Waw magazine

Waw magazine

Menu
Image (62x44 OBLIGATOIRE !!): 
Image rose (taile : 62x44px OBLIGATOIRE): 

GEEST EN HANDEN

Schrijnwerker en ontwerper Adrien Moscato besloot om zich in Itter te vestigen. Vanuit zijn nieuwe thuisbasis bestudeert en ontwerpt hij op maat gemaakte projecten voor leefruimtes, meubels en voorwerpen. Dit alles met het oog op ecologisch en duurzaam denken en creëren.

 


© Julien Hayard

Zijn atelier, in de ambachtelijke zone van Hennuyères, waar hij tevens twee leerlingen opleidt, is als het ware een laboratorium. Meubelen, voorwerpen in wording, maar ook ruw materiaal, zoals deze tafelpoot die, na bewerking op een draaibank, de sport van een trapleuning zou kunnen worden.

De geur van het hout doet hem denken aan zijn kindertijd. Als kind hield deze Bourgondiër ervan de adering van dit edele materiaal te observeren in het atelier van zijn grootvader, waar hij graag vertoefde. Adrien Moscato heeft in 2004 een hoger diploma van technicus in industriële vormgeving behaald en heeft een praktijkstage in meubelmakerij en houtdraaierij voltooid. “Ik had meer praktijk nodig, om het materiaal beter te kennen, om oude technieken aan te leren”, legt hij uit.

Adrien Moscato heeft in 2004 een hoger diploma van technicus in industriële vormgeving behaald en heeft een praktijkstage in meubelmakerij en houtdraaierij voltooid. “ Ik had meer praktijk nodig, om het materiaal beter te kennen, om oude technieken aan te leren.


De Compagnons du devoir

Om ervaring op te doen, bleef hij nog verscheidene jaren bij de Compagnons du Devoir, een vereniging waarvan de oorsprong teruggaat tot de bouw van kathedralen. Hij ontdekte een levenswijze die reizen, samenleven en een professionele carrière combineert. Zijn persoonlijke Ronde van Frankrijk bracht hem van Angers naar Brussel, via Pezenas, Nice en Rijsel, waar hij veel ervaring opdeed bij verschillende werkgevers. “In Pezenas heb ik voor een onderneming van schrijnwerkerij die historische monumenten restaureerde, de deuren van een 17e eeuws kasteel en een Frans plafond in hun oorspronkelijke staat kunnen herstellen”, herinnert hij zich. De vakman werd op zijn beurt de verantwoordelijke van een ambachtscorporatie en leraar. In 2021 won hij, samen met zijn leerlingen, in Rijsel de Trofee voor Cultuur en die voor Innovatie voor de creatie van een totempaal van hout en inlegwerk, met geheime lades, voor kinderen met een beperking.

Adrien Moscato vertelt het volgende : “Ik heb veel ervaring opgedaan door met andere ambachtslieden te werken, en ik heb mijn aanpassingsvermogen ontwikkeld, wat goed van pas kwam toen ik besloot voor mezelf te beginnen. Ook al kun je veel uit boeken leren, er gaat niets boven observatie en rechtstreekse overdracht.


© Frédéric Riche

Adrien Moscato heeft van meet af aan zijn pad gekozen : het ontwerpen van mooie en functionele voorwerpen of inrichtingen.


Van Brussel naar Itter

Hij gooide zijn anker uit in Brussel. “Deze stad trok mijn aandacht. Ik werd overtuigd door de openheid van de mensen.” De ontmoeting met zijn partner die afkomstig is uit Itter, bracht hem ertoe zich in dit kleine Brabantse stadje te vestigen. En om zijn eigen bedrijf op te richten, Atelier Moscato. Met een helpende hand van de solidaire financieringscoöperatie Credal en een lening van het Participatiefonds voor de aankoop van een bedrijfsvoertuig en gereedschap voor zijn werkplaats. En begeleiding om zijn project op te zetten. “Zeer handig in een bedrijf dat veel investeringen vergt”, zegt de jonge ondernemer.

Adrien Moscato heeft van meet af aan zijn pad gekozen : het ontwerpen van mooie en functionele voorwerpen of inrichtingen. Hij bestudeert en realiseert interieurprojecten op maat om te voldoen aan verzoeken voor opbergsystemen, het indelen en aankleden van woonruimtes, de creatie van meubels (bureaus, fauteuils, tafels … in unieke modellen of beperkte series), of objecten (lampen, fotohouders, juwelendoosjes …). Bovendien geeft hij daarbij de voorkeur aan duurzame en ecologische materialen. “Ik ben niet geïnteresseerd in goedkope materialen die na enkele jaren al versleten zijn. Ik geef de voorkeur aan massief, onafgewerkt hout boven spaanplaat of andere houtproducten die te veel formaldehyde bevatten, een schadelijke stof die in lijm zit.

Duurzaam, ecologisch duurzaam of innovatief

In zijn atelier stelt hij drie concepten voor. Zijn duurzame creaties houden rekening met de beperkingen van de klanten en maken gebruik van aangepaste materialen. Voor het ecologische concept kiest de ambachtsman ecologische materialen en recycleert en valoriseert hij oude voorwerpen. En voor innovatie creëert hij unieke stukken en beperkte oplagen voor privéverzamelaars en decorateurs, prototypes voor professionals. Dit resulteert soms in ongewone producten : een tafel gemaakt van een luik, designstoelen gemaakt van oude stoelen …

Zijn klanten ? Voornamelijk particulieren uit Brussel en Waals-Brabant. “Ik ben een beetje huiverig voor interieurontwerpers omdat ze vaak niet op het terrein staan en te veel verbeelding hebben. Ik ontmoet klanten en peil hun behoeften en beperkingen alvorens oplossingen voor te stellen. Over het algemeen ben ik zen ; ik geef de voorkeur aan kleine ruimtes, met een elegante, sobere, tijdloze stijl.

De ondernemer ontwikkelt ook partnerschappen met aannemers, architecten en binnenhuisarchitecten die zijn werkfilosofie delen. Hij ontwierp en vervaardigde displays voor Lutea, een bedrijf dat in Lathuy werd opgericht door Anne-Sylvie Godeau en gespecialiseerd is in de extractie van kleurstoffen en extracten voor verf en verfstoffen.


© Frédéric Riche

De ontmoeting met zijn partner die afkomstig is uit Itter, bracht hem ertoe zich in dit kleine Brabantse stadje te vestigen. En om zijn eigen bedrijf op te richten, Atelier Moscato.


Een moderne “materiaalbibliotheek”

Adrien Moscato geeft de voorkeur aan materialen van lokale en duurzame oorsprong. Dit brengt hem ertoe bij houtzagerijen in de Ardennen te kopen, maar ook de voorkeur te geven aan gerecupereerd materiaal. “Er zit een schat aan grondstoffen in het meubilair dat mensen wegdoen, ” zegt hij. “Maar om gerecycleerde bouwmaterialen in ecologische designprojecten te kunnen opnemen, moeten er voldoende beschikbaar zijn om de bestellingen te kunnen uitvoeren.” Vandaar het idee om gerichte samenwerkingen tot stand te brengen en samen te werken om ‘grondstofnetwerken’ op te sporen en te benutten.

Dat is het doel van het RessourceLab-project, een proefproject van de solidaire financieringscoöperatie Crédal. Het is de bedoeling een “materiaalbibliotheek” van gerecycleerde materialen op te richten, een collectieve productiewerkplaats waar meubelelementen zullen worden ontworpen en geproduceerd op basis van de materialen (planken van verschillende houtsoorten, voorgevormd hout, deuren, laden, enz.) en een verkoopruimte. De Ressourcerie Restor (in Tubize en Genappe) zal de grondstoffen en de opslag- en verkoopruimte ter beschikking stellen, terwijl Adrien Moscato (en andere ecodesigners) prototypes zal maken en meubelelementen zal produceren die op basis van de beschikbare grondstoffen worden ontworpen.

Adrien Moscato mikt daarnaast nog op een andere niche. Als vader van Samuel, 3 jaar oud, werkt hij aan meubels voor jonge kinderen, gemaakt met hout van plaatselijke zagerijen en materiaalcentra. Zoals een bed in een houten hut of een modulaire kast die kan worden omgebouwd tot theater, bibliotheek of keukentje, en die daarna makkelijk opgeborgen kan worden. “Ik maak ze op basis van een prototype, enkel op bestelling, en verkoop ze online”, zo legt hij uit. “Ik ga niet over tot massaproductie. Ik wil een vakman blijven.

www.ateliermoscato.com

EEN PLEK OM TE LEVEN EN TE DELEN

Chez Bobbi is vooral een uiterst veelzijdige plek. Op de markt, in de microbrouwerij, op het podium voor concerten, stand-up of improvisatie, maar ook in de ‘tap room’: overal staat de mens centraal op deze locatie in Itter, waar delen het sleutelwoord.


Cédric Gérard is een hyperactieve creatieveling die al meer dan twintig jaar actief is in de horeca- en evenementensector. Hij is oprichter van MiamStramGram (begraafplaats van Elsene), van Païdia (sportcentrum in het Zoniënwoud) en, ietwat recenter, van de Brusselse bars-restaurants CaliCheZap, Be My Stoemp, maar ook van Cali Club (Drogenbos) waar concerten en stand-up worden georganiseerd.

Tijdens zijn parcours liet het verlangen om bier te brouwen en het brouwproces van A tot Z te doorgronden hem niet los. “Nadat ik een microbrouwerij had ingericht in de Sint-Gorikshallen en er een bier had ontwikkeld, wilde ik graag meer en een grootschaliger project opstarten, dat toch de menselijke schaal bleef behouden.

Cédric ging dan ook op zoek naar een huurpand in Brussel, maar het werd uiteindelijk in Itter, waar hij nu vijf jaar woont, dat hij een hangar vond. Hij besliste er veel meer dan de zoveelste brasserie in onder te brengen : het werd een ruimte waar leven en uitwisseling centraal staan, met een markt, een podium voor concerten, stand-up en improvisatie, maar ook een ‘tap room’. “Ik wilde Itter in de eerste plaats een gezellige plaats bieden om samen te komen. Het is een geweldige gemeente, met een culturele en politieke beleving die sterk op de mens is gericht.

