Waw magazine

Waw magazine

Menu
Image (62x44 OBLIGATOIRE !!): 
Image rose (taile : 62x44px OBLIGATOIRE): 

Isabelle Leblans studeerde kunstgeschiedenis en is een deskundige in edelsteenkunde. Al meer dan 25 jaar deelt ze haar liefde voor juwelen en edelstenen met anderen. Een ontmoeting met deze zeldzame parel.

 

De boetiek van Isabelle Leblans is in het centrum van Terhulpen gelegen en werkelijk toonaangevend op het gebied van juwelierskunst en juwelen. Over de afgelopen 25 jaar heeft Isabelle een trouwe klantenkring verworven dankzij haar weergaloos onthaal, maar ook door haar dienstverlening, ervaring en deskundigheid. «Mijn opleiding tot gemmologe en mijn licentie in kunstgeschiedenis vormen een troef voor het vakkundig en gepassioneerd beoefenen van mijn beroep. Daardoor kan ik gemakkelijker klanten begeleiden bij hun aankopen, maar ook bij het creëren van een geïndividualiseerd juweel.» Voor deze aan WaalsBrabant verknochte handelaarster gaat de absolute tevredenheid van haar klanten boven alles. «Mijn kennis deed ik zowel op bij andere juweliers, bij wie ik meer dan twintig jaar geleden begon, als tijdens mijn opleiding in de gemmologie. Ik vind het van essentieel belang dat ik op de wensen van mijn klanten let. Ik maak er een erezaak van naar ieders verlangen te luisteren, iedereen een juweel voor te stellen of er een te ontwerpen dat volledig past bij wie het genoegen en geluk zal hebben het te dragen. Over een juweel wordt dikwijls diep nagedacht vooraleer het te kopen of te schenken. Men stelt zich er allerlei vragen bij, men beeldt zich in hoe het zal gedragen worden... Eigenlijk is een juweel gedeeld geluk.»

Veel mensen houden van juwelen: een trouwring, een ring, halssnoer, armband, horloge... We geven en krijgen er graag een. Een juweel is niet zomaar een geschenk, maar het sluit dikwijls aan bij de mooiste momenten uit een leven. Het wordt soms van generatie op generatie doorgegeven... «De aankoop van een trouwring is bijvoorbeeld zeer emotioneel geladen. Ook andere geschenken vergen speciale aandacht. Ze verwijzen naar een onvergetelijk moment of heel bijzondere gebeurtenis.»

Hoewel de juwelierskunst de jongste jaren geëvolueerd is, houdt men nog steeds van tijdloze juwelen. Klassieke juwelen worden niet verdrongen door veel modernere, wel zijn de lijnen hedendaagser. Isabelle Leblans biedt merken aan die zij zorgvuldig uitkiest. Altijd is ze op zoek naar creativiteit, ambachtelijk werk en onberispelijke kwaliteit. Ze doet nooit toegevingen op het vlak van de vervaardiging. Isabelle koos ook voor enkele grote befaamde namen (waarvan sommige in exclusiviteit), zoals Nanis en Annamaria Cammili, met bloemen en plantenmotieven die getuigen van uitgekiend tekenwerk. Davice en zijn «Moving Diamond»-concept, een systeem van bewegende steentjes die leven geven aan het voorwerp. Die fabrikant gebruikt onder elke briljant een techniek van gedreven goud waardoor het licht wordt weerkaatst en de straling geoptimaliseerd. Pesavento, eveneens een Italiaans merk, is gespecialiseerd in zilveren juwelen. Het is trouwens het enige merk van dat genre dat Isabelle in haar vitrines aanvaardt, omdat Pesavento iets aanbiedt dat echt het verschil maakt. Hun juweelontwerpen zijn creatief en zeer geavanceerd, de materialen zijn onuitgegeven en grondig bewerkt. Bij sommige creaties wordt bijvoorbeeld keramiekpoeder gecombineerd met zilver dat in een bad van roze goud of leder is gedompeld. Cascia is een merk dat zich sinds 1929 gespecialiseerd heeft in parels. De parels, die onder andere in oorbellen worden gebruikt, geven een fijne glans aan het gezicht. Ze zijn tijdloos.

Voor haar horloges heeft Isabelle gekozen voor het sublieme gamma van Michel Herbelin, een Franse horlogemaker sinds 1947. Prachtige uurwerken voor ieders smaak, zowel voor dames als voor heren, met verfijnd design, elegantie, details en natuurlijk het binnenwerk. De kracht van het merk ligt in de perfecte kennis van horloges in combinatie met een innoverende creativiteit.

Geïndividualiseerde creaties

Omdat een mooi juweel een prijs heeft en omdat het dikwijls drager is van een boodschap, heeft Isabelle Leblans sinds enkele jaren het werk in haar atelier ontwikkeld. Door een tussenpersoon uit te schakelen, laat ze haar klanten profiteren van een tarief dat zeer interessant is in vergelijking met dat van andere boetieks. Die boeiende stap op creatief vlak gaat voor haar gepaard met een financieel voordeel voor de klanten. «Wanneer ik geluisterd heb naar de wensen en de ideeën van degene die een geïndividualiseerd juweel wil, begeleid ik hem of haar stap voor stap vanaf het ontstaan van het ontwerp. Dankzij mijn gemmologische kennis kan ik de meest geschikte stenen kiezen. Nog vóór het begin van de productie kan de klant een 3D-schets zien. Zo neemt hij vanaf het begin zelf deel aan de creatie: een uniek juweel, naar zijn persoonlijk beeld en smaak. Wanneer klanten het resultaat zien, is hun reactie soms ontroerend.»

Het voordeel van in het eigen atelier te werken, is ook dat men aanpassingen op basis van andere juwelen kan doen of een juweel maken dat op een ander lijkt, door slechts enkele details te wijzigen. Bovendien zijn de edelstenen en de diamanten geïdentificeerd en voorzien van een certificaat van een internationaal laboratorium, dat borg staat voor kwaliteit. Dankzij haar ervaring en haar geïndividualiseerde werkwijze, geeft Isabelle Leblans echt een ziel aan haar juwelen. Om zeker kennis mee te maken.

www.leblans.be

  • /

De rauwe soul-stem van een Amerikaanse gospelzangeres :  Typh Barrow maakt zich klaar om haar publiek het album ‘Raw’  voor te stellen. Ze wilde er iets organisch, oprecht en authentiek van maken. Het album werd in Brussel en in Londen opgenomen. Het komt uit op 18 januari en bevat uitsluitend eigen composities. Ontmoeting.

 

Tiffany Cieply-Baworowski, die Typh Barrow wordt genoemd, werd in 1987 in Brussel geboren uit een Belgische moeder en een Poolse vader. Reeds als kind had ze een verbazend zware en atypische stem. Ze is musicienne in hart en nieren en begint al op vijf jaar piano te spelen. Als ze acht is, gaat ze notenleer studeren. De zangeres in de dop is al consequent, aangezien ze op haar twaalfde haar eerste liedjes schrijft en op haar veertiende zangles gaat volgen. Ze vormt haar muzikale identiteit en ontdekt in pianobars waar ze graag op de planken staat. «Ik heb altijd geweten dat ik wilde zingen. Ik denk dat je dat hebt of niet», legt Typh Barrow uit. Muzikaal werd ze onder meer beïnvloed door legendarische figuren zoals Stevie Wonder, Marvin Gaye en Otis Redding, maar ook door hedendaagse kunstenaars zoals John Legend, Jessie Ware, Rhy en Jacob Banks. «Een boek, een film, een zin, dat wat ik beleef… Alles inspireert me. Luisteren naar andere zangers brengt me dikwijls tot iets onverwachts. Ik laat me leiden.»

Lijnrecht vooruit

Een keerpunt in haar jonge loopbaan was haar ontmoeting, in 2003, met François Leboutte, haar huidige manager en producer, die aan het hoofd staat van het label Doo Wap Records. Hij laat haar haar eerste demo’s opnemen. Eind 2012 brengt ze haar eerste singel, «You Turn», uit, die het goed doet op onze radio’s. Dan komt er een CD met drie titels, «Ton ombre qui court». Vervolgens barst ze los in verscheidene covers die op Youtube worden geplaatst, zoals «Gangsta Paradise» van Coolio, die al meer dan één miljoen keer werd bekeken en «Hotel California» van de Eagles die op 280.000 staat. «Die internationale geestdrift was een immense verrassing. Coolio, van wie ik van kinds af een fan ben, heeft mijn video zelfs in de Verenigde Staten gedeeld. Ongelooflijk! Via het internet en de sociale media kun je je publiek echt vertienvoudigen.» Haar omgeving helpt haar om de stroom positieve en negatieve kritieken te beheren. «Ik ben gelukkig zeer goed omringd. Het positieve neem je aan met veel plezier en nederigheid. Het negatieve leer je op afstand houden om je er niet door te laten raken.» Dan komt in 2014 de dubbel-EP «Time» en «Visions», een mix van 12 eigen composities en covers. Daar vind je titels zoals «You turn» en «I die» op terug, maar ook «Back to black» van Amy Winehouse, «No Diggidy» van Blackstreet en «Too close» van Alex Clare. «Die EP was een formidabel avontuur voor mij. Hij kreeg een mooie verspreiding en veel return. We hadden meer bepaald een superzomer met concerten op de ‘Francofolies’ en de ‘Solidarités’. Hij heeft goed gereisd. Ik moet zeggen dat hij langer heeft geleefd dan ik had gedacht. Ik was klaar voor het vervolg ».

