Waw magazine

Waw magazine

Menu

Dans mon jardin les fleurs dansent

Olivier Cornil werkt zowat overal in België en soms ook elders. Dit laatste was regelmatig het geval tijdens de tournees van de groep Girls in Hawaï waarvan hij lange tijd “visueel lid” was. Hij is afgestudeerd aan de Hogere Kunstschool “Le Septante-cinq” in Brussel. Sindsdien heeft hij heel wat werken tentoongesteld en gepubliceerd. Hierbij mengde hij vaak foto’s en nota’s, zowat halverwege tussen de schroomvallige autobiografie en een genereuze en gevoelige benadering van de documentaire. Sinds 2017 is hij docent aan Saint-Luc Liège.

« Dans mon jardin les fleurs dansent » is een reeks die ik enkele jaren geleden aangevat heb in Bugeat, in de Corrèze, waar mijn moeder beslist heeft te gaan wonen. Het is de eenvoudige, maar zoals vele andere niet altijd gemakkelijke, geschiedenis van een vrouw, van een moeder, van verbanden, van veranderingen, van rouw en van zingeving. Van berusting en van hernieuwing, van herinneringen, van tranen en van glimlachen. Beelden van ginder en teksten van hier.

 « De la série « Dans mon jardin les fleurs dansent ».

© Olivier Cornil

  • /

Tot 11 november prijken er in het park en de tuinen van het Domein van Seneffe een dertigtal beelden van Félix Roulin. De perfecte gelegenheid om het monumentale werk te (her)ontdekken van deze beeldhouwer uit Dinant met een passie voor brons, die zijn beelden zelf giet in zijn boerderij in Biesmerée.

© N. Arias-Arena

De gebeeldhouwde deuren van het Mac’s in de Grand Hornu behoren tot zijn bekendste werken, maar ook ‘L’Arche du Millénaire’ voor het gemeentehuis van Andenne, de beelden op de place Pierre de Coubertin in Louvain-la-Neuve en ‘Les Ages de l’Humanité’ bij het Hôpital Marie Curie in Lodelinsart, een enorm, piramidevormig werk waarin de kunstenaar steen, brons, ijzer, roestvrijstaal en zeldzame metalen als titanium met elkaar combineert, zijn van zijn hand.

Hoewel Félix Roulin zich op alle terreinen en met alle materialen op zijn gemak voelt, gaat zijn voorkeur toch uit naar brons. Dat materiaal staat dan ook centraal in zijn werk: menselijke vormen, gevangen in cortenstaal of inox. De beelden krijgen vaak de vorm van een zuil of boog, zelfs een deur. Gezichten, handen, voeten, vrouwelijke vormen zitten erin opgesloten en proberen te ontsnappen. Verstijfd maar in volle beweging.

De beheerders van het Domein van Seneffe deden dit jaar een beroep op deze kunstenaar, die een ‘spoor’ heeft nagelaten op tal van locaties in België en zelfs in het buitenland, en die op 87-jarige leeftijd onvermoeid blijft voortwerken in zijn atelier in Biesmerée (Mettet). Sinds 2005 opent het domein zijn park en tuinen voor verschillende kunstenaars, die het ene jaar een thema krijgen waarmee ze samen aan de slag kunnen, en het andere jaar een persoonlijke tentoonstelling in een open ruimte. Dit initiatief is inmiddels niet meer weg te denken voor al wie van hedendaagse en actuele kunst houdt (denk maar aan de openluchttentoonstelling met enorme foto’s in het kader van de festiviteiten van Bergen 2015). Nu is Félix Roulin dus aan de beurt, van wie op het domein tot 11 november een dertigtal beelden kunnen worden bewonderd (toegang gratis).

Van de rode schoenen tot de laarzen van t’Serclaes

‘Ik was net op zoek naar een bijzonder kader voor mijn beelden, die steeds groter worden. Mijn oog was al op verschillende erfgoedlocaties gevallen, en hier in Seneffe deed de gelegenheid zich voor’, vertelt de kunstenaar, die afkomstig is uit Dinant. Het is een schitterende locatie. De 18de-eeuwse architectuur verleent het geheel een interessante structuur. Als je monumentale kunst maakt, dan is het verband met de architectuur essentieel. Ik hou bijzonder veel van de ‘Cour d’honneur’ waarlangs de mensen binnenkomen. Ik heb er dan ook voor gekozen om daar mijn nieuwste werken te plaatsen, naast een aantal oudere exemplaren’.

Hoofdzakelijk zuilen, met personages die gevangen zitten uiteraard, maar hoe recenter zijn werk, des te groter de zichtbare fragmenten worden. De zuilen gaan open, de lichamen bevrijden zich ruw en de verbeelding krijgt vrij spel. Op die manier kan het publiek de chronologie van zijn werk volgen. De periodes van Félix Roulin.

In het midden van de binnenplaats trekt één werk de aandacht: ‘Souliers rouges’ geïnspireerd op het sprookje van Andersen. Het gaat om de vergroting van een klein beeld, waarin de voeten van het meisje een normale grootte hebben, terwijl haar schoenen in miniatuur zijn afgebeeld. Hier hebben de schoenen normale afmetingen, en zijn de voeten vergroot. Het beeld heeft een tegenhanger in de ‘Laarzen van ‘t ’Serclaes’, die vanaf het place de Tilly, waarvan deze 16de-eeuwse heer afkomstig was, naar een van de tuinen van het domein wandelden.

© R.Rouer

Werken die een verhaal vertellen

Achter het kasteel ligt het 22 hectare grote park dat uitnodigt tot wandelen en uit grasperken, lanen, hagen en waterpartijen bestaat. Elk jaar weer is het voor de kunstenaars een hele uitdaging om met die bijzonder gevarieerde natuurvormen te werken. Zoals deze structuur van brons en inox voor de grote vijver, of het portaal ‘Génération’, dat een blik biedt op een imposante tuinbed. ‘Ik probeer mijn beelden op een coherente manier te plaatsen’, vertelt de kunstenaar die, en dat is uitzonderlijk, zijn beelden zelf thuis in zijn gieterij maakt. ‘Ik ben met name dol op de groene vierkanten, en heb me daarmee een beetje meer laten gaan’.

Geprikkeld? Achter de hagen die de ‘Jardin des trois terrasses’ in ruiten verdelen, stelde de beeldhouwer zijn oudste beelden tentoon, die grotendeels dateren uit de jaren 80 en 90. Ook hier worden lichamen tegenover materie geplaatst. Maar ze zijn vrij. Of toch niet helemaal, want de arm van Icarus – alles wat er van de waaghals overblijft – zit nog steeds vast aan de vleugel die hem meenam in zijn val. In een ander groen blokje is het precies een stuk arm dat de amazone mist, druk bezig een boog te spannen. Een puzzel? Ja, die van de fantasie van de kunstenaar. Deze werken vertellen een verhaal. Ik ben gefascineerd door de oudheid, legendes, sprookjes, … Tijdens het creatieve proces besteed ik steeds meer aandacht aan de verbeelding. Wat vertelt het beeld, wat wil ik dat het vertelt?”.

Aanraken is begrijpen

Sceptisch? Aarzel niet de beelden aan te raken, de vormen te strelen. Volgens de kunstenaar moet je een beeld aanraken om het echt te begrijpen. ‘Dat is toch normaal! De beeldhouwkunst is een kunstvorm die alle zintuigen aanspreekt. We leven in een tijdperk waarin bijzonder veel aandacht uitgaat naar het beeld (via televisie- en computerschermen), terwijl heel wat andere sensaties verwaarloosd worden: het ruwe, gladde, koude, warme, zware, lichte, vochtige, … Dat kan een afbeelding niet bieden, maar een beeldhouwwerk wel. Beelden brengen die sensaties aan, gebruiken en communiceren ze’.

 

Aldus Hephaistos in zijn smidse.

+32 (0)64 55 69 13

www.chateaudeseneffe.be

 

Een volledig kunstenaar

Félix Roulin werd in 1931 geboren in Dinant, waarvoor hij het monument van Adolphe Sax met vrouwen en saxofoons, opgesloten in de materie, maakte. Hij is de waardige erfgenaam van de Dinantse dynastieën van koperbewerkers. Werd zijn roeping beïnvloed door de harde rotsen die boven de Maas uitsteken? De jonge beeldhouwer is al bijzonder productief en wordt aangetrokken door alle mogelijke materialen. Hij volgt een opleiding aan de Ecole des métiers d’art in Maredsous, waar hij vervolgens ook lesgeeft, voor hij docent metaalkunst en later ook beeldhouwkunst wordt aan het Institut supérieur d’Architecture et d’Art décoratif de La Cambre, in Brussel. In 1961 krijgt hij de Prix du Musée Rodin op de Biennale de sculpture de Paris. Vervolgens begint hij ongeveer overal in België tentoon te stellen, maar ook in Parijs, Sao Paulo, enz.

Zijn werk wordt gekenmerkt door monumentale beelden die een plaats hebben verworven in tal van openbare ruimtes, de stad of de natuur. De creaties van deze volledige kunstenaar – want hij is ook bedreven in de edelsmeedkunst – ontstaan met een paar trekken op papier en krijgen hun definitieve vorm in zijn gieterij in Biesmerée. Daar, in de rust van een gerenoveerde boerderij, blijft hij nieuwe beelden maken en geeft hij zijn passie door aan jonge beeldhouwers.