Deze gepassioneerde man wilde de producenten op die manier de kans bieden om in dezelfde filosofie te werken en mensen te ontmoeten. “Ik wilde hen graag kunnen uitleggen waar de producten vandaan komen en hoe ze verwerkt worden, zodat ze begrijpen waarmee ze bezig zijn. Het is voor ons essentieel om mannen en vrouwen in het middelpunt te plaatsen.

Elke dag een lokale markt

In het licht van de circulaire cultuur viel de keuze voor de dagelijkse markt dan ook vanzelfsprekend op lokale producenten. Cédric, die zich omringde met een team van acht medewerkers, vertrouwde François de selectie toe van de kruidenierwaren (in bulk of niet), groente en fruit, en ook van de kazen. Deze jongeman van
26 jaar oud weet alles van de herkomst van de producten die hij aanbiedt. Hij wil ook verspilling tegengaan. “Onze groente en fruit zijn afkomstig van een boerderij uit de buurt en andere worden aangeboden via het provinciale platform ‘Made in BW’. Als het fruit er niet al te best uitziet, geven we het weg, eerder dan het weg te gooien. Ik heb gekozen voor Belgische, Franse en Zwitserse kazen, hoofdzakelijk met rauwe melk, maar er zitten ook gepasteuriseerde kazen bij. We blijven zoveel mogelijk in België en gaan nooit buiten Europa” vertelt François.

Op de markt kan je ook eieren en melkproducten kopen, afkomstig van de naburige boerderij waar de koeien deels worden gevoed met de gerstmout van het bier dat wordt gebrouwen in de Bobbi Brewery. Van de bloemenhoning van Charles Docquir in Ramillies, over de bloem van boerderij Gala in Genappe, de spreads van Bocolibri in Tubize, de Waverse confituur met 100 % vruchten of de pasta op basis van Brabantse bloem, de klant vindt er alles wat hij nodig heeft. De slager, die ook charcutier is, fokt zelf zijn vee dat hij begeleidt tot in het slachthuis. De bakker komt uit Lillois, het buurdorp, en biedt een mooi assortiment smakelijke broodjes aan waartussen het moeilijk kiezen is. De visboer, een visser uit Bretagne, komt elke vrijdag langs met zijn bestelwagen, en deelt zijn passie met de klanten.

De gezondheidscrisis
“Chez Bobbi, dat is vooral een ruimte waar geleefd wordt, via de markt, het podium en de tap room”, vertelt Cédric. “Door corona is alles natuurlijk stilgevallen, en we hebben niemand meer gezien ! Voorstellingen mochten niet meer, catering en degustaties waren verboden, we moesten het terras sluiten … Niet alleen economisch, maar ook moreel en sociaal ging het slecht. De markt deed het daarentegen wel goed, mogelijk omdat mensen zin kregen om te koken en graag weten waar hun producten vandaan komen. Op die manier konden we de huur betalen en hielden we vol. Maar wat me vooral droevig stemt, is dat de culturele sector aan zijn lot wordt overgelaten. We mogen niet meer creëren, geen voorstellingen meer geven, dat is een ramp ! Cultuur is essentieel.”


Gerst uit Itter voor de brasserie

In deze gezellige ruimte vallen de schitterende bar bij de ingang en de grote biervaten achterin meteen op. Ook bij het brouwen van dat bier geeft Cédric Gérard voorrang aan kwaliteit boven kwantiteit. De ter plaatse gebottelde bieren worden, volgens het ritme van de seizoenen, bereid met gerst uit Hoog-Itter. Afhankelijk van de inspiratie wordt er geëxperimenteerd met nieuwe recepten, zoals pils, een van de moeilijkste bieren om te maken door de koude gisting. “Deze brasserie, vlak naast het podium, weerspiegelt op een bepaalde manier de geest van Chez Bobbi”, benadrukt Cédric. Hij legt uit: “We stellen deze ruimte ter beschikking van, de artiesten. De etiketten van de flesjes zijn voor hen een communicatiemiddel geworden. Eerst boden we de tegenetiketten aan schilders en illustratoren aan, daarna aan streetart-kunstenaars en binnenkort ook aan Dj’s, die al meer dan een jaar stilzitten. Vierentwintig Dj’s krijgen op die manier de kans zich uit te drukken via een QR-code, zodat mensen naar hun muziek kunnen luisteren terwijl ze een biertje drinken.

De ter plaatse gebottelde bieren worden, volgens het ritme van de seizoenen, bereid met gerst uit Hoog-Itter.


Welkom, kunstenaars!

Chez Bobbi, dat is ook een evenementenzaal met een enorm podium waarop in normale tijden een nauwkeurig samengestelde programmatie te bekijken valt. Het team specialiseert zich al meerdere jaren in stand-up, maar het is vooral de originaliteit van de artistieke prestaties die doorslaggevend blijkt. “We organiseren zowel concerten als improvisatie- en poëzie-optredens. We bieden bekende artiesten, maar ook nieuw talent een podium.

Op de eerste verdieping kunnen verenigingen, gezinnen of vrienden terecht in de ‘tap room’ voor vergaderingen of om samen kaart te spelen, een glas te drinken of een hapje te eten.

Chez Bobbi
Chaussée de Nivelles 37a
B-1461 Haut-Ittre
+ 32 (0) 2 343 04 52

www.chezbobbi.be

DOET DE KRACHT VAN ENZYMEN HERLEVEN


George en Gordon Blackman

Realco is een pionier op het gebied van enzymatische hygiëneoplossingen, die 100% biologisch afbreekbaar zijn.
Het bedrijf, dat sinds 1995 in Louvain-la-Neuve is gevestigd, versterkt nu zijn marktleiderschap door uitbreiding naar het buitenland.


Escherichia coli, Salmonella en Listeria zijn enkele voorbeelden van onzichtbare organismen die mogelijk verwoestende gevolgen kunnen hebben voor de voedingsmiddelenindustrie en grootkeukens. Lange tijd vertrouwde men uitsluitend op chemische middelen om deze ziekmakende bacteriën klein te krijgen. De komst van Realco heeft de regels van dit gevecht om de gezondheid ingrijpend veranderd. Dit bedrijf, dat in 1991 werd overgenomen door Gordon Blackman, heeft namelijk de bijzondere eigenschappen van natuurlijke enzymen ontdekt en reinigings- en waterzuiveringsproducten op de markt gebracht die 100 % biologisch afbreekbaar zijn.

Vier werkterreinen

Realco is actief in vier bedrijfssectoren. Het belangrijkste qua volume is de voedingsmiddelenindustrie, die onderverdeeld kan worden in industriële productiebedrijven en grootkeukens. Hier maakt Realco de dagelijkse reiniging van productielijnen en installaties mogelijk. Daarnaast zijn er de producten die bestemd zijn voor hygiëne in huis, waaronder de eezym-lijn, die in supermarkten worden verkocht. Hoewel het door de komst van het coronavirus steeds belangrijker is om het huis te ontsmetten, kan men bepaalde chemische ontsmettingsmiddelen beter niet te veel gebruiken. Op lange termijn kunnen bacteriën er namelijk resistent van worden. De natuurlijke enzymen in de producten van Realco breken het vuil af en garanderen daarbij een grondige reiniging die de bacteriën aanpakt maar het milieu ontziet. Verder is er een productlijn voor de reiniging van zwembaden verkrijgbaar die plotseling in trek was tijdens de lockdown. Tot slot is OneLife een dochteronderneming die zich richt op de ontsmetting van ziekenhuisomgevingen.

Met hulp van de UCL en het INRA

Sinds het begin werkt Realco nauw samen met universiteitslaboratoria. Zo kon Realco dankzij de wetenschappelijke inbreng van de UCL en het INRA (Franse nationaal instituut voor landbouwkundig onderzoek) de aanwezigheid van biofilms aantonen en oplossingen toepassen om deze te verwijderen. Een biofilm is een beschermende matrix die wordt gevormd door de ophoping van bacteriën en die zeer moeilijk te vernietigen is met traditionele reinigings- en ontsmettingsmiddelen. Dat komt omdat de bacteriën in een biofilm tot duizend keer resistenter zijn dan bacteriën in de vorm van planktoncellen. Door zijn aanbod van enzymatische producten kan Realco een preventieve en curatieve behandeling van biofilms garanderen.

De expansiestrategie van het bedrijf draait om onderzoek en ontwikkeling. Niet alleen om de bestaande producten voortdurend verder te verbeteren, maar ook om nieuwe producten of protocollen te ontwikkelen. “We hebben drie jaar gewerkt aan een enzymatisch reinigingsproces voor productielijnen, waardoor bedrijven uit de voedingsmiddelenindustrie de uiterste gebruiksdatum van hun producten kunnen verlengen. Deze resultaten zijn overigens bevestigd door de publicatie van een artikel in een wetenschappelijk tijdschrift.


De natuurlijke enzymen uit de producten van Realco breken het vuil af op een milieuvriendelijke wijze.

De vooroordelen tegen ‘groene chemie’

Realco kent geen echte concurrentie voor zijn producten, maar moet toch altijd rekening houden met onbegrip en hardnekkige vooroordelen ten aanzien van ‘groene chemie’. “Het idee dat ecologische producten minder goed werken dan traditionele producten, leeft nog steeds bij een deel van het publiek. Omdat onze prijs iets hoger is, aarzelen sommige mensen om de sprong te wagen. Gelukkig krijgen we feedback van consumenten die de werkzaamheid van onze oplossingen benadrukken en bewijzen dat we gelijk hebben.

Voor Realco is groene chemie meer dan alleen een slogan. Het bedrijf heeft trouwens een milieuhandvest ondertekend dat een milieuvriendelijk afval- en energiebeheer bevordert en het personeel aanmoedigt om de fiets te nemen voor alle korte afstanden.

Dochterondernemingen in het buitenland

Naast de verkoop van zijn producten verleent het bedrijf ook advies- en begeleidingsdiensten. Zo kan Realco zijn klanten helpen om de beste hygiënestrategie te formuleren door eerst de bacteriën te identificeren en vervolgens het meest geschikte product te kiezen. “Bedrijven hebben vaak reinigingsprotocollen die goed werken, maar niet altijd foutloos zijn. We proberen aansluiting bij het proces te vinden om het nog efficiënter te maken.

