Waw magazine

Waw magazine

Menu
  • /
  • /

Het Luikse ruimteonderzoek begon in het Institut d’Astrophysique van de ULg. De gebouwen van dat instituut stonden op een heuvel in de wijk Cointe, in een niet-openbaar park waar zich ook een observatorium uit 1881 bevindt. Het CSL, dat eruit is voortgekomen, begon zijn activiteiten in de jaren zestig, toen Europa besloot om ook mee te doen aan de wedloop om de verovering van de ruimte die al door de Sovjet-Unie (met de Spoetnik) en de Verenigde Staten (Apollo) was ingezet.


Een van de eerste missies waaraan het centrum deelnam, was de observatie van het poollicht, een destijds nog geheimzinnig verschijnsel. Een getuige van dat avontuur – het woord zegt al genoeg – is de Franse Centauresonderingsraket, waarvan de boordinstrumenten stuk voor stuk in de werkplaatsen in Cointe zijn vervaardigd en die in de hal van het CSL prijkt. “De raket is gelanceerd vanaf de basis Kiruna, in het noorden van Zweden, en had als missie om het poollicht te observeren en foto’s te maken”, zegt Nicolas Grevesse, een gepensioneerd astrofysicus die nooit uitgepraat raakt wanneer hij bezoekers rondleidt. “We hadden toen nog geen computers. De foto’s werden gemaakt met een toestel voor 24x36-filmrolletjes. Nadat de raket aan een parachute was geland, haalden we de rolletjes eruit en lieten we ze snel ontwikkelen.

Planck en Herschel getest in Luik

De hal van het CSL is een waar museumpje, dat in het kort de geschiedenis van het Europese ruimteonderzoek vertelt en ook de deelname van het Luikse centrum aan de verschillende projecten belicht. Aan de ene kant vind je de Giotto-sonde, die voor het eerst de kern van een komeet fotografeerde. Dat was in 1986, toen Halley de aarde passeerde. Aan de andere kant zie je de Hubbleruimtetelescoop, die in 1990 door het ruimteveer Discovery werd gelanceerd en nog steeds in bedrijf is. Verderop bevindt zich de – ook nog steeds in bedrijf zijnde – SoHo-ruimtesonde, die in 1995 in een baan om de aarde werd gebracht om de uv-straling van de zon te observeren. En naast elkaar in dezelfde vitrine staan de Planck- en Herschel-satellieten, die in 2009 met een gemeenschappelijk doel door de Ariane 5 werden gelanceerd: zo veel mogelijk gegevens verzamelen over de eerste structuren van het heelal.

Het CSL moest de Plancksatelliet vlak voor de lancering bijna tien maanden lang testen. Een andere opdracht was het testen van de Herschel-telescoop, die met zijn diameter van 3,5 meter de grootste telescoop was die men ooit in de ruimte had gebracht”, legt Nicolas Grevesse uit. “Die twee satellieten moesten operationeel zijn bij zeer lage temperaturen, dicht bij het absolute nulpunt van -273,15 °C. Maar terwijl Planck in een bestaande tank van 5 meter doorsnee getest kon worden, moesten we voor Herschel een nieuwe tank van 6,5 meter bouwen. We hebben ze allebei in onze schone ruimtes ondergebracht. Die heten zo, omdat ze vanwege de bijzondere stofgevoeligheid van de optische instrumenten ongeveer 500 keer zo schoon moeten zijn als het interieur van een woning! En de uitvoering van de tests gebeurt vanuit controlekamers met grote ramen boven deze ruimtes.

Warm en koud rond Jupiter 

Het is duidelijk dat je deze ruimtes niet zomaar kunt betreden, maar eerst van top tot teen ingepakt moet zijn. Soms is het niet de kou waartegen de instrumenten beschermd moeten worden. Voor de Solar Orbiter-missie bijvoorbeeld, die de zon 3,5 keer zo dicht zal benaderen als vanaf de aarde mogelijk is, moest het CSL niet alleen de EUI bouwen, maar het instrument ook omgeven met een thermisch schild waardoor het temperaturen tot 80 °C kan verdragen.

De lancering staat voor eind 2018 gepland”, legt de astrofysicus uit. “Het is een van de eerste missies van het Cosmic Vision-ruimteprogramma van de ESA, dat tot 2030 loopt. Het CSL neemt deel aan al die missies, hetzij om de instrumenten te bouwen, hetzij om ze te testen. Zo testen we momenteel de zonnepanelen die worden toegepast in een sonde die in 2022 wordt gelanceerd in het kader van de Juice-missie om de satellieten van Jupiter te bestuderen. Die sonde zal in 2030 op zijn bestemming aankomen en de zonnepanelen worden dan blootgesteld aan grote temperatuurverschillen, van ongeveer -230 °C tot +110 °C.

Aladin voor betere weersvoorspellingen

Een andere satelliet waar deze zomer over werd gesproken bij het CSL, is Aeolus, die met zijn Aladin-telescoop op 320 kilometer van de aarde in omloop wordt gebracht om zeer nauwkeurige en directe informatie over de winden te leveren. Deze satelliet bevond zich net in een schone ruimte, waar hij zwaar op de proef gesteld zou worden in een vacuümtank van 5 meter doorsnee.

De superkrachtige lasers waarover de telescoop beschikt, bestoken de atmosfeer tot 30 kilometer hoogte en een uiterst klein gedeelte – een miljoenste van een miljardste – van het op die manier verzonden licht wordt weer door de telescoop opgevangen nadat het door contact met de stofdeeltjes in de wolken is verstrooid. Op basis van de tijd die het licht nodig heeft om heen en weer te gaan, kunnen we de afstand berekenen en door via het dopplereffect de frequentieverschuiving te meten, kunnen we de snelheid van de winden bepalen.” Het doel is natuurlijk om de weersvoorspellingen te verbeteren, wat iedereen op prijs zal stellen. Deze gegevens vullen de informatie aan die door de Metoppoolsatellieten en de Europese Meteosat-satellieten wordt verzameld. Met deze geostationaire satellieten kan een bepaald deel van de aarde voortdurend geobserveerd worden. “Om voorspellingen te doen, laat men wereldwijd nog steeds 1200 tot 1300 weerballonnen per dag op. Die zijn namelijk minder duur”, legt Nicolas Grevesse uit. “Stel je eens voor hoeveel tijd dat kost! Met Aeolus, waarvan de informatie direct aan het analysecentrum voor Europese meteorologische waarnemingen wordt doorgegeven, hebben die ballonnen nauwelijks nog een bestaansreden. En al die apparatuur wordt bij het CSL getest.” 


ULG — TWEE MASTERS EN OUFTI-SATELLIETEN IN LUIK


Toen de Universiteit van Luik (ULg) precies 200 jaar geleden werd geopend, stond er al een leergang astronomie op het programma. De liefdesgeschiedenis tussen Luik en de ruimte is dus niet van gisteren. Tegenwoordig zet de ULg zich meer dan ooit in om jongeren op te leiden die ons universum willen bestuderen en beter willen begrijpen. Zo biedt deze instelling zowel een master in de lucht- en ruimtevaart voor toekomstige ingenieurs als een master in de ruimtewetenschappen voor natuurkundigen aan.

De Universiteit van Luik is de enige instelling in België die deze twee masters onder één dak aanbiedt”, legt universitair en wetenschappelijk directeur Serge Habraken uit. “De twee beroepen waar ze toe leiden, vullen elkaar aan. Wanneer de ESA een ruimtemissie op touw zet, wordt deze op wetenschappelijke basis gedefinieerd, dat wil zeggen opgedragen aan de astrofysici die een bepaald verschijnsel proberen te bestuderen en behoefte hebben aan bepaalde soorten instrumenten. Vervolgens is het de taak van de ingenieurs om hun dromen te vertalen en die instrumenten te ontwerpen en bouwen. Wanneer de instrumenten operationeel zijn, worden ze aan de astrofysici geleverd. Die zijn dus in het begin en aan het einde erbij betrokken, terwijl de ingenieurs zich met de ontbrekende schakel bezighouden.

In het Engels

De master in de ruimtewetenschappen die pas een jaar of tien door de ULg wordt aangeboden, is uniek binnen de Federatie Wallonië-Brussel. De opleiding bestaat uit meerdere richtingen (bv. kosmologie, astronomie, planetologie, oceanografie) om de studenten in staat te stellen specifieke vaardigheden op al deze gebieden te verwerven. Dit onderwijs wordt aangevuld met een praktische opleiding: waarnemingen door middel van telescopen (in Luik of in het buitenland), verwerking van wetenschappelijke gegevens door middel van specifieke software en laboratoriumwerk (bijvoorbeeld op het gebied van optica). “Net als de master in de lucht- en ruimtevaart wordt deze master in het Engels gegeven, zodat de Belgische studenten hun kennis in deze taal kunnen verbeteren. Bovendien zetten we daarmee de deur open voor buitenlandse studenten”, legt de directeur uit. “Deze opleiding wordt door slechts zes tot zeven studenten per jaar gevolgd. Maar jongeren die dit diploma op zak hebben, vinden heel snel werk, meestal in de academische wereld als universitair docent of FNRSonderzoeker, maar ook in observatoria en onderzoekscentra in België of in het buitenland (bv. ESA, NASA).

Het bestaan van een lokale omgeving waar mensen een baan kunnen vinden, is een voordeel om studenten aan te trekken”, zegt Christelle Bertrand, die niet alleen zinspeelt op de ondernemingen die in het wetenschapspark van Sart Tilman zijn gevestigd, zoals Amos, Spacebel en Deltatec, maar ook op andere bedrijven, zoals Safran Aero Boosters en Thales Alenia Space. “Vanwege die sterk groeiende ondernemingen heeft onze economische structuur een goede reputatie in Europa. En door de recente ontdekking van exoplaneten hebben de onderzoekers van de ULg waardering gekregen voor hun werk. Dat is ook heel positief.

© S3L@ULiège
Ach, wat is die satelliet klein.