 

De gebeeldhouwde deuren van het Mac’s in de Grand Hornu behoren tot zijn bekendste werken, maar ook ‘L’Arche du Millénaire’ voor het gemeentehuis van Andenne, de beelden op de place Pierre de Coubertin in Louvain-la-Neuve en ‘Les Ages de l’Humanité’ bij het Hôpital Marie Curie in Lodelinsart, een enorm, piramidevormig werk waarin de kunstenaar steen, brons, ijzer, roestvrijstaal en zeldzame metalen als titanium met elkaar combineert, zijn van zijn hand.

Hoewel Félix Roulin zich op alle terreinen en met alle materialen op zijn gemak voelt, gaat zijn voorkeur toch uit naar brons. Dat materiaal staat dan ook centraal in zijn werk: menselijke vormen, gevangen in cortenstaal of inox. De beelden krijgen vaak de vorm van een zuil of boog, zelfs een deur. Gezichten, handen, voeten, vrouwelijke vormen zitten erin opgesloten en proberen te ontsnappen. Verstijfd maar in volle beweging.

De beheerders van het Domein van Seneffe deden dit jaar een beroep op deze kunstenaar, die een ‘spoor’ heeft nagelaten op tal van locaties in België en zelfs in het buitenland, en die op 87-jarige leeftijd onvermoeid blijft voortwerken in zijn atelier in Biesmerée (Mettet). Sinds 2005 opent het domein zijn park en tuinen voor verschillende kunstenaars, die het ene jaar een thema krijgen waarmee ze samen aan de slag kunnen, en het andere jaar een persoonlijke tentoonstelling in een open ruimte. Dit initiatief is inmiddels niet meer weg te denken voor al wie van hedendaagse en actuele kunst houdt (denk maar aan de openluchttentoonstelling met enorme foto’s in het kader van de festiviteiten van Bergen 2015). Nu is Félix Roulin dus aan de beurt, van wie op het domein tot 11 november een dertigtal beelden kunnen worden bewonderd (toegang gratis).

Van de rode schoenen tot de laarzen van t’Serclaes

‘Ik was net op zoek naar een bijzonder kader voor mijn beelden, die steeds groter worden. Mijn oog was al op verschillende erfgoedlocaties gevallen, en hier in Seneffe deed de gelegenheid zich voor’, vertelt de kunstenaar, die afkomstig is uit Dinant. Het is een schitterende locatie. De 18de-eeuwse architectuur verleent het geheel een interessante structuur. Als je monumentale kunst maakt, dan is het verband met de architectuur essentieel. Ik hou bijzonder veel van de ‘Cour d’honneur’ waarlangs de mensen binnenkomen. Ik heb er dan ook voor gekozen om daar mijn nieuwste werken te plaatsen, naast een aantal oudere exemplaren’.

Hoofdzakelijk zuilen, met personages die gevangen zitten uiteraard, maar hoe recenter zijn werk, des te groter de zichtbare fragmenten worden. De zuilen gaan open, de lichamen bevrijden zich ruw en de verbeelding krijgt vrij spel. Op die manier kan het publiek de chronologie van zijn werk volgen. De periodes van Félix Roulin.

In het midden van de binnenplaats trekt één werk de aandacht: ‘Souliers rouges’ geïnspireerd op het sprookje van Andersen. Het gaat om de vergroting van een klein beeld, waarin de voeten van het meisje een normale grootte hebben, terwijl haar schoenen in miniatuur zijn afgebeeld. Hier hebben de schoenen normale afmetingen, en zijn de voeten vergroot. Het beeld heeft een tegenhanger in de ‘Laarzen van ‘t ’Serclaes’, die vanaf het place de Tilly, waarvan deze 16de-eeuwse heer afkomstig was, naar een van de tuinen van het domein wandelden.

 

Via de schilderkunst, beeldhouwkunst en sinds kort ook het schrijven, wil Isabelle Nell als het ware een artistiek universum met ons delen. Ontmoeting in Chaumont-Gistoux met deze spirituele ‘engel’.

 Al vanaf haar kindertijd werd Isabelle Nell aangetrokken door de schilderkunst en de kunst in het algemeen. Ze herinnert zich hoe ze urenlang naast haar vader zat, naar hem keek en naar zijn advies luisterde. “Ik bewonderde zijn werk. In mijn allereerste herinneringen had ik altijd een potlood, pen of penseel in de hand. Ik ben zowel links- als rechtshandig en vond het leuk om omgekeerd te schrijven, een techniek die ook Leonardo da Vinci beoefende”.

Vijftien jaar lang maakte Isabelle Nell deel uit van een hedendaags dansgezelschap, waarna ze aan de Académie Royale des Beaux-Arts de Bruxelles binnenhuisarchitectuur ging studeren met de optie design, als aanvulling op haar vorming. “De dag waarop ik mijn diploma behaalde, ging ik een winkel voor kunstenaarsbenodigdheden binnen om er klei te kopen. Ik wilde mijn eerste beeld maken. Dat zette me ertoe aan om twee jaar lang een opleiding beeldhouwkunst te volgen aan dezelfde academie. Onder het waakzame oog van mijn leraar, de beroemde beeldhouwer Martin Guyaux, verbeterde ik mijn techniek en perceptie bij het contact met de materie. Toen hij een van mijn werken moest beoordelen, kreeg ik een van de mooiste complimenten ooit. Ik had de zin, de waarde en de ziel van de man die voor de studenten poseerde, weten te capteren. Het model – naakt en tegelijk extravert en introvert – had geen andere bron van inkomsten. Dat raakte me diep”.

 

Tussen schilderkunst en beeldhouwkunst

Toen ze net dertig was, schilderde Isabelle haar eerste doek. “Ik zag het voor me toen ik naar een lege witte muur zat te kijken in het appartement waarin ik net was ingetrokken. Ik kreeg het ene creatieve idee na het andere. Stap voor stap ontstond het doek. Het moest enorm zijn en de omvang van de werken van mijn vader overschrijden. In 2000, bij mijn eerste tentoonstelling in Grez-Doiceau, besefte ik hoe lastig de afmetingen van mijn werken waren en hoe moeilijk ik ze kon vervoeren. Ik paste ze dan ook aan aan de grootte van mijn auto (lacht).

Haar schilderijen sluiten aan bij het uitgepuurde, symbolische surrealisme. Schaduw en licht, bomen en wolken begeleiden haar bij haar zoektocht naar haar wortels. Wat de beeldhouwkunst betreft omschrijft Isabelle haar stijl eerder als klassiek. Bij het schilderen of beeldhouwen werkt ze graag met materialen die vrijheid en sensualiteit mogelijk maken.

“Mijn favoriete techniek is olie op doek of paneel. Al heb ik op de academie geleerd om steen te boucharderen, toch maak ik nog uitsluitend beelden van klei, omdat ik daarmee preciezere en meer sensuele vormen kan creëren. Hoewel een aantal van mijn werken op basis van een mal in brons zijn gegoten, gebruik ik voor andere creaties dan weer de mozaïektechniek. Het bedekken van de terracotta met mozaïek is een echte puzzel die heel wat geduld en introspectie vergt. Ik volg daarbij de instructies van de beelden die in mijn dromen naar boven komen: ik verzet me er niet tegen, maar laat me erdoor leiden”.

Een nieuwe spiritualiteit

Isabelle nam haar intrek in Chaumont-Gistoux en houdt van rust. De groene omgeving inspireert haar, net als de mens… Zijn kwaliteiten, gebreken, polariteiten. Ze houdt van erg uiteenlopende kunstenaars: de talenten van Leonardo Da Vinci, René Magritte, de beelden van Salvador Dali, de ervaringen van Antoine de Saint-Exupéry, de persoonlijkheden van Alexandre Jardin en Bernard Depoorter, die ze als een genie beschouwt. “Toen ik het lawaai en de vervuiling van Brussel inruilde voor de groene omgeving van Waals Brabant, werd mijn wereld plots stukken lichter. Ook mijn spiritualiteit evolueerde na een bijna-doodervaring. Ik ben niet gelovig, maar het blauw op mijn doeken hangt er zeker mee samen. Alles wat te maken heeft met de aartsengel Michaël trekt mijn aandacht. Ik bezoek regelmatig monumenten die aan hem zijn opgedragen: zo reis ik vaak naar Normandië om de Mont-Saint-Michel te bezoeken”.