Realco is via een netwerk van partners en distributeurs vrijwel overal aanwezig in het buitenland en wil zich bovendien via dochterondernemingen in andere werelddelen vestigen. Omdat de Belgische dreumes het op wereldniveau moet opnemen tegen grote ondernemingen, is het van het grootste belang om stevig voet aan de grond te hebben in het buitenland. “We hebben een dochteronderneming genaamd Realzyme in de Verenigde Staten, waar drie mensen werken. En we zijn de meest geschikte locatie aan het evalueren om een dochteronderneming in Azië te openen.

Eerst brand, toen het coronavirus!

2020 zal in twee opzichten een gedenkwaardig jaar zijn in de geschiedenis van Realco, dat tegenwoordig wordt geleid door George Blackman. In januari werden de productie- en opslagruimtes van het bedrijf in het wetenschapspark van Louvain-la-Neuve volledig door brand verwoest. Gelukkig vielen er geen slachtoffers en bleven de managementstructuur en R&D-voorzieningen onaangetast. Twee maanden later sloeg de coronapandemie toe en ging de hele planeet in lockdown ! Het bedrijf, dat werkt biedt aan 53 mensen, heeft deze twee zware klappen gelukkig zonder langetermijnschade doorstaan.

We hebben niemand hoeven te ontslaan”, zegt productmanager Valentine Neirynck verheugd. “Het personeel stelde zich heel flexibel op. Sommige functies moesten natuurlijk tijdelijk anders worden ingevuld. Er waren bijvoorbeeld verkopers die op de verpakkingsafdeling kwamen helpen. Het is echt aan de betrokkenheid van onze medewerkers te danken dat we de moeilijkheden te boven zijn gekomen.

De continuïteit ten opzichte van de klanten kon gewaarborgd worden door samen te werken met onderaannemers. “We konden rekenen op de voorraden die nog beschikbaar waren bij partners en distributeurs. En door de inzet van onderaannemers konden we de productie binnen zes weken weer hervatten.

Het is nog niet te overzien hoe verstrekkend de gevolgen van de coronapandemie zijn, maar één ding is wel duidelijk : ontsmetting en hygiëne staan meer dan ooit op de agenda ! Hoewel zijn producten en basisactiviteiten niet direct getroffen waren, heeft Realco zijn steentje bijgedragen door de productie van hydroalcoholische gel, die volgens een zorgvuldig vastgelegde formule gemaakt moet worden. “Mede hierdoor konden we het hoofd boven water houden.”


www.realco.be

JAAGT OP BEELDEN EN VERHALEN


© Jean-Marc Joseph

Je ziet hem in de Namibische woestijn of op het spoor van de poolvos op Spitsbergen, maar ook in de steengroeve van Hermalle-sous-Huy, waar vroedmeesterpadden en gele zandklaver de verlaten ruimte koloniseren. Een ontmoeting met Tanguy Dumortier, die het TV-programma Le Jardin extraordinaire in handen heeft.


Hoe geraakte deze Brusselaar als kind reeds verslingerd op de natuur ? “Ons huis in het zuiden van de hoofdstad had slecht een koertje van 4 op 5 meter. Zodra ik het kon, trok ik samen met mijn broers naar het Zoniënwoud”, vertelt Tanguy Dumortier. “Een prachtig speelterrein, waarover ik veel fantaseerde ! ” Toen hij zeven of acht jaar was, schreef hij verhalen over wolven in een ‘dagboek’ dat hij van geplooide vellen papier had gemaakt. Toen hij later met de scouts op kamp ging, ontdekte hij de Waalse buiten.

Daarna volgde hij een gidsenopleiding bij de ‘Cercle des naturalistes de Belgique’ en nadat hij een master in Romaanse talen en letterkunde had behaald aan de UCLouvain, in Louvain-la-Neuve, onderwees hij nog een beetje in Vlaanderen en in Mexico. Maar hij wilde meer beweging in zijn leven en zijn letterkundige bagage zette hem ertoe aan journalistiek te gaan studeren. Vervolgens waagde hij zijn kans bij de ‘Bourse René Payot’, een wedstrijd die werd georganiseerd door de Franstalige openbare radiozenders, waarvoor hij een paradoxale reportage maakt over … de klank van de stilte. “Ik vond het interessant en innoverend om over stilte te praten voor een medium dat klank nodig heeft”, legt hij uit. “Dat bracht me bij muzikanten, bij mensen die geen stem meer hadden, bij deelnemers aan stille optochten …

En zijn durf loont. De jonge afgestudeerde wint de beurs en verdient zijn eerste journalistieke sporen bij Radio France en Radio Canada. Dan wordt hij aangeworven door de RTBF om regionaal nieuws te brengen in de uitzending 18h30, die al spoedig Au Quotidien wordt. Daarna presenteert hij afwisselend met Ophélie Fontana en Eric Boever de 12 Minutes, die om 22 uur een samenvatting van het nieuws brengt op La Deux. “Een interessante oefening, waarbij ik op mijn eentje leerde werken, zeer snel schrijven en het nieuws beknopt en nauwkeurig brengen”.

“ Ik op mijn eentje leerde werken, zeer snel schrijven en het nieuws beknopt en nauwkeurig brengen. ”

 

BIO EXPRESS
1980: Geboorte te Brussel
2002: Master in Romaanse talen en letterkunde aan de UCLouvain
2004: Opleiding aan de Journalistenschool van de UCLouvain / Stagiair bij Radio France en Radio Canada
2005-2010: Presentator van Au Quotidien en van 12 Minutes op de RTBF
2010-2014: Zelfstandig reporter in Afrika
2014: Presentator van Le Jardin extraordinaire
2016: Voorzitter van het Internationaal Natuurfestival van Namen


Van de studio’s naar de Afrikaanse natuur

Maar de ‘behoefte om buiten te zijn’ laat hem niet los. “Altijd in de studio zitten, was niets voor mij”. Hij vertrekt dan ook naar Rwanda, waar zijn toenmalige vriendin onderwijzeres was, en gaat er aan de slag als zelfstandig producer en cameraman om reportages over de natuur in Centraal-Afrika te maken.

Een boeiende tijd, vol ontdekkingen, vrijheid en soms risico’s … ik heb daar enorm veel geleerd. Ik had het geluk dat ik, alleen of met enkele medewerkers naar plaatsen, kon gaan waar weinig filmploegen kunnen komen.

In de Rwenzori, op een hoogte van meer dan 5000 meter, ontdekt hij de stilte van het hooggebergte. Hij ziet er een zeer gevarieerde natuur : van bamboewouden tot enorme savannevlakten, van vleesetende roofdieren tot vegetarische gorilla’s, van de grootste zoogdieren tot de kleinste kameleons. Hij verkent de mooiste nationale parken van Congo : het Virungapark, dat het terrein van de berggorilla’s is ; het Garambapark, dat het laatste bastion van de grootste olifantenpopulatie is ; het Kahuzi-Biegapark, met zijn twee vulkanen ; het Mangrove-zeepark aan de monding van de Congostroom, waar de lederschildpadden zich komen voortplanten op een heel klein strand …

Die expedities leveren meer bepaald verscheidene films voor de Europese Commissie op over de nationale parken in Afrika. Beelden die recht doen aan de nationale parken die worden gefinancierd door het Ontwikkelingsprogramma van de Verenigde Naties voor West-Afrika. En met journalist Philippe Lamair maakt hij voor Exploration du Monde een tournee over de grote parken van Oost-Congo.


© Tanguy Dumortier en Philippe Taminiaux


© Tanguy Dumortier

Die expedities leveren meer bepaald verscheidene films voor de Europese Commissie op over de nationale parken in Afrika.


De uitzending die alle records breekt

Het is niet meer dan normaal dat de RTBF aan Tanguy Dumortier voorstelt Claudine Brasseur op te volgen als hoofd van Le Jardin extraordinaire, een uitzending met reportages over natuur en milieu. Van de weidse ruimte naar het kleine scherm, dat is toch een hele stap voor deze wereldreiziger. Maar ook een mooie uitdaging, aangezien Le Jardin het ene record na het andere boekt : kampioen van de openbare omroep (55 jaar en meer dan 2000 uitzending), samen met het Nieuws, het oudste programma in Europa en het eerste van de zender dat (in 1971) in kleur wordt gebracht.

Lang moest ik daar niet over nadenken. Ik kende het programma, ik had er verscheidene reportages voor gemaakt en ik had terreinervaring. Het was een opwindende uitdaging ! Le Jardin extraordinaire geeft enorm veel weerklank aan de natuur. Het houdt de vinger al een halve eeuw aan de pols van het publiek en heeft zich in de loop der jaren aangepast aan de manier waarop men naar het milieu kijkt.

Sinds 2014 hebben Tanguy Dumortier en zijn heel klein team de wereld rondgereisd, maar ook ons eigen land, dat te weinig gekend is. “Dat is het doel van het programma en dat heeft het meeste effect”, legt de presentator uit. “Tonen wat nabij is, de kijkers naar de natuur leren kijken om ze te begrijpen, te respecteren, er vertrouwd mee te worden. Niet de kijkcijfers van Le Jardin extraordinaire zijn de echte beloning, maar het verlangen en de roepingen die het programma kan wekken.


© Jean-Marc Joseph

Sinds 2014 hebben Tanguy Dumortier en zijn heel klein team de wereld rondgereisd.

 

Zijn eigen buitengewone tuin te Virginal

Nabije hoekjes waar deze inwoner van het Waals-Brabantse Virginal graag komt. Zoals het Bos van La Houssière. Of dat van Lauzelle, in Louvain-la-Neuve, dat dankzij boswachter Jean-Claude Mangeot een mooi voorbeeld van natuurbeheer is. Of nog dichterbij … “In mijn tuintje, waar ik het wilde leven toelaat. Door ‘onkruid’ niet uit te trekken en door een stapel hout te laten liggen, heb ik gezorgd voor een explosie van biodiversiteit. Er zijn nu meer vogels, maar ook egels en fluwijnen …

Bijna zes jaar werkt hij nu voor Le Jardin extraordinaire. Is het opwindend dat je de indruk hebt dat je sommige groepen van kijkers hebt veroverd of heroverd ? “Op persoonlijk vlak is het heel vermoeiend. Vijf tot zes maanden per jaar in het buitenland, dan de films monteren, zo schiet er niet veel tijd over voor iets anders”, zegt deze papa van twee dochters. Is er nog een plaats die hij heel graag zou verkennen ? “Bij wijze van boutade zeg ik tegen mijn collega’s wel eens dat ze me naar de ruimte mogen sturen, als ze van mij af willen !