Een tijdreis 

« Raw», haar nieuw project dat met hetzelfde team wordt gemaakt, is een knappe mix van pop en soul, van old school en van eigentijdse klanken. «Ik heb dat album beleefd als een tijdreis. Sommige titels werden opgenomen in Londen, in de studio’s van Abbey Road en in omstandigheden uit de jaren 1960», legt de zangeres uit. «Ik wilde ‘roots’-klanken, zoals op de vinylplaten uit die tijd. De meeste stukken werden in één keer opgenomen. Het moest uit mijn buik komen, het moest organisch zijn. Men gebruikte opnamen van dagen waarop mijn stem moe was. Dat geeft een meerwaarde.»

De rest van het album werd opgenomen in de ICO-studio’s in Elsene, een van de grootste studio’s van Europa. «‘Raw’ is het product van beide. Het mengt Motown-klanken gelijk van Nina Simone met moderne toetsen zoals bij Janelle Monáe. (accent op de a ok – Marc) Het scheppingtraject was tegelijk geniaal en intens. Ik heb kunnen samenwerken met ongelooflijke mensen, uit heel verschillende werelden. Daardoor moest ik mijn vertrouwenszone verlaten. Ik ben daar dol op.»

Het album wordt nu afgewerkt en zal uitkomen tegen 18 januari. «Het project is heel groot geworden. Het is een echte geboorte voor mij. Daar heb ik al heel mijn leven van gedroomd. Ik wacht vol ongeduld op de publicatie en op de voorstelling aan het publiek. Momenteel wordt het afgewerkt ». De eerste clip die begin november in Lissabon werd gedraaid, vergezelt het liedje ‘Tabou’ en zal een kruising zijn van verschillende liefdesverhalen. «De titel gaat over allerlei relaties die taboe zijn, zoals homoseksualiteit, verschil van leeftijd, cultuur of religie. Ik had graag iets vrolijk, positief en kleurrijk. Dat vind je in de straten van Lissabon.» Na het uitkomen zullen er verscheidene concertdata volgen. Binnenkort worden die gepubliceerd.


Interview  met Harry Fayt

Watercreaties

Na zijn studies fotografie in Namen begint Harry Fayt zijn loopbaan met het verslaan van live-muziekuitvoeringen. In 2006 installeert hij zijn studio in Luik en maakt drie jaar later zijn eerste onderwaterfoto’s.

Welke herinneringen bewaart u aan die shooting met Typh Barrow in 2015  ?

« Die shooting herinner ik me goed! We hadden er twee dagen voor gepland tijdens een pinksterweekend. Typh heeft het heel goed gedaan. Ze is niet bang en houdt van uitdagingen. Zo wilde ik het. De eerste dag hebben we vooral foto’s met een piano gemaakt. We konden geregeld een pauze maken. Je moet weten dat je onder water alles moet controleren: haar ademhaling, de houding van haar lichaam, haar ogen… Dat is heel ingewikkeld en kan lastig zijn. De tweede dag hebben we een heel salon onder water gemaakt. Typh moest met gewichten worden verzwaard en kon enkel ademen met flessen die door een duiker werden gedragen. Ze had niet op haar eentje uit het water kunnen komen. Ze heeft op het team moeten vertrouwen en zich laten dragen. ».

Hoe bereidt u zo'n sessie voor ?

« Over het algemeen vergt dat veel voorbereiding voor het vinden van de plaats, het decor, de voorwerpen... Ik werk dikwijls aan wedersamenstellingen van schilderijen. Dat vergt meer of minder tijd, naargelang de inspiratie. Voor die sessie waren we met een tiental: een schminkster, twee stylistes, een scenograaf, twee duikers, Typh, haar producer en ik. Voor het ontwerp van de sessie is de werkwijze dikwijls dezelfde: ik heb een visie en bespreek die met de kunstenaar. Zo ook met Typh. Ik had een foto in mijn hoofd en ik zocht een zangeres. Ik heb contact met haar opgenomen en ze ging direct akkoord. Dat gaf me zin om een reeks te maken over Belgische kunstenaars en gaf me meer bepaald de gelegenheid om Jean-Luc Fonck te fotograferen in het kader van zijn ‘Grabataire tour’ ».

Wat bevalt u in die onderwaterwereld ?

« Ik zie mezelf als een studiofotograaf die onder water werkt. Ik let zeer sterk op de details, op de sfeer, op de decors en op de voorwerpen. Ik hou van het surrealistische aspect van die foto’s. Elke shooting onder water is een uitdaging voor mij en voor het model. Je moet innoveren met beperkte middelen. Om de persoon te leiden en te richten, zijn de verhoudingen helemaal anders. Je moet elkaar begrijpen met enkele gebaren. Om de plaats te kiezen, hangt alles af van de diepte die ik nodig heb. Ik gebruik dikwijls een openbaar zwembad, meer bepaald in Sint-Gillis of Luik, buiten de openingsuren.»

Wat zijn uw volgende projecten ?

« Elk project voedt de andere. Ik doe voort aan mijn beide reeksen ‘Modern Icons’ en ‘Heart Made in Belgium’. Ik stel altijd tentoon in de Molenpoort- passage in Nijmegen, in Nederland. Ik droom van een grote tentoonstelling in een ongewone plaats, zoals een kerk, binnen twee jaar. Ze zou bestaan uit zeer grote afdrukken en de vijf zintuigen aanspreken. Dat is mijn megalomane kant ! »


Renseignements :
 

Sinds 10 jaar zien we overal in België en in Europa ontelbare microbrouwerijen opduiken, die om het creatiefst zijn. 


De 34jarige Antoine Limbourg en de 27jarige Peter Gerard zijn allebei bio-ingenieurs die aan de UCL hun masterdiploma in de bierbrouwkunst haalden en zich waagden aan het grote concurrentieavontuur in de microbrouwerijwereld. Maar is er nog plaats in het immense aanbod dat nu al bestaat? Alles hangt ervan af of iedereen juist onder zijn schuldenniveau wil blijven en zijn productie op een “verantwoordelijke” manier wil beheren. Na 2 jaar onderzoek en het uitproberen van 200 recepten, maakten beide partners eindelijk hun eerste “levensgrote” brouwsel. Er moesten natuurlijk nog enkele technische probleempjes worden opgelost. Peter heeft dus op 24 uur voldoende Italiaans geleerd om de technici van Meccanica Spadoni te raadplegen, hun leverancier in de buurt van Orvieto…

Een duurzame visie

De eerste stap voor de coöperatieve Valducbrouwerij bestaat erin bij voorrang op de plaatselijke markt te mikken en ervoor te zorgen dat ze elk onderdeel van de productie beheerst. Met een productiecapaciteit van 3 000 hl per jaar, werd ervoor gekozen de hulpmiddelen op een zeer verantwoordelijke wijze te beheren. De microbrouwerij bevindt zich op 500 m van de vroegere brouwerij Meurice, die beschikte over een waterwinningspunt, een voorrecht dat de jonge brouwers graag zouden overnemen. Want een brouwerij verbruikt enorme hoeveelheden water, liefst zes liter om één liter bier te produceren: water voor de voorbereiding, het spoelen van de flessen, uiteenlopende reinigingswerken… Door modern materiaal op maat te gebruiken, is het mogelijk het waterverbruik te beperken. Er werd overigens al in twee tanks van 15.000 liter voorzien om het water zo goed mogelijk te behandelen zonder verdunning en vervuilende producten. Dat water kan worden hergebruikt voor het reinigen. De draf wordt aangeboden aan een plaatselijke teler, die brouwgerst produceert. Het gebouw werd ontworpen om het verbruik te beperken. Met een isolatie van sandwichpanelen kan het verbruik van de nutsvoorzieningen sterk worden verminderd.

Het laboratorium en de vergaderzaal liggen boven de warme kamer en profiteren dus van de opstijgende warmte. Boven de verwarmingsketel bevinden zich de kantoren. Dankzij die slimme configuraties hoefde de onderneming geen bijkomende verwarming te installeren. De door het koudecircuit gebruikte energie wordt teruggewonnen om de gistingszaal te verwarmen... De coöperanten zorgen dus hoofdzakelijk voor het beperken van hun ecologische voetafdruk (investering in zonnepanelen, windmolen, water). De brouwerij biedt overigens ook bezoeken en opleidingen aan: bier tegen maakloon en diverse evenementen zijn marketingargumenten die men in alle brouwerijen van die omvang aantreft. 

Brasserie Valduc-Thor
rue du Ponceau 38
B-1360 Thorembais-Saint-Trond
+32 483 01 08 99
www.brasserievalduc.be

 

Wanneer de pas aan de UCL afgestudeerde burgerlijk ingenieurs Pierre De Muelenaere en Jean Didier Legat in 1981 elektronische kringlopen ontwierpen voor het herkennen van lettertekens, konden ze zich niet inbeelden dat hun onderneming ooit deel zou uitmaken van de Japanse Canon-groep.