Een allereerste Bildungsroman

En dan is er nog die eerste roman die Isabelle Nell na negen maanden schrijven op de wereld zette en die in maart laatstleden werd gepubliceerd. “Mensen zeggen vaak: ‘ooit schrijf ik een boek…’. Vreemd genoeg wilde ik dat ook erg graag. Het lijkt wel of ik de wijzers van mijn horloge heb stilgezet om de tijd te krijgen om te schrijven. Ik heb me afgezonderd om die behoefte, die ik al vanaf mijn jeugd voelde, te kunnen concretiseren. ‘(R)évolution d’une rêveuse’ is een Bildungsroman die de evolutie van een personage beschrijft. De verschillende beproevingen die je ondergaat, positief én negatief, transformeren het individu. Ze zorgen ervoor dat je jezelf beter gaat begrijpen. Het hoofpersonage van mijn roman heet Angel, en ze lijkt op me. Ik hou de dingen wel graag wat mysterieus. Tussen de realiteit en de verbeelding zit slechts één stap. Volgens het Latijnse gezegde ‘verba volant, scripta manent’ (woorden vervliegen, het geschrevene blijft, nvdr) sta ik in voor de draagwijdte van mijn woorden door een spoor na te laten. Ik heb al plannen voor een nieuwe roman waarin ik een mannelijke rol zal spelen, Michel… Ondertussen wil ik evenementen organiseren om mijn artistieke universum onder de aandacht te brengen”.

Data

  • Oktober 2000: 1e belangrijke tentoonstelling in galerie ‘Au Grez des Arts’, in Grez-Doiceau.
  • Juni 2003: Nationale gouden medaille op het 33e Salon international de l’Académie européenne des Arts, voor haat volledige œuvre, in Gembloux.
  • Oktober 2003: Nationale gouden medaille van de Conseil supérieur des récompenses tijdens de internationale tentoonstelling van het Académie européenne des Arts, in Parijs.
  • April 2004: retrospectieve van tien jaar van creaties in het Château d’eau in het Ter Kamerenbos in Brussel. ‘Le Coq dans les nuages’, voor ‘Brabant wallon en fête’ komt terecht in de provinciale collectie.
  • Sinds 2005: verschillende tentoonstellingen in België (Centre Rops in Brussel, Salon wallon des Métiers d’Art, Palais abbatial de Saint-Hubert…) en in Frankrijk (Parijs, Carpentras, Saumane-de-Vaucluse, Montpellier...).
  • Sinds 2011: invoering van de "Maca d’Or", een trofee voor verdienstelijke ondernemingen uit Wavre.
  • Sinds 2012: tentoonstellingen in de Moulin d’Arenberg in Rebecq, de Abbaye de Vaucelles in Frankrijk, galerie ‘Au Grez des Arts’ in Grez-Doiceau en nog meer.

www.nellisabelle.com

 

De beroemde blauwe figuurtjes van Peyo vieren de zestigste verjaardag van hun verschijnen met een tentoonstelling met immersieve evenementen in Brussels Expo. Vooraleer een reis rond de... blauwe planeet te maken.

Pitufos heten ze in Madrid, Strumpar in Reykjavik, Siriner in Istanboel, Smurfs in Los Angeles en Lan Jing Ling in Peking, maar veranderen doen ze nooit. Ze zijn altijd drie (blauwe) turven hoog en onder hun witte muts vertegenwoordigen ze heel de diversiteit van de menselijke komedie.

Zestig jaar na hun eerste optreden in een album van Johan en Pirrewiet, hebben de Smurfen de wereld veroverd. Peyo was een van de eerste Europese stripauteurs die besefte hoe belangrijk marketing en producten onder licentie waren om zijn personages meer bekendheid te geven. Vandaag vormt de strip nog maar 4% van de inkomsten van IMPS, de nog steeds in Genval gevestigde firma die de rechten, het imago en de ontwikkelingen van de blauwe dwergjes beheert. De avonturen van de Smurfen tref je nu aan op veel media, in tekenfilms, films, videogames, pretparken en nu ook in de “Smurf Experience”, die tot 27 januari 2019 plaatsvindt in Brussels Expo. Op een oppervlakte van 1.500 m2 voert een immersief en interactief traject de bezoeker door de magische wereld van de Smurfen en nodigt hem uit om negen opeenvolgende ruimten te doorlopen om de plannen van hun eeuwige vijand Gargamel te doen mislukken; die heeft immers een helse machine gemaakt om het klimaat boven het paddenstoelendorp in de war te sturen.

 Leven als een Smurf

Je hoeft slechts een reusachtig kader uit een stripverhaal opzij te schuiven om je onder te dompelen in een magische wereld, waar de nieuwe interactieve technologieën samengaan met de traditionelere technieken van de levende kunsten. Tijdens de tocht zie je acteurs die vermomd zijn of gigantische Smurf-marionetten in beweging brengen. Dankzij de facelifttechnologie kun je in een spiegel ook jouw virtuele dubbelganger met het hoofd van een Smurf zien of interactieve beelden doen verschijnen op schermen. “We hebben alle tot onze beschikking staande middelen gebruikt om een mooi verhaal te vertellen en een leuke ervaring te doen beleven,” aldus scenograaf Marcos Viñals Bassols. “De dramatische effecten en vooral de sfeerscheppende decors blijven heel doelmatig. Iedereen weet wel dat ze niet echt zijn, maar wil graag het tegendeel geloven. Vooral kinderen, die nog niets verloren hebben van hun vermogen tot verwondering.

Die kinderen, die de belangrijkste doelgroep van de Smurf Experience zijn, werden vooraf ondervraagd om te zien hoeveel ze van de Smurfen weten, maar ook om hun verwachtingen te leren kennen. “Wat ze wilden, dat was het dorp ontdekken, leven zoals een Smurf en Gargamel uitdagen. En dat natuurlijk met alle magie en toverkunst die het zo fascinerend maakt.

© Ingrid Otto

We verklappen geen geheim als we onthullen dat dit verhaal goed afloopt voor de Smurfen en hun bezoekers. Een laatste formaliteit vóór je naar de mensenwereld terug kunt keren, is dat je moet ontsnappen aan de verachtelijke tovenaar. En wat kan je daar beter bij helpen dan een ooievaar, die met alle plezier voor luchttaxi speelt? Dankzij de magie van de virtuele werkelijkheid, kun je op de rug van de grote vogel klimmen en ongehinderd het Smurfen-dorp bereiken na een vlucht over berglandschappen en stinkende moerassen en langs de bomen van een dicht woud, om uiteindelijk te landen op het dorpsplein, waar je een groot vreugdevuur verwacht. “In pretparken komen tegenwoordig veel attracties met virtuele werkelijkheid voor. Maar nadat je de bril hebt afgezet, blijft daar meestal niet veel van over. Wij hebben echter een sterk verhaal te vertellen, iets dat een mens normaal gesproken niet kan doen. Zonder virtuele werkelijkheid kun je niet op de rug van een ooievaar gaan zitten en evenmin over een Smurfen-dorp vliegen.

 

Door de UNO bekrachtigde waarden

Het wereldwijde succes van de Smurfen heeft er universele mascottes van gemaakt, waarin alle rassen zich kunnen herkennen. Dat is ongetwijfeld de reden waarom de Verenigde Naties ze in 2016 hebben gekozen als ambassadeurs voor de zeventien Doelstellingen inzake Duurzame Ontwikkeling die door 195 landen werden goedgekeurd. Die doelstellingen moeten tegen 2030 worden verwezenlijkt om de armoede uit te roeien, de planeet te beschermen en welvaart voor iedereen te garanderen. Over heel het traject van de “Smurf Experience” zijn er in het decor zeventien voorwerpen verwerkt, die vorm geven aan elk van die doelstellingen. Een wasdraad om gendergelijkheid te illustreren, een koffer als teken van het verdwijnen van de armoede, een deegrol om het verminderen van de sociale ongelijkheid te symboliseren. Ze zijn vergezeld van schriftelijke toelichtingen en van een pedagogisch dossier in drie talen voor het leerlingenpubliek. “De leidraad van het verhaal is een metafoor voor de schade die de mens aan het klimaat toebrengt. Vandaag is het duidelijk dat de publieke opinie en het opvoedingssysteem in onze westerse landen ervoor zorgen dat die waarden inzake natuurbehoud en gelijkheid tussen mannen en vrouwen gangbaar en algemeen aanvaard zijn, maar met deze tentoonstelling kan men andere landen bezoeken, waar die doelstellingen niet vanzelfsprekend zijn. Het is dus een goede zaak dat de Smurfen daar komen aanzetten met hun door de UNO goedgekeurde waarden, opdat die plaats zouden krijgen in het hart van die kinderen, die de beslissers van morgen zijn.

 

 

Belgische knowhow

Als hoedster van het oeuvre en het imago van Peyo zorgt de firma IMPS uit Genval voor het toekennen van licenties en het ontwikkelen van nieuwe projecten. Het was zij die de tentoonstelling ontwierp in samenwerking met verscheidene Belgische partners die elk zeer deskundig zijn op hun specifiek domein. De productie en het ontwerp zijn in handen van Usine à Bulles, die de leiding heeft van het International Stripverhalenfestival van Luik en die voor deze gelegenheid samenwerkt met DC & J, een nieuwe Luikse productiemaatschappij voor het ondersteunen van sterke en innoverende projecten voor toneel, dans, circus en opera. De werking van de “Smurf Experience” is in handen van Cecoforma, een communicatie‑ en evenementenfirma die, net zoals Usine à Bulles, geleid wordt door Stephan Uhoda, een evenementenorganisator en enthousiaste cultuurliefhebber.