 


© Gaël Locoutre

Het Natuurfestival van Namen

In 2016 heeft Tanguy Dumortier ook de leiding op zich genomen van het Internationaal Natuurfestival van Namen, een wedstrijd die plaatsvindt in oktober en die aan iedereen de mogelijkheid biedt om kortfilms te maken over de natuur en die te tonen. “Om dat festival voor te zitten, moet je je in de plaats van de toeschouwers stellen en keuzes maken waardoor ze verwachte en onverwachte dingen te zien krijgen. Dat is een andere soort uitdaging, maar een geweldige springplank ! Zonder dat festival zou ik niet staan waar ik nu sta. In 2009 heb ik er Expédition barge voorgesteld, het portret van de grutto en van Yves Fagniart, een schilder die deze vogel volgde van Senegal tot IJsland. Er volgden nog andere films, zoals Le réveil des Virunga, die werd gemaakt met Philippe Lamair, en Le continent des couleurs, met Philippe Taminiaux, die allebei in première gingen op het Natuurfestival van Namen en vervolgens bekendheid verwierven dankzij het magazine National Geographic.

“ Niet de kijkcijfers van Le Jardin extraordinaire zijn de echte beloning, maar het verlangen en de roepingen die het programma kan wekken.”


MEER EIGEN PRODUCTIES

Terwijl Le Jardin extraordinaire vroeger vooral aangekochte documentaires uitzond, brengt het programma nu meer eigen producties. Dat wil het team en dat is nodig. “Nu veel platforms natuur en milieureportages aanbieden in streaming, is het interessant geïndividualiseerde inhoud te maken, die van ons is”, legt Tanguy Dumortier uit.Bovendien is het tegenwoordig veel gemakkelijker om voordeliger tamelijk klein materiaal te kopen. We hebben dat gezien tijdens de recente lockdown-periode : kijkers die de natuur in hun tuin observeerden, stuurden ons video’s die soms treffend en ontroerend waren. In mijn ‘boekentas’ raak ik een fototoestel, een telelens, een micro en zelfs een drone kwijt …

Men beseft niet dat het werk voor elke uitzending zes maanden tot één jaar op voorhand begint, volgens verschillende criteria. “We zoeken kleine en grote, nabije en verre onderwerpen, naargelang de seizoenen, we praten met wetenschappers, luisteren naar boodschappen en suggesties van kijkers.” Voor buitenlandse reportages moeten we nagaan of ze doenbaar en economisch verantwoord zijn : plaatselijke contacten, logeermogelijkheden, totale kosten … “Ter plaatse hangen we altijd af van de grillen van het weer. En wat drie dagen opnamen zou vergen met menselijke acteurs, kan uiteraard veel meer tijd vragen in de natuur. De natuur is traag en onvoorspelbaar. Je kunt geluk of tegenslag hebben.”

Een team op reportage sturen naar de andere kant van de wereld, kost bovendien geld. “Het is een kwestie van korte, middellange of lange termijn, voert de globetrotter aan met een ‘huiselijk’ voorbeeld. “Op korte termijn is op restaurant gaan minder duur dan materieel kopen om zelf te koken. Maar na enkele jaren zal de kostprijs van dat materieel gedelgd zijn en zal men hebben leren koken. Er is dan een echte toegevoegde waarde en een grotere kennis, die men kan gebruiken en doorgeven.

“In mijn ‘boekentas’ raak ik een fototoestel, een telelens, een micro en zelfs een drone kwijt ...”


Samenwerking met de universiteit van Luik

Het is goed om weten dat een dertigtal door Tanguy Dumortier en zijn team gemaakte reportages worden aangeboden op het Auvio-platform van de RTBF. Sommige worden verkocht aan zenders zoals de VRT of TV5 Monde, maar er worden ook andere wegen gebruikt. Een aantal reportages worden gemaakt in coproductie met Clair-obscur Productions, een Brusselse firma die meer bepaald belangstelling heeft voor het behoud van het natuurlijk erfgoed. Bovendien wordt er samengewerkt met onderzoekers van de universiteit van Luik, met ambassades … Zo heeft Tanguy Dumortier bijvoorbeeld Fany Brotcorne gevolgd, de primatologe van de Luikse universiteit, die onderzoek doet naar het moeilijke samenleven van makaken en de plaatselijke bevolking van de stad Ubud, op Bali. Of de oceanografe Sylvie Gobert, die gedurende verscheidene maanden per jaar het water rond Corsica onderzoekt in het ULG-station Stareso, in het noorden van het eiland. “Het verhaal vertellen van de mannen en vrouwen die de natuur beschermen, is ook een van de doeltellingen van het programma”, besluit de presentator ervan.


© Tanguy Dumortier

VAN HOUT NAAR SCHOON GAS

Eind december 2019 kreeg Xylowatt het Efficient Solutions-keurmerk voor zijn Notar® vergassingstechnologie. Een terechte erkenning voor deze start-up uit Louvain-la-Neuve, die groene energie produceert op basis van houtresten. En die zelfs naar Japan exporteert.



©GCO

Het Efficient Solutions-keurmerk wordt toegekend door de Solar Impulse Foundation, genoemd naar het zonnevliegtuig waarmee Bertrand Piccard en André Borschberg in 2015-2016 een reis om de wereld maakten. Het is een certificering voor milieuvriendelijke oplossingen die winst en werkgelegenheid mogelijk maken, terwijl ze de uitstoot van verontreinigende stoffen verminderen en natuurlijke hulpbronnen beschermen. Door de ontwikkeling en perfectionering van de Notar® sluit Xylowatt daarbij aan. Deze innovatieve technologie maakt het namelijk mogelijk om een schoon synthesegas te produceren door biomassa van natuurlijk hout (houtsnippers, takken enz.) en gerecycleerd hout (oude pallets, kisten enz.) te vergassen. Bij gebruik in een warmtekrachtkoppelingsmotor kan met dit gas vervolgens elektriciteit, warmte of kou worden opgewekt.

De sector van de hernieuwbare energie loopt al jarenlang voorop”, zegt Geoffroy Corbisier, Business Development Manager van Xylowatt. “Zonnepanelen en windmolens zijn nu volwassen technologieën, die zich op hun kruissnelheid ontwikkelen maar slechts tijdelijk energie kunnen opwekken. Zonnepanelen kunnen dat alleen overdag en windmolens alleen wanneer het waait, wat voor grote opslagproblemen zorgt. Onze vergassingstechniek berust daarentegen op processen die 24 uur per dag in bedrijf zijn. Ze worden namelijk van brandstof voorzien door lokale biomassa die op basis van de vraag kan worden opgeslagen. Dat is bijzonder interessant voor bedrijven of overheden waarvan het personeel dag en nacht werkt, zoals het CHU UCL Namur. In 2017 hebben we op het terrein van de instelling in Mont-Godinne een vergasser geïnstalleerd waardoor het ziekenhuis voor een groot deel in zijn elektriciteits-, verwarmings- en koelingsbehoeften kan voorzien.

Een spin-off van de UCL

Xylowatt is een spin-off van de UCL, die in 2001 werd opgezet door voormalige onderzoekers van de universiteit die werkten aan de ontwikkeling van een innovatieve technologie om biomassa om te zetten. Het bedrijf kreeg internationale erkenning in 2007, toen zijn Notar® reactor na twee jaar van intensief onderzoek gereed was. Met deze reactor kan een gas van zeer hoge kwaliteit zonder teer worden geproduceerd. “Wij zijn niet de enigen die schoon gas produceren”, verduidelijkt Corbisier. “In verschillende landen, zoals Duitsland en Italië, zijn er bedrijven die kleine installaties met 50 of 100 kW elektrisch vermogen (kWe) ontwerpen. Er zijn ook bedrijven die gespecialiseerd zijn in het ontwerpen van zeer grote gasbehandelingsinstallaties voor grote ondernemingen, maar wij zijn een van de weinigen in de wereld die werken met compacte vergassers in het intermediaire vermogensbereik, dat wil zeggen van 750 tot 3000 kWe.

“ Onze vergassingstechniek berust daarentegen op processen die 24 uur per dag in bedrijf zijn. Ze worden namelijk van brandstof voorzien door lokale biomassa die op basis van de vraag kan worden opgeslagen.”


Vanaf deze historische datum voor het bedrijf kon Xylowatt zich dus echt op de markt positioneren als ontwerper en installateur van warmtekrachtkoppelingscentrales die hout als brandstof gebruiken. In 2009 profiteerde het gemeentelijk zwembad van Doornik als eerste van de voordelen van de Notar® technologie. Om zijn onderzoeksactiviteiten voort te zetten, liet het bedrijf daarna een proeffabriek bouwen bij het Institute of Mechanics van de UCL. Daarna was het de beurt aan een flessenfabrikant in de Champagne, waar het gas geen warmtekrachtkoppelingsmotor laat draaien maar direct een glasoven voedt, en het ziekenhuis van Mont-Godinne. In België en Engeland zijn nog andere vergassers geïnstalleerd, maar terwijl het bedrijf een daling van de gasprijs moet opvangen, leggen zijn teams nu de laatste hand aan projecten voor centrales in de Balkan en Japan, waar sinds het ongeluk in Fukushima een zeer voortvarend beleid wordt gevoerd om hernieuwbare energie te ontwikkelen.

Samenwerking met de John Cockerill Group

Het zijn geen projecten die sleutelklaar worden opgeleverd. Elke situatie moet onderzocht worden op basis van de specifieke behoeften van onze klanten. Daarom duurt het twee tot drie jaar om een vergasser te ontwikkelen. Vanuit dat oogpunt is de groep CMI (John Cockerill, red.) in 2014 onze industriële partner en een van onze aandeelhouders geworden. Tot 2014 werden onze vergassers intern in onze eigen werkplaatsen gebouwd, maar sindsdien besteden we het werk uit aan gespecialiseerde Belgische en buitenlandse bedrijven, terwijl CMI verantwoordelijk is voor de coördinatie van de assemblage. De technische bekwaamheid van CMI is ons zeer dierbaar. Voor onze projecten in Japan ligt de zaak iets anders. De onderdelen worden namelijk in Europa vervaardigd en in Japan geassembleerd.