Voor deze ambitieuze jonge onderzoekers gaat het op de eerste plaats om een doctoraats- scriptie. In die tijd is het oprichten van spinoffs in de mode. Pierre zet de stap in 1987 en sticht de firma IRIS. Een van de mooiste succesverhalen van de Waalse industrie. In het begin was het een KMO met een project waarin weinig mensen geloofden. Vandaag is het een van de parels aan de kroon van Canon, een van de grootste internationale groepen. 

Alles berust op een vaststelling. Elke onderneming bezit een massa aan informatie die ze op eender welk moment nodig kan hebben. Een groot deel van die gegevens was tot in de jaren ´90 op papier genoteerd. Met de veralgemening van de informatica moest men een middel vinden om die gegevens te digitaliseren en ze door tekstverwerking toegankelijk te maken. Uitgerekend dat was het voorwerp van het onderzoek van beide ingenieurs. Met de hulp van de UCL en van een privé-investeerder ontwikkelden ze een prototype van een elektronische kaart waarmee gedrukte teksten konden worden gelezen. Wel moesten ze de wereld er nog van overtuigen dat dit de goede oplossing was. De moeilijkheid is dat er bij tekstverwerking verschillende soorten lettertekens verschijnen. Dat maakt optische herkenning ingewikkeld.

Overigens zijn er veel concurrenten op dat terrein. Ten slotte is de markt nog niet rijp. Jean Didier Legat en een privé-investeerder beslissen dus het schip te verlaten. Maar Pierre Demuelenaere doet koppig voort. “Veel mensen zeiden me: ‘jullie technologie zal binnenkort voorbijgestreefd zijn, want de nieuwe mode is het papierloze kantoor’. Daar sprak men toen al over. Men zei me: ‘jullie komen te laat, jullie technologie dient tot niets enz.’ Maar wat er gebeurde, was juist het tegendeel: we hebben een zeer mooie ontwikkeling gekend op basis van behoeften die alleen maar groter werden.(1)

Een bewogen geschiedenis 

En de goede oplossing heet OCR-systeem (Optical Character Recognition). Een schijnbaar eenvoudig idee: men neemt een scan of een digitale foto van een tekst op papier en dankzij speciale software verandert men die in een tekstbestand voor diverse formats. Men hoeft de teksten dus niet over te tikken en de tabellen, bijvoorbeeld, niet opnieuw te maken. Een enorme tijd en energiewinst. Er dient zich een Waalse partner aan, de firma Prodata, die geleid wordt door en zekere Pierre Rion (zie WAW nr. 37).

Samen gaan ze langzaam maar zeker de markt veroveren. Dertig jaar later is IRIS een van de beste specialisten geworden op de in volle expansie verkerende markt voor tekstherkenning. De firma biedt een breed gamma draagbare scanners aan met hoge scanresolutie en hoge digitaliseringssnelheid. Bovendien zijn ze compact genoeg om in een handtas te passen. De onderneming haalt dan grote contracten binnen bij de Belgische rijkswacht en bij de autokeuringscentra, bij de Kamer van Volksvertegenwoordigers van het Groothertogdom Luxemburg en bij Belgische banken. IRIS ontwerpt ook software voor het beheren van zo uiteenlopende data als vragenlijsten voor de volkstellingen in België en in Tsjechië, en voor het BTW-bestuur, maar ook voor brieven met behulp van een scanner voor PC.

In 1994 doet de KMO een meesterzet: ze brengt de IRISpen uit, een soort ballpoint die teksten scant en die in reële tijd digitaliseert. Zo kan men ook documenten, werknota’s en vergaderingsverslagen direct op een computer importeren. Dat blijkt een succes en de firma begint aan haar internationale ontwikkeling. Ze opent dochterondernemingen in Frankrijk en in de Verenigde Staten. In mei 1999 gaat IRIS naar de Brusselse beurs. De waarde van de firma wordt dan geraamd op 2 miljard Belgische frank.

Diversifiëring 

Naast de technologietak werd I.R.I.S. Professional Solutions opgericht, dat bij ondernemingen en besturen optreedt als enige gesprekspartner om zowel dienstverlening als spitstechnologische oplossingen aan te bieden voor het doelmatig beheren van de informatiestromen. Wat men ECM (Enterprise Content Management) noemt, omvat uiteenlopende diensten zoals het aanmaken van bestanden, alsook de distributie, de publicatie en de archivering ervan. Kortom, alles wat te maken heeft met het dagelijks beheer. Die activiteit is vandaag goed voor drie vierde van de omzet van Iris, dat momenteel bijna €100 miljoen haalt en vestigingen heeft in Louvain-la-Neuve, Brussel, Vilvoorde en Antwerpen, maar ook in Frankrijk, Luxemburg, Duitsland, Nederland, de VS en Hong Kong. Iris stelt 600 personen te werk. “De vraag van de markt is groot. Oplossingen zijn aantrekkelijker dan technologieën. Operationele oplossingen, natuurlijk. En dat is juist onze kracht. Na dertig jaar kunnen we ontelbare referenties voorleggen” (2), stelt Christophe Sintubin, Corporate Marketing Director van de groep.

Een vriendelijk overnamebod

En het zijn die troeven die de Canon-groep hebben overtuigd om in 2013 een vriendelijk overnamebod uit te brengen op IRIS. De Japanse groep bezat al 17% van de maatschappelijke aandelen en besloot uiteindelijk de zaak volledig in handen te nemen, waarbij hij de historische aandeelhouders tegelijk een mooie meerwaarde bood.

De Japanners wilden zich duidelijk laten inspireren door het geheim van het succes van deze spin-off, die aanvankelijk slechts uit twee personen bestond en die nu voor heel de Canon-groep HET deskundigheids en referentiecentrum is op het gebied van informatiebeheer. Canon wil die knowhow gebruiken om zijn andere dochterondernemingen in Europa beter te ontwikkelen.

Dankzij een minnelijke overeenkomst kon Pierre de Muelenaere nog drie jaar aan het hoofd van de firma blijven, vóór hij het roer doorgaf aan een stafmedewerker van de Canon-groep. Zo kon hij de overgang verzekeren en zorgen voor de integratie van de firma in de groep, zonder dat ze haar autonomie verloor en moest verzaken aan wat het geheim van haar succes vormde. Hij heeft er helemaal geen spijt van, wel integendeel. “Onder de vlag van een Japanse vennootschap zullen de resultaten veel beter zijn dan wanneer I.R.I.S. op zichzelf was blijven bestaan. Het gaat natuurlijk niet meer om een zuiver Belgisch verhaal, maar dat is het ook nooit echt geweest, aangezien I.R.I.S. reeds aandeelhouders van zowat overal had, zelfs nog voor het naar de beurs ging. En wij werken onvermijdelijk op een wereldmarkt met wereldwijde klanten.” IRIS blijft hoe dan ook een juweel van de Waalse economie en een succes dat een voorbeeld kan zijn voor andere KMO’s.

http://iriscorporate.com


1 uittreksel uit een interview van JC Verset – RTBF)
2 Digital Energy Solutions Alain de Fooz | Dec 17, 2016)

 

Chinese investeerders vestigen een technologisch innovatiecentrum in het wetenschapspark van Louvainla-Neuve. Belgische en Chinese ondernemingen zullen daar informatie of onderzoeksprojecten kunnen uitwisselen en vanaf 2020 de voorbereidingen treffen om beide markten voor elkaar toegankelijk te maken.


Door het immense ontwikkelingspotentieel van zijn markt is China een nieuw Eldorado voor veel Belgische ondernemingen. Hetzelfde geldt voor de Chinese firma’s die aangetrokken worden door de grote Europese markt. Niettemin blijft de toegang voor beide kanten moeilijk, zowel om administratieve als om culturele redenen. Een contact-, besprekings- en uitwisselingspunt zou heel nuttig kunnen zijn. Dat is het voorstel van het toekomstige China Belgium Technological Center, dat zijn activiteiten in 2020 aanvat en waarvoor zopas de eerste grondwerken van start zijn gegaan op de site van het wetenschapspark Einstein van Louvain-la-Neuve. 

Enorme verwachtingen

Het zal een “all-in”-ondernemingscentrum zijn voor hoogtechnologische Chinese ondernemingen en voor Europese bedrijven die belangstelling hebben voor de Chinese markt. Op termijn zou er plaats zijn voor 200 ondernemingen en 1500 banen. In de eerste fase zal het vastgoedcomplex een conferentiecentrum, een samenwerkingsruimte, een zakencentrum en kantoren op maat omvatten, alsook een hotel. Het plan voor dat project gaat terug tot het bezoek van president Xi Jinping aan België, in maart 2014 en tot het ondertekenen van een eerste akkoord met de toenmalige premier, Elio Di Rupo. Aan Chinese kant zijn er enorme verwachtingen, meer bepaald in het voetspoor van het initiatief One Belt, One Road, dat ook de “Nieuwe Zijderoute” wordt genoemd en dat in 2013 door de Chinese president werd gelanceerd voor het promoten van een open economie en voor een toename van de economische en commerciële uitwisselingen tussen zijn land en de rest van de wereld.