Heel de visuele en interactieve inhoud werd gemaakt door de firma Dirty Monitor uit Charleroi, die bekend werd door de techniek van videomapping en die haar audiovisuele deskundigheid zowel uitvoert naar de Verenigde Staten als naar het Midden-Oosten. Voor de productie staat Exhibition Hub in, een Brusselse firma voor het creëren, produceren en verspreiden van tentoonstellingen, die projecten op internationale schaal ontwerpt, zoals Terracota Army, The Art of the Brick en de Van Gogh Experience.

 Het aftellen

Na Brussel zal de “Smurf Experience” vijf jaar lang rondreizen in Europa en daarbuiten. Het zal telkens dezelfde tentoonstelling zijn die opnieuw zal worden gemonteerd en zelfs gekopieerd, wat ongetwijfeld het geval zal zijn in Azië. “We zijn er heel trots op dat we al die Belgische knowhow naar buiten kunnen brengen, zegt Philippe Glorieux, directeur Marketing en Communicatie, met veel genoegen. De tijdeloze en universele Smurfen hebben succes omdat ze de kindertijd verlengen. Afgezien van het vertalen in 84 talen, hoeft er niets te worden veranderd: de sympathieke waarden van de kabouters zijn overal ter wereld dezelfde. Om iets te vinden dat kan tippen aan de alomtegenwoordigheid van de kleine personages van Peyo, zou men al naar Disney moeten kijken, maar in tegenstelling tot de in Californië gevestigde onderneming heeft IMPS geen filialen. Heel het beheer van de Smurfenwereld gebeurt in Genval, door een team van 38 personen. “We hebben een kantoor in Los Angeles gehad en ook een in Hong Kong, maar we hebben alles weer naar hier gebracht; dat vonden we rationeler. IMPS kent zijn licenties enkel toe na een grondig onderzoek van de aanvraag. Maar eens ze is toegekend, dan is het aan de licentiehouder om de fabricage en de distributie van zijn producten te beheren. Ten slotte is er nog het nijpende probleem van de namaakproducten. IMPS behandelt dat heel waakzaam, maar zonder zich veel illusies te maken.

Vandaag is China de grootste buitenlandse markt. Het was in de jaren 80 dat de Lan Jing Ling (of “blauwe gewestjes” in het Mandarijn) er hun intrede deden via een televisiereeks. Dat was trouwens de eerste buitenlandse reeks die door de communistische partij officieel werd goedgekeurd om door de nationale televisiezenders te worden geprogrammeerd. De kinderen van toen werden groot en hebben nu zelf kinderen, die ze nu meenemen naar de grote winkelcentra van het Middenrijk, waar geregeld Smurf-evenementen worden georganiseerd, die veel geld en merchandising opleveren.

Bij IMPS is het aftellen naar de lente van 2020 al begonnen. Er zal dan een nieuw hoofdstuk aan het enorme potentieel van de Smurfen-saga worden toegevoegd: een nieuwe televisiereeks. Die wordt in Frankrijk gemaakt door IMPS et Media Participation, in partnerschap met TFI. Ze zal tweemaal 52 afleveringen van 11 minuten tellen. Ze wordt volledig gemaakt van synthetische beelden en zal nieuwe personages introduceren, met een nog gluiperigere en dommere Gargamel, die echter altijd verliest. Als die nieuwe afleveringen wereldwijd evenveel succes kennen als de eerste reeks, dan zal onze planeet pas echt blauw zijn.

 www.smurfexperience.com

 

 De Smurfen in cijfers 

Boeken

120 uitgevers

90 landen

50 miljoen wereldwijd verkochte boeken

300 titels 

Televisie

272 afleveringen

uitgezonden in meer dan 100 landen

gedubd in meer dan 40 talen 

Merchandising

70 actieve licenties

100 miljoen verkochte Schleich-figuurtjes

160 miljoen Kinder-eieren

1 Smurf-gom wordt elke minuut ergens ter wereld gegeten 

Guiness Book

5000 als Smurf verklede deelnemers in 11 landen

 

Tentoonstellingen tot 16 september 2018

 

Giancarlo Romeo, Emosong

De reeks Emosong van Giancarlo Romeo is ontstaan vanuit zijn verlangen een project te realiseren met de bewoners van het dagcentrum “Le Phare” binnen het IRSA (Institut Royal pour Sourds et Aveugles) waar hij werkzaam is. Een voor een hebben die personen, mannen en vrouwen met  een mentale, visuele, auditieve en/of motorische handicap, de ervaring van een fotostudio beleefd. Zij namen de rol van model op zich, maar ook die van assistent. Giancarlo Romeo nodigde hen uit een lied te kiezen dat tijdens het poseren afgespeeld werd en er vervolgens een voor hen betekenisvol uittreksel uit te citeren. 

Het resultaat van deze demarche is een reeks portretten in zwart-wit, in vierkant formaat, afgedrukt op een delicaat papier. Door aan de residenten de keuze te laten een lied te beluisteren dat hen raakt, zorgt de fotograaf ervoor dat hun aandacht gevestigd wordt op de muziek en niet meer op de context van een opnamesessie in een studio. Zij vergeten hierdoor dat een beeld dat moment gaat vastleggen en laten hun expressie de vrije loop. 

De krachtige foto’s van Giancarlo Romeo zijn soms hard maar werden vanuit een groot respect geconcipieerd. De emotie die men ervaart – maar die ook door de fotograaf gedeeld wordt – is tastbaar, terwijl zij tevens onuitgesproken blijft.

 Entrechats 

Vier eeuwen omgang met elkaar volstonden niet om de kat afkeer in te boezemen voor de mens ondanks de kwellingen die deze haar voortdurend heeft doen ondergaan tijdens een geduldige gezellentijd. De dag van vandaag is zij een “gezelschapsdier” geworden. Vierduizend jaar dat deze katachtige de mens geduldig heeft geobserveerd door hem te benaderen via concentrische cirkels, ondanks het afslachten, de brandstapel, de hekserij, de slagen en de verwaarlozingen. In haar volharding voorvoelde zij dat er met dat andere zoogdier een avontuur te ondernemen was en dat zij voor sommigen onder hen onmisbaar zou worden. Dank zij een gelijkaardige volharding werd zij gevierd door schilders, beeldhouwers, dichters, musici en fotografen. Van de anonieme beeldhouwers uit het oude Egypte, die Oriënt van waaruit zij blijkbaar tot ons is gekomen, tot André Malraux, terwijl ze ondertussen passeert bij Homerus, Michelet, Poe, Chateaubriand, Dumas, Ravel, Apollinaire, Bonnard of Steinlen. Allen hebben haar schoonheid, haar elegantie en haar deugden geprezen. Allen hebben van die geruisloze waker, dat huiselijke genie gehouden, oorzaak van zoveel geluk en medeplichtigheid.

Omdat de kat in heel haar mysterie en elegantie een artistieke figuur is, een onderwerp in de kunst, geprezen door fotografen en evenzeer door schrijvers, hebben het Musée de la Photographie en het Musée du Chat samengewerkt om een tentoonstelling gewijd aan de kat in de fotografie te presenteren. Niet minder dan zestig foto’s en video’s zullen in de tentoonstelling “Entrechats” getoond worden. Even zoveel werken van kunstenaars die heel even de plaats die de kat toekwam in de kunst hebben weten te geven of terug te geven.

Fhoto's de CORRADO AMATI + DAVE ANDERSON + NOBUYOSHI ARAKI + JANE EVELYN ATWOOD + MICHEL AUDER + ROGER BALLEN + NIKOLAJ BENDIX SKYUM LARSEN + THOMAS BOGAERT + EDOUARD BOUBAT + FRANCK CHRISTEN + DAVID CLAERBOUT + DENISE COENEN + ISABELLE DETOURNAY + LAURENT DUPONT-GARITTE + PETER FISCHLI & DAVID WEISS + MARTINE FRANCK + FILIP GILISSEN + DOUGLAS GORDON + DAN GRAHAM + GREGORY HALPERN + ROB HORNSTRA + IZIS + ALAIN JANSSENS + SERENA KORDA + ADOLPHE LACOMBLÉ + KARL LAGERFELD + ROGER LAUTE + JACKY LECOUTURIER + ELODIE LEDURE + CHARLES LEIRENS + VJOLA LESKAJ + PIERRE LIEBAERT + GARETH LONG + MICHEL LORIAUX + BÉNÉ- DICTE LOYEN + LES FRÈRES LUMIÈRE + ETIENNE-JULES MAREY + DUANE MICHALS + EADWEARD MUYBRIDGE + FRANÇOISE NUÑEZ + CHARLES PAULICEVICH + MARC PIERRET + ANICK PILLIONNEL + BERNARD PLOSSU + MICHAEL QUEENLAND + LUCIA RADOCHONSKA + ROBERT RAUSCHENBERG + BETTINA RHEIMS + BARBARA RIX-SIEFF + WILLY RONIS + ALDO SESSA + JEANLOUP SIEFF + JEAN-FRANÇOIS SPRICIGO + THIERRY STRUVAY + FILIP TAS + IVAN THOMAS + ARTHUR TRESS + LUC VAISER + JEAN-MARC VANTOURNHOUDT + ORIOL VILANOVA + WEEGEE + CLARENCE WHITE + HUGHES DE WURSTEMBERGER

Liliane Vertessen. A love supreme

Als achtjarige rijdt Liliane Vertessen bij het rolschaatsen graag langs de vitrines van de soldatenbars in haar geboortestad. Zij houdt van de neonlichten, de kleur van de gordijnen, het motief van de kleren van de prostituees die lief zijn voor haar. Op de zolder van het ouderlijke huis breidt en naait ze, met stukjes linnen, tule en papier,  kleren die zij versiert met ritssluitingen en medaillons van sigarettenpakjes. Haar grootmoeder vernietigt deze meteen.

