verplaatsing ging naar Melbourne, wou Carine hem vergezellen. “Als je meekomt, vervang je een man”, kreeg ze te horen. Zo ontdekte Carine de keukens van Melbourne en leerde ze er werken als een man. De weg naar Liernu liep dus echt niet over rozen. Is het restaurant van hun dromen in Liernu een eindpunt? Carine zou wel willen, maar gelooft het niet echt. Uiteindelijk is het San die beslist. Zijn vrouw zegt het zo: “San is de versneller en ik ben de rem. Maar dat betekent niet dat ik er niet voor wil gaan. We wisten niet altijd waar we zouden uitkomen, maar we hebben altijd samen beslist om de sprong te wagen.”

1997-2013: La Voie lactée, Novillesur- Mehaigne

Het is een heldere uitspraak van een vrouw zonder kapsones. Als ze San niet ontmoet had, was ze waarschijnlijk gestopt met de horeca en was ze misschien in het onderwijs gestapt. Het lot heeft anders beslist. Toen San in 1997 de muren op zich voelde afkomen, was het tijd om te vertrekken. Bye bye Charleroi. Carine heeft er vertrouwen in en zegt haar baan op. Het jonge koppel koopt een huis op de steenweg in Noville en opent ziin eerste restaurant. “We hadden niet enorm geïnvesteerd, dus we waren niet bang.” Carine is de maître d’hôtel en daarnaast de objectiefste officiële “proever”.

Drie jaar later vertelt een journalist hen aan de telefoon dat San zijn eerste Michelinster binnen heeft. “We stonden plots in de gids, mét een ster. Ik was toen zwanger van Émilie en van de ene dag op de andere kon je hier over de koppen lopen. We stonden maar met twee mensen in de zaal. Ik was kapot. Het nieuws ging rond als een vuurtje: een klein restaurant dat er niet uitziet, met slechts twintig couverts, zonder salon, dat in de prijzen is gevallen voor zijn keuken.” Acht jaar later volgde een tweede bevestiging. L’Air du Temps maakt naam en dat is welverdiend. Het cliënteel wordt diverser, luxueuzer ook. Carine houdt het hoofd koel en “bedient iedereen even hartelijk”. De kiem voor Liernu wordt gezaaid.

1987-1997: Le Berceau, Charleroi

Op 7 september 1987 wordt Carine twintig jaar. Met haar diploma van de hotelschool in Fleurus op zak, tekent ze dezelfde dag haar eerste contract bij La Bruxelloise, een restaurant in Charleroi. Op dat moment werkt San voor dezelfde baas, in dezelfde stad maar in een ander restaurant. Ze moeten elkaar wel ontmoeten. San barst van de ideeën en legt de lat hoog. Hij heeft ambitie voor twee en streeft naar perfectie. Carine moedigt hem aan en is bereid om hem te volgen. Waarom zouden ze niet dezelfde kwaliteit kunnen bieden in een eigen restaurant? San is een goede sommelier. Koken doet hij nog niet, maar door geduldig te observeren heeft hij zich een duidelijk idee gevormd van hoe hij het wil aanpakken. Samen gaan ze op zoek naar een gebouw om hun restaurant in onder te brengen, en waar ze ook kunnen wonen. Estelle is zes jaar, Carine is hoogzwanger van Manon (de naam is een eerbetoon aan de pralines waar haar mama dol op is). Ze zoeken een huis dat goed zichtbaar is en makkelijk toegankelijk, want ze nemen liever niet te veel risico’s. Hun keuze valt op Noville. Het is geen liefde op het eerste gezicht, maar een praktische en strategische beslissing. Het succes komt onverwacht. Het wordt het begin van een bijzonder verhaal.

 

Bio-express

September 1987: Eerste job, Carine is net 20 jaar.
Maart 1991: Estelle wordt geboren.
September 1993: Carine ontmoet San in Charleroi.
Mei 1997: Manon wordt geboren.
Juli 1997: Eerste restaurant gaat open in Noville-sur-Mehaigne.
Januari 2000: Eerste Michelinster.
Juni 2000: Émilie wordt geboren.
November 2008: Tweede Michelinster.
Januari 2013: L’Air du Temps gaat open in Liernu.

 

informatie

L’Air du temps
Rue de la Croix Monet 2
B-5130 Liernu (Éghezée)
+32 (0)81 81 30 48
[email protected]
www.airdutemps.be

 

Rijzende sterren

San ontdekte hen in zijn met sterren bezaaide hemel. Zij sprongen eruit, dus hij moest wel met hen in zee gaan. “Zij”, dat zijn de ambachtslieden en producenten met wie L’Air du Temps samenwerkt. Wij spraken met twee van hen.

De bakken talent van Ben

Ben is een fantastische meid met een innemend gezicht. Ze steekt van wal door te zeggen dat “draaien” haar leven heeft gered. Meer komen we niet te weten, maar het volstaat om te begrijpen dat de pottenbakster een diepe liefde koestert voor de klei, die ze bewerkt tot gebruiksvoorwerpen. Haar echtgenoot volgt les aan de San’ School en liet eens vallen dat “Ben fantastische dingen maakt”. Sans nieuwsgierigheid was geprikkeld en hij ging een kijkje nemen in het atelier. Het klikte meteen tussen de twee artiesten. Kommen, platte en diepe borden, klassieke of Koreaans geïnspireerde vormen… Vaatwerk in alle soorten komt tot stand onder Bens handen en staat te pronken op Sans tafel. Zoals de koffiedoos, die “de doos van L’Air du Temps” gedoopt werd, en die de genodigden verrast aan het eind van de maaltijd. Het idee komt van San, de interpretatie van Ben en het chamottehoudende steengoed uit Argilières Hins in Saint-Aubain (Florennes). Keramiek met een gevoelige toets.

De nieuwe passie van Véronique

Vroeger had ze een ander leven, maar dat is ze vergeten. Nu denkt ze alleen nog aan L’Air du Temps. Design-, meubel- en decoratiebeurzen, Véronique schuimt ze allemaal af op zoek naar hedendaagse meubelen, objecten of accessoires “die je nergens anders ziet”. Voor haar heel bijzondere winkel, maar ook voor het restaurant van haar vrienden. Meer dan wie ook kent ze de smaak van San en Carine. Zij was het die de meeste meubelen gevonden heeft voor de zaak in Liernu. Haar voorliefde voor Scandinavische trends zie je terug in het lichte hout van de lange gastentafel in een van de eetzalen. Soms vormt een origineel accessoire dat ze op de kop getikt heeft zelfs de inspiratie voor een aangepast gerecht. L’Air du Temps: een compromis tussen Aziatische verfijning en natuurlijk design.

 

informatie

Ateliers Bibenbou
Rue de la Cure, 13 - B - 1350 Jauche
+32 (0)19 63 72 96
[email protected]
www.bibenbou.be

Au détour du chemin
Véronique Lemage
Ferme de Ghlin - Rue du Village, 147
B - Noville-sur-Mehaigne
+32 (0)81 74 70 36
www.addc.be

Videos

Niet elke mosterd komt uit Dijon. Integendeel! De producten van Bister tonen aan dat je de beste kunt zijn op andermans terrein. Als je maar een goede neus hebt.

Ze mag dan al afgestudeerd zijn aan de universiteit van Notre-Dame de la Paix in Namen en haar doctoraal economische en sociale wetenschappen op zak hebben, het parcours van Fabienne Bister langs de oever van de Maas is geen rustig kabbelend beekje geweest. In het begin van haar carrière heeft ze zelfs herhaaldelijk het thuisfront verlaten om naar Parijs en Algerije te gaan. Ze werkt dan niet alleen als journaliste, maar ook als consulente met franchising als specialisme. In januari 1991 keert ze huiswaarts en stapt ze in het familiale mosterdbedrijf, waarvan ze vier jaar later directrice wordt. Sindsdien laat ze zich op geen enkel gebied onbetuigd. Terwijl ze van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat over de kruidige potjes waakt, zet ze nieuwe campagnes in de steigers, maakt ze zich sterk voor de Waalse kmo’s, verdedigt ze de voedingsindustrie in het zuiden van het land en kijkt ze hoe de wereld evolueert. In de tussentijd vindt ze nog de energie – en vooral de wil – om de overnamevoorstellen af te slaan van de concurrenten die haar constant belagen. Want de onderneming die door haar grootvader is opgericht zal niet gauw haar ziel verkopen, als we Fabienne mogen geloven!

Toch had Fabienne Bister zich na haar gymnasium een andere toekomst voorgesteld. In die tijd doomde het nog jonge meisje over een baan in de architectuur en binnenhuisdecoratie. Maar haar vader, die een goede neus had – normaal, zult u zeggen, als je een mosterdmakerij leidt – hield haar ongeveer het volgende voor: “Probeer eerst economische wetenschappen. Als dat niet lukt, kun je altijd nog architectuur doen.” Ze volgt de raad van haar vader op en laat zich vervolgens meesleuren door een spiraal van succes. “Slagen in je studie was in ons gezin geen keuze. Dat was vanzelfsprekend”, merkt de vrouw op die vandaag wordt aangehaald als voorbeeld van een succesvolle ‘oud’ student aan de universiteit.