Oufti-2 en 3

Als afstudeerproject krijgen de toekomstige ingenieurs of astrofysici diverse onderwerpen aangereikt, zoals de terugkeer in de atmosfeer, de bestudering van omloop banen en het ontwerp van nanosatellieten (of Cubesats). Deze wegen minder dan 10 kilo, zodat universiteiten tegenwoordig hun eigen ruimtevaartuigen kunnen ontwikkelen en lanceren. Zo herinnert men zich in Franstalig België nog wel Oufti-1, die in mei 2016 werd gelanceerd en als doel had om een telecommunicatieprotocol voor radioamateurs te testen. Na twaalf dagen werd het contact helaas verbroken. “De satelliet is onbruikbaar maar niet vernietigd. We nemen namelijk nog een bakensignaal waar, wat bewijst dat de satelliet nog steeds zijn baan doorloopt”, legt Serge Habraken uit. “Oufti-1 maakte deel uit van het Fly Your Satellite-programma (FYS) van de ESA en kon daardoor in Kourou gelanceerd worden. De satelliet was opgenomen in een tijdschema, zodat we ons aan bepaalde deadlines moesten houden. De lanceringen worden gereserveerd door grote spelers, voor grote satellieten. De kleine spelers moeten op een rijdende trein springen en hebben dus niet altijd de tijd om hun producten te verfijnen. Maar afgezien van het onderwijsdoel wilden we de studenten hoofdzakelijk een praktijkoefening laten doen.

En de nieuwe oefeningen lijken op de vorige. Professor Jacques Verly, die het project leidt, richt zich al op het ontwerp van de Cubesat Oufti-2 met een nieuw team van studenten, ingenieurs en informatici van de ULg. Het doel is om de missie van zijn voorganger te verlengen door de nodige correcties aan te brengen. De nanosatelliet zou uiterlijk begin 2018 klaar moeten zijn voor de ruimte. “Daarna is het de beurt aan Oufti-3”, kondigt de directeur aan. “Die zal als missie hebben om de aarde te observeren met een infraroodcamera.

  • /
  • /

Het Centre Spatial de Liège komt voort uit het Institut d’Astrophysique et de Géophysique van de Universiteit van Luik. Het is vermaard om zijn deskundigheid op het gebied van omgevingstests en als expertisecentrum voor optica. Een groot deel van zijn activiteiten heeft betrekking op projecten voor de Europese Ruimtevaartorganisatie.


Het Centre Spatial de Liège (CSL), dat in 1964 werd opgericht door de vakgroep ruimtevaart van het Institut d’Astrophysique et de Géophysique van de Universiteit van Luik (ULg), is vlak bij de ULg gevestigd in het Parc Scientifique du Sart-Tilman (Liège Science Park), maar zijn uitstraling reikt verder dan alleen Luik en de Maas- en Ourthevallei. Dit onderzoekscentrum, dat ongeveer honderd medewerkers heeft en dit jaar op een omzet van 17 miljoen mikt, is vanouds het boegbeeld van de Belgische ruimtevaartsector en veel buurlanden zijn er jaloers op. Niet alleen om het werk van zijn onderzoekers, maar ook om de deskundigheid van zijn ingenieurs en technici, door wie de Europese Ruimtevaartorganisatie (ESA) regelmatig haar instrumenten en satellieten laat testen. Zo was het CSL net klaar met de technologische ontwikkeling van de Extreme Ultraviolet Imager (EUI), een instrument dat beelden van de corona gaat leveren voor de Europese Solar Orbiter-missie, toen op 1 juni de Aeolus-satelliet met zijn Aladin-telescoop aankwam om een hele reeks omgevingskwalificatietests te ondergaan (zie hierna).

Christelle Bertrand
Algemeen Directeur van het CSL

Partners van wereldfaam 

Zeventig procent van onze activiteiten heeft betrekking op projecten die voor de ESA zijn bestemd”, bevestigt Christelle Bertrand, algemeen directeur van het CSL. “Die projecten zijn onderdeel van een wetenschappelijk of industrieel consortium dat ons opdracht geeft om een deelsysteem op het gebied van ruimtevaartinstrumenten te leveren. Daarnaast houdt 20% van onze activiteiten verband met onderzoeksovereenkomsten, bijvoorbeeld binnen de Skywin- of MecaTechconcurrentiecluster, waarvoor het CSL samenwerkt met partners uit het bedrijfsleven. We gebruiken onze deskundigheid dan om technologische kennis op ruimtevaartgebied over te dragen aan een ander gebied. Tot slot werkt het CSL in 10% van de gevallen als onderaannemer van een industrieel bedrijf, bijvoorbeeld op verzoek van andere internationale organisaties.” Verschillende van die industriële bedrijven, die om beurten klanten, leveranciers of partners van het CSL kunnen zijn, zijn ook in Sart-Tilman gevestigd, zoals Deltatec (boordapparatuur, detectors) en Spacebel (vluchtsoftware voor satellieten). 

Optische prestaties als hart van het centrum

Het is natuurlijk een sterk punt als je met partners van wereldfaam kunt werken”, verzekert Christelle Bertrand, die benadrukt dat België met een jaarlijks budget van € 206 miljoen altijd een grote bijdrage aan de ESA-projecten heeft geleverd. “Maar dat de ESA zo vaak een beroep doet op het CSL, komt grotendeels door de kwaliteit van zijn apparatuur. We hebben namelijk een grote reputatie als expertisecentrum voor optica. Dat verlangen om nuttige ladingen met het oog op de optische of elektronische prestaties te testen, is verankerd in het DNA van het CSL. Dat is het hart van ons centrum. We danken onze reputatie in de eerste plaats aan ons vermogen om instrumenten als een systeem te benaderen. Verder hebben we in de loop der jaren ook de nodige deskundigheid op het gebied van omgevingstests ontwikkeld dankzij onze vacuümtanks. Ze zijn niet geschikt om satellieten te testen omdat ze daarvoor niet de juiste afmetingen hebben, maar ze zijn allemaal uitgerust met optiekbanken die de stabiliteit van de instrumenten garanderen. Dat is een voordeel ten opzichte van de concurrentie, want er zijn momenteel maar vijf testcentra in Europa die de omstandigheden in de ruimte kunnen nabootsen.

 © Centre Spatial de Liège
Met vacuümkuipen kan het CSL, in omgevingsomstandigheden zoals in de ruimte, instrumenten en satellieten zoals Planck en Herschel testen (hieronder een artistieke impressie).

Almaar toenemende concurrentie

De concurrentie is echter duidelijk aanwezig en neemt zelfs toe, zowel in de ruimtevaartsector als in tal van andere sectoren. En dat heeft onvermijdelijk gevolgen voor het marktaandeel. “De prijzenoorlog is tegenwoordig heel fel”, bevestigt Christelle Bertrand. “We moeten erg ons best doen om concurrerend te blijven. Maar we kunnen de prijzen van onze diensten niet te veel verlagen, omdat onze marges dan worden aangetast. Daardoor zouden we in de problemen komen, want hoewel het CSL voortkomt uit de universiteit, wordt het geleid als een profitcenter. Met uitzondering van onze universitair en wetenschappelijk directeur worden alle personeelsleden betaald dankzij externe financiering. We moeten ons dus reorganiseren en kritisch naar onze werkmethoden kijken om concurrerend te blijven, terwijl we de mogelijkheid behouden om onze investeringen te financieren en onze talenten te ontwikkelen.

Het CSL moet vooral de markt volgen, die grote nieuwe kansen biedt. Hoewel de aardobservatie bijvoorbeeld lang als voornaamste doel had om gegevens voor wetenschappelijk gebruik te verzamelen, worden alle actieve krachten in de sector nu gemotiveerd door commerciële belangen, zoals dat na de Tweede Wereldoorlog het geval was toen de verovering van de ruimte begon. 

Op weg naar de commercialisering van de ruimte

Het CSL opereert niet meer in dezelfde omgeving als in het begin van de jaren zestig”, legt Christelle Bertrand uit. “In die tijd, toen de financieringen institutioneel waren, moest je laten zien dat je aan de technologische en wetenschappelijke wedloop deelnam. Tegenwoordig moet je op tijd een product met de juiste kostprijs leveren en niet noodzakelijkerwijs een technologisch hoogstandje. Je kunt steeds gemakkelijker toegang tot de ruimte krijgen en micro- of nanosatellieten lanceren. De projecten, die profiteren van particuliere investeringen, hebben een ander doel, bijvoorbeeld export. De opkomende landen, die nu vechten om aan de ruimtewedloop mee te doen, zijn het landschap aan het veranderen. Dat is de nieuwe omgeving die zich aftekent en waarin het CSL een onmisbare positie moet zien te behouden. In die sterk concurrerende omgeving moeten we niet alleen in staat zijn om de wetenschappelijke wereld van dienst te zijn, maar ook kunnen inspelen op een commercielere toepassing van de ruimte. Terwijl de budgets van instellingen en overheden worden ingekrompen, moet het CSL op meer commerciële financieringen mikken.” Het is dus belangrijk om de ogen goed open te houden. Maar dat moet kinderspel zijn voor een centrum dat gespecialiseerd is in optica!

 

Het is dikwijls in het verleden dat men bronnen van creativiteit vindt, wanneer de verbeeldingskracht de innovatiefase overslaat en direct naar pure uitvinding gaat. Wedijver is slechts mogelijk in een omgeving die tegelijk vrij en stimulerend is, alsook optimistisch en begeesterend. Allemaal argumenten die men tot hun recht moet doen komen  om de uitdagingen van de toekomst aan te gaan. 