Op de leeftijd van zestien jaar, na een uitstapje naar Parijs dat niet verder geraakt dan tot in Luik, ontmoet zij een knappe gast die nog altijd haar partner is. Samen zullen zij een muziekgroepje gaan vormen waarin Liliane zingt, trombone en dwarsfluit speelt. Zij draagt kleurrijke pantalons die zij zelf naait. Zij vertrekken naar de Verenigde Staten, naar New York en Californië, om te luisteren naar de musici die zij bewonderen. Zij slapen in bussen, stations en portieken. Haar jurken en haar mantels dragen de bewondering weg van de zwarte muziekanten. 

Eind jaren ‹70 begint zij zichzelf te fotograferen met bescheiden fototoestellen, in provocerende outfits die zij in sexy lingeriewinkels koopt om ze dan ze te herwerken. Zij accepteert bewust de kwetsbaarheid van die afdrukken die concertaffiches evoceren en de covers van underground tijdschriften. Zij omlijst deze met satijn, fluweel, kant en pluimen, waar zij eenvoudige woorden in neon aan toevoegt die boven haar ontblote lichaam stralen.

Fotografie is voor haar een etappe in een lang proces : de eenvoud van de setting – de hoek van een kamer, een achtergrondgordijn – laat vluchtig het plezier van dat rendez-vous voor de camera zien, een ritueel waarbij de kijker evenzeer geconfronteerd wordt met het lichaam van het model als met zijn eigen blik, om beurten kijker of voyeur.  Ver van de narcistische selfie, maakt Liliane Vertessen gebruik van haar lichaam als van een materiaal, evenzeer zoals een danseres, terwijl ze ons, zoals een moderne icoon, de troeblerende afdruk aanbiedt.

Liliane Vertessen (1952) studeerde fotografie aan de Academie voor Schone Kunsten in Antwerpen. Haar carrière kende talrijke hoogtepunten zoals de dubbeltentoonstelling met Cindy Sherman in het PCBK Hasselt in 1987, “Liliane Vertessen en Wim Delvoye” in het S.M.A.K. in Gent in 1989, “Seven crimes one case” in het PMMK in Oostende in 1992, “David Bowie and me” in de Studio Propaganda in Antwerpen in 1999 en “Oxygen & Electricity” in het Cultuurcentrum in Hasselt in 2012. Haar werk is vertegenwoordigd in belangrijke collecties zoals het MUHKA Antwerpen, het PMMK Oostende, het Vlaamse Parlement en Belfius Art Collection.

Ontstaan uit Marcinelle op 31 Januari 1956, Giancarlo Romeo, volgt technische studies aan de Universiteit van het Werk van Charleroi. In 1976 ontdekt hij de foto dank zij Diane Arbus, Irving Penn, Robert Mapplethorpe. Tussen 1979 en 1986, bestudeert hij de foto aan de Academie van de Schone kunsten Alphonse Darville in Charleroi.

 

 

  • /

In Fexhe-le-Haut-Clocher heeft stokerij The Belgian Owl (De Belgische Uil) zopas de 10e verjaardag gevierd van haar befaamde Single Malt. Terugblik op een succesverhaal vol aroma’s.


Alles begint in 2004, in Grâce-Hollogne, waar Etienne Bouillon, likeurstoker van opleiding en in Schotland gevormde meester-distilleerder, het eerste vat Belgische Single Malt Whisky vult, die hij gestookt had met een oude stoomalambiek en zo een oude droom had verwezenlijkt. Enkele maanden later begint hij op het internet met de voorverkoop van de 800 eerste flessen die pas vanaf november 2007 beschikbaar zullen zijn en waarvan nog niemand had geproefd… Het wordt een daverend succes, dat Etienne Bouillon en zijn vennoten Pierre Roberti en Christian Polis ertoe aanzet de proef te veranderen en ongeveer 20.000 flessen per jaar te produceren. Dat Jim Murray die kostbare drank in zijn “Whisky Bible” in 2011 uitroept tot de “beste Europese whisky”, versterkt de geestdrift nog. The Belgian Owl zal al vlug worden nagemaakt door verscheidene stokerijen in Vlaanderen en door Radermacher in Wallonië.

De keerzijde van die succesmedaille is de geregelde uitputting van de voorraad Belgian Owl Whisky in de handel, maar uitbreiden is moeilijk en distillatiematerieel is niet zomaar te vinden. Dankzij zijn contacten in Schotland, meer bepaald met Jim Mc Ewan op het eiland Bruichladdich, verneemt Etienne Bouillon dat twee van de vier alambieks van de vroegere stokerij van Caperdonich (in Speyside) beschikbaar zouden zijn. Maar er is één probleempje: dat soort materieel mag in theorie Schotland niet uit, aangezien het plaatselijk erfgoed is!

Een 100% Belgisch product

Na veel onderhandelen en met de steun van Mc Ewan, koopt The Belgian Owl twee prachtige alambieks die in 2013 in België toekomen. Met dat nieuwe materieel kan de stokerij ongeveer 80.000 flessen per jaar maken. Voortaan zijn de twee sterproducten van de stokerij, de Spirit Drink (whisky zoals hij uit de alambiek komt, wit en niet verouderd, met 46% alcohol) en de Single Malt Whisky (36 maanden) nu altijd verkrijgbaar.

Het eerste distillaat kwam in oktober 2016 uit de nieuwe koperen alambieks. “Wat wij willen”,vertrouwt Etienne Bouillon ons toe, “is een Belgische whisky maken met Belgische ingrediënten en voor Belgen! Ook al voeren we nu een deel van onze productie uit naar Europa, Amerika en Azië. Wij werken met zeven personen en ik heb in de stokerij het compagnonschap willen herhalen, dat ik zelf ooit heb gekend. Wij produceren tweemaal per dag, in twee ploegen, die elkaar aflossen van 4u tot 20u. Maar zelf sta ik nu niet meer op om 4u.

Tienjaarlijkse metamorfose

Naar aanleiding van de 10e verjaardag, heeft Belgian Owl besloten een ander uitzicht te geven aan zijn etiketten en een andere naam aan zijn producten. Het kleurloze distillaat (want niet verouderd op vat) heet nu “Origine” en heeft 46% alcohol. Vervolgens is er “Identité” (3 jaar oud), dat zonder mengsel van jaargangen wordt gemaakt en ook 46% alcohol bevat, net zoals “Passion”, de Single Cask die, zoals de naam het zegt, uit één enkel vat van 3 jaar komt. De vierde naam is ten slotte “Intense”, die gebotteld wordt met hetzelfde alcoholgehalte als op het vat (Cask Strength) ofwel ongeveer 70%. Niet geschikt voor eender wie...

Aangezien de stokerij haar eigen gerstvelden heeft en, dankzij contracten met andere landbouwers, kan beschikken over 72 ha tarwe, ziet de toekomst er rooskleurig uit.

Een veelbelovende Single Malt 
We hebben de Single Malt van 3 jaar (46%) geproefd. De neus is heel verfijnd en oprecht, zonder de liefhebber te willen vleien met kunstgrepen. De mond is zacht en zijig en vergt wat concentratie om de zuiverheid en complexiteit te beoordelen. De smaken van appeltaart, zoethout en munt komen heel elegant met elkaar in aanraking en de finale is heel zuiver en droog. Deze eerste whisky uit de nieuwe alambieken is veelbelovend (ong. € 55 voor 50 cl.)

 

The Belgian Owl
Hameau de Goreux 7
B- 4347 Fexhe-le-Haut-Clocher
+32 4 223 07 17
www.belgianwhisky.com

© Alexandre Laurent

Het restaurant dat zich achter de Biéreau-hoeve in Louvain-la-Neuve bevindt, heeft zopas zijn tienjarig bestaan gevierd. Tot grote tevredenheid van de klanten en van de uitbater, die zijn aanbod verder wil diversifiëren met de BAB’L-ruimte, een huurzaal in de kelder die alles van een grote heeft.

 

Wie de deur van de Loungeatude opent, zal misschien wat verbaasd zijn. Een zeer ruim salon beslaat een groot gedeelte van de ruimte met zachte zetels, een goed gestoffeerde bibliotheek, een open haard en zelfs een piano. De eetzaal met de tafels bevindt zich aan de andere kant, in een even knusse sfeer.