Er bestonden contacten tussen Wallonië en de provincie Hubei, met haar hoofdstad Wuhan, waar samen met een universiteit een incubatieproject voor start-ups uit de hoogtechnologische sectoren werd aangevat. Vandaar het voorstel aan de UCL om die structuur na te maken op de ter beschikking staande gronden in het wetenschapspark.

Een volledig ecosysteem

De projectontwikkelaars hebben gekozen voor de meestbelovende sectoren, namelijk biowetenschappen, communicatietechnologieën, groene technologieën en ten slotte slimme fabricage (of smart manufacturing), een prioritaire sector voor de Chinezen, die meer geautomatiseerde, intuïtieve en duurzame fabricageprocessen willen ontwikkelen. Het CBTC zal de voornaamste Chinese incubator in Europa zijn, want degene die bestaan in Groot-Brittannië, Duitsland en Frankrijk, zijn beperkt tot één enkele bedrijfssector. “Onze eerste doelstelling”, zo zegt Dr. Zhiwei Song, business director van UI International dat het project stuurt, “is het concreet faciliteren van ontmoetingen en samenwerking tussen Belgische of Europese ondernemers en hun Chinese tegenhangers”. Voor de Chinese ondernemingen is het belang van strategische aard. Ze zullen technologische akkoorden kunnen sluiten met Belgische ondernemingen om hun producten dankzij de “Europese kwaliteit” te verbeteren en om aan een toenemende vraag op de Chinese markt te voldoen. Ze zullen ook hun producten kunnen aanpassen aan de Europese markt, waar de consumenten specifieke verwachtingen hebben en de normen en regelgevingen meestal strenger zijn.  Belgische ondernemingen die zich op de Chinese markt willen vestigen, zullen er gesprekspartners vinden om hun de toegang te vergemakkelijken door begeleiding voor recht, financiering, intellectuele eigendom, octrooien en, meer algemeen, voor de manier om zaken te doen in China. Dat geeft ook directe toegang tot een netwerk van Chinese gesprekspartners, wat heel kostbaar kan zijn, omdat handel en zakendoen ginder nog sterk relatiegebonden zijn. Zoals werd onderstreept door de aanwezigheid in het wetenschapspark, zal de incubator zich richten op spitstechnologieën. “De ondernemingen zullen worden gekozen op basis van zeer strikte maatstaven en van een echt onderzoeks- en ontwikkelingspotentieel. Alle kandidaturen moeten ter goedkeuring zowel worden voorgelegd aan het wetenschapspark als aan het CBTC. Wij leveren dan weer diensten en zorgen ervoor dat de ondernemingen voldoende kans hebben om elkaar te ontmoeten, ongeacht hun strategie en het partnerschapsniveau dat hun interesseert.” Dankzij de nabijheid van de universiteit, zal het centrum een volledig ecosysteem kunnen creëren, waarin onderwijs en onderzoek, innovatie en handel samen deelnemen aan een technologische samenwerking tussen twee continenten.

Een technologisch project

Twee jaar vóór het begin van de activiteit heeft nog geen enkele onderneming haar definitief akkoord gegeven. In China gebruikt een groep van vijf personen de officiële en professionele netwerken om de voordelen van de incubator aan te prijzen. Er werden reeds verscheidene belangrijke personen aangesproken, maar Dr. D. Song wil hun namen nog niet geven. Bij de UCL werden er al verschillende informatievergaderingen in het wetenschapspark en in bedrijfskringen belegd. “Er zijn nog vragen en men is nog bang”, verklaart Philippe Barras, DG van de UCL en verantwoordelijke voor de promotie en het beheer van de wetenschapsparken. “Maar de mensen hebben goed begrepen dat het niet gaat over ‘B to C’, maar over een technologisch project.” Philippe Barras wil zich bij voorrang richten op ondernemingen die al exportervaring hebben en die voet aan de grond willen krijgen op de Chinese markt.

We zijn gaan beseffen dat we start-ups niet de beste dienst bewijzen door ze in dat bad te gooien wanneer ze commercieel nog te zwak zijn. De Chinese bedrijven, daarentegen, hebben al verscheidene keren getoond dat ze graag willen investeren in Europese start-ups.

Voor de UCL biedt het CBTC ook indirecte voordelen op academisch niveau. Er wordt met Chinese universiteitslaboratoria samengewerkt aan onderzoeksprogramma’s, maar dat zijn geen gecoördineerde initiatieven. De universiteit is zich bewust van haar achterstand, meer bepaald tegenover de Vlaamse universiteiten, en ze heeft er dan ook een strategische prioriteit van gemaakt door een “China Desk” te openen. “Wij willen meer samen werken op academisch niveau, uitwisseling van profesoren vergemakkelijken en meer Chinese studenten op de campus krijgen. Daarvoor kan het CBTC als een hefboom werken.

Cultureel deel

De investering van UI Europe in Louvain-la-Neuve omvat ook een vastgoedgedeelte. Om veel Chinese expats te kunnen opvangen op de site, willen de CBTCbeheerders op drie plaatsen in de universiteitsstad in totaal 300 appartementen bouwen. Omdat ze hun landgenoten zo goed mogelijk willen integreren in de bevolking van Louvain-la-Neuve, wensen ze er ook een cultureel deel in op te nemen, waaraan vorm is gegeven door een bijdrage voor het renoveren van het Museum van Louvain-la-Neuve. In ruil dient het museum dan elk jaar een “Chinees” evenement te organiseren, waardoor cultuur de integratie zal helpen bevorderen.

Maar waarom eigenlijk Louvain-la-Neuve en België? Aan de argumenten voor een strategische vestiging in het centrum van Europa, voegt Dr. Song nog toe dat de overheden van beide landen tot op het hoogste niveau uitstekend samenwerken. Hij geeft ook een onverwacht en sentimenteel argument. “Zeer lang geleden, hebben de Belgen de Chinezen geholpen bij het bouwen van een spoorweg tussen Peking en Wuhan. Welnu, de directeur van het WuHan EastLake Hi-Tech Innovation Center, dat deelneemt aan het project, is afkomstig van Wuhan. Voor hem lijdt het geen twijfel dat we, om onze netwerken uit te breiden, op de eerste plaats een beroep moeten doen op wie ons vroeger al geholpen heeft.” Ten slotte voegt Dr. Song eraan toe: “De Belgen zijn een zeer pragmatisch volk. Jullie praten weinig, maar doen veel. Dat komt zeer goed overeen met de Chinese mentaliteit.”

www.baev.be


EEN REFERENTIE VOOR HET PARK
De toekomstige gebouwen van het China Belgium Technological Center zullen worden opgetrokken in het Wetenschapspark Einstein, vlak bij Louvainla-Neuve. Het project wordt door United Investment Europe gefinancierd ten belope van € 200 miljoen en zal 28.000 m² groot zijn. Het gebouwencomplex zal kantoren, laboratoria, een hotel met 160 bedden, een dienstverlenings- en conferentiecentrum omvatten, alsook logistiek en parkings. De uitvoering van de werken werd toevertrouwd aan een tijdelijke vereniging bestaande uit de Belgische aannemers Franki, CIT Blaton, en BPC, onder supervisie van het architectenbureau baev/ archipelago. De site van acht hectare ligt tussen de N4 en de E411, in een valleitje met in het midden een weg. Om een functionele eenheid te maken, zal het centrum hoger liggen op een sokkel die bestaat uit een dubbel plateau dat boven de weg wordt geplaatst. Voor de vijf gebouwen van de eerste fase van het project wordt materiaal gebruikt dat typisch is voor Louvain-la-Neuve: baksteen en beton. Een andere merkwaardige bijzonderheid van de site is, dat het regenwater volledig wordt opgevangen, opgeslagen en gerecycleerd in regentuinen waar riet en irissen zullen groeien. Zoals dat het geval is bij gelijkaardige incubatoren in China, wordt heel de site rond een openbaar plein gebouwd. “De bouwheer wil de uitwisseling tussen Belgen en Chinezen bevorderen”, verklaart Jean-Sébastien Mouthuy, projectcoördinator bij archipelago. “Het zal voor iedereen een ontmoetingsplaats zijn die hopelijk een referentie zal worden voor het wetenschapspark.”

De renovatie van het iconische Jacqmain-gebouw geeft de UCL een prachtig schrijn om een deel van haar enorme verzamelingen tot hun recht te doen komen en een beleid van openheid voor heel het publiek te voeren.


Het was “het” emblematische gebouw van een nieuwe stad die door de oprichting van de nieuwe universiteit ontstond. Het gedurfde gebouw van André Jacqmain, dat op ansichtkaarten staat en zichtbaar is vanop de autosnelweg, was een icoon van moderniteit. Het was ook de wetenschapsbibliotheek van de UCL, waar ontelbare boekenrekken de binnenruimte, lijkend op een kathedraal van wetenschappelijke kennis, verduisterden. In de loop der jaren ging het gebouw schuil achter zijn studiefunctie en werd het slechts door een deel van de studenten bezocht. 2017 wordt het jaar van de wedergeboorte. Het zal voortaan het L-Museum zijn. Sinds jaren zocht het uit zijn voegen barstende universiteitsmuseum een andere ruimte om alle werken te tonen, die wegens de vele schenkingen in de voorraden moesten worden opgeslagen.