Luik, waar al in de middeleeuwen de wieg van de metaalindustrie stond, was in de 18e eeuw een centrum van verfijnde uurwerkmechaniek. De productie van vuurwapens van allerlei kaliber, van de kleinste handwapens tot het grootste artilleriestuk, was een van de verworvenheden van de eeuwenoude metaalbewerking. Juweliers leefden logischerwijze samen met de makers van wereldberoemde precieze meetinstrumenten. Uurwerkmakers behoorden tot die Luikse experten, die konden wedijveren met Parijs en Genève. Het was in die bloeiende nijverheid dat Hubert Sarton op 3 november 1748 in Luik geboren werd. Zijn opleiding tot uurwerkmaker had hij de danken aan zijn oom, Dieudonné Sarton. In 1768 ging Sarton naar Parijs om er zijn vorming te voltooien. Daarna werkte hij voor Pierre Le Roy, de oudste zoon van Julien Le Roy, de leverancier van uurwerken aan het hof van Lodewijk Louis XVI. Nadat hij op 24-jarige leeftijd de titel van meester-uurwerkmaker had behaald, keerde hij in 1772 terug naar Luik, waar hij zich vestigde. Zoals blijkt uit een brevet dat op 23 december 1778 werd ingediend en geregistreerd bij de Franse Academie voor Wetenschappen, vond hij het automatische uurwerk met rotor uit.

Een gedenkplaat siert de gevel van het huis dat Hubert Sarton bewoonde op de hoek van de place de la République française en de rue de la Wache. Maar er is in Luik geen ‘rue Hubert Sarton’ ter herinnering aan deze uitvinder, die een reeks memo’s en verhandelingen naliet over het bouwen van machines voor steenkoolwinning en over windmolens en hydraulische toestellen voor het droogmalen van Hollandse polders. Rennequin Sualem (1645-1708), een andere ontwerper, is niet veraf. 

Van metaalbewerking naar kunstambachten 

Luik, dat op de grens van de Romaanse en de Germaanse wereld ligt, heeft aan zijn bewogen geschiedenis een op zijn minst “rendabele” industrie overgehouden, namelijk de wapenproductie. Dat verklaart waarom de Maasstad uitpuilde van wapenwerkplaatsen maar die na de pacificatie van het oude continent één na één gaan verdwijnen. Aan het begin van de 20e eeuw telde de streek van Luik 200 wapenfabrikanten. De in 1865 opgericht firma Lebeau-Courally komt direct uit die erfenis voort. Dat kunstatelier is een van de allerlaatste dat wereldwijd toonaangevend is voor jachtwapens. Het wortelt in de eeuwenoude traditie van metaalbewerkers die juweliers werden. En waarom niet, eigenlijk? De kwaliteit en de afwerking van die Luikse luxewapens met hun etsen op staal doen de grote huizen aan de place Vendôme verbleken.

Die uitzonderlijke kunst wordt nog onderwezen aan de wapenschool Léon Mignon, die generaties van wereldwijd befaamde etsers en technici aflevert. Zelfs de grootste juweliers zouden niet graag zien dat die Luikse ambachtslieden zich aan de productie van luxejuwelen zouden wagen.

Verantwoording

In de zomer van 2013 publiceerde WAW-magazine een dossier van 16 bladzijden over het erfgoed van de middeleeuwse kunstsmeden in de Maasstreek uit de 12e en 13e eeuw. Dit was zeker historisch verantwoord. En wanneer men vanuit dat erfgoed de lijn doortrekt naar de tijd van Hubert Sarton en de uitmuntendheid van de ambachtelijke wapenmakers, komen we terecht bij de verzameling uurwerken van Lebeau-Courally.

In 2010 is dat merk immers luxe-uurwerken en verfijnde koffers en tassen gaan maken. De uurwerken van Lebeau-Courally worden echter niet in Luik gemonteerd, maar in Le Locle, in de Zwitserse Jura, te midden van de beroemdste uurwerkmakers ter wereld. Maar elk uurwerk draagt onmiskenbaar een Luikse toets met enkele kenmerkende details. Het sierelement op 9 uur, dat het reeksnummer van het uurwerk bevat, verwijst duidelijk naar de geweersleutel of veiligheidspal. Op de wijzerplaat ziet men ook het typische raster dat men terugvindt op de kolf van elk geweer van Lebeau-Courally.

De verzameling

De naam van elk uurwerkmodel is die van een jachtgeweer uit de verzameling van Lebeau-Courally – de baron, de graaf, de markies, de kroonprins, de aartshertog… – en er bestaan zeer geraffineerde technische varianten van. De commerciële evolutie die de Zwitserse uurwerkmakers de voorbije 50 jaar doormaakten, heeft die industrie gedwongen tot technische en esthetische prestaties waaraan vervalsers en namakers niet kunnen tippen. Imitatiehorloges zijn belachelijk geworden. Enkel technische en esthetische creativiteit maakt het verschil. Dat geldt trouwens ook voor de meeste van onze industriële activiteiten. 

LièGenève

Die poëtische legering zou een geslaagde evocatie kunnen zijn van die twee sterk verschillende steden, die toch met elkaar verbonden zijn door uitzonderlijke kunstambachten. Het Luikse email uit de rue Lulay des Febvres zou prachtig kunnen worden ingelegd in een uurwerkenverzameling als aandenken aan de middeleeuwse kunstenaars uit de Maasstreek en op die manier aan Luik een dankbaar en flatterend internationaal imago schenken. De band met de schatten die men tussen Wezet en Doornik vindt, zou dat erfgoed een plaats geven tussen de internationale pronkstukken uit de kunstgeschiedenis. Dat is al bijna het geval voor het reliekschrijn van de heilige Maurus dat voor de abdij van Florennes werd ontworpen, maar dat zich nu in Tsjechië bevindt, en voor de triptiek van Stavelot in de Morgan Library in New York. Het “Institut du Patrimoine wallon” (Waals Erfgoedinstituut) zou dan over ongezien en flatterende promotiematerieel kunnen beschikken.

In 2008 werd het huis Lebeau-Courally overgenomen door Joris Ide, een belangrijke Vlaamse industrieel. Maar het is Anne-Marie Moeremans die in Luik het atelier leidt en instaat voor de externe contacten. De eigenaars van Lebeau-Courally verwierven eind 2014 de prestigieuze uurwerk- en mechanismefabriek IMH in Le Locle. Die maakt tegenwoordig de meest luxueuze Zwitserse uurwerken en biedt onderdak aan 40 verschillende traditionele ambachten.

De uurwerk- en wapenfirma Lebeau-Courally Genève NV is gevestigd aan de rue de la Corraterie in Genève en haar zusteronderneming bevindt zich aan de rue Saint-Gilles, op de hoogten van Luik. Door die diversifiëring kan men de erfenis van de metaalbewerking in de Maasstreek zorgvuldig bewaren en ook andere producten van die zin voor uitmuntendheid doen profiteren.

De zaak is in kannen en kruiken

Een lederwarenlijn van Lebeau-Courally wordt gefabriceerd door de oude lederwarenfabriek Guene, in Vauxsous-Aubigny in de Haute-Marne. Die fabriek van hoogwaardige handtassen werd door Joris Ide overgenomen onder de naam Dijon Maroquinerie. Door die eigenheid te behouden, wordt de band gelegd tussen de wapenfirma Lebeau-Courally in Luik, de Zwitserse firma IMH in Le Locle en de lijn van esthetische merklederwaren die de geest van de Luikse metaalbewerkingskunst uitstraalt.

Voor de 2e uitgave van Un Chef belge à Tanger, Belgisch-Marokkaanse B2B-ontmoetingen rond een galadiner, zal sterrenchef Laury Zioui het festijn verzorgen, tot groot genoegen van de vele deelnemers, onder wie de Ateliers François, een Luiks familiebedrijf dat in 1870 werd opgericht. 


Het was onderneemster Yesmina Hantout (Yes4events) die, met de steun van het Waalse agentschap voor Export en Buitenlandse Investeringen (AWEX), van Brussels Invest en van de Belgisch-Luxemburgse Kamer van Koophandel in Marokko (CCBLM), het initiatief had genomen voor de eerste uitgave van Un Chef Belge à Tanger, in november 2016. De tweede uitgave gaat dit jaar door van 18 tot 20 oktober. De zakelijke bijeenkomst die in de grote havenstad van Noord-Marokko wordt georganiseerd, heeft “business opportuniteiten” als thema.  

Op het programma staan een voorstelling van de ondernemingen in de Kamer van Koophandel, Industrie en Dienstverlening van Tanger, alsook ontmoetingen tussen de verschillende particuliere en openbare economische spelers van Tanger en hun Belgische tegenhangers. Zo kunnen ondernemers en investeerders van gedachten wisselen. Het orgelpunt is het galadiner dat wordt bereid door de BelgischMarokkaanse sterrenchef Laury Zioui.


LAURY ZIOUI CHEF VAN L’ÉVEIL DES SENS

Nadia en Laury Zioui dachten helemaal niet dat ze in de horecasector zouden gaan werken, en toch... Laury kwam op 16jarige leeftijd in België aan om hier voor elektricien te studeren. Om wat geld te verdienen, ging hij de afwas doen in een restaurant. Van het een kwam al vlug het ander en de enthousiaste jongeman maakte snel vorderingen. In april 2001 kocht het paar een gebouw in Montigny-le-Tilleul om er “L’Éveil des Sens” te openen. Amper negen maanden later kreeg het restaurant al zijn ster in de beroemde Michelingids! Laury, nu een sterrenchef in zijn restaurant aan de zijde van zijn echtgenote, die wijnkelnerin is, blijft er ook vandaag nog van overtuigd dat de Belgische keuken helemaal niet hoeft onder te doen voor de internationale en dat ze een verplaatsing dubbel en dik waard is. Naar aanleiding deze tweede uitgave van Un Chef belge à Tanger reist de Belgisch-Marokkaanse chef naar Marokko. “Het is dankzij een gemeenschappelijke neef dat we Yesmina Hantout hebben ontmoet”, vertelt Nadia Zioui. “Laury is heel opgetogen omdat hij aan dat evenement kan deelnemen. Hij kent Tanger niet en verheugt er zich al op dat hij naar de markten zal kunnen gaan om er kennis te maken met de plaatselijke producten en de mensen te ontmoeten”, legt ze verder uit. Koken is een droom, het heeft iets magisch.