“Kort na mijn afstuderen werd ik gespot door toenmalig minister van Werkgelegenheid en Arbeid Michel Hansenne, die me binnenhaalde in zijn kabinet. Maar politiek was niet mijn ding. Daarom ben ik ingegaan op een aanbod van de krant L’Echo, die zijn kolommen liever wilde laten vullen door economen dan door journalisten. Ik heb altijd goed kunnen schrijven”, legt Fabienne Bister uit, die even pauzeert – ze denkt ongetwijfeld even aan haar grootmoeder die haar dagelijks onderwierp aan een dictee – en gaat dan verder: “Naast die journalistieke activiteiten werkte ik als consultant voor de Wereldbank, waarvoor ik naar Algerije ben gegaan. Ik kneep hem nogal! Zo erg zelfs dat ik mezelf gedwongen heb een extra opleiding te volgen om te leren omgaan met verlegenheid.”

Eind jaren ’80, heeft ze een ontmoeting die beslissend zal blijken voor de rest van haar carrière. Er is dat bekende citaat van romanticus en criticus Jules Janin: “De journalistiek kan tot alles leiden, op voorwaarde dat je eruit stapt.” Henri Mestdagh, het hoofd van de distributiegroep die klant was bij mosterdbedrijf Bister, kende dat citaat ook. “Waarom neem je het familiebedrijf niet over en volg je je vader niet op?”, opperde hij. “Die aansporing stimuleerde me. Het moet gezegd dat de zaken op dat moment niet zo goed liepen. Ik heb mezelf toen voorgehouden dat, als ik zou wachten, het te laat zou zijn. Ik heb toen een herstelplan uitgewerkt en heb dat voorgelegd aan mijn vader en mijn oom, de twee grootste aandeelhouders. Zij stemden er mee in. Aanvankelijk bleef ik actief als parttime freelancejournaliste. Maar begin 1995 volgde ik definitief mijn vader op aan het hoofd van de onderneming.”

Home sweet home?

Dat is niet het meest toepasselijke spreekwoord om het dagelijkse leven van Fabienne Bister in het bedrijf uit Jambes te omschrijven. “Ik besteed natuurlijk veel tijd aan het goede functioneren en de ontwikkeling van de mosterdmakerij, maar als hoofd van een familiebedrijf in het kmo-sector met zo’n vijftien medewerkers is professioneel omgaan met emotionele banden geen geringe uitdaging”, benadrukt ze. “Gelukkig leef ik niet alleen in of voor mijn fabriek. Als er buiten de dagelijkse problemen tijd overblijft, zet ik me in om kmo’s te helpen. Dat is mijn passie, mijn eigen sociaal vrijwilligerswerk. Zoals andere vrouwen breien …”

Een van haar talrijke opdrachten was haar taak binnen het Verbond van Belgische Ondernemingen. Zo was de Naamse gedurende vier jaar voorzitter van de kmo commissie. Maar ze was vooral de eerste Belgische vrouw die vicevoorzitter werd van het VBO. “Het moest een vrouw zijn, een Waalse en iemand die een kmo leidde. Ik beantwoordde aan de drie criteria”, vertelt Fabienne die zich vooral heeft hardgemaakt voor de vertegenwoordiging van werknemers in kmo’s. “Maar niet per se op politieke wijze”, nuanceert ze.

In 2010 wordt Fabienne Bister benoemd tot voorzitter van Fevia Wallonië, de Waalse vleugel van de Belg ische Federat ie Voedingsindustrie, waar ze een frisse wind wil laten waaien. “Die sector wordt steeds belangrijker in ons land en is goed bestand tegen de crisis, omdat hij bestaat uit talrijke kleine ondernemingen die dankzij hun aanpassingsvermogen beter kunnen inspelen op de markt.”

Bij de Union Wallonne des Entreprises (het Waalse verbond van ondernemingen), waar ze meerdere mandaten uitoefent, inspireert ze de mensen met haar ondernemersgeest. Haar strijd? Die heeft als 2020-doelstelling: “dat Wallonië niet meer van Vlaanderen afhankelijk is, maar financieel opnieuw zelfstandig wordt! Hoe? Niet door hardnekkig te blijven vechten voor steun aan de staalnijverheid, maar door in te zetten op kmo’s. Onze ondernemingen hebben een groot voordeel: hun knowhow. We moeten ze stimuleren om te groeien. In het zuiden van het land is er een heel sterke concentratie van universiteiten en dus is het economisch ontwikkelingspotentieel er groot, met name via de spin-offs”, aldus de vrouw die het vooroordeel weerlegt dat het gras altijd groener is aan de andere kant. “In tegenstelling tot Vlaanderen heeft Wallonië nog veel beschikbare gronden voor lage prijzen. In Achêne, een dorpje dat deel uitmaakt van Ciney waar we deze zomer naartoe verhuizen met ons mosterdbedrijf, kost de grond € 16 / m². Vlak bij een verkeersknooppunt!”

Fabienne Bister raakt niet over dit onderwerp uitgesproken, omdat ze zich nu eenmaal graag op sociaaleconomisch terrein begeeft. “Het probleem van Wallonië is de hoge werkloosheidsuitkering”, slaat ze met de vuist op tafel. “Hoe kun je een werkloze aansporen om werk te vinden als hij € 900,- krijgt, terwijl sommige werknemers amper € 1.200,- verdienen en van dat bedrag ook nog eens de kosten voor hun auto of vervoer moeten betalen? Ik vind dat een starter minstens € 1.500,- moet verdienen!” Hoe we dat kunnen bereiken? Wat dat betreft sluit de bedrijfsleidster zich aan bij de mensen in het noorden van het land die een vergaande hervorming willen doorvoeren. “Door de sociale lasten te verminderen! Werkloosheidsuitkeringen zijn een fundamenteel recht, maar ze moeten hun functie als vangnet terugkrijgen. Ze moeten worden beperkt in de tijd. Het bedrag dat je daarmee bespaart, moet je gebruiken om mensen die werken beter te betalen. Als gedelegeerd bestuurder van mosterdmakerij Bister-L’Impériale, zou ik zelf graag willen dat mijn medewerkers meer verdienen! Nu beginnen de mensen die werken pas vanaf oktober iets te verdienen in vergelijking met de mensen die niet werken. Tot eind september spekken ze de staatskas en draaien ze op voor de sociale zekerheid…”

Een beetje geschiedenis

François, de grootvader van Fabienne, start Mosterdmakerij Bister-L’impériale officieel in 1926 in Jambes. Hij was een ondernemend man die tussen de twee wereldoorlogen in besloot om cichorei te gaan branden. Helaas, de plotselinge stijging van het Maaswater gooide roet in het eten. Niets aan de hand, want François liep ook over, van de ideeën dan. Toen het toeval hem bij een mosterdmakerij bracht en bij het – zorgvuldig beschermde – recept van L’Impériale, besloot hij de voorraad, machines en vrachtwagens over te nemen en zich in een nieuw avontuur te storten. Aanvankelijk werd de mosterd nog in grote hoeveelheden door de kruidenierster uit een grote stenen pot opgelepeld. Maar met de komst van de zelfbedieningszaken vond het product een plekje in de beroemde potten met de vorm van Millshandgranaten – die niets te maken hebben met mosterdgas! Dat was een uitvinding van François en vandaag de dag staan ze nog steeds op menige Belgische tafel.

De kruidenroute ligt open en na Jean, de zoon van François, is het dus Fabienne die de scepter zwaait over de onderneming. In de loop van de jaren werden de bedrijfsactiviteiten natuurlijk uitgebreid en inmiddels is de naam Bister verbonden aan zo’n 40 soorten mosterd. De bekendste zijn L’Impériale uiteraard, en de mosterd van Dijon, wat niet verwijst naar de herkomst, maar naar een recept dat verkregen wordt uit één bepaalde zaadvariëteit. De fabriek van Jambes produceert ook koude sauzen (Champisaus, Piccalilli…), uitjes, augurken, kappers, enz. “Om te profiteren van het imago van het Franse merk hebben we in 2002 een tweede fabriek gebouwd in de Champagne, dicht bij Troyes”, legt Fabienne uit, die zich constant wil onderscheiden door nieuwe producten te ontwikkelen. “We maken daar vooral biologische mosterd, een concept waaraan we werken sinds 1997, met andere woorden: twee jaar voor de dioxinecrisis én voor de concurrentie!”

Maar deze zomer komen de oude gebouwen aan de Francquenstraat, waar drie generaties lang miljoenen potten zijn geproduceerd, leeg te staan. De onderneming bereidt immers de verhuizing voor naar Achêne (Ciney), in een oud industrieel gebouw, dat opnieuw is ingericht. Het wordt een pijnlijke maar onvermijdelijke scheiding. “Sinds we in 2007 de sauzenafdeling van de Waverse azijnstokerij L’Etoile hebben overgenomen, zijn onze 600 m² echt te krap geworden. Bovendien zijn de lokalen onpraktisch en verouderd en veroorzaken onze vrachtwagens overlast in de buurt. We zullen veel beter af zijn in die industriezone, waar we nu al kunnen beschikken over 1.700 m². We gaan er dus maar liefst 1.100 m² op vooruit.”