Hoe kijkt het bedrijf naar de toekomst ? Voor bedrijven als Xylowatt, dat momenteel meer dan twintig mensen in dienst heeft, zijn de vooruitzichten voor alternatieve energie en duurzame ontwikkeling nog altijd zeer goed, maar Geoffroy Corbisier merkt wel dat de aandacht onvermijdelijk naar het gebied van de volksgezondheid zal verschuiven door de huidige toestand in verband met het coronavirus. Gaan we zien dat bepaalde bedrijven zich een tijdje onttrekken aan hun verantwoordelijkheid op het gebied van milieu en klimaat ? Ik hoop in elk geval dat de miljarden die nu in de economie worden gepompt, een nieuwe impuls kunnen geven om te komen tot een duurzame economie waarin welzijn samengaat met milieu.

www.xylowatt.com

ZIJN ‘KLEINZOON’ IS AL 16 !

Vlak bij de oude abdij van Aywiers, in Couture-Saint-Germain, een deelgemeente van Lasne, is Sébastien Leroy chef en eigenaar van ‘Petit-Fils’. In dit restaurant, gevestigd in een mooi woonhuis met gezellig interieur, deelt deze gepassioneerde kok zijn liefde voor het vak met zijn gasten.

 


© Droits réservés

Sébastien Leroy werd geboren in het Franse Villeneuve d’Ascq. Al op erg jonge leeftijd verhuisde hij samen met zijn ouders naar Waals-Brabant, waar hij ging studeren aan het Collège Cardinal Mercier, in Eigenbrakel.

We woonden in Waterloo en toen ik 15 was, moest ik opnieuw een studiekeuze maken. Mijn moeder wees me erop dat ik al vanaf de leeftijd van vier jaar altijd belangstelling had getoond voor wat zij in de keuken klaarmaakte. Aan tafel had ik het steeds over de smaak van de ingrediënten en kruiden, en toen al vond ze dat ik kok moest worden. Ze stelde voor dat ik zou kiezen voor het hotelwezen en dat heb ik dan ook gedaan. Maar eigenlijk had ik meer interesse voor de praktijk dan voor de theorie, en al snel koos ik voor een leercontract, zodat ik de realiteit op het terrein kon leren kennen”.

“ Mijn moeder wees me erop dat ik al vanaf de leeftijd van vier jaar altijd belangstelling had getoond voor wat zij in de keuken klaarmaakte. Aan tafel had ik het steeds over de smaak van de ingrediënten en kruiden, en toen al vond ze dat ik kok moest worden.”


Met zijn eerste leercontract bij ‘La Cuisine au Vert’ in Waterloo op zak, trok Sébastien naar ‘La Salicorne’ in Terhulpen, waar hij bijna acht jaar lang second de cuisine was. Hoewel hij van plan was om wegens persoonlijke problemen naar Sint-Maarten in de Caraïben te trekken, keerde hij terug naar ‘La Cuisine au Vert’, dit keer als chef, waar hij vijf jaar zou blijven. Stilaan groeide het verlangen naar een eigen restaurant. Hij deed wat onderzoek in de streek en in oktober 2003 viel zijn oog op het charmante oude restaurant van Hervé Delfosse, ‘Cœlacanthe’, in Couture-Saint-Germain.

Voor een toegankelijke gastronomie

Na een paar verbouwingswerken opende ik in januari 2004 ‘Le Petit-Fils’. Ik was toen 33 jaar oud. Ik werd al gauw beschouwd als een duur restaurant, terwijl dat absoluut niet zo was. Ik wilde een gezellige plek creëren en correcte, smaakvolle gerechten aanbieden, zonder echter het imago van een duur en gemaakt gastronomisch restaurant te willen uitstralen. Sinds een aantal jaar sluit ik me eerder aan bij de filosofie van de Bib Gourmand dan bij die van de sterren van de Michelingids. Ik probeer gastronomie voor zoveel mogelijk mensen toegankelijk te maken, en werk altijd met mooie producten. Ik wil de smaken tot hun recht laten komen, in combinatie met mooie garnituren, bijvoorbeeld door een stuk vis of vlees op te dienen met selderij die op verschillende manieren is bereid. Ik ben voorstander van een gulle, smakelijke keuken, en laat me daarbij vaak inspireren door mediterrane kruiden en specerijen”.


© Droits réservés

Aandacht voor lokale producten

Sinds 2011 is Sébastien Maître Rôtisseur de Belgique. Zijn vlees en gevogelte is rechtstreeks afkomstig van de Brusselse leverancier Pieters, de vis en schaaldieren komen van de beste Belgische vishandels. Hij werkt het liefst met seizoensgroente en -fruit van de vroegmarkt, maar in de mate van het mogelijke ook met lokale producenten, zoals ‘Les Délices de Pinchart ‘in Ottignies (asperges, aardbeien …). Het brood wordt ter plaatse gekneed en gebakken. Met uitzondering van het ijs, dat hij aankoopt bij Luc Walry uit Genval, en een aantal ambachtelijke zoete lekkernijen, maakt hij alles zelf. “Ik zou daar graag nog verder in willen gaan, maar dat vraagt tijd en ook regelmatige leveringen door de producenten. En we moeten kunnen inspelen op de vraag van onze klanten”.

‘Bib gourmand’, een bevestiging

In 2013 werd Sébastién beloond met een Bib Gourmand in de beroemde rode gids. “Op die manier werd ik vermeld in een gids, die aansluit bij mijn filosofie en kon ik een nieuwe clientèle bereiken die ons nog niet kende. Het bood me vooral de gelegenheid om te laten zien dat je bij ons kwalitatief hoogstaande gerechten krijgt voorgeschoteld, die huisbereid zijn, tegen een correcte prijs en zonder verrassingen. Je komt hierheen om eventjes te ontspannen aan tafel, met zijn tweetjes, met het gezin of met de collega’s. En dat meerdere keren per maand.

Het restaurant biedt elke dag een andere lunch aan, en ‘s avonds is er het menu ‘Petit-Fils’ (3 of 4 gangen). Daarnaast is er nog het Verrassingsmenu waarin de chef zijn inspiratie de vrije loop laat. Dat alles wordt aangevuld door een bijzonder mooie en redelijk geprijsde wijnkaart, waarin Inès, echtgenote en vennote van Sébastien, die in de zaal staat, de klanten wegwijs maakt. Een complementair duo.

“Wat het restaurant betreft heb ik een lockdown van 200 % ingevoerd, en alles stopgezet. De sluiting was onverwacht en kwam voor iedereen als een schok, maar ik heb ervan genoten om wat meer thuis te kunnen zijn. Ik bekijk die momenten met mijn gezin als een geschenk.”

 


© Droits réservés

CORONAVIRUS :
SÉBASTIEN BIJ ZIJN GEZIN

Maar hoe beleefde Sébastien Leroy de coronacrisis ? Met heel wat zorgen, zoals al zijn collega’s, maar ook heel wat mooie momenten … “De sluiting was onverwacht en kwam voor iedereen als een schok, maar ik heb ervan genoten om wat meer thuis te kunnen zijn (hij is vader van een dochtertje, Juliette, nvdr). Ik bekijk die momenten met mijn gezin als een geschenk. Wat het restaurant betreft heb ik een lockdown van 200 % ingevoerd, en alles stopgezet. Ik heb ervoor gekozen om geen afhaalgerechten te bereiden, om de kosten maximaal te drukken en bepaalde facturen te kunnen stopzetten, zoals de waterfactuur. Ons voordeel is dat we ‘klein’ zijn. Onze situatie is dan ook minder tragisch dan die van grotere huizen die huur moeten betalen en veel hogere kosten hebben. Toch zullen we wel wat steun kunnen gebruiken. Gelukkig kunnen we rekenen op een aantal trouwe klanten. Een van hen bood ons zelfs aan om indien nodig te helpen …” De chef besluit : “De komende maanden zullen niet eenvoudig zijn. We zullen een aantal aanpassingen moeten doorvoeren om weer verder te kunnen. Toch zullen we nooit onze filosofie opgeven …”


Le Petit-Fils
Rue de l’Abbaye 13/A
B-1380 Couture-Saint-Germain
+32 (0) 2 633 41 71

www.lepetitfils.be

veel meer dan een wijngaard

De Brabantse vierkanthoeve in Sint-Renelde (Tubeke) is omringd door velden en werd in 1856 opgetrokken door de familie Blondeau-Toubeau. De familie Wautier kocht het gebouw vervolgens aan en bewerkt er al zes generaties lang het land. Sophie groeide er op, samen met haar vader, die traditionele gewassen teelde en ook vee hield. Ze vertelt: “Tijdens de oorlog gaven mijn overgrootouders de dorpsbewoners te eten. In hun herinnering waren die boterhammen even dik als die voor hun eigen kinderen. Om hulde te brengen aan hun vrijgevigheid werd hen een gedenkplaat geschonken. Ze kregen ook twee lederen zetels: die staan inmiddels in de degustatiesalon van onze wijnkelder”.

Die plek vol herinneringen is belangrijk voor Sophie en de rest van de familie. Toch hadden haar broers geen interesse om de boerderij over te nemen. Sophie, psychologe van opleiding, voelde niet de behoefte om de landbouwonderneming als dusdanig voort te zetten. In 2011 begon ze samen met haar man Dimitri na te denken over een overnameproject met renovatie van de schuur, waardoor de locatie weer tot leven kon komen. Door professionele verplichtingen verhuisden Dimitri en Sophie echter naar Oostenrijk. Daar maakten ze kennis met de talloze wijngaarden en beslisten ze ervaring op te doen op een klein perceel. In 2014 bestelden ze al wijnstokken terwijl ze nog niet eens terug in België waren. Zodra ze het participatieve wijngaardproject opstartten in Sint-Renelde, wilden verschillende familieleden er onmiddellijk aan deelnemen. De vennootschap werd opgericht op 27 april 2016. Op een kleine vier hectare plantten ze traditionele druivensoorten uit de Champagne aan: Chardonnay, Pinot Noir et Meunier. Met steun en advies van ervaren wijnbouwers en vinologen kozen ze onmiddellijk voor de biodynamische wijnbouw om in de toekomst een traditionele methode uit te werken. “We kozen er niet voor omdat dit de makkelijke weg was, maar omdat we wilden inzetten op smaakkwaliteit. Bovendien deden we onze eerste ervaringen op in Oostenrijk, wieg van de biodynamische wijnbouw. Het was voor ons dan ook een vanzelfsprekendheid.