Rue de la Station 105 
B-6110 Montigny-le-Tilleul 
+32 71 31 96 92 
www.l-eveildessens.be


DE ATELIERS FRANÇOIS

Dit familiebedrijf van vader op zoon stelt een 400tal medewerkers tewerk, die onder de leiding van Hugues Rolin staan. Het bedrijf is aanwezig in 137 landen en staat wereldwijd bekend voor zijn hoge en lagedrukcompressoren met droge perslucht en zonder olie. Alles begint in 1870, toen er in Luik een besloten vennootschap werd opgericht voor de productie van persluchthamers voor het bouwen van tunnels en gangen in de plaatselijke steenkoolmijnen. In 1900 maakt het bedrijf alternatieve compressoren voor de steenkoolnijverheid. Tijdens de volgende decennia blijft de firma zware compressoren ontwikkelen, meer bepaald voor de metaalindustrie. Na 1950 wordt Ateliers François een naamloze vennootschap die zijn export wil bevorderen en ook in het buitenland handel wil drijven.

De PET-explosie

Aan het einde van de jaren ’60 wordt er een nieuw compressorengamma ontwikkeld, zonder smering en met PTFE-segmenten (van teflon). Die machines worden gebruikt in brouwerijen, in glasfabrieken en in de chemie en petrochemie, alsook in de metaal en de voedingsnijverheid. Twintig jaar later verschijnt de eerste compressor van 40 bar met een olievrije zuiger (of zonder smering) voor het blazen van PET-flessen. Het bouwen van dat soort machines is momenteel de voornaamste en haast enige activiteit van de Ateliers François, waarvan ook de naam werd veranderd om beter bij de moderne geglobaliseerde wereld te passen. Het bedrijf heet nu “AF Compressors”.

Sinds de jaren ’80 hebben de PET-flessen zeer veel sectoren veroverd: mineraal water en koolzuurhoudende dranken, fruitsap, tafelolie en bier, maar ook azijn, soms wijn, sauzen en specerijen en zelfs vloeibare zeep, geneesmiddelen en parfums. De productie van PETcompressoren van AF met zuigers zonder smering dient haast uitsluitend voor het fabriceren van PET-flessen.

Ook vandaag ontwikkelt AF zijn dienstverlening en onderhoudswerk ter plaatse door middel van wereldwijd verspreide filialen en steunpunten, meer bepaald in Europa, Rusland, China, het Midden-Oosten, Afrika, Indië, Noord en Latijns-Amerika, Zuidoost-Azië en Australië. Veel bedrijfsleiders maken zich al heel wat jaren zorgen over de klimaatverandering.

Veel firma’s willen hun CO2-uitstoot zoveel mogelijk verminderen. Ook vandaag moet elke beheerder het energieverbruik in de productieomgeving van zijn bedrijf verminderen, terwijl haast 10% van de energie in de industrie voor het aanmaken van perslucht dient. Het zoeken naar veilige en energiezuinige persluchtsystemen is dus een echte uitdaging. Er bestaan weinig technologische wisseloplossingen voor olievrije persluchtdistributie. Toch bieden de Ateliers François bedrijfszekere oplossingen aan.

Energie besparen

Op 20 oktober 2017 zal de onderneming een studiedag organiseren in de Kamer van Koophandel van Tanger. Daardoor wil ze de gebruikers van olievrije perslucht een nieuwe visie geven en uitleggen hoe ze minstens 16,5% energie kunnen besparen! De firma zal zich richten tot een publiek dat bestaat uit energiebeheerders, technische directeurs en verantwoordelijken van de ondernemingen die deelnemen aan het door Yesmina Hantout georganiseerde evenement.

Tanger is het tweede economisch centrum van Marokko en heeft talrijke troeven in handen, zoals zijn nieuwe haven, een vrije zone, het containervervoer Tanger Med, een automobielindustrie die in volle ontwikkeling verkeert en een bouwsector die zich voortdurend uitbreidt. Voor de Ateliers François biedt een evenement zoals Un Chef belge à Tanger uitstekende kansen om zich bekend te maken bij de officiële autoriteiten van Tanger, maar ook om economische operatoren te ontmoeten, die dicht bij hun beroepsactiviteiten staan.

www.afcompressors.com

 

De kunstbiënnale EUROPALIA nodigt sinds 1969 uit om de kunst en cultuur van een land te ontdekken. Na Turkije in 2016 is Indonesië aan de beurt om zijn cultuurschatten via allerlei disciplines en op diverse locaties te onthullen. Een van die locaties is La Boverie in Luik, waar de hoofdexpositie van het jaar, Archipel, te zien is.

 

De zee maakt handelsverkeer maar ook culturele uitwisseling mogelijk. In de 5de en 6de eeuw begint een periode van indianisering, een proces waarbij bepaalde volkeren op het vasteland en de eilanden van Zuidoost-Azië het schrift en soms ook de taal en religie van India overnemen en aanpassen. In Indonesië zijn de kuststreken de eerste gebieden waar dit gebeurt. Het Pallava-schrift verbreidt zich net als het hindoeïsme, dat gaandeweg concurrentie ondervindt door de komst van het boeddhisme.

Staande Boeddha, 7de-8ste eeuw, brons © Musée national d’Indonésie


Indonesië is een gebied waar culturen elkaar ontmoeten. De archipel is namelijk altijd een van de belangrijkste kruispunten van de wereldhandel geweest. Na de Austronesische prauwen, de Arabische dhows, de Chinese jonken, de Portugese karvelen en de spiegelretourschepen van de Vereenigde Oostindische Compagnie leggen er nu containerschepen en olietankers aan.

De geschiedenis van deze archipel wordt gekenmerkt door ontelbare banden en connecties. Invloeden van dichtbij en veraf komen met elkaar in aanraking en concurreren met elkaar in een omgeving die overal door de zee wordt beheerst. In plaats van afstand te scheppen, brengt de zee mensen bijeen en wegens de moessons hebben buitenlandse kooplieden, geestelijken en diplomaten hier verplicht halt gehouden.

Hun aanwezigheid heeft sporen nagelaten in de mythen, monumenten, kunst en tradities van het hedendaagse Indonesië. Rijke en complexe samenlevingen hebben deze externe invloeden op elkaar gelegd, vermengd en opnieuw geïnterpreteerd. Daardoor zijn verschillende werelden ontstaan, die fijn gekleurd en bewerkt zijn door hun verhouding tot de zee. Deze expositie nodigt ons uit om kennis te maken met die werelden. De zee dient daarbij als verbindende schakel en een uitzonderlijke collectie belangrijke werken laat ons de geschiedenis van het land ontdekken en bewonderen.

De werken zijn grotendeels afkomstig uit het Nationaal Museum van Indonesië. Het gaat om uitzonderlijke nationale schatten, waarvan sommige voor het eerst buiten Indonesië te zien zijn. Ze worden aangevuld met zelden tentoongestelde voorwerpen uit het Koninklijk Museum van Mariemont en het Musée de la Marine in Parijs en uit privécollecties.

Ter gelegenheid van deze expositie wordt volgens de voorouderlijke methode van de aan elkaar genaaide planken een traditionele boot op ware grootte gebouwd door timmerlieden uit Makassar.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Ganesha is de god van de wijsheid, de intelligentie, het onderwijs en de voorzichtigheid en de beschermer van scholen en kenniswerkers. Ganesha, herkenbaar aan zijn olifantskop, is waarschijnlijk de meest vereerde god in India, met een uitstraling die het hele Indische subcontinent en Azië in het algemeen omvat. Hij is de zoon van Shiva en Parvati, de echtgenoot van siddhi (het succes), buddhi (het intellect) en riddhi (de rijkdom).

INLICHTINGEN

La Boverie
Van 25 oktober 2017 t/m 21 januari 2018
Dinsdag t/m zondag van 10 tot 18 uur
Parc de la Boverie 3 – B-4020 Luik
+32 4 238 55 01 / [email protected]

Rondleidingen: max. 15 personen
+32 4 221 93 02 ou [email protected]

www.laboverie.com

ALLE ACTIVITEITEN
EN EVENEMENTEN
VAN EUROPALIA
INDONESIË

www.europalia.eu

  • /

Yves Dejardin is een onvervalst kunstenaar. De Luikse “artisan designer” dwingt respect af. Hij zegde zijn vaste baan gedag om te proberen van zijn creaties te leven. Hij is een autodidact: de door hem ontworpen lampen en andere objecten zijn het product van zijn passie, die inmiddels is uitgegroeid tot een voltijdsactiviteit.

 

Yves Dejardin komt uit een kunstenaarsgezin. Hij is opgegroeid in een zeer creatieve omgeving en heeft altijd behoefte gevoeld aan zelfexpressie. “Mijn ouders hebben elkaar op de kunstacademie ontmoet. Mijn vader gaf er les en werd later directeur, mijn moeder was studente. Ze schilderde. Ze is veel te vroeg overleden – ik was zelf nog jong – en dat heeft sporen nagelaten. Vanaf mijn 23ste heb ik een moeilijke periode doorgemaakt, maar vandaag voel ik me sterker.” Yves Dejardin studeerde aan de kunstacademie, maar onderbrak die studie uit eigen beweging. “Ik wilde mijn eigen brood verdienen, zo snel mogelijk en liefst in een stabiel kader. Ik was niet bang voor de toekomst. Ik werkte hard, maar dat gaf me geen echte voldoening.” Hij beheerste meerdere kunstvormen en -technieken, maar pas na een reeks jobs zag hij in dat hij was geboren om zelfstandig te werken, levend van zijn creaties.