Toen Paul van Havere in 2005 de “Scavée du Biéreau” overnam, stond dat café-restaurant er al een jaar verlaten bij. Hij wist echter precies wat hij voor zijn restaurant wilde en dat was totaal in strijd met alles wat er in de studentenstad gebeurde. “Ik herinner me dat, wanneer mijn ouders vrienden te eten ontvingen, iedereen zich netjes kleedde en de tijd nam vooraleer men aan tafel aanschoof. Het is die warme en gezellige sfeer uit ons ouderlijk huis, die ik opnieuw tot leven wil wekken”.

In het begin bleken de klanten een beetje verrast te zijn wanneer men hun voorstelde eerst naar de salon te gaan en hun tijd te nemen. Tien jaar later is het omgekeerde waar. Iedereen neemt met genoegen plaats in de salon en gaat later pas aan tafel. Op sommige avonden is er zelfs geen zetel vrij.

© Alexandre Laurent© Alexandre Laurent© Alexandre Laurent

 

Vanaf het begin heeft Paul van Havere goed nagedacht over zijn plan en mikte hij op een welbepaalde klantenkring. De universiteitsstad Louvain-la-Neuve is ook een kweekplaats voor ondernemingen en start-ups met hongerige kaderleden die maar wat blij zijn dat ze niet ver van hun kantoor een restaurant hebben dat comfort combineert met rust en gastronomie. Dankzij een handig marketingbeleid heeft de uitbater al een bestand van bijna 5000 trouwe klanten, die worden verwend met speciale aanbiedingen en boekingsfaciliteiten.

Voorrang aan korte ketens

De tevredenheidsenquête die naar aanleiding van de tiende verjaardag werd uitgevoerd, bevestigt dat de Loungeatude op het goed spoor zit. “Onze klanten hebben bevestigd dat ze dol zijn op de plek, maar ook dat ze graag een snellere formule zouden hebben, alsook speciale attenties voor de meest getrouwen.” Het antwoord kwam met het “Chrono Gourmand”-menu: een voorgerecht, een hoofdschotel en een dessert voor € 37, met daarbij een app om met drie klikken een tafel te boeken en te shoppen in de virtuele boetiek.

Geen restaurant zonder keuken. In de Loungeatude ligt de nadruk op de kwaliteit van de producten, die wordt gesublimeerd door een Franse keuken met toetsjes van creatieve fusie. De korte ketens krijgen voorrang. Het vlees komt van de Noyers-hoeve in Corroy-le-Grand, de groenten van de “aux Sources”-hoeve in Autre-Eglise en de kazen van “chez A table!” in Hannuit. Wat er op het bord ligt, is hoofdzakelijk bereid in de keuken onder de leiding van chef Pascal Marcin en de rest komt van plaatselijke ambachtslieden.

Beheerssoftware voor restaurants

Paul van Havere, die industrieel designer van opleiding is en ondernemer in hart en nieren, had geen enkele restaurantervaring. Dat was ongetwijfeld de reden waarom hij sommige gewoonten kon afschaffen en nieuwe initiatieven nemen. Toen hij het pretpark van Bellewaerde en Plopsaland beheerde, had hij een gulden regel: elke zone moest rendabel en winstgevend zijn. “Elke dag pluisden we de ontvangsten van elk profit center uit tot na de komma. Ik heb hetzelfde gedaan in de Loungeatude en moest vaststellen dat restauranthouders over geen enkel beheersinstrument beschikken.” Hij heeft dan maar zelf een beheerssoftware ontwikkeld, die Clearway werd gedoopt en die hij nu aanbiedt aan zijn collega’s restauranthouders. De komst van de witte kassa heeft de horecasector op zijn kop gezet. Doordat ze al vele jaren gewend waren aan een dubbele boekhouding, werden de restauranthouders van hun stuk gebracht door die nieuwe doorzichtigheidsverplichting. “De winstmarges zijn niet overal evident in de sector. Soms moet er worden gecompenseerd met nieuwe inkomstenbronnen, die echter de hoofdactiviteit niet in het gedrang mogen brengen. Clearway heeft het voordeel alle voor de activiteit nuttige informatie samen te brengen onder een enkele code.

BAB’L: een ruimte van 275m2

De winstposten diversifiëren, dat is wat Paul van Havere heeft gedaan door een derde ruimte in te richten. Onder een interne luifel daalt een trap af naar de BAB’L, wat staat voor Business After Business Lounge. Een polyvalente zaal met witte gecapitonneerde muren en met dezelfde knusse sfeer als de rest van het huis. Niets laat vermoeden dat dit een huurzaal is. Het meubilair is comfortabel, de dienstverlening is heel voorkomend en de muren zijn versierd met werk van de uitgenodigde kunstenaar van de maand. De onafhankelijke en perfect van het restaurant afgezonderde zaal is geschikt voor veel verschillende evenementen, zoals productintroducties, privéavonden, after works, proefavonden... “In 2010 heb ik beslist die zaal in te richten omdat ik voelde dat er behoefde aan was. Je vindt gemakkelijk zalen voor grote bijeenkomsten, maar weinig voor evenementen met 200 deelnemers.” De 275 m2 grote ruimte is volledig uitgerust. De huurprijs omvat het meubilair, de bar, de projectie‑ en geluidsinstallatie, de Wifi en het afzonderlijke sanitair. “We zijn voorzichtig met het aanvaarden van aanvragen, want we willen de activiteit van boven niet hinderen.

De drie ruimten bleken elkaar aan te vullen. De klanten van de eetzaal hebben dikwijls belangstelling voor de polyvalente zaal en omgekeerd. Paul van Havere heeft het beheer van de BAB’L toevertrouwd aan de in Louvain-la-Neuve goed bekende Haïfa Rachid. Deze dynamische en proactieve dame zal het onder de oppervlakte slapende potentieel tot leven wekken. Afspraak binnen tien jaar.

Loungeatude – Espace BAB’L
Scavée du Biéreau 2
B-1348 Ottignies Louvain-la-Neuve
+32 10 45 64 62
[email protected]
www.loungeatude.be

In ‘PointCulture Liège’ (Cultuurpunt Luik) staat een rare fotoautomaat. Er komt betoverende muziek uit. De nieuwsgierige die erin stapt, gaat iets even lachwekkends als buitengewoons beleven. De LoveBot, de robot met de verleidelijke glimlach, neemt u mee voor een avontuur dat u in amper enkele minuten zal doen nadenken over liefdes en vriendschapsrelaties, over datingsites en over sociale netwerken in het algemeen.

 

Eli, kunt u ons uw levensloop in enkele woorden vertellen?

Eli — Tot 2014 studeerde ik aan het IHECS. Die studies bestonden uit een bachelor in communicatie, gevolgd door een master in permanente opvoeding met mediaopvoeding als specialisatie. Dat is veeleer een leerschool, een volwassenenopleiding in sociocultureel groepswerk. Daarna ben ik mij beroepshalve gaan specialiseren in productiehuizen en in agentschappen die meer gefocust waren op alles wat te maken had met interactieve productie en webdocumentaires. Ik volgde dat spoor omdat ik dacht dat dergelijk groepswerk zeer belangrijk en zinvol is, maar er zijn ook middelen om een groter publiek te bereiken of een publiek dat niet noodzakelijk banden heeft met het verenigingsleven. Je kunt hun een boodschap doorgeven of ze minstens doen nadenken over de maatschappij, en wel met tools die zelfstandig kunnen worden gebruikt, dus niet noodzakelijk in het kader van groepswerk. Dat is het, wat mij deed afwijken van mijn academische aanpak, die toch meer gericht was op sociocultureel groepswerk. Tijdens mijn master werkte ik voor de vzw Switch, die pedagogische tools maakte die vooral voor verenigingen waren bedoeld. Ik heb ook in Canada gewerkt, in Montreal, in een agentschap dat onder meer de heel grote webdoc ‘Fort McMoney’ produceerde, die gaat over de petroleumontginning in Alberta. Een grote productie met zeer grote budgetten! Onvoorstelbaar bij ons… Op het ‘Liège Web Fest’ in 2015 had ik het geluk dat ik de ‘Voix de Femmes’prijs won. Die gaf me vrij spel voor wat we momenteel en tot eind 2017 met Flo en Camille van de vzw Voix de Femmes (Vrouwenstemmen) doen over “digitale intimiteiten”. Dat wil uitdrukken op welke manier onze voorstelling van gender, seksualiteit en liefdesrelaties evolueert met onze digitale praktijken. Ook omgekeerd rijst de vraag hoe onze voorstellingen van gender vorm geven aan het Web zoals men dat vandaag kent. Dat is echt auteurswerk en meer artistiek dan pedagogisch.

Uw ‘LoveBot’-project zoals het er nu uitziet, werd dat zo bekeken vanaf het begin van het denkwerk?