Nadat er om financiële redenen moest worden afgezien van het ambitieuze plan (1) voor een nieuw gebouw aan de oever van het meer, voelde de directie van het museum intuïtief aan dat het Jacqmain-gebouw een uitstekend onderkomen voor haar collecties bood. Na 5 jaar ontwerpen en anderhalf jaar werken opent het nieuwe museum zijn deuren voor een nieuw publiek. Het 5000 m² grote L-Museum heeft driemaal meer tentoonstellingsruimte dan het vroegere gebouw.

Academisch en openbaar

Ik zie dat museum als een ontvangstgebouw”, zegt directrice Anne Querinjean spontaan. Om te beginnen vervingen de met de renovatie belaste architecten de kleine ingang door een grote, die uitgeeft op het plein en openstaat voor de wereld. De in het daglicht badende toegangsruimte bevestigt die nieuwe optiek door middel van een cafetaria-boetiek, een theesalon en een picknickruimte. “Het is niet enkel een museum, maar ook een ontmoetingsruimte waarin men zelfs voor slechts 20 minuten welkom is. Men kan er alle tijdschriften lezen, men kan er tekenen, documenten bekijken, praten of er gewoon een gezellige pauze houden.

Het nieuwe museum is academisch en openbaar. Het verschil ervan wordt beklemtoond door het integreren van het wetenschappelijk erfgoed in het kunstpatrimonium. “Universiteiten waren de eerste instellingen die voorwerpen verzamelden en er collecties van maakten voor studie, overdracht en kennis”, stelt rector Vincent Blondel.

Het tentoonstellingsparcours begint met een rariteitenkabinet voor de 21e eeuw: een oude wereldbol van hout, opgezette vogels, mineralen en de anatomische weergave van een paard verwijzen naar de pedagogische activiteit van de universiteit en getuigen van de wondere wereld waarin wij leven. In een laboratoriumsfeer met veel wit getuigt het werk van zes emblematische onderzoekers van de universiteit – van kanunnik Lemaître tot Christian de Duve – van de verbazing die zij ervoeren en de vragen die ze zich stelden. “We kunnen veel gelijkenissen vinden in het werk van een kunstenaar, een ambachtsman en een onderzoeker. Ze hebben hetzelfde intuïtief vermogen en dezelfde belangstelling voor het onbekende”, noteert Élisa de Jacquier, een kunsthistorica die meewerkt aan tentoonstellingen en uitgaven.

Het meesterwerk van Jacqmain 

Wanneer men naar de volgende ruimte gaat, die gewijd is aan de kunstverzamelingen, ontdekt men meer dan ooit de schoonheid en de originaliteit van het meesterwerk van Jacqmain. De ruimte is onderverdeeld in mezzanines die op elkaar aansluiten en de hoogte van drie verdiepingen in beslag nemen. De volledig open ruimte is onderverdeeld in verscheidene modules. De omvangrijke werken werden in het midden geplaatst, terwijl de mezzanines met een plafondhoogte van 2,20 meter thematische ruimten vormen. Michel le Paige en Caroline Deferière, de UCL-architecten die voor de renovatie instonden, wilden het monumentale karakter van de architectuur tot zijn recht doen komen zonder de werken in verdrukking te brengen. Tegelijk wilden ze meer vluchtpunten maken zonder afbreuk te doen aan het totaalbeeld. De aandacht werd speciaal gevestigd op het ruwe beton met zijn bogen en uitsparingen en op de koperen schachten die op insectenschilden lijken en door Jules Wabbes werden ontworpen om de verwarmingsbuizen te verbergen.

Aan de doorzichtigheid van de ruimte beantwoordt een dialoog van verschillende culturen, periodes en stijlen. Een Franse piëta uit de 16e eeuw kan er naast een Egyptisch beeldje uit het Middenrijk en een 19e-eeuwse Duitse prent staan. De scenografen, de Nederlanders van Kinkorn, beseften heel vlug dat het gebouw het voornaamste museumstuk is. “In zulk een gebouw werken, is een droom. We hebben dus besloten de bezoekers geen traject op te leggen, maar ze te laten wandelen zoals ze willen en hun nieuwsgierigheid te wekken door een reeks vragen over de verschillende afdelingen”, legt Maarten Meevis uit.

Een andere origineel aspect van het L-Museum is de aanwezigheid van drie laboratoria voor proefnemingen, waar de bezoeker naar de andere kant van de spiegel kan gaan en zich op praktische wijze vertrouwd kan maken met de technieken voor etsen, beeldhouwen en kleurenbehandeling. “Men stelt vast dat het loutere kijken naar een werk de bezoeker geen voldoening meer schenkt. Een oplossing daarvoor is een meer praktische aanpak, zoals men die in natuurhistorische musea vindt. Door hem sommige technieken uit te leggen, kan de toeschouwer dingen begrijpen en met andere ogen naar de werken kijken”, meent Emmanuelle Druart, die verantwoordelijk is voor de verzamelingen.

Cultuur is geen laagje vernis

Dat dit boeiende project tot een goed einde kon worden gebracht, is te danken aan een gemengde financiering door overheden zoals de Provincie Waals-Brabant, de Federatie Brussel-Wallonië en het Waals Gewest, in samenwerking met particuliere mecenassen, ondernemingen zoals UI Europe en Stichtingen.

De eerste uitdaging voor dit museum, dat voor iedereen openstaat, zal het aantal bezoekers zijn. Tijdelijke tentoonstellingen, zoals die van Barthélémy Toguo uit Kameroen, die het museum zal openen, zullen bijdragen tot het vernieuwen van het publiek. De wetenschappelijke gemeenschap, die toegang zal hebben tot de immense voorraden (de getoonde werken vertegenwoordigen slechts 10% van de collecties), en wetenschappelijke colloquia zouden de site een internationale uitstraling moeten geven.

Ere-vicerector Gabriel Ringlet van de UCL, die een multidisciplinair cultuurbeleid heeft uitgewerkt voor de universiteit, kan alleen maar blij zijn met dit nieuwe instrument. “Cultuur aan de universiteit is geen laagje vernis, maar ze moet centraal staan in de opleiding. Ik heb altijd gedroomd van een universiteit in de stad, die heel dicht bij de medebewoners staat. Onze samenleving moet minder gespleten zijn. Ik zou het geweldig vinden als mensen die niets met de universiteit te maken hebben, zich hier helemaal op hun gemak voelen.

De opening van het L-Museum zal op 18 en 19 november worden gevierd tijdens een groot feestweekend met bezoeken en activiteiten voor het publiek.

www.museel.be

Het begon allemaal met één eenvoudig idee en een niche: bouwwerven. De wetgeving legt immers al sinds enige tijd een verplichting op voor werven van meer dan € 500.000 (indertijd € 800.000) om een prikklok te installeren om rechtstreeks alle personeelsbewegingen te registreren. Alain Préat, hoofd van het Nijvelse bedrijf, licht toe: “We hebben daarom een koffertje ontworpen met een 3G-verbinding waarmee de identiteit van elke werknemer in real time naar de RSZ kan worden verzonden. Er wordt ook een foto gemaakt voor een betere controle. Het apparaat kost zo’n € 2 000 maar kan indien nodig volledig geherprogrammeerd en hergebruikt worden.” ApKiosk verkocht het eerste jaar meteen een honderdtal machines, maar de jaren daarop slechts de helft daarvan, hoewel er volgens de Confederatie Bouw zo’n 700 tot 800 werven zijn die in aanmerking komen. “Uiteraard verkopen we niet elke dag zo’n toestel. Het vervult immers geen enkele behoefte, het voldoet enkel aan een verplichting, en heel wat mensen proberen op de een of andere manier die verplichting te omzeilen”, aldus nog de ondernemer.

Globale oplossing

Gesterkt door deze ervaring besluit het jonge bedrijf een product met een ruimer potentieel te ontwikkelen voor scholen. Eind 2013 stelt het aan een onderwijsinstelling in Ciney voor om een interactieve terminal voor het volledige beheer van zijn refter te installeren. Via een programma kunnen de ouders de maaltijden op voorhand betalen en kunnen de kinderen in real time maaltijden bestellen en ze vervolgens afhalen aan de toog in de refter. Het systeem kent een groot succes.

Kort daarna wint ApKiosk een aanbesteding voor een globale oplossing voor meerdere scholen. Ook hier werden ze geholpen door de wetgeving. De decreten van de Franse Gemeenschap vragen immers om geldverkeer in scholen zo veel mogelijk te beperken en bewijsstukken te leveren voor alle uitgaven, zowel in real time als via driemaandelijkse overzichten. De basissoftware werd dit jaar uitgebreid en scholen kunnen er nu ook heel wat administratieve zaken mee beheren: beheer van de gegevens van de kinderen, inschrijvingen voor de opvang, kosten voor fotokopieën, schoolagenda, rapporten… Alle gegevens zijn ook beschikbaar voor de ouders! Een zeer veelzijdige maar tegelijk zeer efficiënte tool. 