Art Maker

Yves Dejardin leefde zijn passie allereerst uit in een nevenactiviteit: de vervaardiging van designobjecten en -meubels. Hij richtte het merk Art Maker op, dat deel uit maakt van de “maker-beweging”: een terugkeer naar lokaal vakmanschap. “Ik werd eerst via Smart betaald en wilde geen start-up beginnen. Maar door mijn designmerk Art Maker te lanceren, kon ik mijn visie op de wereld van vandaag uitdrukken door naar de toekomst te kijken. Ik werk nu voor mezelf en probeer beetje bij beetje vooruit te komen. Eerst ging ik in de garage van mijn vader aan de slag; een half jaar geleden verhuisde ik naar mijn eigen atelier. Om mijn activiteit uit te breiden heb ik iemand ingehuurd die de lampen in elkaar zet.”

Art Maker is niet alleen een lampenmerk, maar vooral in dit segment heeft Yves Dejardin werk te over. De bestellingen voor zijn schitterende verlichtingstoestellen stromen binnen. Maar hij blijft een echte designer en vooral een ambachtsman: hij wil geen reuzenbedrijf van zijn activiteit maken, want dan verliest hij de controle. “Alleen nog maar manager zijn in plaats van kunstenaar, daar heb ik geen zin in. Ik heb mijn baan niet opgezegd om opnieuw in een werknemersstatuut te belanden.” De autodidact voegt toe: “Ik voel me goed in mijn rol als ambachtsman. Ik heb een eenvoudig, maar origineel productieproces ontwikkeld. Wat ik doe is essentieel en daar houd ik van. Wanneer je ergens een passie voor hebt, vind je vanzelf de kracht, de energie om creatief aan de slag te gaan, er je beroep van te maken. Ik wil een evenwicht vinden tussen duurzame bedrijfsvoering, klanttevredenheid en de garantie dat ik zoveel mogelijk tijd overhoud om te kunnen blijven ontwerpen.”

Stijl en diversiteit

Zijn houten lampen hebben toenemend succes en de bestellingen volgen elkaar op. “Alles wordt met de hand gemaakt”, aldus de designer. “Eerst werkte ik op bestelling, maar ik besloot al snel modellen te gaan vervaardigen met vaste afmetingen. Te veel keuze werkt alleen maar verwarrend. Uiteraard kan ik de afmetingen op vraag aanpassen. Ik heb al eens een lamp van een meter hoog gemaakt! Dat is maatwerk, een uniek exemplaar…”

In zijn creatieve aanpak kiest Yves Dejardin voor zo natuurlijk mogelijke materialen. Alle modellen zijn uit hout vervaardigd en elke plank heeft zijn eigen kenmerken. “Het hout is tot nu toe helaas niet lokaal, want dat leent zich niet voor deze verwerking. Vanwege de technische beperkingen werk ik meestal met exotisch hout. Plastic probeer ik te vermijden. De stukken afzelia, wengé, teak en bamboe worden handmatig verzaagd en verwerkt tot fijne, soepele elementen. Die worden vervolgens gebogen en op een of twee centrale stukken in elkaar gezet: dan zijn de lampen klaar.” Sinds mei 2017 werkt Yves Dejardin ook met notenhout, een schitterende houtsoort met een andere kleur dan de andere gebruikte materialen. De nieuwe lampen in de luxueuzere nieuwe collectie zijn van geolied notenhout.

De lampen zijn al op meerdere plekken in Luik te koop, evenals elders in Wallonië en daarbuiten. We noemen Nandrin (Namo Concept) en Luik (Audace au Pluriel), maar ook Brussel (Les Mémoires de Jacqmotte) en, sinds kort, Parijs. De lampen hebben een doorsnee van 50 centimeter tot 4 meter en zijn allemaal artisanaal vervaardigd, maar de prijzen blijven goed betaalbaar. Er is al een model van de “Double Maxime” (een van de toonaangevende producten van Art Maker) vanaf € 300.

De lampen van Yves Dejardin zijn luchtig, elegant en verfijnd. Ze verspreiden licht vanaf het plafond of de muur en scheppen een schitterend driedimensionaal beeld. Ronduit betoverend! Zoals de ontwerper zelf zegt: “Dit is een kunstwerk en een lamp tegelijk.”

www.facebook.com/ArtMaker.be

Videos

De collegiale kerk van het Heilig Kruis is een van de zeven die op het Luikse grondgebied werden gebouwd. De geschiedenis van een opmerkelijk monument en van zijn zeer nabije verrijzenis.  


De kerk van het Heilig Kruis staat al meer dan twintig jaar in de steigers. Ze lijdt aan allerlei kwalen en ziet er treurig uit. Het is zo erg, dat ze gesloten werd voor de eredienst en de gelovigen. In 2015 moesten de verantwoordelijken de deuren ervan sluiten uit schrik voor een of ander ongeval. Sinds 1998 zamelt het comité “SOS Collégiale Sainte Croix” geld in voor de noodzakelijke herstellingen. Maar het geduld werd beloond en in februari kwam er een goede oplossing uit de bus: voor deze langverwachte restauratie werd € 15.000.000 vrijgemaakt (op 10 jaar). De Luikenaars en andere bezoekers zullen echter nog flink wat geduld moeten oefenen: de duur van de werken wordt immers op vijf tot zes jaar geraamd.

De Luikse collegiale kerken

De zone waarbinnen de zeven Luikse collegiale kerken in het centrum van de stad werden gebouwd, is een voorschoot groot. Ze staan heel dicht bij elkaar in een boogvormige lijn die uitstak boven de Sint-Lambertuskathedraal naast het Prinsbisschoppelijk Paleis. Op een oude reproductie ziet men duidelijk de verschillende plaatsen ervan, die in één vlak liggen. Dikwijls schrijft men de bouw van die collegiale kerken toe aan eredienstredenen en aan de ontvangst van kerkelijke hoogwaardigheidsbekleders. Maar de beslissers hebben het aantal ook om uiteenlopende redenen vergroot, meer bepaald om de goddelijke bescherming af te smeken door het gebed van de kanunniken. De kerken vormden dus een verdedigingschild om de veiligheid van de stad te waarborgen.

In de loop der tijden heeft de collegiale kerk een groot aantal veranderingen ondergaan. Ze werd rond het jaar 980 gesticht door bisschop Notger. Deze opvolger van bisschip Eraclus kreeg onder Keizer Otto de titel van prins-bisschop, die hem al het militair, gerechtelijk en financieel gezag zou opleveren in het prinsbisdom. Deze bouwlustige prins-bisschop was ook een slimme strateeg. Toen hij vernam dat een machtig heer een kasteel wilde bouwen op de plaats van de toekomstige collegiale kerk, vlakbij het bisschoppelijk paleis, besloot hij een nieuwe kerk te bouwen die aan het Heilig Kruis zou worden toegewijd. Samen met de Onze-Lieve-Vrouwekerk en die van Sint-Jan, vormt het Heilig Kruis een Golgotha dat beantwoordde aan een religieus urbanisme dat men ook tegenkomt in andere steden van Neder-Lotharingen. 

Twee koren

Van het oorspronkelijke gebouw blijft slechts een stuk muur van steenkoolhoudend gres over aan het begin van de enige resterende kloostergang. De kerk van het Heilig Kruis is buitengewoon omdat de kerk twee tegenover elkaar opgestelde koren van verschillende stijl bevat, gotisch aan de westkant en romaans aan de oostkant. Dit laatste doet nu als baptisterium dienst. De drie beuken van het “Halle”-type hebben dezelfde hoogte en verbinden de twee uiteinden van het gebouw met elkaar. Boven het westelijke koor bevindt zich een achthoekige klokkentoren. Het koor zelf wordt verlengd door een apsis in de vorm van een cirkelboog, die voorzien is van een doorgangsgalerij. Het bouwen van de zijbeuken heeft waarschijnlijk van 1283 tot 1332 geduurd, terwijl de laatste aangrenzende kapellen tussen de steunberen van de zijbeuken pas aan het einde van de 14de eeuw werden voltooid. De collegiale kerk is 57 m lang, 17 m hoog op het hoogste punt onder het gewelf en 25 m breed. Indrukwekkend!

Van de klokken zijn er slechts twee tegen de tijd bestand geweest, een uit de 17de en een andere uit de 20ste eeuw. In zijn glorietijd bevatte de toren er meer, waaronder een beiaard met een twintigtal elementen.

 

Bewaarde schatten

Op lange termijn valt er wat schade te betreuren. Gelukkig zetten de “SOS Collégiale Sainte Croix” en de plaatselijke verantwoordelijken zich in voor het restaureren en veiligstellen van de voornaamste bedreigde stukken, waaronder het schilderij “De Heilige Kruisvinding” (1674) van Berthollet FLEMAL, dat zich nu in de SintPauluskathedraal bevindt. Er blijven ook interessante sporen achter, waardoor men het historische traject van de plaats kan ontdekken.

Het westelijk koor bevat verscheidene prachtige elementen, zoals het mausoleum van kanunnik Hubert Milemans, de schatbewaarder van prins-bisschop Joris van Oostenrijk. Het is in Luikse renaissancestijl gebouwd met gepolijste zwarte kalksteen van Theux (B). Op de pilasters staan enkele raadselachtige hiërogliefen. Ook het baptisterium is goed bewaard en heeft nog gediend voor de doop van componist César Franck (1822-1890), die vlakbij de kerk werd geboren. Een gedenkplaat in het koor getuigt daarvan. Noteer ook de zeer mooie poort van geslagen messing, die werd gemaakt door Arnold de Nalinne (1758). Het orgel heeft ook een prestigieuze geschiedenis. Het bevindt zich in een opmerkelijke kast en werd gebouwd door Arnold Clérinx (1861). Onder die kast vormt een deur van opengewerkt messing in Lodewijk XIII-stijl (1662) de scheiding tussen het klooster en de kerk.

Het oostelijke koor dateert uit de 14de eeuw. In het midden staat een zeer mooi en sober altaar, dat uit één enkel blok kalksteen is gemaakt. Zoals tot aan de sluiting zal het later opnieuw voor de eredienst worden gebruikt. Rechts van het altaar zijn de mooie koorstoelen bewaard gebleven. Wegens de eindeloze gebeden en andere vieringen in de collegiale kerk, kon men moeilijk heel de tijd blijven rechtstaan in het koor. Men kon echter steun vinden op kleine klapstoeltjes – die “miséricordes” werden genoemd – terwijl men toch de indruk gaf rechtop te staan.