Op weg dus naar een nieuw avontuur? “Je hele leven een familiebedrijf besturen gaat echt niet op de automatische piloot”, antwoordt de bazin, die niet verhult dat ze regelmatig voorstellen krijgt om haar talenten in andere vennootschappen te gebruiken. “Ze bieden me het tienvoudige van mijn salaris…” En dan dringt zich bij ons de laatste vraag op. Is er in de familie Bister een andere kapitein om het roer over te nemen? Fabienne schudt geregeld flink aan haar stamboom, in de hoop dat er wat mosterdzaad uitvalt dat niet op de rotsen van de onderneming blijft liggen. Zonder resultaat tot nu toe. “Mijn oudste dochter lijkt er wel wat voor te voelen. Ze zit in de zesde klas van het gymnasium…”

 

Mosterdmakerij Bister in cijfers

Aantal werknemers : 15

- Omzet : 4 miljoen euro, voornamelijk op de Belgische markt

- Exportlanden: Frankrijk, Engeland, Scandinavische landen, Nederland en Zwitserland

 

Toerisme en traditie

Binnen de schoot van het familiebedrijf ligt de vzw “Tourisme et tradition”, die wordt gesteund door het commissariaatgeneraal van het Waalse Gewest. De vzw, waarvan de maatschappelijke zetel zich bevindt in mosterdmakerij Bister, biedt eendagsbezoeken aan voor groepen. Die kunnen een dertigtal ondernemingen en kleine regionale producenten ontdekken, waaronder bijvoorbeeld de abdij van Malonne, Cafés Delahaut, het kristalbedrijf Val-Saint-Lambert, de Defrenne-molen in Gembloers en huisslakken Petits-Gris in Namen. Op goed geluk pikken we er een route uit, “De l’eau à la bouche” genaamd, om van te watertanden. Het programma omvat een bezoek aan brasserie Caracole in Falmignoul of Purnode in Yvoir, gevolgd door de ontdekking van mosterdmakerij Bister – al zit de onderneming niet in alle rondritten – en tot slot een cruise op de Samber en de Maas. “Deze toeristische rondritten trekken 7.500 bezoekers per jaar,” benadrukt Fabienne Bister, “van wie er 6.500 kiezen om onze onderneming en ons kleine museum te ontdekken.”

 
informatie

Bister sprl
Rue de Francquen, 1-3
B-5100 Jambes
+32 (0)81 300 306
[email protected]
www.bister.com

Valérie Gordenne, industrieapotheker bij Mithra, blikt terug op haar loopbaan, een rijkgevuld traject vol interessante ontmoetingen en uitdagingen binnen een sector die volop in de lift zit in Wallonië.

Meer dan een uur lang over zichzelf praten is niet meteen het stokpaardje van Valér ie Gordenne. Toch komen de woorden vlot, en de anekdotes die haar parcours sieren, rijgen zich aan elkaar op het ritme van haar lach. Wie durft er te beweren dat industrieapothekers een saai beroep hebben? In een recent verleden was Valérie nog productiechef bij Uteron Pharma, maar voortaan behoort ze tot het directieteam van het moederbedrijf Mithra, waar ze nieuwe activiteiten ontwikkelt. Uteron wordt immer s sinds kor t geleid door de Amerikaanse gigant Watson.

Haar beslissing hield echter niet zozeer verband met het feit dat ze in een nieuwe structuur zou terechtkomen. Het was vooral de wil om innoverende projecten te blijven ontwikkelen, die de doorslag gaf. “Ik had een mooie periode bij Uteron achter de rug en de zin om een nieuw verhaal te beginnen was gewoon te sterk”, verklaart ze.

‘Zin’ is het woord dat haar loopbaan misschien wel het meest typeert. In 1995 studeert ze af aan de Université de Liège en, in tegenstelling tot veel van haar medestudenten, besluit ze zich te wijden aan de industriële farmacie in plaats van aan de klassieke officina. “Enkele maanden stage in een apotheek waren voldoende om me te laten inzien dat zoiets niet aan mij besteed was. En al waren de opleidingen in die tijd niet specifiek gericht op industriële farmacie, toch waren er wel degelijk overstapmogelijkheden. Die overstap is bij mij – tot mijn grote vreugde – heel spontaan gebeurd.”

Bij Galephar in Marche-en-Famenne zal Valérie Gordenne haar eerste beroepservaring opdoen en de mensen die ze er ontmoet, zullen haar toekomst uiteindelijk een beslissende wending geven. Binnen dit familiebedrijf op mensenmaat is er veel werk aan de winkel en Valérie doet er heel wat nieuwe inzichten op. Op het eind van haar stage heeft ze het geluk dat ze een contract krijgt aangeboden. “Op het ogenblik dat ik daar terechtkwam, wou het bedrijf zijn activiteiten uitbreiden en was het op zoek naar een profiel zoals het mijne. Bruno Streel, manager bij Galephar, wou een productievestiging openen die gericht was op klinisch onderzoek.” Valérie Gordenne wordt er ingezet binnen de afdeling onderzoek en ontwikkeling, en al snel weet ze de vrijheid te waarderen die elke medewerker binnen het team er krijgt. “We evolueerden in een uitermate stimulerende omgeving, waar je het recht had om fouten te maken. Ik bedoel natuurlijk kleine fouten, maar we konden er in ons eigen ritme werken, nieuwe ideeën aanbrengen, nieuwe protocollen bedenken, zonder een helse druk te moeten ervaren. En dankzij de permanente competitiegeest die er heerste, kwamen de resultaten als vanzelf. Deze manier van werken is echt typisch voor kleine structuren. Ik vind ze bijzonder motiverend.”

Met Mithra het avontuur tegemoet

Hoewel Valérie Gordenne bij Galephar heel veel voldoening ervaart, voelt ze nog altijd de kriebels om nieuwe uitdagingen aan te gaan. Ze heeft er nog altijd evenveel zin in en het geluk gunt haar een nieuwe carrièrewending. Tijdens een gesprek verneemt ze dat François Fornieri, directeur van Mithra – dat in die tijd een jonge spin-off van de ULg is – op zoek is naar een industrieapotheker om zijn activiteiten te ontwikkelen. Haar kandidatuur wordt voorgesteld, er vindt een sollicitatiegesprek plaats en het duurt niet lang of de zaak is beklonken. “Twee uur lang heeft hij mij verteld over zijn project, zijn visie en zijn toekomstperspectieven. Zijn enthousiasme was aanstekelijk en hij wist me al snel te overhalen om zijn team te versterken”, herinnert ze zich. In 2004 – Mithra bestaat dan amper vijf jaar – begint het bedrijf generische producten te ontwikkelen. De competenties van Valérie Gordenne blijken daarbij al snel van pas te komen, vooral bij de lancering van het hormonale spiraaltje Levorsert. “De productontwikkeling was in 2002 gestart, maar zonder de specifieke hulp van een apotheker. Het bedrijf werkte immers nog altijd samen met de UL g. Ik heb de farmaceutische dimensie in het bedrijf binnengebracht, maar ook een hele reeks reglementaire aspecten.”

De farmaceutische sector is internationaal gericht, met reglementeringen die van regio tot regio verschillen. Je moet constant vernieuwend uit de hoek komen, op de hoogte blijven van de recentste ontwikkelingen en anticiperen op veranderingen.


Een volledige productielijn van begin tot einde in goede banen leiden doe je echter niet zomaar. En ook al blijkt het “complexe maar meeslepende” proces van productontwikkeling lang niet zo eenvoudig te zijn, toch blijven de “innovatie en de nieuwe procedures uitgesproken high level, zodat je als vanzelf grenzen verlegt.” En waardoor je sowieso meteen uitkijkt naar een vervolgscenario. “Na de lancering van de klinische studies was het zaak om het spiraaltje ook effectief te produceren. We hadden nog niet erg veel ervaring op dat vlak, maar toch waren we nergens bang voor. François Fornieri en het directieteam, met professor Jean-Michel Foidart en Stijn van Rompay, hadden voldoende daadkracht om snel werk te maken van de investeringen.” Zo ontstaat in 2007, uit de structuur van Odyssea, het kersverse Uteron. Een nieuw avontuur begint, waarbij zo’n zeventig werknemers in dienst worden genomen, er een productielijn wordt opgericht in Grâce- Hollogne, en een kenniscentrum dat kan rekenen op erkenning door het Waalse Gewest. Vijf jaar lang ontwikkelt het bedrijf zich rond dit innovat ieve concept , geschraagd door een sterke universitaire verankering “die een andere creatieve invalshoek mogelijk maakt en waaraan onze activiteit haar specificieke karakter te danken heeft,” voegt Valérie Gordenne eraan toe. “Het voordeel van dit spiraaltje is de werking van een hormoon dat de bloedingen vermindert, en het feit dat er veel minder hormoon vrijkomt dan bij de klassieke anticonceptiepil. Het concept is interessant binnen het ruime aanbod van anticonceptiemiddelen en wordt tegen een bijzonder haalbare prijs aangeboden, terwijl het de levenskwaliteit van de vrouw aanzienlijk kan verbeteren.” 2013 luidt nieuwe veranderingen en nieuwe mogelijkheden in voor Uteron. Het bedrijf wordt immers overgenomen door Watson. Valérie Gordenne kan het avontuur voortzetten in de nieuwe structuur, maar ze gaat niet in op het aanbod en besluit om terug te keren naar het moederbedrijf Mithra. “We willen onze industriële activiteiten in het Waalse Gewest blijven ontwikkelen en nieuwe projecten op het getouw zetten: dat is nu net wat me zo aanspreekt in mijn werk.” Zonder nog maar te spreken over het relationele aspect dat kenmerkend is voor een lichtere structuur. Als voormalige volleybalspeelster “speelden we zelfs een seizoen lang in de eredivisie”, zegt ze. Valérie Gordenne vergelijkt het bedrijfsleven met een groepssport, waar precies het creëren van synergieën en het groepsgevoel een cruciale rol spelen. “Ik ben sterk voorstander van groepssporten. Mijn twee kinderen beoefenen er trouwens een. Deel uitmaken van een groep, bij overwinningen én bij nederlagen, het is niet altijd even evident. Maar het is een ongelooflijke leerschool. Je hoort bij een groep en die groep bouwt samen aan een toekomst.”