Crèches en onthaal

“We beseften al snel dat we geen terminals moesten verkopen, maar wel een volledige dienst aangepast aan de behoeften van de klant”, verklaart Alain Préat, “een interactief en volledig project dat echt meerwaarde biedt. We hebben ons systeem getest met alle bestaande soorten scholen in alle netten. Ondertussen hebben we heel wat vertrouwen opgebouwd en hebben we een team van vier vertegenwoordigers dat scholen benadert om onze oplossing te promoten. Daarnaast hebben we nog een team van 12 programmeurs hier in Nijvel en nog een dertigtal andere in ons atelier in Tubbeke. Nu gaan we ons toespitsen op het domein van de ‘grote’ crèches, in ziekenhuizen of universiteiten, die te maken hebben met een permanent komen en gaan van kinderen. Met het systeem, dat de naam ApKids kreeg, kan men op voorhand opvangdagen betalen en overzichten opvragen van de resterende dagen, de vorderingen in het aanvraagdossier, vaccinaties enz.”


www.apkiosk.com


@ Stéphane de Ribaucourt

Een Waalse kmo ontwikkelt – met een innovatieve aanpak  via het eigen immuunsysteem van de patiënt – een vaccin tegen een hersenkanker die tot vandaag niet behandelbaar was.


Glioblastoma multiforme is een uiterst kwaadaardige tumor die verantwoordelijk is voor 60% van alle hersenkankers. Curatieve behandelingen via chirurgie, chemotherapie en radiotherapie blijken grotendeels ondoeltreffend: 75% van de patiënten sterft in de 18 maanden na de diagnose. Zonder behandeling is de fatale termijn meestal zelfs korter dan drie maanden

De afweer stimuleren 

Er is echter hoop! De Waalse kmo ERC Belgium ontwikkelt een behandeling op basis van immuuntherapie die de eigen immunorespons van de patiënt moet stimuleren. Alles begon bij de briljante intuïtie van Apostolos Stathopoulos die neurochirurgie studeerde aan de universiteit van Luik. Tijdens een operatie waarbij hij assisteerde, kreeg hij pardoes een straal kankercellen in zijn ooghoek. Na de eerste paniekreactie verwierp hij het idee dat hij de ziekte zomaar op die manier kon oplopen: hij rekende intuïtief op het vermogen van zijn immuunsysteem om deze vreemde kankercellen af te blokken. En precies dát zette hem aan het denken. Enkele jaren later bracht de piepjonge arts enkele beroemde specialisten inzake immuunreacties en kanker bijeen in Parijs, om na te denken over het stimuleren van het eigen afweersysteem. Twee principes stonden daarbij voorop: enerzijds kon het haast niet anders dan dat ons complexe, performante immuunsysteem, vrucht van miljoenen jaren evolutie, bekwaam zou zijn om ons te genezen van kanker; anderzijds was er de eigenschap van ons lichaam om vreemde elementen af te stoten.

In 2008 richtte dr. Stathopoulos zijn bedrijfje ERC op (Epitopoietic Research Corporation). Zijn intuïtie was intussen concreet bevestigd door de eerste testen op dieren: glioblastoma multiforme is wel degelijk te bestrijden door injecties met het product Gliovac. Dit vaccin verbindt kankercellen van de patiënt met cellen die werden afgenomen bij minstens drie andere patiënten. Door hierbij verschillende allogene tumoren in te schakelen, wordt rekening gehouden met de variabiliteit van kanker en wordt een krachtige immuunreactie uitgelokt die zich ook op de tumorcellen van de patiënt zal richten. De complete behandeling duurt twee jaar, met 12 injectiecycli van drie weken. In het begin volgen deze cycli elkaar snel op; vanaf de zesde maand wordt het interval groter. Het gaat om één injectie per keer, zodat de behandeling niet zwaar noch invasief is. 

Een “schrijnende gevallen”-behandeling

Het product wordt nu klinisch onderzocht in Irvine (universiteit van Californië, VS). Hier worden 84 patienten dubbelblind behandeld. “Indien de resultaten aansluiten op onze verwachtingen, vragen we een voorwaardelijke commercialisering aan”, vertelt communicatiedirecteur Paul Petit Jean. Dit kankertype behoort tot de “weesziekten” met slechts 3 à 5 slachtoffers op een populatie van 100.000 mensen, zodat de farmasector niet staat te trappelen om te investeren in onderzoek. Wegens het zeer hoge sterftecijfer door het glioblastoom en het ontbreken van bevredigende therapeutische oplossingen wordt het gebruik van Gliovac echter toegestaan – met toestemming van de bevoegde lokale autoriteiten – in het kader van de “schrijnende gevallen”-regeling. Zo zijn alvast zeer bemoedigende eerste resultaten geboekt bij patiënten in heel de wereld. “Er werden nog geen bijwerkingen genoteerd behalve migraineopstoten, die veeleer te maken hebben met de tumor, en erythema’s (rode plekken op de huid). Mensen die niet meer konden spreken, kregen hun spraak terug; bij anderen zagen we hun mobiliteit spectaculair verbeteren.”

Een van de missies van Paul Petit Jean is de wereld rond te reizen om diverse lokale medische autoriteiten te briefen over de revolutionaire behandeling. Waar mogelijk sluit hij akkoorden voor een “schrijnend geval”-behandeling. “In een ziekenhuis in Carthagena (Colombia) sprak ik met een gerenommeerde neurochirurg. Hij vroeg me of een behandeling mogelijk was voor de jonge eigenaar van een scootergarage.” Toen de behandeling startte, was hij al hervallen en had zijn echtgenote hem net verteld dat ze in verwachting was… Dankzij Gliovac heeft hij zijn kind geboren zien worden en was hij zelfs getuige van de eerste stapjes. “Wij behandelen voorlopig slechts een zeer beperkt aantal patiënten, maar als we iemand een kans kunnen geven tegenover een ongeneeslijke ziekte, doen we dat.” Deze openheid wekt enorm veel hoop, maar de behandeling is niet altijd mogelijk. Dat heeft vaak meer te maken met administratieve en wettelijke dan met medische redenen.

Vandaag, nu fase 1 wordt afgerond, erkent iedereen alvast dat Gliovac geen enkel gevaar vormt voor de volksgezondheid. De behandeling is echter nog te nieuw om al te kunnen garanderen dat het organisme, zodra het macrofage systeem alle kankercellen vernietigd heeft, op lange termijn die veerkracht tegenover de ziekte zal kunnen handhaven.

Tumorenbank 

ERC Belgium voerde zijn eerste pre-researchtests uit in wetenschapspark Crealys in Gembloers (Gembloux) en onderzoekt daar nu ook de effecten op pancreas-, long-, eierstok- en andere kankers. Voor de productieactiviteiten moeten we 200 km noordelijker zijn, in Schaijk (Nederland). ERC Nederland herbergt er zijn tumorenbank en de entiteit die het vaccin produceert. De tumoren die bij patiënten worden weggenomen, worden naar hier gestuurd om een persoonlijk vaccin te prepareren. Het hele proces, van tumorverwijdering tot bezorging van het vaccin, duurt ongeveer twee weken. Kwaliteitscontrole staat hierbij altijd en overal centraal. “Dit is een tijdelijke oplossing. Het is onze bedoeling om de productiesite na de testfase in Wallonië te vestigen”, preciseert Paul Petit Jean.

ERC telt momenteel slechts 8 werknemers (5 in België en 3 in Nederland). De wetenschappelijke medewerkers en de executives werken met een “inverdienregeling” (uitgestelde vergoeding). “Een andere mogelijkheid was er niet. Omdat deze mensen overtuigd zijn van de toekomst van deze behandeling, zijn ze bereid een pak tijd op het spel te zetten om de onderneming te laten profiteren van hun ervaring. Iedereen wil dat het lukt.”

ERC kan weliswaar rekenen op continue ondersteuning vanuit het Waals Gewest, maar blijft contacten leggen om fondsen te verzamelen die nodig zijn om het klinisch onderzoek af te ronden. “Zodra dit geld op tafel ligt, kunnen we het klinisch onderzoek binnen 18 maanden voltooien; daarna volgen enkele administratieve obstakels voor de gedeeltelijke commercialisering van het vaccin, te beginnen met de VS.” De kmo heeft nu al filialen in de VS, Canada, Italië en Australië, en verzorgt daarnaast haar aanwezigheid in diverse Europese en LatijnsAmerikaanse landen.

De wind is gekeerd 

ERC kijkt met vertrouwen naar de toekomst en maakt zich niet te veel zorgen over concurrentie. “Onze technologie is zeer specifiek en is vervat in een brevet voor 30 jaar. Geen enkele concurrent beheerst onze globale aanpak die tot stand is gekomen met integratie van andere oplossingen die deels bevredigend waren.” Toen dr. Stathopoulos zijn onderzoekswerk startte, geloofden weinigen in medische kringen in de immuuntherapie. “Als het écht zou werken, zouden we dat wel weten”, was de standaardcommentaar. Een totaal in vergetelheid geraakte Engelse arts beschreef nochtans al in de 19de eeuw het belang van deze methode om kanker te behandelen… De wind is intussen gekeerd. Immuuntherapie geldt als een techniek met toekomst, maar er blijft nog veel werk te doen. Ook andere Waalse bedrijven (Iteos, Celyad) ontwikkelen immuunbehandelingen tegen kanker. ERC vervolgt intussen zijn onderzoek tot bestrijding van diverse tumortypes en bereidt zich voor op de commercialisering van zijn vaccin tegen glioblastoma. De toekomst van het gevecht tegen deze ziekte bestaat uit kleine en grote overwinningen, maar geactiveerd van binnenuit…

www.erc-immunotherapy.com

© iStock

In februari heeft het Instituut Jules Destrée Pierre Rion verkozen tot ‘Waal van het jaar’. Deze hyperactieve man met tal van bezigheden heeft vier belangrijke activiteiten, die allemaal in dienst staan van Wallonië zodat de regio misschien weer wordt wat hij in de jaren 50 was.  Een portret.