In de schatkamer worden we aangenaam verrast door enkele zeldzame stukken die tijdens de werken elders zullen moeten worden ondergebracht. Juist achter de deur bevindt zich een geheel met, links en rechts van een kruisbeeld, de buste van de heilige Cordula en die van de heilige Sentina (16de eeuw). Er staat ook een houten groep (16de eeuw) met de heilige Anna, Onze-LieveVrouw en het Kind Jezus. Verder zien we twee kisten met antifoonboeken (16de eeuw), in leer gebonden handgeschreven liedboeken van perkament. Die boeken zijn zeldzaam en verkeren in groot gevaar, zodat ze elders moeten worden opgeslagen. De vele in zwart en rood gekalligrafeerde bladzijden zien zwart van het stof en dreigen door verwaarlozing te worden aangevreten. Achteraan in de ruimte staat een echte brandkast, die om veiligheidsredenen gesloten moet blijven. Naast enkele kerkelijke voorwerpen van edelsmeedwerk is er ook de beroemde sleutel van de heilige Hubertus. Volgens het verhaal zou die symbolisch sleutel hem in 722 tijdens een bezoek aan Rome zijn overhandigd door paus Gregorius II. Hij diende om de crypte van de Vaticaanse basiliek te openen, waar het graf van de eerste paus zich bevond.

De reliektriptiek van het echte Kruis maakt ook deel uit van de schat van de collegiale kerk. Hij dateert van de 12de eeuw en is gemaakt van hout dat bedekt is met verguld, geëmailleerd en gedreven koper. Het is een zeldzame schat van edelsmeedwerk uit de Maasstreek. Gelukkig werd de triptiek gerestaureerd door het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium (KIKP) en wordt het veilig bewaard in het Luikse “Musée d’art religieux et d’art mosan” (MARAM).

Aan de vooravond van een mooi avontuur staat de kerk van het Heilig Kruis voor een nieuw begin met culturele en toeristische projecten, die het erfgoed van de Vurige Stede nog zullen verrijken.

 

In het Diamant Liège Conference & Business Centre zijn de beste technische en bouwkundige innovaties geconcentreerd. Technologie die ten dienste staat van de gebruiker om functionaliteit in alle opzichten te bieden.

 

Vlak voor het punt waar de Ourthe zich in de Maas stort, ligt Vennes, een wijk van Luik die sinds enkele jaren een positieve verandering ondergaat. Midden in deze wijk, op slechts enkele minuten van het stadscentrum en het door Calatrava ontworpen station Luik-Guillemins, staat het nieuwe Diamant Liège. In de directe nabijheid bevindt zich bovendien een belangrijk knooppunt van autosnelwegen. Met het oog op de bereikbaarheid en de mobiliteit zijn dat onmiskenbare voordelen. Het centrum heeft verder een overdekte en beveiligde ondergrondse parking met 130 plaatsen en is toegankelijk voor mensen met een beperkte mobiliteit.

Sinds 1969 stond hier het Centre d’Affaires Archipel, zoals het destijds werd genoemd, een gebouw van twee verdiepingen dat onderdak bood aan FABRIMETAL Liège-Luxembourg en de daaraan verbonden instellingen. Door bouwkundige problemen en het krachtige en vastberaden ‘optreden’ van enkele fanatici die een enorme rotzooi maakten in de ernstig verwaarloosde ruimtes, rees de vraag of verbouwingen en aanpassingen noodzakelijk waren. In 2001 werd heel snel geconstateerd dat het omhulsel en de ruimtelijke indeling niet meer aan de behoeften van de tijd voldeden en dat het energieverbruik veel te hoog was.

Een witte reus

Na een energie-audit nam Agoria Real Estate, de eigenaar van het pand, in 2009 eindelijk het wijze besluit om zijn bedrijvencentrum op het bestaande terrein te bouwen. Naast de absolute noodzaak om het gebouw aan de huidige normen te laten voldoen, werd de grote vraag naar een bedrijvencentrum in de regio bevestigd door een behoefteanalyse en een marktonderzoek. Hoewel de wijk voornamelijk voor woningen en winkels is bestemd (het tegenovergelegen winkelcentrum Belle-Île trekt dagelijks de nodige klanten), wilde men een flink stuk van het terrein onbebouwd laten. Door deze natuurlijke uitbreiding kon het gebied zijn oorspronkelijke bestemming van groene oase krijgen. Via een opening tussen de boulevard en het achterterrein draagt deze ecologische verbinding bovendien rechtstreeks bij aan het functioneren van het gebouw.

Dit centrum is in de eerste plaats bedoeld als werk- en ontmoetingsplek met een breed en dynamisch aanbod van zeer hoogstaande, technologisch geavanceerde diensten met een goede prijs-kwaliteitverhouding. Het Diamant Conference & Business Centre, dat in januari 2016 officieel is geopend, torent met zijn smetteloos witte silhouet 26 meter boven de stad uit. Het gebouw, dat door de samenwerkende architectenbureaus Greisch en Archeops is ontworpen, wil als etalage fungeren voor de dynamische en bloeiende technologiesector. Door de toepassing van glas en staal komen de lichte constructie en het daglicht goed tot hun recht. Het gebouw wordt gevormd door vier statige muren zonder blinde gevels.

Wat betreft daglicht, compactheid en uitzicht naar buiten, is ook de kwaliteit van de binnenruimtes aanzienlijk verbeterd. “Binnen deze woonwijk probeert het gebouw zijn omgeving niet te imiteren. Het wil expliciet maar niet demonstratief de activiteit weerspiegelen die er plaatsvindt … Het gebouw wil meer dan een tentoongesteld voorwerp zijn. De verschillende gevels zijn allemaal anders van vorm om aan de eisen ten aanzien van de windrichting, het uitzicht op de stad, de interne functies enzovoort te voldoen. Vanaf het begin is rekening gehouden met de technische beperkingen, zodat het gebouw zelf de uitdrukking van het externe omhulsel is geworden.

Vergaderen aan de top

De receptie van het gebouw coördineert drie activiteiten: het Business Centre, het Conference Centre en het Catering Centre”, zegt locatiemanager Benoit De Smedt. “Elk van deze centra heeft zijn eigen kenmerken en taken. Het Business Centre met een oppervlakte van meer dan 3000 m2 biedt momenteel onderdak aan een stuk of tien bedrijven en organisaties, waaronder Agoria, AWEX Liège, Explor, Attentia en Dela. Zelfstandigen, starters, projectontwikkelaars en liefhebbers van telewerken zijn voor korte of middellange duur welkom in het Flex Office van meer dan 200 m2 op de zevende verdieping. De werkplekken, die gericht zijn op optimale ergonomie, zijn opgesteld in een goed verlicht en vriendelijk decor, zodat mensen in alle rust kunnen werken, terwijl ze van een adembenemend uitzicht op Luik en zijn omgeving genieten.

Het 1000 m² grote Conference Centre op de begane grond bestaat uit zeven aanpasbare vergaderzalen, die beschikbaar zijn voor vergaderingen, seminars, banketten of andere bijeenkomsten van maximaal 400 personen. Al deze zalen zijn voorzien van apparatuur volgens de laatste stand van de technologie: dubbele projectie op 8 meter-scherm, Bose-geluidssysteem, ergonomische stoelen, in hoogte verstelbaar verlicht plafond, perfecte geluidsisolatie en akoestiek, en gratis wifitoegang. De zalen worden op natuurlijke wijze verlicht en geven rechtstreeks toegang tot afgeschermde buitenruimtes.

Vergeet niet dat Agoria, de eigenaar van het gebouw, de federatie van technologieondernemingen is. Het is dus logisch dat we voor elk bestanddeel van het gebouw een beroep op onze leden hebben gedaan. Dit gebouw is dus een laboratorium en anders wel een etalage van best practices op het gebied van geluidsisolatie, energiebesparing, glasconstructie of gebruik van andere materialen. Ook de communicatietechnologieën zijn natuurlijk duidelijk aanwezig!”, zegt Benoit De Smedt.

Het Catering Centre (restaurantgedeelte), dat zich op de begane grond aan de voorkant van het gebouw bevindt, bestaat uit à-la-carterestaurant Le Cabochon (zie kadertekst) en lunchroom Moment’to. De lunchroom, waar zowel huurders, bezoekers als mensen van buiten terecht kunnen, biedt gerechten aan via een innovatief concept waarbij de gasten zelf hun favoriete ingrediënten kunnen kiezen. Daarnaast zijn een dagmenu, soep en diverse dranken en desserts verkrijgbaar.

Als we kijken naar het gebruik van het Conference Centre, verloopt de beginfase precies zoals verwacht. De klanten lijken bovendien tevreden over de kwaliteit van de geboden diensten. In 2017 zullen we onze verkoopdoelen halen en waarschijnlijk zelfs overtreffen. Voor de verdere groei van de locatie en onze positionering in 2018 mogen we daarom ambitieus zijn”, besluit Benoit De Smedt.

www.diamant-liege.be

ENKELE CIJFERS
14.000.000 aan totale investering 7 verdiepingen 26 meter hoog centraal gedeelte 3 groene daken
10.000 m² bebouwde oppervlakte, waarvan 3000 m² kantoorruimte, 1000 m² vergaderzalen, 1000 m² restaurantgedeelte, 1000 m² parkeergarage en kelders, en 1000 m² terrassen en tuinen.

 

La Boverie, een erfenis van de Wereldtentoonstelling van Luik in 1905, is vandaag méér dan een museum. De komende jaren zullen er veel artistieke evenementen plaatsvinden in een uniek groen kader tussen de Maas en haar aftakking of 'Dérivation'.