Wat haar eigen toekomst betreft, hoopt deze lezeres van Patricia Cornwell op een rijkgevuld en boeiend vervolg. Moge ze veel zin hebben om ook in de toekomst door te gaan en actief bij te dragen aan innoverende projecten. “De farmaceutische sector is internationaal gericht, met reglementeringen die van regio tot regio verschillen. Je moet constant vernieuwend uit de hoek komen, op de hoogte blijven van de recentste ontwikkelingen en anticiperen op veranderingen. Dat is heel motiverend en het geeft me niet het gevoel dat ik constant hetzelfde werk doe. Ik zou trouwens niet kunnen aarden in een repetitief beroep of in een te beperkende sfeer.”

 

informatie

SA Mithra Pharmaceuticals
Rue Saint-Georges 5
B-4000 Liège
+32 (0)4 349 28 22
[email protected]
www.mithra.be

 

Boost Belgium

Energieke mama wint de wedstrijd Boost Belgium voor Belgische ondernemers!

Dankzij deze wedstrijd wilden Belfius en MasterCard de hand reiken aan ondernemers van wie het project een boost kon geven aan de Belgische economie. In totaal schreven 243 ondernemers zich in, stuk voor stuk met baanbrekende projecten. De finalisten mochten hun project voorstellen aan een jury van acht vakspecialisten. Naast de publieksjury brachten zij een beslissende stem uit.

De beslissing viel op 20 februari. Het was Jasmine De Wulf uit de provincie Luxemburg die de eerste prijs wegkaapte met haar ontwerp Skinoo, dat inmiddels al een Belgisch en een Europees octrooi heeft. Haar eigen ervaring met borstvoeding bracht deze mama van vier ertoe om een eenvoudig systeem, een katoenen ring, te bedenken waarmee jonge moeders tijdens de eerste weken van de borstvoeding tepelkloven en infecties kunnen voorkomen. Het prijzengeld ter waarde van € 15.000 zal deze initiatiefrijke mama flink helpen om in de nabije toekomst de productie van Skinoo op te starten.

sites.google.com/a/skinoo.eu/skinoo/home
www.boostbelgium.be

Videos

Volgens Cécile Troisfontaine, oprichtster van Ceteor in Harzé, is haar succes te danken aan haar ondernemingszin, maar ook aan de sfeer binnen haar bedrijf. Teamspirit is bij haar dan ook geen loos begrip.

Als je bij een bedrijf aankomt voor een afspraak en onthaald wordt met een glimlach, nog voor je je voorstelt, dan weet je al genoeg. Tijdens mijn bezoek zag ik buiten een tafel en banken staan in een hoekje bij de ingang. Bij mooi weer zitten de werknemers daar wellicht te genieten van een ontspannen pauze in het zonnetje. De kantoren zijn modern van stijl, praktisch en gezellig, en liggen in een groene industriezone waarvan er veel te weinig zijn. Het geeft een idee van de sfeer die je opsnuift zodra je bij Ceteor binnenstapt.

Aan het roer van dit bedrijf staat duidelijk iemand die vooruit wil komen, economische crisis of niet. Haar vrouwelijke aanpak blijkt uit de sfeer en de menselijke contacten op de werkvloer.

“Voor mezelf en mijn bedrijf hecht ik veel belang aan harmonie op het werk”, antwoordt Cécile Troisfontaine, die Ceteor in 1990 oprichtte in Waals-Brabant. In 1999 kwam ze terug naar haar geboorteregio Luik. De huidige gebouwen in Harzé dateren van 2007. “Ik zie snel de kwaliteiten en gebreken bij iemand. Dat is een van mijn sterke punten. Het helpt me om iedereen de juiste rol toe te kennen, zowel voor het bedrijf als voor hen zelf. In een bedrijf is het ontzettend belangrijk om elke werknemer een functie te geven waarin hij of zij kan uitblinken en evolueren, in plaats van hem of haar absoluut te willen veranderen en zijn of haar zwakke punten weg te werken. Ik doe mijn best om aandacht te besteden aan de sfeer en het menselijke aspect op het werk. Volgens mij heeft een relatie pas zin, waarde en nut als ze oprecht is en als iedereen zich kan ontplooien en het beste van zichzelf kan geven. Ik probeer mijn vrienden en mijn personeel in diezelfde geest te behandelen.” Veeleisend is Troisfontaine wel, want dat is nodig om een bedrijf goed te laten draaien. “Maar altijd met plezier”, beklemtoont ze. Zou dat een typisch vrouwelijk trekje zijn?

Ondernemen is een attitude

Waar komt die zin in ondernemen vandaan? En dan nog in een erg mannelijke sector? “Het is een attitude. Die drang om zelfstandig te zijn zit in mijn karakter. Ik ben altijd ondernemend geweest, zo zit ik in elkaar. Na mijn studie Economische Wetenschappen aan de Universiteit van Luik heb ik drie verschillende banen gehad, maar die konden me niet boeien. Daardoor kreeg ik steeds meer zin om zelf iets op te starten.” Troisfontaine is altijd vriendelijk, maar weet wat ze wil. Ze geeft wel toe dat de sector van haar onderneming een beetje door het toeval werd bepaald, op aanmoediging van haar echtgenoot. Die werkte in de automobielbranche en merkte dat er een grote vraag was naar bepaalde artikelen, waaronder accuboosters. Ceteor begon zo als importeur, maar werd later zelf producent.

“Het geheim van succes bestaat erin je te omringen met competente mensen die beter zijn dan jezelf, want je kunt niet in alles de beste zijn. Je mag niet bang zijn om je mensen te vertrouwen en het werk te delegeren. Ik denk dat daar de echte sleutel van succes zit.” 

 

Het bleek een succesverhaal. Ondanks de crisis blijft de omzet stijgen en worden er nieuwe producten ontwikkeld door Ceteors O&O-dienst. Troisfontaine blijft er bescheiden bij. Tijdens het hele interview beklemtoont ze dat er “veel vrouwen evenveel of zelfs meer verdienste hebben. Ik heb altijd naar een evenwicht gestreefd tussen mijn werk en mijn gezin. Ik wou er zijn voor mijn twee kinderen. Dat is niet altijd gemakkelijk, maar er zijn zeker vrouwen die het moeilijker hebben dan ik, door familiale of financiële problemen.” De bedrijfsleidster laat trouwens regelmatig vallen dat ze er niet zo van houdt om in de schijnwerpers te staan.

Als wij vragen hoe een vrouw haar mannetje staat in deze omgeving, antwoordt ze altijd met “wij”. “Ik ben niet in mijn eentje zo ver gekomen”, legt ze uit. “Ik had hier niet gestaan zonder mijn team, dat is blijven groeien samen met het bedrijf. Het geheim van succes bestaat erin je te omringen met competente mensen die beter zijn dan jezelf, want je kunt niet in alles de beste zijn. Je mag niet bang zijn om je mensen te vertrouwen en het werk te delegeren. Ik denk dat daar de echte sleutel van succes zit.”

 

Veel groeipotentieel

Ceteor begon als verkoper van artikelen voor autogarages. Daarna greep het bedrijf de kans om boosters te importeren, die dienen om een platte batterij in een voertuig of apparaat weer op te laden, “van grasmaaiers tot tanks en locomotieven”. Toen de oorspronkelijke leverancier besloot om de productie naar China te verhuizen, ging de kwaliteit er duidelijk op achteruit. Zo begon Ceteor zijn eigen boosters te ontwikkelen. “Kwaliteit en betrouwbaarheid zijn onze trefwoorden. We verkopen geavanceerde toestellen voor professionele gebruikers.” In Chicago en New York zijn de bussen uitgerust met ‘made by Ceteor’-boosters, zes Ceteor-boosters zijn officieel goedgekeurd door de NA VO en 90% van de productie is bestemd voor export op wereldniveau. Referenties genoeg dus.