Pierre Rion

Pierre Rion is geboren in Charleroi in 1959, als burgerlijk ingenieur elektronica en informatica afgestudeerd in Luik in 1982, woont in Thorembais-les-Béguines en heeft zijn ‘hoofdkwartier’ in Gembloux. We kunnen dus wel stellen dat hij Wallonië goed kent. Hij doorkruist het overigens bijna dagelijks om zijn vele openbare en particuliere mandaten tegen betaling of als vrijwilliger uit te oefenen. Zijn dagen beginnen om 5 uur ‘s ochtends en eindigen ‘s avonds laat. “Ik weet dat het misschien een beetje uit de hoogte klinkt,” legt hij uit, “maar ik ben nooit moe of ziek. Genetisch gezien heb ik duidelijk een uitzonderlijke gezondheid! Zo werk ik bijna 100 uur per week. Als ik die tijd zou omzetten in een normale werkweek, besteed ik ongeveer zes weken per jaar aan elk van mijn mandaten.” En mandaten, daar heeft hij er veel van. Als hij een verkozen politicus was, had hij al lang een uitbrander gekregen.

In 1991 was hij mede-oprichter van het informaticabedrijf IRIS Group, gespecialiseerd in elektronische tekenherkenning. Hij introduceert het bedrijf in 1999 op de beurs en besluit om een jaar later ‘Business Angel’ te worden. Zijn missie? Zijn vaardigheden, tijd en geld ter beschikking stellen van jonge bedrijven bij hun opstart, of van andere bedrijven die moeten heroriënteren of herstructureren. “Sinds mijn vertrek bij IRIS bestaat mijn leven uit vier hoofdstukken,” vervolgt Pierre Rion. “Eerst en vooral is er mijn activiteit als Business Angel en als coach. Onlangs heb ik zo Cluepoints (informatica-farmaceutica), BelRobotics (robotmaaiers) en Progecoo (passieve gebouwen) bijgestaan met management en kapitaal, en meer recent heb ik DLA3 (architectuurconsultancy), AXIS71 (design) en Granaline (granaatappelsap) gecoacht. Daarnaast ben ik onafhankelijk bestuurslid (soms vergoed) van een tiental bedrijven zoals de bank CPH (waarvan ik sinds dit jaar de Raad van Bestuur voorzit), Maxel (verzekeringen en vermogensbeheer), IPM (uitgever en pers), Onelife (biofilms) en Akknato (communicatie).

10 keer voorzitter

Naast die dubbele rol bouwt Pierre Rion, die in juli 2016 door de koning verheven werd tot baron met toegekende erfelijkheid, een derde leven uit als ‘(vrijwillig) dienaar van het Waals Gewest’, waarbij hij eveneens een reeks mandaten opneemt. Hij is vooral trots om sinds 2015 de Digitale Raad te kunnen voorzitten, de instelling die Wallonië ondersteunt bij de overgang naar een digitale maatschappij in het kader van het Marshallplan 4.0. Hij stond ook mee aan de wieg van het WING-fonds, dat, zoals de naam doet vermoeden, opgericht is om innoverende projecten van digitale Waalse start-ups vleugels te geven. Gedurende vijf jaar zal er ongeveer 50 miljoen euro ter beschikking staan. Sinds de lancering van het fonds zijn er al 400 kandidaturen ingediend. Listminut (dienstverleners in de buurt) en Neveo (creatie van een digitale krant voor grootouders) zijn de eerste twee begunstigden van WING. De originaliteit van het fonds bestaat erin dat er echte professionals in de jury zitten die perfect op de hoogte zijn van de nieuwste ontwikkelingen in de digitale sector. Daarnaast is hij een van de oprichters van TWIST, een mediacluster die als missie heeft om de innovatie en de groei van de digitale Waalse industrie in dienst van de media te versterken.

Aangezien hij zich midden in de innovatie bevindt, heeft Pierre Rion zonder twijfel een beter zicht dan wie ook op de troeven van Wallonië. “Als je verliefd bent, zie je de fouten niet,” bekent hij. Ik kijk van mijn kant altijd vooruit. We moeten niet met oogkleppen oplopen. De moeilijkheden in Wallonië zijn er, maar de middelen liggen op tafel. Ik vind het spijtig dat de politieke meerderheden op het federale en het regionale niveau asymmetrisch zijn, maar ik kan zeggen dat er bij ons enorme inspanningen worden geleverd, met name dankzij het Marshallplan 4.0. Ik doe wel niet aan politiek, en dat zal ik nooit doen, want ik sta ter beschikking van iedereen die van goede wil is en van alle partijen, behalve de PVDA. Ik ben zeker rechts, maar dat neemt niet weg dat ik echte vriendschappen kan hebben met of bewondering voor politici van alle strekkingen, van Ecolo, de PS… Ik ben vooral een man met plichtsbesef. Als kleinzoon van een onderwijzer in de Ardennen heb ik altijd het goede voorbeeld moeten geven, eerste van de klas zijn, naar de mis gaan voor de hele familie, het beste rapport hebben voor godsdienst… (lacht). Tegenwoordig word ik ziek van bepaalde sociale bewegingen en van de zakenwereld. Ik zou graag hebben dat Wallonië er opnieuw uitziet als in de jaren 1950, een periode waarin een bedrijf als ACEC een leidende rol speelde. Het vond alles uit en vervaardigde alles (zelfs de besturing van een deel van de Europaraket, die later de Ariane zou worden), maar in 1989 werd het ontmanteld en in stukken overgenomen door groepen als Alstom en Alcatel. We hebben nog enorme troeven in Wallonië. Onze universiteiten zijn bij de beste ter wereld (kijk maar naar het Biopark van Charleroi), we hebben een zeer goede farmaceutische sector (die 2/3 van de wereldwijd verkochte vaccins produceert), maar we beschikken slechts over een klein grondgebied waar het moeilijk is een kritische massa te bereiken om ecosystemen te doen ontstaan. We richten mooie bedrijven op met 5, 10, 15 of 50 medewerkers, maar het gaat zelden verder dan dat. De Waalse ondernemers zijn te bescheiden. Misschien vanuit een zeker gebrek aan ambitie of een angst om te groeien. Dat de Japanners Ogeda in april hebben overgekocht voor 800 miljoen euro zegt nochtans veel over onze capaciteiten en zou ons moeten inspireren.” 

Vliegen en de wijngaard

Het laatste deel van het leven van de baron is tot slot gewijd aan… hobby’s. Want geloof het of niet, ondanks alles vindt deze man tijd om bezig te zijn met wijnbouw en privéjets. In het begin van de jaren 90 brengt Pierre Rion een honderdtal wijnstokken mee uit de Elzas en plant die in zijn tuin. Al snel gaat hij samenwerken met twee buren uit zijn dorp, Etienne Rigo, die de boerderij van Mellemont uitbaat en François Vercheval, technisch tekenaar die zich al toegelegd heeft op fruitwijnen. De drie mannen besluiten in 1994 om een hectare Pinot noir en Müller-Thurgau (of Rivaner) te planten achter de grote boerderij van Thorembais en daarna nog eens drie hectare in de loop der jaren. Vandaag produceert de wijngaard 15.000 tot 20.000 flessen per jaar. En ook al was hij niet de eerste die in Wallonië werd geplant, toch was het jarenlang het grootste Waalse wijngoed, voor er sprake was van Raymond Leroy (cuvée Ruffus) en Philippe Grafé (Domaine du Chenoy), twee wijnbouwers die echt een invloed zouden uitoefenen op een volledige jonge generatie wijnbouwers door meteen elk 10 hectare te planten.

In 2015 wordt Pierre Rion nog maar eens voorzitter, maar deze keer van de vereniging van Waalse wijnbouwers, die drie jaar eerder is opgericht. Door zijn aanwezigheid, zijn indrukwekkende adresboekje en vooral zijn dynamiek kreeg de vereniging haar eerste subsidies te pakken en kon ze deelnemen aan grote beurzen zoals ‘C’est bon, c’est wallon’ en de Landbouwbeurs van Libramont. “De vereniging heeft de laatste tijd mooi werk geleverd met de bestekken van de Waalse oorsprongsbenamingen en is van plan om gezamenlijke activiteiten op poten te zetten met de Vlaamse zustervereniging, want druiven kennen geen (taalkundige) grenzen.

En ondanks het feit dat hij zelf nooit vakantie neemt, stijgt Pierre Rion tot slot af en toe op om met een privévliegtuig particulieren of zakenlui te vervoeren die altijd kunnen rekenen op een behouden aankomst. Er zal hem dus zeker niets kunnen tegenhouden. Het begrip ‘pensioen’ zegt hem overigens totaal niets! “Het weekend breng ik door in mijn tuin en mijn keuken waar ik die passie deel met het gezin. Ik ben een Waalse huismus. Ik weet niet waarom ik elders naartoe zou gaan terwijl ik sommige hoekjes of bepaalde tradities van bij ons nog niet ken.” 