 

La Boverie is oorspronkelijk een landelijke plaats, die naar verluidt haar naam dankt aan de ossen die er graasden. Het is ook een plek met een rijke geschiedenis, met veel inrichtingen en verhuizingen en, recenter, grote renovaties. Op 4 mei 2016 wordt er eindelijk een ruimte ingehuldigd, die meer bepaald bestemd is voor tentoonstellingen op internationaal niveau. Een kijk op deze merkwaardige architecturale verwezenlijking.

De Franse architect Rudy Ricciotti en het Luikse architectenbureau p.HD tekenden voor de wedergeboorte van het vroegere Museum voor Moderne en Hedendaagse Kunst (MAMAC) en voor een Internationaal Kunst en Cultuurcentrum. De eerste zorgde voor nieuw bloed: hij ontwierp en integreerde een uitbreiding van glas en beton. De andere kreeg opdracht om het bestaande erfgoedte verjongen en tentoonstellingszalen in te richten, zonder afbreuk te doen aan de aard van de plaats.

 

Sporen van de Wereldtentoonstelling

Het Boveriepark en het museum zijn in de loop der jaren wel van uitzicht veranderd. Aanvankelijk vormden bloemenweiden en groene eilanden de “Pré Mativa” tussen de Maas en de armen van de Ourthe. De plaats is enkel bereikbaar per boot vanuit Outremeuse. Het is een oord waar de burgerij zich komt ontspannen en haar vrije tijd besteden. De vele hoogwaterstanden van de Ourthe op die plaats doen een beetje afbreuk aan de charme ervan. In het midden van de 19de eeuw worden die armen drooggelegd en wordt er voor de Maas een nieuwe en beveiligde bedding gegraven.

Vijftig jaar later wordt de Wereldtentoonstelling van 1095 op die plaats gebouwd. De meeste daarvoor opgetrokken gebouwen zijn verdwenen, maar het Paleis voor Schone Kunsten was bedoeld om de jaren te trotseren. Voor het werk van de architecten Jean-Laurent Hasse en Charles Soubrestond het Petit Trianon model, een domein in het park van het kasteel van Versailles. Het ontleende ook sommige aspecten aan het Koninklijk Museum voor Centraal-Afrika in Tervueren.

 

Een behoedzame ingreep

Hoewel het vroegere Paleis voor Schone Kunsten er zeer massief uitzag, was het toch bijzonder licht gebouwd. Gilles Hambücken, een architect van het bureau p.HD, vindt het “heel modern, avant-gardistisch voor die tijd”, ook al kon de Lodewijk XVI-stijl het tegendeel doen denken. De buitengevels zijn van steen. De onderbouw is van graniet, terwijl het verouderde uitzicht van het gebouw te danken is aan de Lotharingse steen. De westelijke gevel is dan weer van rode baksteen. In deze laatste waren opzettelijk geen vensters gemaakt, met het oog op een eventuele uitbreiding, die er uiteindelijk pas een eeuw later kwam.

Bijna dertig architectenbureaus en verenigingen nemen deel aan de internationale wedstrijd die in 2009 door de Stad Luik wordt uitgeschreven. In 2010 worden er vijf ontwerpen in aanmerking genomen, waarvoor prijs wordt gegeven. Het samenwerkingverband tussen het Luikse bureau p.HDen de Franse architect Rudy Ricciotti haalt het uiteindelijk. Waarom? Gilles Hambücken denkt dat het komt door hun behoedzame ingreep, die het monument als een harmonisch geheel respecteert. De historische zwarte toegangsdeur werd immers behouden. De inrichtingen en de afmetingen van de binnenruimten op de benedenverdieping bleven ook bewaard, net zoals de plafondhoogte. Dankzij de tegen het plafond gespannen doeken die het zenitlicht filteren, baden de ruimten in een zacht natuurlijk licht. Ter bescherming van de kostbaarste werken, krijgt de kelder geen natuurlijk licht (zie kaderstuk over de conservering van de werken p.14). Die kelderruimten en opslagplaatsen zijn nu toegankelijk. De oude vloer werd volledig afgebroken en verlaagd om het plafond te verhogen en de tentoonstellingsruimten te vergroten. De site omvat nu overigens een auditorium met 160 plaatsenvoor kamermuziekconcerten en voordrachten.

 

Beton en glas

Naast de afgemeten renovatie en de optimalisering van de tentoonstellingszalen, kreeg La Boverieeen uitbreiding van glas en beton. Deze favoriete materialen van architect Rudy Ricciotti (zie hier) gaan op in een stedelijk en groen landschap. Vensters van 7,5 m hoog in drie gevels geven die uitbreiding een nieuw uitzicht op de Dérivation’, de aftakking van de Maas. “Alle technieken zijn over het algemeen in het plafond aangebracht”, zegtGilles Hambücken van het bureau p.HDHier werden ze in de vloer geplaatst (leidingen, elektriciteit enz.). Die betonvloer heeft een draagvermogen van 500 kg/m2. Voor het plafond werden sterke, met getrokken kabels nagespannen betonplaten gebruikt. Daardoor kon men het dak dun houden (slechts 35 cm) en de indruk geven van een betonplaat die op de beglazing rust.

Een tip van Gilles Hambücken: als u wilt zien hoe subliem het natuurlijk licht de plaats maakt, kom dan op een zomerochtend kijken. “De zon weerkaatst op het water van de Dérivation en het licht maakt schaduwen in de ruimte.

 

INLICHTINGEN:
La Boverie
Parc de la Boverie 
B-4020 Liège
+32 (0)4 221 93 02
 

 

GUILLEMINS – BOVERIE – MÉDIACITÉ EEN CENTRUM VOOR KUNST EN CULTUUR

Het voorbije decennium hebben de Luikenaars het aanschijn van hun Vurige Stede zien veranderen. De renovatie van het museum en het park van La Boverie past immers in een ruimer kader. Erkwamen nieuwe gebouwen in de stad: het station Luik-Guillemins met esplanade (2009) van de befaamde architect Santiago Calatrava, een handels-, audiovisueel en vrijetijdscentrum (2011) dat Médiacité werd gedoopt, van de architect-designer Ron Arad, de Financietoren ‘Paradis (2015), het Designcentrum (2015) en de Maaskaden (2015). De stationsbuurt is nu langs het Boveriepark via eenfietsers- en voetgangersbrug direct verbonden met Médiacité.

 

LiègeTogether

Na de mededinging van de Stad Luik voor de Wereldtentoonstelling van 2017, die werd binnengehaald door Astana, de hoofdstad van Kazachstan, heeft LiègeTogether de fakkel van destedelijke herstructureringsdynamiek overgenomen. Dit initiatief wil de stad Europees en internationaal, cultureel en economisch positioneren. Een creatieve, open en verbonden stad maken, dat is het doel van LiègeTogether. Een identiteit die wordt gesymboliseerd door een voor de Luikenaars ontworpen verbindingsteken: een kader dat wordt gevormd door de duim en de wijsvinger van elke hand.

 

Een ruimer cultureel aanbod

Luik moet – cultureel, museaal en architecturaal – niet onderdoen voor andere Belgische steden, zoals Brussel en Antwerpen. Dankzij grote renovatiewerken kon het erfgoed zodanig worden opgewaardeerd, dat men de stad een “Culturele metropool” kan noemen. Een overzichtje van dieverwezenlijkingen:

— 2008: De ‘Cinéma Sauvenière’, die met de ‘Grignoux’ een onafhankelijke filmprogrammatie biedt, en het Museum van het Waalse Leven, dat zich in een historisch kader bevindt, namelijk hetMinderbroedersklooster.

— 2009: De ‘Grand Curtius en Féronstrée’, een museaal geheel dat bekendstaat voor zijn gevel van rode baksteen, toont de eerste beschavingen, de middeleeuwen, beeldhouwwerk enedelsmeedkunst uit de barok, glas en wapens.

— 2012: De gerenoveerde en uitgebreide Koninklijke Opera van Wallonië.

— 2013: Het ‘Théâtre de la Place’ wordt het ‘Théâtre de Liège’ en verhuist van de Outremeusebuurtnaar de overkant van de ‘Université du 20-Août’.

— 2014: De ‘Cité Miroir’, die ten dienste staat van het verleden, het burgerschap en de multiculturaliteit, vestigt zich op de site van de vroegere baden van de Sauvenière.


 

VAN HET PALEIS VOOR SCHONE KUNSTEN TOT LA BOVERIE : EEN METAMORFOSE IN TIEN DATA

1905  Het Paleis voor Schone Kunsten wordt ingehuldigd voor de Wereldtentoonstelling van Luik.1914-18 — De Duitsers vestigen hun bevoorradingsdienst in het Paleis voor Schone Kunsten en sluiten de parktoegang af.

1940-45 — De Duitsers bezetten de plaats opnieuw, bij de bevrijding gevolgd door de Amerikanen.

1952  Het Museum voor Waalse Kunst en het Prenten- en Tekeningen-kabinet vestigen zich in hetPaleis.

1958  Het Congressenpaleis verandert het landschap

1961  Oprichting van de Schöffertoren in het Boveriepark.

1981  Op het eiland Saint-Georges wordt een Museum voor Waalse Kunst en de Culturele Evolutie in Wallonië gevestigd. Het Boveriegebouw wordt een Museum voor Moderne Kunst.

1988-1993  Er was een vijf jaar durende renovatie nodig om het Paleis voor Schone Kunsten om tebouwen tot Museum voor Moderne en Hedendaagse Kunst (MAMAC).

2011  De verzamelingen van het MAMAC, het Prenten- en Tekeningenkabinet en het Fonds vanOude Kunst voegen zich bij Waalse Kunst om één enkel geheel te vormen: het Museum voor SchoneKunsten van de Stad Luik (BAL).

2016  Het architectenbureau p.HD en Rudy Ricciotti geven nieuw leven aan La Boverie.


28

28 architectenverenigingen en -bureaus namen in 2009 deel aan de wedstrijd. Vijf projecten werdenuitgekozen. Het onderzoek gebeurde in 2011 en 2012, en in 2013 ging de werf van start. La Boveriestrekt zich uit over 4000 m² tentoonstellingsruimte en kostte 24 miljoen euro.