Bij Ceteor staan de klant en zijn wensen centraal. Zo kan het bedrijf iedereen het juiste product en een onberispelijke service bieden. Ze hebben nog heel wat groeipotentieel en hun vernieuwende aanpak draagt daar zeker aan bij. Op het programma staat nog de verovering van een aantal complementaire markten, zoals de landbouwsector, de tuinsector (grasmaaiers enz.), de maritieme sector, de recreatieve luchtvaart en de helikoptermarkt. Die segmenten waren tot nu toe onontgonnen terrein, maar daar wil Ceteor weldra verandering in brengen.

‘Veelbelovende markten

Ceteor stelt 18 mensen te werk in Harzé, maar deelt nooit zijn omzetcijfers mee. Ondanks de crisis doet het bedrijf het steeds beter. De groei wordt geschat op 1% in 2013. “Vijf jaar geleden was dat nog 40%”, geeft Cécile Troisfontaine toe. “Maar de nieuwe markten waarop we ons richten, beloven een mooie toekomst.”

De omzetcijfers van oktober 2012 bewijzen dat ze op de goede weg zijn. Het was de hoogste omzet sinds de oprichting van het bedrijf in 1990 en was gelijk aan de totale omzet in 2002. Over tien maanden geeft dat een stijging van 12,21% vergeleken met dezelfde periode in 2011 en een toename van het volume met 27,9%.

 

informatie

Ceteor sprl
Z.I - Rue de la Baronnerie, 3
B-4920 Harzé
+32 (0)4 388 20 17
[email protected]
www.ceteor.com 

Zeven jaar geleden nam Dominique Boccar het bedrijf over waar ze toen werkte, Biospeedhome in Manhay. Als vrouwelijke ondernemer vindt ze het belangrijk om zich niet laten intimideren.

Dominique Boccar is ondernemer in een zogenaamde “mannenwereld”: de bouwsector. Ze is gespecialiseerd in massief houten woningen en houtskeletbouw. Hoe kwam ze daarbij? “Toen ik hier begon te werken, had ik mijn doctoraal in de chemie en een diploma boekhouding, maar ik wist niets van de bouwsector en al helemaal niets van massief houten woningen. Ik was meteen verkocht. Ik heb er zelf een laten bouwen in 2003. Het jaar daarop stelden de vorige eigenaren voor dat ik een groot deel van de verkoop voor mijn rekening zou nemen. Later volgde de volledige overname van het bedrijf.”

Is het niet moeilijk om je mannetje te staan in een sector die bepaald geen vrouwvriendelijke reputatie heeft? “Het eerste bedrijf van de vorige eigenaren was een zagerij. Ik heb er jaren als enige vrouw tussen de mannen gewerkt, dus ik was het wel gewend.” Ze relativeert ook het idee dat het allemaal moeilijker is voor een vrouw: “Voor mij was het niet het lastigste dat ik een vrouw was, maar wel dat ik ineens niet meer hun collega was, maar hun directeur. Dat is niet altijd makkelijk, maar het heeft niets te maken met het feit dat je vrouw of man bent.” Boccar geeft toe dat ze buiten het bedrijf niet vaak vrouwelijke collega’s ontmoet, behalve in de grafische sector of de architectuur. “Ik heb dat nooit een probleem gevonden. Je moet gewoon weten wat je wilt en je niet laten intimideren. Ik maak me geen zorgen op dat vlak. Maar niet iedereen is in staat om zich te laten gelden. Daar moet je een bepaald karakter voor hebben. Het is natuurlijk wel bijzonder als een vrouw een bedrijf leidt. Zeker in de bouwsector. Daarom is het heel goed om bij de dagelijkse contacten iemand te hebben die tussen mijzelf en de medewerkers in staat.”

Haar ondernemingszin dankt de bazin van Biospeedhome naar eigen zeggen aan het feit dat ze graag zelfstandig werkt. “Toen ze me vroegen of ik het bedrijf wilde overnemen, hoefde ik niet lang na te denken.”

De vooroordelen voorbij

Hoe wordt er gedacht over een vrouw aan het hoofd van een bedrijf, en dan nog wel in de houtsector? “Er zijn veel vooroordelen. Veel mensen gaan ervan uit dat vrouwen niet de benodigde technische kennis en vaardigheden hebben. Zodra je je op dat vlak kunt bewijzen, zijn er geen obstakels meer. Maar eerst moet je dus het stadium van de vooroordelen voorbij zien te komen. Ik heb trouwens nooit problemen gehad met klanten of andere contactpersonen toen ik me met de verkoop bezighield. Maar ik hou me natuurlijk niet bezig met het binnenhalen van orders, dat doen ingenieurs. Misschien had ik het daar lastiger mee gehad.”

Volgens Boccar zitten er wel degelijk vrouwelijke trekjes in de manier waarop ze haar bedrijf leidt. “Organisatie”, glimlacht ze meteen. “Ik ben een heel georganiseerd persoon. Misschien is dat niet typisch vrouwelijk, maar ik zie het zelden om me heen. En ze zeggen toch altijd dat vrouwen verschillende dingen tegelijk kunnen, en mannen niet.” Die vrouwelijke “touch” zie je ook terug in de omgang met haar werknemers. “Ik vind het belangrijk dat de sfeer goed is. Ik ben heel open en makkelijk aanspreekbaar. Natuurlijk zeg ik wat ik denk, maar ik ben geen autoritair persoon die zich om het minste of geringste druk maakt. Ik sta alleen op mijn strepen als het echt nodig is.” En hoe zit het met haar gezin? “Het is niet altijd makkelijk, maar gelukkig heeft mijn partner f lexibele werktijden. Daardoor kunnen we allebei voor ons kleintje van vierenhalf zorgen. Ik zie hem inderdaad minder dan ik zou willen, maar ik let erop dat ik genoeg tijd voor mijn gezin reserveer, vooral in het weekend. Je tijd goed indelen is heel belangrijk om goed in balans te blijven.”

Het is ook niet omdat ze een vrouw is, dat ze sneller vrouwen dan mannen aanneemt. “Ik kies op basis van de competenties, de ervaring en de kwaliteit van het werk. De enige baan in mijn bedrijf die misschien moeilijker is voor een vrouw, is die van acquisitieleider. Ik zeg niet dat het niet kan – er zijn vrouwelijke architecten die het doen en heel goed zelfs – maar het vraagt een nogal specifiek profiel. Daarvoor moet je de juiste persoon vinden, die autoriteit uitstraalt en toch veel tact heeft.”

Hoe staan andere bedrijfsleiders tegenover vrouwen als zaakvoerder, zeker in de bouwsector? Hebben zij nog vooroordelen of is die tijd al voorbij? “Ik vind het moeilijk om te doorgronden hoe er over mij gedacht wordt. We zijn nu een samenwerking aan het opzetten met verschillende bedrijven in de houtbouw. Daar zitten alleen mannen in, maar ik heb ze nog nooit iets negatiefs over mij horen zeggen. Ik denk echt dat je gewoon de juiste competenties moet hebben en je werk goed moet doen. Net zoals de mannen weten dat ik wellicht ook troeven heb die zij niet hebben.”

 

Bio Express

1992 : Dominique Boccar behaalt een doctoraal in de chemie. In 1996 sluit ze een graduaat boekhouding af.
2003 : Ze gaat aan de slag als commercieel manager bij de firma Biospeedhome.
2005 : Samen met twee andere vennoten neemt ze het bedrijf over.

 

informatie

Biospeedhome
Rue des Boussines, 46
B-6960 Manhay
+32 (0)86 45 51 24
[email protected]
www.biospeedhome.be

 

Bois & Habitat 2013 editie

Bois & Habitat is al 15 jaar hét evenement voor iedereen die hout wil gebruiken in zijn woning. Bijna 200 exposanten laten er hun producten en laatste innovaties zien op het gebied van bouwen en renoveren, interieur en exterieur en meubels en design. Uiteraard mocht ook Biospeedhome hier niet ontbreken.

Voor deze feesteditie wordt er een grote tentoonstelling op touw gezet in samenwerking met het tijdschrift ‘Déco Idées’. De overzichtstentoonstelling zet ontwerpers in de kijker die ooit deelnamen aan de wedstrijd ‘Design & Bois’ en intussen over de hele wereld bekend zijn. Gedurende de vier dagen dat de beurs plaatsvindt, staan er nog heel veel andere evenementen op het programma: lezingen, ontmoetingen, de Wonderful World-tentoonstelling… Op 25 maart hebben vrouwen gratis entree tijdens “Ladies’ Day”.


informatie

Salon Bois & Habitat
Van 22 tot 25 maart 2013
Namur Expo
Avenue Sergent Vrithoff, 2
B-5000 Namur
www.bois-habitat.com

Tony Gillet is er de man niet naar om in de achteruitkijkspiegel te kijken. Als handige Harry van de automobielsector bouwt deze wagenontwerper al twintig jaar lang exclusieve en unieke wagens onder de naam Vertigo.