Sophie Wautier wilde de gezinsboerderij heel graag redden. Samen met haar man Dimitri koos ze voor de biodynamische wijnbouw, om zo een traditionele kwaliteitsmethode te kunnen ontwikkelen, en vormde ze de schuur om tot wijnkelder en unieke ruimte met een adembenemend uitzicht op de natuur.


Een locatie die voor iedereen openstaat

‘Domaine W’ is veel meer dan een wijngaard, het is ook een ontmoetingsplek die voor iedereen openstaat, net als in het verleden. “Wij willen er een gemeenschap creëren, een oase van rust. Onze dochter Zoé zegt vaak: ‘W, dat zijn wij!’. Mensen, wijnstokken en biodiversiteit. Ook dat laatste vinden we uitermate belangrijk. De wijnbouw is een monocultuur zonder rotatie. We beslisten dan ook om rondom de wijngaard verschillende bomen en bloemen aan te planten. We hebben ook bijenkorven, kippen en schapen. En we zijn zelfvoorzienend voor wat verwarming en elektriciteit betreft”, voegt Sophie nog toe.

Voor de inrichting van het ‘Salon W’, dat openstaat voor leden, maakten Sophie en Dimitri gebruik van oude meubels. De leden van de club en ook de familieleden schonken hen niet alleen meubilair, maar hielpen hen ook bij de renovatie. Zo kregen ze een vier meter brede kast in handen, afkomstig uit het notariskantoor van de oom van Dimitri. Dat enorme meubel, dat niemand wilde omdat het zo enorm groot was, kreeg een bevoorrechte plaats in het salon. Ook een tafel van de schoonouders van Sophie werd gerenoveerd. En zo heeft elk stuk zijn eigen verhaal. “In ‘Salon W’ voelen we ons thuis. Onze kinderen komen hier graag spelen. We zijn er wonderwel in geslaagd om oog te hebben voor de alchemie die tussen al die prachtige mensen ontstaat. Sommigen zeggen zelfs dat ze zich een lid van de familie voelen.

“De twee kuipen beneden en de twee persen zijn klaar voor de oogst van 2020. De eerste cuvée ‘Maison Wautier’ is gepland voor 12 december.”


Eerste wijnoogst in december 2020

Bij de start van hun avontuur wilde het koppel de kelder in december 2019 openen. Zo gezegd zo gedaan! Bij de opening in december 2019 verwelkomde ‘Salon W’ zo’n 500 gasten: vrienden, familie, maar vooral leden van de ‘Club W’ (zie kader). “Het is in de eerste plaats het hoofdkwartier van de leden, want we organiseren er de Vin’dredis, een gelegenheid om elkaar ‘s avonds bij een glas te ontmoeten. Het is ook een heel bijzondere plek – met uitzicht op de wijngaarden aan de ene kant en de kuipen aan de andere kant - voor seminars, lezingen of andere evenementen. Voor de renovatie van de schuur deden we een beroep op de broer van Dimitri, een architect die actief is in de ecologisch verantwoorde bouw. Omdat we aandacht hebben voor het patrimonium, wilden we tevens het originele gebouw respecteren. We moesten wel het hele dak eraf halen om het gebinte opnieuw te kunnen plaatsen. Vandaag zijn de twee kuipen beneden en de twee persen klaar voor de oogst van 2020. De eerste cuvée ‘Maison Wautier’ is gepland voor 12 december.

De ‘Club W’
Om coöperatief lid te worden van ‘Club W’ en deel te nemen aan het Domein bestaan er verschillende formules (vanaf € 500). Bij elke formule wordt het volledige bedrag terugbetaald in de vorm van flessen, verspreid over meerdere jaren. Leden krijgen tevens voorrang bij de aankoop van extra flessen. Ze krijgen bovendien gratis toegang tot een reeks evenementen en workshops (ontmoetingen, degustaties, cursussen … ) over wijn. Tijdens de ‘Vin’dredis’ kunnen ze bovendien gebruikmaken van het ‘Salon W’ om samen of met vrienden een glas wijn te drinken. ‘Gouden’ leden mogen bovendien hun naam geven aan een rij van wijnranken en vrienden uitnodigen bij de inauguratie ervan.


Domaine W
Rue Quenestine 2
B-1480 Saintes
www.domaine-w.be

een overwinning voor het leven 

Na eeuwen van hard labeur in de industrie verwelkomt Tubeke vandaag een nieuw project dat leven brengt, namelijk de bouw van de Quartier des Confluents. De wijk zal verrijzen op de site van de vroegere Forges de Clabecq. De eerstesteenlegging op 5 maart is het startsein van een langverwachte economische herontwikkeling.


De nieuwe wijk komt er op een gesaneerd terrein van 11,5 ha aan de voet van de brug van Clabecq langs het kanaal Charleroi-Brussel. Het vastgoedproject, ontwikkeld door de vennootschap DCI Monaco en gedragen door Sampace (groep Samfi Invest France), is ambitieus. De betrokken partijen beseffen dat hun project de hoop vertolkt van een bevolking die op zoek is naar identiteit. “De inwoners van Tubeke hebben zich meteen achter het project geschaard, daar het een positief alternatief op lange termijn biedt en tegemoetkomt aan bepaalde tekortkomingen”, verklaart Michel Januth, burgemeester van Tubeke. In 2004 bracht Pascal Seret, afkomstig uit Hoei en geassocieerd zaakvoerder bij DCI Monaco, al een bezoek aan de stilgevallen site en stelde toen voor om er een merkendorp te creëren. “Er werd naar me geluisterd, maar de tijd was nog niet rijp. In 2013 heb ik het idee opnieuw voorgelegd aan Michel Januth, die toen pas verkozen was, en ditmaal vond ik wel gehoor.” Het bewijs dat je het goede moment moet kiezen en dat de Tubekenaren klaar zijn met rouwen. Vandaag is het zover! Gemengde woningen, buurtwinkels, kantoren, restaurants en cafés, maar ook een kinderdagverblijf, een medisch huis, een zaal voor sportbeoefening, een toeristische dienst, kunstwerken in de openbare ruimte … de Quartier des Confluents begint te groeien.

Shopping van hoge kwaliteit

Een nieuwe wijk uit de grond stampen betekent doeltreffend tegemoetkomen aan een groot aantal criteria, o.a. dat van “samen leven”. Een wijk bruist van leven en behoudt zijn bevolking, of trekt na verloop van tijd zelfs nieuwe bewoners aan, zo hij voldoet aan de noden van zijn bewoners. “Mix van sociale klassen en generaties, duurzame architectuur, werkgelegenheid, groene ruimten, vrijetijdsbesteding, connectiviteit, mobiliteit ... je moet aan alles denken alvorens van start te gaan”, zo zegt Pascal Seret. Ook de aantrekkingskracht van de wijk is zeer belangrijk. In deze optiek stelt de Tubize Outlet Mall (TOM), een economische pijler, 13.000 m2 aan winkeloppervlakte ter beschikking, met 80 boetieks voor merkkledij tegen uiterst voordelige prijzen. “De TOM wordt geïntegreerd in de stad, zijn architectuur is hedendaags en verzorgd. De tijd van winkelcentra buiten de stad, omgeven door parkings die de bodem ondoorlatend maken, is voorbij.” Met ongeveer één miljoen bezoekers per jaar moesten er vanaf het ontstaan van het project oplossingen worden uitgewerkt voor de problematiek van de toegangswegen en de parkeerzones. Voor de parkings maken de architecten gebruik van de natuurlijke hoogteverschillen van het terrein om een plaat te leggen, niet ondergronds te gaan en toch de parkeerzones aan het zicht te onttrekken. De mobiliteit zorgt voor meer hoofdbrekens die zullen worden opgelost met de noordelijke ringweg rond Tubeke en de nieuwe stadstoegang die een andere structuur zal krijgen. In plaats van de spoorwegovergang krijgt Tubeke een constructie die de spoorlijn zal overspannen. Tegelijk worden er momenteel onderhandelingen gevoerd om het station van Clabecq weer in dienst te stellen. In afwachting daarvan zal de stad elektrische fietsen en voertuigen ter beschikking stellen, en een pendeldienst organiseren om de mensen die per trein aankomen in het station van Tubeke naar de Quartier des Confluents te brengen, en omgekeerd.


Tubize Outlet Mall (TOM), 13.000 m2 winkeloppervlakte. “De TOM wordt geïntegreerd in de stad, zijn architectuur is hedendaags en verzorgd. De tijd van winkelcentra buiten de stad, omgeven door parkings die de bodem ondoorlatend maken, is voorbij.”

Gemengde woningen, buurtwinkels, kantoren, restaurants en cafés, maar ook een kinderdagverblijf, een medisch huis, een zaal
voor sportbeoefening, een toeristische dienst, kunstwerken in de openbare ruimte … de Quartier des Confluents begint te groeien.