 

WAALSE INSPIRATIE

In de industrie

Ik ben een fervente bewonderaar van grote industriëlen zoals Julien Dulait (oprichter van ACEC – mijn vader en nonkel hebben er gewerkt), Zenobe Gramme (en zijn beroemde gelijkstroomdynamo), Ernest Solvay (chemische industrie) of – en deze leeft nog – Michel Foucard (Technord in Doornik). En ik mag zeker mijn betreurde wiskundeleerkracht Raymond Poulaert (St.Jozefsinstituut Charleroi) niet vergeten, een onvermoeibare en toegewijde machine die ingenieurs bleef afleveren. Een leerkracht zoals er meer zouden mogen zijn!

In de culturele wereld

Natuurlijk de zanger Jean Vallée, van wie ik in het begin van de jaren 2000 producer was, maar ook Lara Fabian, Pierre Rapsat, Steve Houben en Jacques Chaumont. Wat films betreft, heb ik veel bewondering voor Benoît Poelvoorde en François Damiens. Op radio en televisie was ik een echte fan van Jacques Mercier. Tot slot hou ik ook van Waals theater. Ik spreek zelf de drie varianten van het Waals en ik ben gek op accenten.”

In de gastronomie

Mijn grootste bron van inspiratie is Sang Hoon Degeimbre, de chef van het fantastische tweesterrenrestaurant L’Air du Temps in Liernu. Hij heeft me vooral truffel doen ontdekken. Die ga ik nu rechtstreeks kopen in het zuiden van Frankrijk. Ik ga graag naar de Le Comptoir de l’Eau-Vive (Arbre), L’Eveil des Sens (Montigny-leTilleul), La Table de Maxime (Paliseul), Cuisinémoi (Namen), dat helaas gesloten is, Les Petits Oignons in Jodoigne, Chez Louis in Glimes en La Table du Boucher in Bergen. Aan adressen geen gebrek. In een iets andere categorie wil ik zeker niet nalaten om The Belgian Owl te vermelden, een van de beste whisky’s ter wereld, en het bier Bertinchamps.  Als het gaat om vlees, zouden Waalse veehouders een inspanning moeten doen om smaakvoller vlees te produceren dan het BWB.  Als je van vlees houdt, hou je van vet! Zonder vet, geen smaak! Tot slot doet de biosector het goed, maar nog niet goed genoeg. Als het gaat om Waalse specialiteiten heb ik een zwak voor escabeche met Chimay, boekweitpannenkoeken, balletjes op Luikse wijze, kerstgebak, fazant op Brabantse wijze, pâte gaumais of Hervekaas met Luikse siroop. Een echte trip door Wallonië…


Nivaxis, dat het Axisparc in Mont-Saint-Guibert als voorbeeld heeft, wil zich ondanks zijn kleinere omvang doen gelden binnen de ‘familie’ van vernieuwende Waalse bedrijvenparken.

 

In de jaren zeventig van de vorige eeuw ging de gemeente Nijvel prat op de aanwezigheid van een modern circuit waar de beroemdste internationale autocoureurs hun motoren lieten ronken. Het circuit ging echter snel failliet en de bolides keerden beschaamd terug naar hun renstallen. Op het asfalt heerste stilte, totdat de Intercommunale du Brabant-Wallon (IBW) de terreinen en het (tegenwoordig gedeeltelijk afgebroken) circuit opkocht om er het 85 ha grote bedrijvenpark Portes de l’Europe (Nijvel-Noord) van te maken. In dat voor bedrijvigheid bestemde gebied wor
telt sinds kort Nivaxis. Gesteund door het succes van Axisparc heeft projectontwikkelaar Henri Fischgrund, gedelegeerd bestuurder van de groep van vastgoedondernemingen in Mont-Saint-Guibert, de gelegenheid aangegrepen om 7 ha grond te kopen toen de IBW hem dat voorstelde. Tegenwoordig ontwikkelt hij er geleidelijk een tweede bedrijvencentrum.

Betrokken bij de regionale ontwikkeling

Henri Fischgrund wist mensen snel van zijn ideeën te overtuigen. Bedrijvenpark Portes de l’Europe beschikt over alle voordelen om bedrijven aan te trekken die ruimte zoeken en markten willen veroveren: rechtstreekse toegang tot de autosnelwegen, een ideale ligging dicht bij de luchthavens van Zaventem en Charleroi, en een aangename werkomgeving tussen de wilde orchideeën en libellen. Architectenbureau De Smet & Walley Architects moest dit uitzonderlijke stukje flora en fauna trouwens als groene corridors in zijn plannen opnemen om het te beschermen. Op termijn moet Nivaxis elf units (gebouwen) van 1700 m2 tellen. Dat komt neer op ongeveer 20.000 m² kantoren en hightechwerkplaatsen voor kleine en middelgrote ondernemingen op een terrein van 22 ha, dat naar gelang de uitvoering van het project wordt verworven. Er is sprake van een investering van 60 tot 70 miljoen euro. “Wij kopen de terreinen, ontwikkelen ze en nemen het risico om er gebouwen neer te zetten en huurders te vinden. Als de gebouwen eenmaal zijn verhuurd, verkopen we ze aan investeerders die op zoek zijn naar financieel rendement”, verduidelijkt Henri Fischgrund. De klanten zijn particuliere en overheidsbedrijven, hoofdzakelijk in de dienstverlenende sector. Het justitiehuis van Nijvel, dat hiervoor krap behuisd was in het stadscentrum, is de eerste huurder van Nivaxis. Begin dit jaar heeft het officieel zijn intrek genomen in het enige gebouw dat momenteel voltooid is. Voor de eerste twee gebouwen zijn de vergunningen al afgegeven, terwijl de aanvragen nog lopen voor de volgende twee (fase 1 en 2).

Aanpasbaarheid en service

De gebouwen van Nivaxis kunnen allemaal aan de behoeften van de huurders worden aangepast. “Wie zich in zo’n groot project stort, moet precies weten met welk soort klanten hij te maken heeft. Axisparc heeft een zeer gevarieerde klantenkring. Een breed scala van ondernemingen! Maar het aantal middelgrote en grote ondernemingen is relatief belangrijk: in Mont-Saint-Guibert heeft één onderneming al 4000 m2 bedrijfsruimte in gebruik. Volgens het marktonderzoek dat we hebben gedaan, komen we in Nijvel eerder kleine en middelgrote ondernemingen tegen. De bouwwijze moet dus wel anders zijn om aan die behoefte te voldoen. De gebouwen moeten veel beter aanpasbaar zijn en een oppervlakte van 200 tot 250 m2 hebben”, legt Henri Fischgrund uit. Voor het hele terrein komt er een servicecentrum van 3000 à 3500 m2, waar al veel vraag naar is. De dienstverlening omvat een restaurant, een fitnesscentrum, autoverhuur en -wasstraat, een stomerij, de mogelijkheid om tekeningen af te drukken of fotokopieën te maken enzovoort. In ontwikkeling is een 18 m hoge klimzaal van Europees niveau. “Die zaal is het project van een jonge onderneming, die voor de uitvoering nog naar investeringen zoekt. Als ze in haar opzet slaagt, zal het resultaat ongekend zijn voor een bedrijvenpark”, concludeert de vastgoedontwikkelaar.

Een groen park

De vraag of Nivaxis een milieuvriendelijk bedrijvenpark wordt, is eigenlijk achterhaald. De nieuwe bouwvoorschriften in het Waals Gewest op het gebied van energieprestaties van gebouwen en binnenklimaat zijn uiterst dwingend (en vatbaar voor verandering). “Wij moeten volgens een bepaalde K-factor (isolatiewaarde) en E-factor (energieverliezen) bouwen en dat zijn verplichte voorschriften. We kunnen zeggen dat onze gebouwen milieuvriendelijk zijn als we aan die bouwvoorschriften voldoen”, zegt Henri Fischgrund. De energieprestatie- en bouwnormen ontwikkelen zich al een aantal jaren in de richting van de doelstellingen die door de Europese Unie worden opgelegd, namelijk dat alle nieuwe gebouwen in 2021 vrijwel geen energie meer verbruiken. Daarbij wordt vooral gemikt op de bouw, want in Europa is vastgesteld dat die sector in zijn eentje goed is voor ongeveer 40% van het verbruik van primaire energie.

www.ibw.be
www.axisparc.com

BUSINESS CENTER
Net als Regus dat in België doet, biedt Nivaxis een zestigtal ingerichte kantoortjes met internetverbinding (voor twee of drie personen) aan. Deze zijn direct bruikbaar en profiteren van de diensten van het bedrijvenpark. “In de nabije toekomst ontstaat daar echt behoefte aan. Wanneer je alleen of met zijn tweeën onderneemt, heb je geen behoefte aan een kolossaal kantoor. Dat zou te duur zijn. Ons Business Center komt in zo’n situatie aan de behoefte tegemoet.” Het principe is eenvoudig: gebruikers betalen per maand en per werkplek voor wat ze gebruiken. Om een idee te geven: 500 euro voor de eerste persoon en 300 euro voor de tweede. Daarnaast zijn een bar en vergaderzalen beschikbaar.

 

Your opinion counts