Toch nodigen we u uit om even terug te blikken. Want onze man, een atypische autofabrikant, zou weleens een afstammeling kunnen zijn van zijn succesvolle voorvaders. België, en vooral Wallonië, heeft namelijk meerdere keren autogeschiedenis geschreven. De eerste ontploffingsmotor werd in 1859 uitgevonden door de Belg Etienne Lenoir uit Mussyla- Ville (Musson). In 1899 is het opnieuw een Belg, Camille Jenatzy, die als eerste 100 km/ uur haalt met zijn befaamde ‘Jamais Contente’ (Nooit Tevreden). Deze ‘rode snelheidsduivel’ overschrijdt in 1909 ook de grens van 200 km/uur, in Oostende. In die periode telde België een veertigtal fabrikanten. De bekendste merken zijn FN, Springuel, Excelsior, Nagant, Minerva en Imperia. Tony Gillet is de waardige opvolger van deze pioniers van de autogeschiedenis.

Al meer dan veertig jaar heeft hij maar één doel: zijn eigen wagen bouwen. Een prachtig avontuur, bezaaid met obstakels. Maar die hebben de scheppende kracht van deze bijzondere fabrikant alleen maar versterkt. Zijn motto? “Elke keer dat mij gezegd werd dat het onmogelijk was – en dat is vaak gebeurd - ging ik er met dubbele energie tegenaan. En dat werkt!”

Een Renault 4L raceauto

Tussen Namen en Gembloux ligt de werkplaats van Isnes, waar Tony Gillet zijn wagens bouwt, klaarmaakt of ombouwt. Het is een weerspiegeling van de eigenaar, die gepassioneerd is door alles wat rijdt, in welke vorm dan ook. Zo vinden we er een schitterende Mc Laren in aanbouw. Er staat een oude, fantastische Italiaanse wagen uit de jaren 60, een oude Messerschmitt met drie wielen. We ontdekken een flat-twin BWM GS, die zo uit een speciale etappe van Parijs- Dakar lijkt te komen... En dan, vertroeteld door een hoop mecaniciens, pronkt er een prachtige matzwarte Vertigo die volledig ‘op maat ’ van de nieuwe eigenaar wordt gemaakt.

“Ik zou niet weten aan hoeveel wedstrijden ik heb meegedaan en op hoeveel circuits ik heb gereden. Na meer dan 40 jaar, kan dat aardig optellen.”


Tony Gillet ontvangt ons boven in zijn kleine kantoor, tussen twee telefoons in: “Sorry, maar ik moet een auto leveren en er komt ook een Ferrari binnen”, verontschuldigt hij zich. Wat drijft deze man: het bou wen, het racen, de mechanica? “Het is in de eerste plaats de snelheid en de competitie”, antwoordt de zestiger. “Ik wil zelf altijd hard gaan en ik hou van alles dat snel gaat. Mechanica in de brede zin van het woord heeft me ook altijd geboeid.” En wat ging snel toen hij jong was? In die tijd was dat de Renault 4L, waarmee de jonge Tony zich aan provinciale rally’s waagde. “Hoewel ik geen monteur was, maakte ik de wagen zelf klaar voor de wedstrijd.” De eetlust komt tijdens het eten: de ambitie van de jonge (en getalenteerde) coureur groeide zo hard dat hij ongewone uitdagingen wilde aangaan. Zo werd Tony Gillet echt bekend in de kringen van de Belgische competitie omdat hij als eerste aan de startlijn verscheen met een echte Formule 2-wagen, en wel met de oude wagen waarmee de Franse toekomstige F1-piloot Jean-Pierre Jabouille eind jaren 80 winnaar werd.

Ondertussen importeerde en assembleerde de man uit Namen, afkomstig uit Bouillon, Donkervoorts. Dat zijn kleine Nederlandse wagens met wielen aan de buitenkant van de carrosserie, die veel weg hebben van oude raceauto’s. “Maar mijn droom, mijn echte droom”, zegt de fabrikant met klem, “is altijd geweest om mijn eigen auto te bouwen. Ik mag er dan twintig jaar over gedaan hebben om er te komen, maar ik heb mijn doel bereikt!” In ongeveer tien jaar tijd heeft Tony Gillet niet alleen dertig Vertigo’s ontworpen, maar ook verkocht. De vijfde versie is net uit. Zo’n tien mensen zijn hiervoor in zijn werkplaats in de weer. Om dit succes te bereiken, werkte hij in fasen. “Ik was uiteraard bekend met de wedstrijdomgeving, maar ook met het ombouwen van voertuigen. Ik heb mij toen gespecialiseerd in de behandeling van koolstofvezel. Ik was de eerste in België die een wagen met zo’n carrosserie heeft gebouwd.” En langzamerhand heeft deze energieke duizendpoot alle vaardigheden verworven die nodig zijn om een compleet voertuig te bouwen. “Ik wilde een exclusieve auto, verwant aan een racewagen. Maar dan een die elke dag kan rijden en die ik volledig kan bouwen in mijn werkplaats. Afgezien van de motor, de transmissie en de brug, wordt alles hier gemaakt.”

“Ik wilde een exclusieve auto, verwant aan een racewagen. Maar dan een die elke dag kan rijden en die ik volledig kan bouwen in mijn werkplaats. Afgezien van de motor, de transmissie en de brug, wordt alles hier gemaakt.”


Een nieuw model, de VDS

De klanten van Tony Gillet zijn welgesteld en discreet. De fabrikant zegt er niet te veel over. Wel weten we dat Johnny Halliday er een heeft gereden. Koning Albert II heeft er een uitgeprobeerd. En Albert van Monaco heef t t ijdens een Grand Pr i x het Formule 1-circuit geopend in een Vertigo. Hoe dan ook, vandaag zit hij met zijn hoofd ergens anders. Hij heeft in opdracht van graaf Van der Straeten en zijn VDS-team zojuist een gloednieuwe bolide gebouwd, die zowel op het circuit als over de weg zal scheuren. “Dit is weer een nieuwe uitdaging! Hij vroeg me een soort Amerikaanse auto te bedenken, tussen de Mustang en de Corvette in. De auto heeft een Maserati-motor van meer dan 400 pk onder de kap… Dat zou leuk moeten zijn!” In de komende jaren worden er zo’n twintig exemplaren van gebouwd. Tony Gillet verzorgt ook het onderhoud. Hij werkt aan diverse prototypes en restaureert andere exclusieve auto’s. Verder denkt hij verschillende systemen uit die aangepast zijn aan hun bestuurders. Zo heeft hij voor een auto het besturingssysteem aangepast. Daardoor kan Philippe Streiff, de Formule 1-coureur die verlamd raakte na een zwaar race-ongeluk, zijn eigen Vertigo besturen.

Met zijn 67 jaar blijft Tony Gillet ons nog steeds verbazen met zijn uitvindingen. Het vervolg? “Misschien iemand vinden om me te helpen. Dan kan ik me wat intensiever bezighouden met mijn wijngaarden in de Loire.” De wijnbouw is een andere passie van de familie. “Een familielid die in de Loire-streek woont, won de eerste prijs voor witte Loire-wijn.” Wanneer een Gillet aan iets begint, gaat hij er altijd volledig voor!

 

informatie

Automobiles Gillet
Parc Créalys
Rue Saucin, 84
B-5032 Gembloux
+32 (0)81 56 84 44
[email protected]
www.gilletvertigo.com

 

De ‘transformer’ van het circuit 

Tony Gillet heeft een palmares dat veel weg heeft van de structuur van een website: het gaat alle kanten op. De explosieve Ardenner heeft dan ook iets van een geniale duizendpoot. Als er een link is met mechanica, werkt het. Zo komt hij aan een veelzijdige erelijst van ‘transformer’ avant la lettre: autocoureur, kampioen, fabrikant, recordhouder, ontwikkelaar... Kortom, Tony Gillet voelt zich overal goed... zolang het in zijn favoriete sector is. Het bewijs daarvan is zijn palmares.

• 1968 : Debuteert in provinciale rally’s aan het stuur van een Renault 4 cv die hij zelf heeft omgebouwd;
• 1975-1978 :  Seizoenen waarin hij de ene overwinning na de andere behaalt, met toen al een bijzondere wagen (la Viaene) in de categorie Prototype;
• 1979 : Eerste coureur met een F2 in heuvelklimwedstrijden (een Renault-Elf ex J-P Jabouille), Tony Gillet wordt Belgisch kampioen in alle categorieën;
• 1980 : 2de Belgische kampioenschap – heuvelklimwedstrijden – Beker van de koning in de 24 u van Francorchamps, achter het stuur van een VW;
• 1982 - 1987 : Bouwen en ombouwen van prototypes, vooral voor de Rally Parijs-Dakar (Toyota, Mercedes...);
• 1990 : Wereldrecord accelereren (0 – 100 km/u) achter het stuur van een Donkervoort;
• 1991 : Ontwikkeling en fabricage van de eerste Gillet - Vertigo;
• 1994 : Nieuw wereldrecord accelereren (0-100 km/u) achter het stuur van de Vertigo; Presentatie van de wagen aan koning Albert II , in het Koninklijk Paleis;
• 1999 : Prepareren van de Mercedes die Prins Filip gebruikt bij zijn huwelijk met Mathilde d’Udekem d’Acoz – Realisatie van een glazen bol, verwerft bekendheid bij de elite;
• 2000 : de F1-coureur Philippe Streiff, een Vertigo-fan, raakt gehandicapt bij een zeer ernstig race-ongeluk. Tony Gillet ontwerpt voor hem een aangepaste Vertigo;
• 2001 : Oprichting van het Belgium Racing Team dat Gillet-Vertigo opneemt in de wedstrijdcategorie FIA -GT – 2 titels;
• 2002 : Presentatie van de Vertigo-versie voor de weg op het Autosalon in Brussel
• 2010 : 5de versie van de Vertigo;
• 2012 : Creatie en presentatie van de VDS 001-modellen voor autosport en wegverkeer.