 
“Terre de Tubize” of stadslandbouw

Het dak van de TOM genoot bijzondere aandacht. Het vormt een belangrijk deel van het project en wordt een groendak van 8.000 m2 waarop groenten zullen worden geteeld met eerbied voor de permacultuur. Dit concept werd ontwikkeld in samenwerking met Jessica Sbaraglia (zie verder). “Dit is uniek in België, we zijn de eersten die tuinen van deze omvang aanleggen op een dak. Echte tuinen met echte aarde, 100% biologisch, zonder aanvoer van chemische stoffen daar we vertrekken met maagdelijke grond. Dit is niet zomaar een loze aankondiging! We zullen dit realiseren, ook al moeten we nog eens twee miljoen euro extra investeren. Een dak zonder of met Jessica, dat is niet hetzelfde dak!” glimlacht Pascal Seret. “We willen dat het winkelcentrum op zonne-energie werkt. De panelen komen niet op het dak maar worden aan een verticale gevel bevestigd. Ik kreeg een voorstel om de groenten te vervangen door zonnepanelen, daar die minder kosten en meer opbrengen. Maar nee, wij hebben de burgers een project van stadslandbouw beloofd en we gaan nu niet iets anders doen.” De volledige opbrengst van de groenteteelt zal lokaal worden verkocht, ofwel aan de inwoners ofwel aan de restaurants met, prioritair, het restaurant dat zal worden ondergebracht op het dak te midden van de gewassen, smakelijke hagen, kippen en bijenkorven. Een restaurant met aan het hoofd een gelau-werde chef, waar de gasten kunnen proeven van de bereidingen op basis van fruit, groenten en eetbare bloemen die ter plaatse worden geteeld. “We plannen 2.000 m2 serres die worden verwarmd met warmtekrachtkoppeling afkomstig van de woningen en 1.000 m2 gewijd aan pedagogie.” En, we zijn tenslotte in België, er zal ook hop worden geteeld op het dak van de TOM. Misschien komt er wel een microbrouwerij …

Quartier des Confluents: enkele cijfers

671 woningen
1.542 m2 horecaoppervlakte, waarvan, 1.229 m² toegankelijk voor het publiek
12.128 m2 handelsoppervlakte in de TOM
2.616 m2 oppervlakte voor buurtwinkels een klim- en avonturenpark van van 3.170 m2
een indoor elektrische karting van 2.593 m2
een kinderdagverblijf met 42 plaatsen
50 woningen in dienstenresidentie en
48 woningen als serviceflats


Jessica Sbaraglia, oprichtster van Terre de Monaco

Jessica Sbaraglia, oprichtster van Terre de Monaco, een concept van stadslandbouw op de daken in het Prinsdom, sprak met ons af in het viersterrenhotel-
complex Monte-Carlo Bay Hotel. De jonge vrouw wentelt zich echter niet in de luxe, ook al werd ze tijdens haar vorige leven sterk in die richting geduwd. Jessica heeft een door geld gedomineerde wereld de rug toegekeerd en wijdt zich voortaan aan regenwormen, kippen, bijen, courgettes en eetbare bloemen. In haar geval spreken we niet van reconversie maar van existentieel evenwicht en terugkeer naar de bron.

Doordrongen van Zwitserland, waar ze geboren is, en van de familiale keuken waarvan de ingrediënten voornamelijk uit een biologische moestuin kwamen, ontwikkelde de jonge dertiger in 2016, na haar kwalificerende opleiding in groenteteelt, een project dat niet zo verbazingwekkend zou zijn indien het elders dan in Monaco was gevestigd. “Mijn eerste idee was dubbel: landbouw, die al een eeuw verdwenen was, weer binnenbrengen in een gebied van 2 km2, dat voor 80% is gebetonneerd, en daarvoor de platte daken van de torens in het prinsdom of de onbebouwde maar uiterst kleine ruimten in de stad gebruiken”, verklaart Jessica. Een echt huzarenstukje in Monaco, de dichtst bebouwde stad ter wereld!

“Toen ik aanklopte om mijn project voor te stellen en de nodige vergunningen te krijgen, nam niemand mij ernstig, des te meer daar ik niets moet weten van hydroponie, een vorm van landbouw buiten de grond. Bovendien ben ik een vrouw, en ook nog jong en blond”, grapt ze. Intussen is Terre de Monaco een succesvol ecosysteem (1.600 m2 biologische landbouw, niet gemechaniseerd, een opbrengst van 7.556 kg fruit en groenten, 3.650 eieren van 50 kippen) waarvan het voorbeeld wordt gevolgd in andere steden in Frankrijk, Zwitserland en België (met Terre de Tubize).

“Het maakt me gelukkig om met scholen te werken”, besluit Jessica. “Ik geef de kinderen les over de seizoenen, permacultuur, het werk van een groenteteler, wat het betekend om geduld te hebben, te observeren, over welzijn en de smaak van kwaliteitsvolle producten. Het is belangrijk dergelijke zaken door te geven, vooral in de steden.”

Terre de Monaco is een succesvol ecosysteem waarvan het voorbeeld wordt gevolgd in andere steden in Frankrijk, Zwitserland en België (met Terre de Tubize).

 
www.dci-monaco.com
www.terredemonaco.com

Een bladzijde is omgeslagen

De pogingen om zijn hart van staal te reanimeren leverden niets op. Op 31 december 2001 hielden de Forges de Clabecq definitief op te bestaan. In 2010 sloten het Waals Gewest, de gemeente Tubeke en Duferco Développement een overeenkomst met het oog op de opmaak van een masterplan. Er waren twee doelstellingen: een beslissing nemen betreffende de reconversie van de site en een proces van participatie en overleg organiseren om alle partijen samen te brengen die betrokken zijn bij de toekomst van Tubeke, met op de eerste plaats de bevolking. De herwaardering van het braakliggend industrieterrein van 87 ha is een gevoelig onderwerp daar het doordrongen is van het lokale industriële en sociale geheugen. De site van de vroegere hoogovens is ook de toegangspoort tot de stad en het verbindingsteken met de zusterentiteit, Clabecq. Er was geen ruimte voor improvisatie. “In 2013 keurde de gemeenteraad eenparig het masterplan goed voor de ontwikkeling van de site. De eerste fase is de creatie van de Quartier des Confluents”, verklaart Michel Januth.

Bij de aanvang van de werken bleven er nog enkele erfgoed-
elementen gespaard, onder meer de HF2, een kleine in 1912 opgestarte hoogoven. Voorlopig is nog niet bekend of hij al dan niet wordt afgebroken.

Les Forges de Clabecq: enkele data

  • 1781 Ontstaan van de Forges de Clabecq: bouw van een molen om ijzer te slaan
  • 1810 Constructie van een eerste hoogoven
  • 1827 Het kanaal Charleroi-Brussel wordt gegraven
  • 1850 Constructie van een ijzerwalserij
  • 1857 Constructie van een plaatwalserij
  • 1861-1887 Bloei van de Forges op een terrein van bijna 3 ha
  • 1888 Oprichting van de nv Forges de Clabecq
  • 1910-1972 Zes hoogovens worden de ene na de andere opgestart
  • 1996 Faillissement van de Forges de Clabecq
  • 1997 Oprichting van de nv Duferco-Clabecq
  • 1998 Heropstart van de fabriek
  • 2002 De staalactiviteiten worden definitief stilgelegd
  • 2006 Sanering van de site
  • 2010 Opmaak van het masterplan voor de reconversie van de Forges de Clabecq
  • Maart 2020 Eerstesteenlegging van de Quartier des Confluents (fase I)

 

Brasserie Jandrain-Jandrenouille

Alexandre Dumont de Chassart staat aan het hoofd van de Brouwerij Jandrain-Jandrenouille, die al 13 jaar gevestigd is in een oude Waals-Brabantse hoeve. Hij brouwt er zowel zijn eigen bieren, als degene die op maat worden gemaakt voor professionele partners, particulieren, verenigingen of bars. Hij wil met korte ketens werken.

 

De Féculerie-hoeve in Jandrain-Jandrenouille (Orp-Jauche) bestaat al sinds de 14e eeuw en behoorde tot het Hertogdom Brabant. Aanvankelijk omvatte ze één enkel gebouw van silexsteen, maar in de 18e eeuw werd de plaats heraangelegd om een voor de Haspengouw zo typische vierkante hoeve te vormen. Tegenover een mooie inrijpoort, die het jaartal 1762 draagt, ligt een uit twee blokken bestaande woning met twee verdiepingen, terwijl de stallen zich in de zijvleugels onder de hooizolders bevinden. Het geheel wordt aangevuld door de schuren, een waterput en een zwijnenstal. Het was een defensieve hoeve, die zo goed als geen opening naar buiten bezat. Tijdens veldslagen zoals die van Ramillies, in 1706, zochten de pachters er toevlucht met hun vee …

“In die tijd deed men alles op de hoeve en dus brouwde men er ook al bier”,vertelt Alexandre Dumont de Chassart. “Laten we wel wezen: dat moest gebeuren in een grote ketel waarin men al dan niet gemalen graan aan de kook bracht. Eens die saus in een vat was overgegoten, begon ze te gisten. Het was tweemaal veiliger dat mengsel te drinken, dan water. Aangezien het brouwsel verhit was geweest, waren sommige kiemen dood, dan begon de gisting en daarna ontstond de zurigheid. Er werd ook bier gemaakt voor de seizoenarbeiders.”

Van machines naar hop
Alexandre werd op 24 augustus 1969 geboren in Elsene. Hij liep school in Bosvoorde en ging daarna voor burgerlijk ingenieur mechanica studeren aan de UCL, waar hij in 1993 zijn diploma behaalde. “Het was crisis, zoals altijd in België (lacht). Ik zocht mijn toevlucht in wat waarschijnlijk de beste bank was, namelijk de Generale. Daar bleef ik 7 jaar en ging toen even naar Euronext. Nu werk ik al 18 jaar voor de Amerikanen op het gebied van hop en van import-export.”

Het was in 2004 dat de jongeman besloot de Féculerie-hoeve te kopen en zich daar te vestigen. Alles was er nog zoals in de 19e eeuw, met de aanwezigheid van asbest en een betonnen vloer. Alexandre besloot alles te renoveren, maar wel de charme van de plaats te vrijwaren door, naast de nodige moderne elementen, de buitenstructuur te behouden. In de zomer van 2007 begint deze hop-enthousiast, samen met een studiegenoot van de universiteit, aan zijn brouwerijproject.

Voor 99% plaatselijke ingrediënten
Vandaag doet de eigenaar op zijn eentje voort en ontwikkelt hij andere ideeën. Sinds 2016 heeft hij een nieuwe dimensie gegeven aan zijn activiteiten. “Lekker bier maken, is één ding, maar je moet er iets aan toevoegen. Ik probeer met korte ketens te werken. De gerst komt van een hoeve uit Corroy-le-Grand en hij wordt gemout bij Boortmalt, in Gembloers. In feite is 99% van de ingrediënten lokaal. Enkel de hop komt uit de Verenigde Staten, waar hij wordt geproduceerd door de firma waarvoor ik werk.” Inzake energie, leveren zesennegentig zonnepanelen 80% van de elektriciteit. “De brouwerij gaat vooruit, maar niet tegen eender welke prijs: ik probeer er een duurzame component aan te geven. Er zijn twee voltijdse medewerkers en we proberen ook een sociale gedragslijn aan te houden.”