 

DE SCHÖFFER-TOREN WERD GERENOVEERD

Sedert 1961 steekt een 52 meter hoge sculptuur boven het landschap uit. Dit abstract werk van de Frans-Hongaarse kunstenaar Nicolas Schöffer heeft een heel speciale eigenschap: het is namelijk cybernetisch. Dankzij een systeem van sensoren reageert het onmiddellijk op veranderingen in de omgeving ervan: licht, wind, temperatuur. In 1961 en 1962 zorgde dit beeld voor een heus klank- en lichtspel tijdens een voorstelling die Formes et Lumières heette. Sedert veertig jaar werkt het echter niet meer. Aangezien de toren in 2009 werd beschermd als uitzonderlijk erfgoed van Wallonië, zal hij op korte termijn worden gerestaureerd onder de hoede van het Instituut voor het Waalse Erfgoed. De opening is gepland voor begin mei 2016. 


 DE ERFENIS VAN DE WERELDTENTOONSTELLING

Antwerpen in 1894, Brussel in 1897 en Parijs in 1900. Logischerwijze zou de Wereldtentoonstelling dus moeten plaatsvinden in 1903. En toch begint ze pas in 1905. Het idee ontstond in mei 1897 dooreen privé-initiatief van Victor Dumoulin en Florent Pholien, die leden waren van de Cercle privé du Commerce liégeois’, een particulier handelsgenootschap. Ze kregen uiteindelijk de steun van de Stad Luik, van de Regering en van Koning Leopold II. Luik, “de vroegere hoofdstad van een zelfstandig en onafhankelijk prinsbisdom, de meest vrije ter wereld”, volgens de officiële publiciteit, zal dus de zetel van de Tentoonstelling worden.

Naar aanleiding daarvan worden er grote werken aangevat. Prins Albert, de toekomstige Albert I, zal de symbolische eerste steen leggen van de voorgevel van het Paleis voor Schone Kunsten, datbedoeld was om de tentoonstelling te overleven. Nieuwe bruggen moeten de toevloed aan bezoekers in goede banen leiden: de bruggen van FragnéeFétinne, Vennes en de Mativa-brug. De werken voorhet saneren van de site en het aanleggen van de Maas lopen uit en doen de datum verschuiven naar 1905, het jaar van de 75e verjaardag van de onafhankelijkheid van België, wat natuurlijk een belangrijk feest was.

Op 27 april 1905 werd de site ingehuldigd in aanwezigheid van meer dan tweeduizend personen. Het 66 ha grote Boveriepark is niet de enige plek die bij de gelegenheid onder de aandacht werd gebracht (CointeFragnéeVennes). Op zes maanden zou de Luikse Wereldtentoonstelling zeven miljoenbezoekers krijgen uit een veertigtal landen.

 

De basis van de Schone Kunsten

Het Paleis voor Schone Kunsten met zijn 2500 m2 aan tentoonstellingszalen werd aan de Stad Luik geschonken door het Uitvoerend Comité van de Tentoonstelling. In een brief van 13 oktober 1903 aan de Gemeenteraad zegt dit Comité dat het graag een reeks culturele en wetenschappelijke evenementen zou organiseren: “De bouw van dat monument zal echt een leemte opvullen, aangezien onze Stad geen enkel openbaar gebouw heeft dat aan die vele wensen voldoet”.

Meer dan een eeuw lang zal het vroegere Paleis voor Schone Kunsten veel museumfuncties vervullen. In 1952 zullen het Museum voor Waalse Kunst en het Prenten- en Tekeningenkabinet zich er vestigen, en in de jaren 1970 het Museum voor Schone Kunsten. In 1981 wordt hetomgevormd tot Museum voor Moderne Kunst en in 1993 tot Museum voor Moderne en Hedendaagse Kunst. Ten slotte wordt het wat het nu is: La Boverie, Internationaal Kunst en Cultuurcentrum (CIAC).

Welwillendheid als gevechtshouding

In samenwerking met het Luikse architectenbureau p.HD tekent de Provençaalse hedendaagse architect voor de nieuwe uitbreiding van La Boverie. Deze betonambassadeur is een geëngageerde kunstenaar die bekendstaat voor zijn openhartigheid.

 

De meeste van uw architectuurprojecten houden verband met Frankrijk. Wat trok u zo aan in ditBelgische project?

Rudy Ricciotti — Ik ben dol op Luik, een afgeschermd kamp tegen de pornografische barbarij van de globalisering. Het is een echte stad met echte mensen die echte dingen beleven. Ik houd van de Belg, die strijd levert tegen het gespuis in deze wereld en globaal genomen beter bestand is tegen alcohol dan de Fransman. Hij bezit een krachtige religieuze seksualiteit en door zijn gevoel voor humor hoort hij thuis bij de patafysici.

 

U noemt een project een “onderzoeksproces”. Nagaan wat niet goed werkt, het gevaar vinden. Wat scheelde er aan het architectuurontwerp van La Boverie?

R.R. — Eigenlijk niets, maar de droom over de noodzakelijke hedendaagsheid, die op een mystieke dwang leek, moest in de hand worden gehouden. Het afbreken van erfgoed vermijden, was bijvoorbeeld een manier om de paranoia van het programma te bedwingen.

 

Hebt u speciale moeilijkheden en vereisten gehad tijdens het proces voor het creëren en renoveren van het gebouw?

R.R. — De existentiële moeilijkheid van de architectuur: de interfaces tussen nieuwe en oude gebouwen. Maar het uitzonderlijk vertrouwen tussen Paul Hautecler van het Luikse bureau p.HD, die gulle en briljante erfgoedverdediger, en mezelf is heel nuttig geweest. We hebben schizofrene toestanden kunnen vermijden: behoud tegenover creatie. Het bestaande paleis is geworteld in demoderniteit. Onder de grond vind je immers de eerste betonnen heipalen. De funderingen zouden moeten worden beschermd als “historisch monument”, want het gaat hier om een wereldprimeur. Het onzichtbare beschermen, dat is een nieuwe angst!

 

Waar hebt u uw inspiratie gehaald voor de uitbreiding van glas en beton? Uit de plaats en haar context zelf of uit uw persoonlijke beleving?

R.R. — De context spreekt, het geheugen spreekt, de beroepen spreken. Inspiratie komt op de tweede plaats. Aangezien Paul Hautecler a priori voor behoud staat en ik voor het maken van iets nieuws, wilden wij voortdurend elkaars werk vergemakkelijken. De cognitieve context is even belangrijk als de architecturale. Inspiratie? Welwillendheid was onze gevechtshouding.

 

Wat is de leidraad voor uw projecten?

R.R. — Juist, nauwkeurig en contextueel werken. Schoonheid en cynisme niet willen verbannen. Een populaire werkelijkheid geven aan de esthetische vereiste. De werkelijkheid, die echt artistiek materiaal is, belangrijker achten dan de artistieke aanspraak zelf. Het onderdanige minimum niet verwarren met het radicale minimum!

 

Op welke verwezenlijking bent u met meest trots? Een architectuurproject, een boek?

R.R. — Dat ik mijn drie kinderen heb opgevoed. Dat ik een dertigtal mensen tewerkstel in mijn kantoor. Ik zou ook kunnen verwijzen naar mijn dogmatische strijd tegen de kolonisatie door de imperialistische mythologieën van het consumentisme. Als u mijn pamfletten leest, zult u veel lachen.

 

Welk hedendaags architecturaal werk «raakt» u speciaal?

R.R. — Gaudi en heel de 19de eeuw. Maar vooral een architectuur die vele uren handenarbeid vergt. Handenarbeid is voor mij heel emotioneel, want hij komt op tegen de verschuiving van werkgelegenheid naar het buitenland. Daarin schuilt de politieke finaliteit van ons vak… De beroepenverdedigen en meewerken aan de wederopbouw van het geheugen ervan. Werk kan opnieuw een sleutel worden om rijkdom te herverdelen en om de sociale cohesie te bevorderen. Maar natuurlijk moet men het nog tot zijn recht kunnen doen komen…

 

Hebt u nog interessante projecten voor ons?

R.R. — Natuurlijk, maar ik toon ze niet zolang ze niet af zijn. Het jongste werk dat werd opgeleverd, namelijk het Memoriaal van het Kamp van Rivesaltes, dat in Zuid- Frankrijk ligt, is alle belangstelling waard. Dat geldt ook voor het MuCEM in Marseille, voor het Jean-Bouinstadion in Parijs, voor de Vleugel voor Islamkunst in het Louvre en voor het hoofdkantoor van de ITER in Cadarache.

 


BIO EXPRESS

1952 — Geboren op 22 augustus in Algiers (Algerije)

1974 — Ingenieursschool van Genève (Zwitserland)

1980 — Architectuurschool van Marseille (Frankrijk) / Oprichting van het agentschap Rudy Ricciotti in Bandol (Frankrijk)

 

Bekende projecten

2000 — Vredesbrug over de Hanrivier in Seoul (Korea) / Filharmonische concertzaal Nikolaisaal in Postdam (Duitsland)

2007 — Hoofdkantoor van de ITER (International Thermonuclear Experimental Reactor) in Cadarache(Frankrijk)

2012 — Afdeling Islamkunst in het Parijse Louvre (Frankrijk)

2013 — Jean-Bouinstadion in Parijs (Frankrijk) / Museum voor de Beschavingen van Europa en deMiddellandse Zee (MuCEM) in Marseille (Frankrijk)

 

Bekroningen

— Grote nationale Architectuurprijs

— Gouden medaille van de Stichting van de Architectuuracademie

— Ridder in het Legioen van Eer

— Commandeur in de Orde van Kunsten en Letteren

— Officier in de nationale Orde van Verdienste

— Lid van de Technologische Academie

 

Publicaties

Le béton en garde à vue, Lemieux Éditeur, 2015.

— Ricciotti, architecte, Le Gac Press, 2013.

L’architecture est un sport de combat, Textuel, 2013.

Your opinion counts