Het internationaal erkende instituut voor digitale kunsttechnologieën Numédiart is enig in Wallonië. Al zeven jaar blinkt het uit in de bewerking van geluid, beeld, video, gebaren en biosignalen. Emotie geboren uit de ontmoeting tussen mens en machine.

Alles begon met de Mona Lisa. Hoe heeft een van de grootste artistieke referentiepunten aller tijden onze kijk op kunst veranderd? Om het antwoord op die vraag te vinden, was er eerst een groep kunstenaars nodig en een origineel idee, gebaseerd op het beeld van het beroemde Da Vinci-schilderij. Verder: researchers die gek genoeg waren om de handschoen op te nemen. En tot slot: een onderneming met de nodige competenties om aan de slag te gaan met de ideeën en de technische uitvindingen van die twee groepen.

Het project dat daarmee ontstond en dat Numédiart op de kaart zette, was ‘MorFace’, een tentoonstelling waarin de manier waarop je naar een werk kijkt opnieuw werd uitgevonden. Het was een unieke ervaring, die het publiek de kans gaf om te versmelten met het schilderij en waarbij hun eigen gezicht plotseling dat van La Gioconda verving. “Dat eerste project is het project dat we het vaakst hebben getoond. Het was ook heel typerend voor wat we wilden doen”, legt directeur van het Numédiart-instituut Thierry Dutoit uit. “Bijna 30 jaar lang hebben we aan de universiteit competenties ontwikkeld op het gebied van beeld- en woordbewerking (zoals ‘Acapela’, een bedrijf dat in 1996 werd opgericht door onderzoekers van het lab). Verder moesten we financiële middelen vinden, om steeds verder te gaan. In 2005 zijn we beginnen te praten over Bergen 2015 en kregen we het gevoel dat het interessant zou zijn onze activiteiten op te nemen in een creatiever en cultureler thema.” Met het uitmuntendheidsprogramma dat werd toegekend door het Waalse Gewest kon het onderzoekscentrum nieuwe concepten ontwikkelen en kon het focussen op specifieke competenties. Maar de bestaansreden van Numédiart is een leemte vullen met betrekking tot de onderontwikkeling van culturele en creatieve verenigingen in Europa. “Dat maakt deel uit van een dynamiek. Je moet de creativiteit van de mensen benutten. Technologie is een manier om dat te doen, maar natuurlijk niet de enige.”

Multidisciplinair

Numédiart mag dan vooral inzetten op technologische en digitale research voor culturele en artistieke creaties, het instituut trekt verschillende soorten onderzoekers aan. “Niet iedereen heeft hetzelfde profiel. Je hebt ingenieurs, informatici, kunstenaars die zich enkel richting technologie hebben ontwikkeld. Sinds tien jaar staat het lab ook open voor mensen die daar vroeger niet thuishoorden: kunstenaars, psychologen (die gedrag bestuderen via nieuwe technologische procedés), maar ook economen, die studenten de kans geven om hun research concreet te maken door een spin-off of start-up op te richten.” Het programma is heel volledig en omvat allerlei toepassingen: op economisch en artistiek gebied, maar ook maatschappelijk en medisch. Het is in dat kader dat de academie voor schone kunsten van Doornik en kunsthogeschool Arts2 in Bergen meewerken aan de verschillende programma’s.

Toch blijft ‘Créactif’ (opleidingsateliers voor studenten van de Bergense universiteit en het Henegouwse onderwijsconsortium Pôle Hainuyer) het meest betekenisvolle project dat het instituut heeft opgezet. “We leiden mensen tijdens avondateliers op in die nieuwe technologieën. Daar zijn we best trots op, want we zijn begonnen vanaf niets. Op een gegeven moment is er een soort breuk tussen wat de researchers doen in het lab en dat wat de studenten kennen. Als je daar niet uit raakt en hen dat niet uitlegt, is het heel moeilijk de studenten te boeien en ze te laten deelnemen aan de projecten, want ze zijn daar niet voor opgeleid.” De ateliers trekken steeds meer volk, wat bewijst dat het concept creativiteit introduceren in een technische en wetenschappelijk faculteit bijna vanzelf ging. “We leiden een vijftigtal mensen op voor wie creativiteit belangrijk is als onderdeel van een project; ideeënmensen, voor wie een project niet alleen relevant moet zijn wat de technische resultaten betreft, maar dat de gebruiker of toeschouwer ook doet glimlachen.”

Kunst en techniek: parallelle werelden?

Misschien ligt daar wel de magie van Numédiart: prototypes en uitvindingen tot leven brengen die diep verscholen liggen in gespecialiseerde laboratoria. “Tien jaar geleden, toen de journalisten kwamen, toonden we hen onze technologieën op de computer en ze vonden dat interessant. Maar als je diezelfde technologie nu aan kunstenaars geeft, gaan die veel meer spreken. Want ineens beseffen de mensen dan waarover het gaat. Via het kunstwerk beroert techniek de mensen.” Of je dat nu wilt of niet, de wereld van kunst en spektakel zit net als de culturele en creatieve industrie in die gigantische technologische maalstroom. “De technologie bestaat en evolueert onafgebroken. Dat gaat van een installatie in een toneelstuk tot de spektakels van Franco Dragone, met wie we samenwerken. Mensen denken altijd dat kunst iets heel menselijks is en het zonder technologie moet stellen. Technologie is echter altijd al aanwezig geweest in kunst, in alle kunsten. De technologie van een schilder heet penseel en kleurenpalet. Dat transformeren is zijn kunst. Telkens wanneer we over een technologie beschikken, kunnen we een kunst ontwikkelen die daarmee overeenstemt.” Het bewijs: de talrijke evenementen die worden opgezet rond nieuwe technieken (CitySonic, VIA…), clips en animaties waarvan onze mond openvalt, alles wat de software in onze portables kan. Kortom, technologie is overal maar ze zou zeker niet zo wijdverspreid zijn zonder artistieke creaties. “Creativiteit aanmoedigen is in de eerste plaats de sleutels aanreiken van de deuren waarachter dingen verborgen zitten die bestaan en ontdekt moeten worden. Veel mensen zouden creatief kunnen zijn, maar zijn het niet omdat ze noch de tools noch de cultuur ervoor hebben. Bij Numédiart hebben we een arsenaal van tools ontwikkeld die we proberen aan te bieden, en ook een vorm van cultuur waarvoor we veel moeite doen om die door te geven aan de studenten. Voor je nieuwe concepten ontwikkelt, moet je nieuwe deuren openen.”

www.numediart.org

 

Levenslang onderzoek

Numédiart is onderverdeeld in zes onderzoeksthema’s:
1. Hypermediasurfing via overeenkomsten in de content (bijvoorbeeld het project ‘Dancers’).
2. Interactieve performances (met draadloze sensoren waardoor je realtime bewegingen kunt meten).
3. Mechanische strijk- en tokkelinstrumentenbouw (innovatieve muziekinstrumenten ontwikkelen).
4. Monumentale projecties (beelden videoprojectie op grote 3D-constructies).
5. Registratie van bewegingen (motion capture, een bijdrage aan onder meer de creatie van een videoclip voor de groep Ghinzu of animaties voor MAMEM O).
6. Sociale interactiviteit (tools om mensen te volgen in grote ruimtes).

 
Wallonië, creatief Europees district

Wallonië heeft de oproep tot voorstellen gewonnen voor ‘European Creative Districts’ van de Europese Commissie. Uit zowat 40 dossiers afkomstig uit heel Europa werden einde 2012 slechts twee laureaten gekozen, waaronder Wallonië. De andere laureaat was Toscane. Het Waalse project, Wallonia European Creative District, zal twee en een half jaar bestrijken en heeft de ambitie om van het Creative Walloniaplan (gelanceerd in 2010) het Europese referentieplan te maken, waardoor het dus zou fungeren als ‘grootschalig voorbeeld’ voor andere regio’s.

Wallonia European Creative District gaat over het beklemtonen van het belang dat de creatieve economie heeft voor de economische transformatie van de Europese Unie. Dat doel zal worden bereikt via een strategie bestaande uit zowat 15 concrete acties die de uitwisseling tussen de CCI’s (culturele en creatieve industrieën) en de klassieke industriesectoren moeten maximaliseren, volgens een aanpak die een reële en duurzame impact kan hebben op de hele regio.

Dit Luikse bedrijf is gespecialiseerd in software-engineering voor de ruimtevaart. Een van de activiteiten is het ontwikkelen van een satelliet voor Vietnam.