Bieren die de Japanners graag drinken
Naast haar eigen producten, maakt Brouwerij Jandrain-Jandrenouille bieren voor andere professionele partners. Meer bepaald de Uijin en de Uijin Yuzu, die worden verkocht in de Japanse restaurants in Brussel, Amsterdam, Parijs, Londen, Milaan en zelfs in Tokio! “We hebben ook speciale bieren samengesteld voor bars, zoals voor de Citizen Kane in Waver, de Altérez-vous in Louvain-la-Neuve, de Barnabeer in Namen, de Moeder Lambic en de Roy d’Espagne in Brussel. Ik ben tuk op dat soort samenwerkingen omdat ze me via de bar direct in contact brengen met de consumenten. De uitbater wil een bier dat hij nog niet in zijn assortiment heeft en de particulier wil het omdat hij dat bier nergens anders vindt. Het is trouwens altijd een gok: je weet al vlug of iets niet werkt of daarentegen heel goed loopt”.

De brouwerij stelt ook bieren samen voor particulieren, verenigingen, evenementen – kortom voor wie niet kan investeren in duur materiaal. “U kunt hier uw eigen bier op maat komen brouwen, met of zonder recept. De enige beperking is, dat ik, wegens de ‘wilde’ giststoffen, niet werk met zure bieren, aangezien ik daardoor de rest van de brouwerij zou kunnen besmetten!”

Leven in de brouwerij brengen
“Door op die manier te werken, denk ik dat ik mijn ziel niet verlies”, gaat Alexandre Dumont de Chassart voort. “Ik wil altijd een mooi bier maken voor mijn klanten en tonen dat er op dat gebied een oneindig aantal recepten bestaan. Wat me interesseert, is leven in het brouwerijmilieu te brengen en alle smaken te verkennen. Zo val je niet in slaap door altijd dezelfde formules te gebruiken. Dankzij onze ontmoetingen, doen we nieuwe ideeën op. Tegenwoordig produceert de brouwerij 3000 hectoliter per jaar, terwijl we vierenhalf jaar geleden slechts op 180 stonden ... Ik ben een huis in de buurt van de Brusselse Grote Markt aan het restaureren, in de Greepstraat. Dat zal een ‘tap house’ (slijterij, nvdr) worden voor onze brouwerij. In 2020 zullen we ons kunnen vermaken met het creëren van nieuwe conventionele of uit de toon vallende producten en – waarom niet – de bieren van onze klanten in het zonnetje zetten, als dat de moeite waard is. Misschien zullen er andere bars volgen ...”

Brasserie Jandrain-Jandrenouille

Een gamma van 4 bieren
- De IV Saison was het eerste bier dat in 2006 werd uitgebracht. Het is een ongefilterd en niet-gepasteuriseerd blond bier, dat hergist op de fles. Het is samengesteld op basis van vier ingrediënten (water, mout, hop en gist) met vier verschillende hopsoorten. “De IV Saison werd tot het favoriete bier uitgeroepen door het label La Bière des Femmes en gekoppeld aan een rockalbum van de Naamse band ‘The Banging Souls’ voor zijn titel ‘Seeds’ met BJ Scott, de vrouwelijke coach van The Voice Belgique. Wat een eer!”
- De V Sens is een beetje later verschenen. De complexiteit ervan komt tot uitdrukking dankzij de drie verschillende moutsoorten: Caramel, Munich, Pils. Het is een natuurlijk amberkleurig bier met 100% gerstmout, ongefilterd, niet-gepasteuriseerd en hergist op de fles. “Kaasmaker ‘A table’ van Hannuit, wast een van zijn kazen tijdens het rijpingsproces met V Cense.”
- De IV Wheat ontstond juist na de V Sens. Het is een tarwebier, een witte basis, maar zonder specerijen. Dat natuurlijke bier bestaat uit een mengsel van tarwe‑ en gerstmout, is ongefilterd en niet-gepasteuriseerd en hergist op de fles. Het is heel fris in de mond en heeft de aroma’s van de gebruikte hopsoorten.
- De III Gravity, om niet te zeggen de ‘tripel’, ontstond als gevolg van een bestelling vanuit de Verenigde Staten. Het is veel rijker (aan alcohol, aan hop …).

 

Brasserie de Jandrain-Jandrenouille

Rue de la Féculerie 34

B-1350 Jandrain-Jandrenouille

www.brasseriedejandrainjandrenouille.com

met een knipoog! 

Design is tegenwoordig een discipline die erkend wordt om haar dienstbaarheid. Een designer is een creatieve vernieuwer die een bepaald doel wil dienen. Wij spraken met Céline Poncelet uit Eigenbrakel, die als designer-interieurarchitect verbonden is aan Atelier Blink (Anderlecht) en daarnaast les geeft aan de École de la Cambre.

 

Céline Poncelet

Bent u de nieuwe ‘toverfee’ die haar huis in een oogwenk een ander interieur geeft?

U zinspeelt vermoedelijk op het woord ‘blink’. Helaas heb ik meer tijd nodig dan een oogwenk om mijn projecten tot een goed einde te brengen! De naam Atelier Blink wil zeggen dat achter de eenvoud in mijn werk altijd een bepaalde ‘twist’ zit: een draai die tot uiting kan komen als een staaltje van humor of poëzie of als een verhaal dat verband houdt met het gebruik of de plek. Het werk van Atelier Blink berust op onderlinge afhankelijkheid en samenwerking en bevindt zich op het raakvlak van industriële vormgeving, architectuur, decorontwerp, kunst enz. Om een unieke plek te creëren, moet je een verhaal vertellen en dat vloeit voort uit de ruimte, de architectuur, de wijk en het gebruik. Het concept moet in een specifieke context passen. Dat is ook de reden waarom ik graag samen met wijkbewoners, scholen en andere belanghebbenden projecten opzet, zoals die in Jette, Sint-Joost-ten-Node en ‘La Condition Publique’ in Roubaix.

“Ik houd van uitdagingen. Dat is voor mij een drijfveer om heel gevarieerde projecten aan te nemen. Bij het decorontwerp voor exposities is er sprake van een interessante kruising tussen verschillende disciplines, tussen de begrippen ruimte en decor en de presentatie van de werken. In België liggen de kansen helaas niet altijd voor het oprapen.”

 

Is uw beroep het gevolg van een roeping?

Ik heb altijd de behoefte gevoeld om dingen via kunst, tekeningen en video’s onder woorden te brengen. Op mijn vijftiende schreef ik mezelf in voor een avondcursus tekenen. We kunnen dus wel spreken van een roeping! Atelier Blink is een resultaat, maar geen eindstation. Mijn werk verandert voortdurend. Ik ben begonnen met het tekenen van voorwerpen die bestemd waren om te worden uitgegeven. Het ging om ontwerpen ‘zonder context’, zoals meubilair of behang, die bedoeld waren om uitgegeven en in elke willekeurige ruimte geïmporteerd te worden. Gaandeweg vond ik dat soort onderzoeken steeds minder logisch. Het tekenen van een stoel om weer een stoel aan te treffen in een winkel, was voor mij niet meer interessant. Wanneer ik tegenwoordig een meubel ontwerp, doe ik dat in een dwingende en duidelijke context, zoals een locatie, een doelgroep of een technisch kenmerk, en niet meer uitsluitend om een uitgever te vinden, zodat het in een winkel wordt verkocht.

Céline Poncelet

Is dat wat functioneel of gebruiksmatig design wordt genoemd?

Of ik nu voorwerpen of ruimtes ontwerp, mijn antwoorden zijn altijd functioneel. Ik zoek naar algemene oplossingen die aan de behoeften van de gebruikers zijn aangepast. Het design moet dienstbaar zijn, maar de esthetische, ecologische en andere nevenaspecten zijn ook essentieel.

Kunt u een voorbeeld geven?

Het Préhistomuseum in Ramioul, een superinteressant project waarvoor Atelier Blink is ingeschakeld om samen met een architectenbureau (AIUD) het interieurontwerp en de bewegwijzering van de bezoekersruimtes, waaronder de receptie, de shop, de cafetaria en het restaurant, te verzorgen. Een boeiend project, waarvoor we veel van gedachten hebben gewisseld met alle betrokkenen. En daarbij roerden we soms praktische problemen aan. Hoe gaan de bezoekers door de ruimte lopen? Waar moet de kassa komen? Deze vragen lieten ons nadenken over de manier waarop de bezoekers de ruimte zouden vullen en de antwoorden waren zowel van invloed op de te ontwikkelen bewegwijzering als op het ontwerp van de meubels en hun opstelling, op basis van de eisen en de sfeer die ze moesten uitstralen.


In het kader van de vernieuwing van het Préhistomuseum in Ramioul kreeg Atelier Blink de opdracht om de ontvangstruimtes in te richten en speciale meubels te ontwerpen die aan de eisen en identiteit van het gebouw voldoen.

Bent u op dezelfde manier te werk gegaan voor Delitraiteur?

Precies, hoewel elk project zijn eigen bijzonderheden heeft. Delitraiteur heeft besloten zijn horizon te verbreden en zich op bedrijfskantines te gaan richten. Atelier Blink heeft voor dat project een Deli-restaurantconcept op basis van de nieuwe arbeidstrends ontworpen. Een plek waar mensen niet alleen komen om te eten, maar ook om te werken, klanten te ontmoeten en zich te ontspannen. Een plek die de waarden en identiteit van het bedrijf uitstraalt. Dit concept wordt naar gelang de behoeften en mogelijkheden aangepast aan elk bedrijf en elke ruimte.

Céline Poncelet
Voor Delitraiteur ontwikkelde Atelier Blink een fictieve ruimte, die daardoor toegepast kan worden in bedrijven die interesse hebben in het concept.

Kunt u ons iets vertellen over een project in verband met de inrichting van een stedelijke ruimte?

In het kader van het KIKK in Namen, een digitaal cultuurfestival, kreeg Atelier Blink in 2018 de opdracht om de bewegwijzering en wegmarkering van het parcours door de stad te ontwerpen en uit te voeren. Het was het eerste jaar dat dit festival een parcours langs deels ongewone plekken in Namen had uitgestippeld. We hadden een modulair, eenvoudig buiten op te stellen en tijdelijk element nodig om de verschillende onderdelen van het parcours te markeren. De installatie werd uitgevoerd door een andere draai te geven aan de pvc-stroken voor vriesruimtes.

 

www.atelierblink.com

Your opinion counts