Eli — In het begin kwamen er verschillende thema’s aan bod. Maar het project ging al vlug de richting van een welbepaald onderwerp uit: de kwestie van opvoeding tot relationeel, affectief en seksueel leven. Mijn eindwerk ging over dat onderwerp, meer bepaald over de hinderpalen om een waardevol programma te maken voor scholen. Dat onderwerp blijft taboe. Er moet al een hele deconstructie gebeuren in hoofde van de mensen die worden geacht die programma’s te leiden. Kortom, het is ingewikkeld om een echte cursus op te stellen, die naam waardig. Het is daar dat mijn interesse voor dat onderwerp vandaan komt. Om een oplossing te vinden voor die moeilijkheid, was ik mij gaan buigen over YouTubezenders met YouTubesters of YouTubers die over seksualiteit praten, over seksuele voorkeur, over gender enz. Ik zei bij mezelf dat dit een perfect voorbeeld was van een opvoeding door gelijken, die een alternatief biedt voor de school en waar jonge mensen toch antwoorden op hun vragen kunnen vinden. Het is een digitale praktijk die tien jaar geleden niet bestond en die nu bijdraagt tot de vorming van onze genderidentiteit en onze seksuele voorkeur. Dat vormt de basis van ons denken. Vervolgens hebben we dat uitgebreid tot de manier waarop het digitale invloed heeft op al die voorstellingen. In het begin beoogde ik dus een jonger publiek, veeleer adolescenten. Daarna ben ik me gaan interesseren voor datingsites. Ik schreef me in op een massa datingsites, maar stelde in mijn profiel duidelijk dat ik daar was in het kader van een project. Ik probeerde gewoonweg verhalen over ervaringen te krijgen.

En heeft dat gewerkt? Kreeg u die verhalen?

Eli — Jazeker! Een massa mensen zijn naar me toegekomen! Ik besefte al vlug dat er veel geweld was op die sites. En ook veel frustratie! Dat is een vaststelling, want de vrouwen en mannen op die sites hebben helemaal niet dezelfde ervaringen. In het kader van heteroseksuele relaties blijkt uit de ervaringen van de vrouwen dat ze geweldig veel reacties krijgen. Zoveel zelfs, dat ze niet eens meer antwoorden op de tientallen berichten die ze ontvangen. De mannen van hun kant, sturen heel veel berichten, maar krijgen daar weinig of geen reacties op. Bijgevolg leidt dat tot meer gewelddadige berichten, die men gebruikt als provocatie om een reactie te krijgen, meer dan om iemand te ontmoeten. Dat is misschien een onderwerp voor een volgend project...

En het huidige project, de LoveBot…

Eli — De LoveBot is veeleer het voorwerp van een bezinning over de controle die op die datingsites wordt uitgeoefend. De bestaande controle ligt op veel verschillende niveaus. De eerste controle is degene die men zichzelf oplegt. Wanneer men een profiel aanmaakt, wil men zijn beeld echt zoveel mogelijk in de hand houden en wil men “goed voorkomen”. Op de foto moet een sympathiek persoon staan, we geven informatie die ons interessant moet doen lijken enz. De tweede controle bestaat uit het vergelijken van de persoonlijke gegevens die men over zijn gesprekspartner krijgt, met degene die op andere sociale netwerken verschijnen, om te zien of ze coherent zijn. Er is ook de controle van de ontmoeting als dusdanig, dat wil zeggen dat men alle voorwaarden wil scheppen opdat ze goed zou verlopen. Van de kant van de ontwerpers is er de hele kwestie van de aanbevelingsalgoritmen. Men stelt alles in het werk opdat de ontmoeting zou kunnen plaatsvinden, ongeacht of ze tot een liefdesverhaal leidt of niet. Dat is allemaal zeer ideologisch gekleurd, want het vertrekt van het “soort zoekt soort”-beginsel en van de veronderstelling dat mensen met gemeenschappelijke interesses noodzakelijkerwijze goed met elkaar zullen overeenkomen… Kortom, het contact komt tot stand tussen mensen die in dezelfde sfeer leven! Men beweegt zich altijd in lauwe baden, met mensen die het altijd eens zijn met ons. Er ontstaat een soort consensus die bevestigt wat men al wist, maar waardoor men nooit iets bijleert. Om iets te kunnen bijleren, moet men op een zeker moment evenwel een kortsluiting doen ontstaan. In de wereld van de datingsites vinden er echter nooit dergelijke kortsluitingen plaats.

Kortsluiting, is dat dus de werkwijze van de LoveBot?

Eli — Ja, absoluut. Zonder te spoilen wat er tijdens de belevenis in de fotoautomaat gebeurt – want alles is juist gebaseerd op het verrassingseffect en de frustratie – is het de bedoeling een profiel aan te maken in de LoveBot. Men gaat je er wat afgezaagde vragen stellen, zoals op de datingsites: je leeftijd, je seksuele voorkeur enz. Maar als je antwoordt dat je hetero bent, dan kan de machine je evengoed een persoon van hetzelfde geslacht voorstellen. Met andere woorden: het profiel dat je maakt heeft geen enkele invloed op de persoon die je zal worden gesuggereerd. De bedoeling is dat, al is het maar twee seconden, je je afvraagt of die persoon je bevalt. Zo kun je een ogenblik uit je seksuele identiteit treden om mee te gaan in een bevraging, om je te bezinnen en om wat afstand te nemen van jezelf. Met de LoveBot proberen we het tegendeel te zeggen van het “soort zoekt soort”-concept. De ervaring is leuk en leerzaam. Je wordt er een beetje ongemakkelijk van, maar eigenlijk blijft het heel ludiek. Ze plaatst de gebruiker in een kwetsbare positie, omdat hij er niet in slaagt het beeld van zichzelf in de hand te houden. Het principe is hier heel egalitair: er is geen enkel klassenverschil en iedereen wordt op dezelfde voet van gelijkheid behandeld, omdat iedereen zich in dezelfde omstandigheden bevindt. Je moet hier wel spontaan zijn.

Zullen al die ervaringen samen leiden tot een resultaat, tot een analyse?

Eli — Ja, tot een onderzoek waaruit de grote trends zullen blijken. Hoeveel gebruikers zullen bijvoorbeeld het heleproces hebben afgewerkt? Welke passages waren problematisch? Wat er nu al uit blijkt, is nieuwsgierigheid: men wil de persoonsgegevens van anderen kennen, zonder zichzelf bloot te geven. Indien we die mogelijkheid om “te zien zonder te worden gezien” zouden afschaffen, dan zou het meteen gedaan zijn met de nieuwsgierigheid. Enerzijds zullen de analyses betrekking hebben op de statistieken en anderzijds op het kwalitatieve aspect. Op de inhoud van de berichten bijvoorbeeld, op het al dan niet gewelddadige karakter ervan (nadat de term werd gedefinieerd). Onder gewelddadigheid begrijp ik de woorden die worden gebruikt (expliciet seksueel, beledigend enz.). Er kan een uitgebreide reeks kwesties van sociologische aard aan bod komen. Dat onderzoek zal wellicht worden uitgevoerd in partnerschap met de universiteit van Namen en met die van Montreal. Het is heel leuk dat men deel kan uitmaken van een transmediaal project dat zowel betrekking heeft op digitale kunst, als op onderzoek en volwassenenvorming. Dat is trouwens het belang van digitale kunst, die zorgt voor samenwerking tussen verschillende milieus die dat niet noodzakelijk gewend zijn.

De LoveBot is begonnen in Luik. Zou hij naar andere steden kunnen verhuizen, zoals Namen, Brussel en Montreal?

Eli — Jazeker. De vraagstelling is heel “universeel” – althans in de ontwikkelde landen die toegang hebben tot het Web. We kijken ook naar Quebec, omdat daar al jaren bewustwordings- en vormingsprogramma’s over genderkwesties en seksuele voorkeur worden ontwikkeld. De cabine ginder laten draaien, de daar verzamelde resultaten bestuderen en ze vergelijken met die van de Belgische gebruikers, zou sommige verschillen aan het licht kunnen brengen. Het project zal nog een tijdje duren, minstens tot eind 2017!

www.voixdefemmes.org

  • /

Dankzij zijn succes op de Olympische Spelen in Rio kan hockey een steeds ruimer publiek bekoren. Het nationale team, de Red Lions, wordt al twee jaar geleid door een jonge kapitein, namelijk de uit Ittre afkomstige John-John Dohmen. De beste hockeyspeler van het land is ook middenvelder bij de Watducks, het team van Waterloo. Hij praat over de redenen waarom zijn favoriete sport zo overdreven discreet is, maar ook over zijn gevarieerd beroepsleven. Hockey is daarbij nooit ver weg

 

Wanneer bent u hockey gaan spelen en hoe bent u daartoe gekomen?

John-John Dohmen — Ik ben begonnen omstreeks 1993, toen ik vijf jaar oud was. Hockey maakt een beetje deel uit van onze familiegeschiedenis, vooral langs moederskant. Mijn moeder, Dominique Morren, werd 15 keer Belgische hockeykampioene met Club Ukkel Sport, waar ze ook tennis speelde… Ze was de tweede Belgische speelster in die teamsport (indertijd veranderden spelers niet van club en kon men verscheidene opeenvolgende keren kampioen worden). Het was dus door de familie dat ik bij hockey terechtkwam, wat trouwens meestal het geval was voor de spelers uit die tijd. Tegenwoordig gebeurt dat een beetje minder, aangezien de sport – gelukkig – stilaan populair aan het worden is. Maar over het algemeen beginnen jongeren hockey te spelen via familieleden die dat ook doen. Bij de spelers zijn er veel “spelerszonen”. Ik behoor tot de derde generatie en de vierde komt eraan; mijn zusjes spelen ook, net zoals mijn neven. Mijn vader (Géry Dohmen) is er een beetje laat mee begonnen, namelijk op zijn twintigste, met vrienden, bij Ukkel Sport, waar hij mijn moeder heeft leren kennen. Vandaag is hij voorzitter van de Waterloo Ducks Hockey Club, waar ik ook speel.