De beelden van de Hubbletelescoop zetten ons aan het dromen. Zo kunnen we de zon van alle kanten bekijken. Dat levert ons allerlei inzichten op over hoe de zon evolueert en functioneert. De technologische monsters die ver boven onze hoofd rondcirkelen, verzamelen massa’s cruciale gegevens. En toch geeft maar een klein deel van alle satellieten die rond onze wereldbol draaien een beeld van de ruimte. De meeste zijn gericht op die kleine blauwe planeet van ons en brengen communicatieverbindingen tot stand of scannen op nauwkeurig voorgeprogrammeerde wijze het aardoppervlak. Want als de baan rond de aarde doorkruist wordt door een zwerm satellieten van diverse pluimage, kan dat alleen omdat het perfect wordt gecoördineerd, met precisie en meesterschap. Dat vergt specifieke knowhow. Het wordt vaak vergeten, maar de ontwikkeling en vervolmaking van de software voor de controle of navigatie van die ruimtevaartuigen zijn net zo fundamenteel als de bouw ervan. Het heeft geen zin om de allernieuwste, astronomisch dure satelliet te lanceren als het bijhorende computersysteem niet perfect is.

Sinds het ontstaan heeft het bijna 25 jaar tellende Luikse bedrijfje Spacebel een stevige reputatie opgebouwd in deze sector. Onder leiding van Thierry du Pré-Werson heeft de Waalse onderneming zich gespecialiseerd in het bestuderen, bedenken, realiseren en onderhouden van geavanceerde informaticasystemen voor de lucht- en ruimtevaartindustrie. Bovendien is het bedrijf actief in de snel groeiende markt van de microsatellieten. Het heeft namelijk een softwareplatform ontwikkeld dat de toegang tot de observatiegegevens van de aarde aanzienlijk heeft verbeterd. Spacebel heeft een omzet van ongeveer negen miljoen euro en meer dan 70 mensen in dienst in drie productiesites: Luik, Hoeilaart en Toulouse. Een firma met een bescheiden bezetting dus, maar boordevol projecten.

Europese bekendheid

“We zijn actief op het gebied van ruimtevaart en applicaties van aardobservatie. Dat betekent een heleboel verschillende klanten”, legt marketing manager Michel Gruslin uit. “Of het nu gaat om klassieke ruimtevaartagent schappen, Europese instellingen of grote luchten ruimtevaartbedrijven, door die veelheid aan profielen blijven we zelfstandig ten opzichte van de grote concerns.” Omdat Spacebel aan geen enkele overheidsorganisatie gebonden is, kan het bedrijf zijn competenties aanbieden aan verschillende klanten, zelfs als dat elkaars concurrenten zijn. “Onze oplossingen bestrijken een breed gamma van diensten om satellieten en ruimtevaartuigen te controleren. Dat houdt in dat we het geheel van operaties moeten ondersteunen dat nodig is voor een missie. Denk aan het tot stand brengen van communicatieverbindingen, de elektrische voeding, bijsturing van de baan rond de aarde… Dat is een veeleisende maar boeiende job.” En een job waaraan het Luikse bedrijf zijn reputatie te danken heeft, aangezien Spacebel behoort tot de Europese top 3 in deze hightechsector. In de afgelopen 25 jaar werden meer dan 30 ruimtemissies tot een goed einde gebracht dankzij de teams van Spacebel.

“Intussen simuleren we alle parameters in verband met de bouw van het toestel, voordat de bouw daadwerkelijk begint. Wij zijn in staat alle types modellen te simuleren, zelfs een groep van satellieten die in formatie varen.»

 

Om er zeker van te zijn dat die missies onder optimale omstandigheden kunnen verlopen, heeft de firma ook geïnvesteerd in het segment modelvorming en simulatie. Bij de ontwikkeling van een satelliet vindt een belangrijk deel van het werk plaats in cleanrooms, wat nog altijd bijzonder kostbaar en tijdrovend is. “Intussen simuleren we alle parameters in verband met de bouw van het toestel, voordat de bouw daadwerkelijk begint. Wij zijn in staat alle types modellen te simuleren, zelfs een groep van satellieten die in formatie varen. Als de constructie eenmaal klaar is, houdt ons werk niet op. Want de simulatoren blijven de ingenieurs bijstaan tijdens het werkingsproces. Dat betekent aanzienlijke tijdwinst”, verduidelijkt Michel Gruslin.

Maar zelfs wanneer al die operaties hebben plaatsgevonden, stopt het werk van Spacebel niet. “We hebben bijgedragen aan de lancering van de satellieten, aan het simuleren ervan tijdens de ontwikkelingsfase en toen ze gebruikt werden. Al die tijd hebben we het controlecentrum ondersteund dat de satellieten bestuurt. Het logische vervolg zit in één vraag: wat gebeurt er met al die informatie?” Het verzamelen van die aanzienlijke hoeveelheid gegevens is inderdaad maar de eerste stap; ze moeten ook nog gelezen en gedecodeerd kunnen worden en naar de eindgebruiker worden gestuurd. Wat bijvoorbeeld bosbouw betreft, kunnen de gebieden veel nauwkeuriger worden beheerd dan vroeger, dankzij oplossingen die het team uit Luik heeft geleverd. “Met de gegevens van verschillende toestellen kunnen we ziektes in de gaten houden, kijken hoe gezond een bepaalde teelt is en zelfs oogstcycli controleren. Elk botanisch element laat sporen na in het lichtspectrum en die kunnen we observeren vanuit de ruimte. We kunnen dus grote oppervlakken vegetatie nauwkeurig in kaart brengen.” Of in zekere zin een diagnose stellen, want uitgerekend dat wordt één van de opdrachten van de satelliet Végétation die in mei jl. werd gelanceerd (zie kaderstuk).

Hoger echelon

Spacebel beheerst alle fases bij de ondersteuning en controle van een satelliet. Het enige dat nog ontbrak was een compleet project, van A tot Z. Tot nu toe, want de onderneming heeft net een precontract gesloten voor de levering van een microsatelliet voor Vietnam. Michel Gruslin is enthousiast. “In dit geval is het echt onze opdracht om een volledig toestel te leveren met uitstekende prestatiekenmerken. Het zal een belangrijke rol spelen bij het beheer van het grondgebied, het leefmilieu en de natuurlijke hulpbronnen van het land, en met name bij de cruciale kwestie, water.” Natuurlijk verandert de Waalse onderneming nu niet van de ene dag op de andere in een groot industrieel bedrijf. Om deze nieuwe uitdaging tot een goed einde te brengen, heeft Spacebel de leiding genomen van een 100% Belgisch consortium. Dit verenigt de competenties van diverse actoren uit de sector, zoals het Vlaamse QinetiQ Space, of – dichterbij – Amos en het Centre Spatial van Luik. Met een contract dat naar schatting bijna 60 miljoen euro waard is, zal het project minstens drie jaar lang een 40-tal personen aan de slag houden. Dat wordt de eerste grote referentie voor het bedrijf als merk in dit domein. “We zijn heel trots dat we dit project mogen dragen. Het is ook de bedoeling dat het andere markten voor ons opent, waar de vraag naar dit type satellieten groot is, zoals Afrika of Latijns-Amerika.” Met evenveel sterren als berekeningen en evenveel barcodes als melkwegstelsels, grenst het universum van het onmetelijk grote voortdurend aan dat van het virtuele en het digitale, maar niet zonder een Luiks tintje.

 

Bij het ziekbed van de planeet

Sinds 7 mei 2013 is de hemel een beetje ‘Waalser’, want toen werd een satelliet in een baan rond de aarde gebracht die nauwlettend zal toezien hoe de flora op aarde evolueert. Als jongste minisatelliet uit de PROBA-familie (Project for On-Board Autonomy) van het ESA , zal PROBA-V instaan voor het opnemen van de ‘vegetatiebeelden’. Die worden al meer dan tien jaar gemaakt door instrumenten aan boord van de Franse satellieten SPOT-4 en SPOT-5, die bijna aan het einde van hun loopbaan zijn. Met een gewicht van 160 kg en een volume van minder dan 1 kubieke meter, zal dit miniobservatorium om de twee dagen een compleet beeld geven van de vegetatie op onze planeet. Met de gegevens die worden verzameld kunnen niet alleen de rijkdommen van de landbouw en de plantengroei op de hele aarde worden gevolgd, maar wordt ook een bijdrage geleverd aan de studie van de klimaatveranderingen. Als deelnemer aan dit project van QinetiQ Space, heeft Spacebel hiervoor alle software ontwikkeld. Zowel voor boordprogramma’s en controle vanaf de grond als voor simulatie. De expertise van Spacebel gaat zelfs verder dan satellieten alleen. Want het Luikse bedrijf heeft ook de software ontwikkeld voor de geleiding, navigatie en controle van Vega, de draagraket van het ESA .

 

informatie

Spacebel
Rue des Chasseurs Ardennais, 6
Liège Science Park
B-4031 Angleur
+32 (0)4 361 81 11
[email protected]
www.spacebel.com

Your opinion counts