Beoefent u nog andere sporten? Zou u hockey kunnen laten vallen voor iets anders?

J.J.D. — Ik heb veel aan voetbal, tennis en wielrennen gedaan. Maar hockey is de enige sport die ik ononderbroken heb beoefend. Met de drie sporten die ik zojuist opsomde, ben ik gestopt om me volledig op hockey toe te leggen. Dat is dus altijd mijn favoriete sport geweest.

Maar beeldt u zich nu eens in dat er geen hockey bestaat. Welke sport zou u dan het liefst op hoog niveau hebben beoefend: tennis, voetbal of wielrennen?

J.J.D. — Ik zou gekozen hebben voor voetbal en wielrennen, maar om andere redenen. Na hockey, is wielrennen echt mijn favoriete sport. Maar als het gaat over sportbeoefening op hoog niveau, zou ik voor voetbal hebben gekozen, hoofdzakelijk omdat het publiek er zo vurig van houdt. Die sfeer in de voetbalstadions ziet men jammer genoeg niet tijdens hockeywedstrijden en ondanks de vele hartstochtelijke wielerliefhebbers, voelt een renner zelf dat vuur toch niet of althans niet even sterk als een voetballer. De tweede reden is geld. Ik speel geen hockey voor het geld, want er valt daar zeer weinig of niets te rapen. Maar in vergelijking met een voetballer moet een hockeyspeler meer offers brengen. Om goed mijn brood te verdienen, was ik misschien beter gaan voetballen. Maar geld is enkel een toemaatje. Als ik voor voetbal had gekozen, was het echt omwille van de vurigheid van het publiek geweest.

Van welke kenmerken van de hockeysport houdt u?

J.J.D. — Ik houd van de stijl en de waarden ervan, meer bepaald van de fair play. Meer dan voetbal is het een snelle en zeer lichamelijke sport... en dat heb ik nodig. Hockey vergt ook veel tactiek; het is een complexe sport.

Welke kwaliteiten moet een goede hockeyspeler volgens u bezitten?

J.J.D. — Er is een verschil tussen een goede clubspeler en een goede speler op internationaal niveau. Over het algemeen vergt hockey een speler die de techniek beheerst, die lichamelijk goed in vorm is en, vooral, die het spel verstaat, want zoals ik al zei: het is een tactische sport. Maar om echt een goede speler te zijn, moet men ook zeer snel de onophoudelijk veranderende situaties kunnen analyseren en tegelijk een zekere zelfverloochening hebben. De beste spelers zijn immers degenen die nooit loslaten, zelfs als ze vermoeid of slecht gehumeurd zijn, bijvoorbeeld. Lichamelijk gezien, bestaat er niet echt een typische hockeyspeler, zoals dat bijvoorbeeld wel het geval is voor basket en volleybal. Men kan klein of groot zijn, zeer snel of een beetje minder. Het werk gebeurt gewoonweg in het hoofd.

 

U werd tot kapitein van het nationale hockeyteam verkozen. Weet u ook waarom?

J.J.D. — Ja, voor een deel. Ik werd verkozen omdat ik al veel ervaring heb. Van de teamleden ben ik degene die de meeste tornooien heeft gespeeld, wat me de nodige geloofwaardigheid geeft wanneer het aankomt op het bepalen van de tactiek. Ik denk ook dat ik degene ben die het dichtst bij alle spelers sta. Het is niet altijd gemakkelijk om met iedereen overeen te komen, zelfs niet in een goed team. Ik heb het voordeel dat ik de band tussen alle spelers kan vormen en ook tussen de spelers en de coach. Als het nodig is, kan ik als bemiddelaar optreden.

Daarstraks had u het over het geld, dat zo goed als onbestaande is in de hockeysport... Wat verandert dat concreet voor de spelers en de clubs?

J.J.D. — Wegens dat geldgebrek moeten we er om te beginnen vroeger mee stoppen dan in het voetbal, over het algemeen tussen 28 en 30 jaar. Waarom? Omdat we iets anders moeten doen om de kost te verdienen. En op een zeker moment gaat sportbeoefening op een zeker niveau niet meer samen met het werk. Men heeft er de tijd en de energie niet meer voor. Je moet ook rekening houden met het gezinsleven. Het zijn niet enkel de spelers die offers brengen, ook hun gezin doet dat en je kunt tegen je partner en je kinderen moeilijk volhouden dat je niet gaat werken omdat je hockey wilt spelen, maar daarmee te weinig ontvangt om de kost te verdienen. Meestal stopt men er dus mee aan het einde van zijn studententijd, wanneer men een “echt“ beroep kiest. Onze weken als spelers van het nationale team zien er als volgt uit: op maandag en dinsdag (en soms woensdag) wordt er de hele dag getraind (hockey, fitness, meetings), van 8.30 u tot 17 u of zelfs tot 18 u. Naar de les gaan of gaan werken is dan natuurlijk uitgesloten. Elke avond is er clubtraining en in het weekend zijn er tornooien... Sport, werk en gezinsleven zijn heel moeilijk te combineren. Te meer daar je ook rekening moet houden met de verplaatsingen. Het nationale team traint in Antwerpen, bij de Royal Beerschot Hockey Club. De helft van de teamleden zijn Antwerpenaar en de andere helft, waaronder ik, komt uit Brussel of uit de buurt daarvan. Je moet dus ook rekening houden met 3 tot 4 uur reistijd en met verkeersopstoppingen. Persoonlijk vind ik dat onrechtvaardig, want spelers die op 15 minuten van het terrein wonen, zijn natuurlijk beter in vorm dan de anderen. Er zijn nooit trainingen in Wallonië of in Brussel (ik veronderstel dat er akkoorden bestaan tussen de clubs en de nationale federatie). Het zijn altijd dezelfden die offers brengen. De afstanden zouden gelijker moeten worden verdeeld om de kwaliteit van de trainingen te verbeteren.

Verdient u echt niets?

J.J.D. — Toch wel, gelukkig maar. Sinds verleden jaar krijgen we een officieel loon als werknemers van de federatie. Voordien ging het om onkostenvergoedingen, compensaties... Lange tijd verdienden we minder dan het minimumloon! Nu verdienen we amper meer dan een gewone werknemer in een warenhuis, en dat op nationaal niveau. In de clubs worden sommige spelers een beetje betaald en anderen helemaal niet. En er bestaan in het hockey geen premiestelsels wanneer men een kampioenschap wint. Je kunt die sport niet beoefenen voor het geld. Je doet het uitsluitend uit passie.

Om die reden bent u voor osteopaat gaan studeren...

J.J.D. — Ja. Zopas haalde ik mijn masterdiploma aan de ULB. Dit jaar doe ik een aanvullende master, een zesde jaar om doctor in de osteopathie te worden. Dat diploma wordt erkend door de Staat en daarmee zal ik later mijn eigen praktijk kunnen beginnen.

Waarom hebt u voor die studierichting gekozen?

J.J.D. — Als sportman heb ik veel contact gehad met osteopaten. Ik schreef me in voor het eerste jaar en dat beviel me. Ik vind het een mooi en heel interessant beroep.

Het is alvast handig: u bent kapitein en u kunt de leden van uw team verzorgen...

J.J.D. — (Lacht) Dat gebeurt wel eens, ja, maar enkel voor kleine ingrepen. Behandelingen laat ik natuurlijk wel over aan de medische staf! Maar sinds kort beoefen ik ook een ander beroep…

En welk?

J.J.D. — Enkele maanden geleden ben ik met mijn eigen pettenmerk begonnen! Het heet “Cap10” (www.cap10.be). Ik heb alles zelf gedaan, van A tot Z, en alles zelf en op mijn eentje gefinancierd. Het is de bedoeling petten van zeer goede kwaliteit op maat te ontwerpen voor clubs en ondernemingen. Ik heb al enkele klanten, maar bevind me nog in de inloopperiode. Ik heb dat ook gedaan voor het plezier en zo heb ik de bedrijfswereld leren kennen. Dat is heel boeiend! Maar evident is dat niet in België. Men draagt hier niet zo dikwijls petten als in de Verenigde Staten, bijvoorbeeld, waar je niemand tegenkomt die geen pet heeft.

En om terug te keren naar het hockey: wat zijn uw beste herinneringen?

J.J.D. — Het feit dat we het Duitse team hebben verslagen tijdens de Europese Bekerwedstrijden in Manchester in 2007, een kwalificatietornooi voor de Olympische Spelen van Peking. We hebben de Duitsers in de laatste seconde verslagen en de bronzen medaille gewonnen. Maar vergeleken bij hen, waren we slechts amateurs! Twee weken vroeger hadden we tegen hen nog met 20 verloren. Het is trouwens dankzij die overwinning – een magisch moment – dat de sponsors ons zijn beginnen te kennen. Vanaf dan is alles beter geworden voor het Belgische hockey. Vervolgens is er de zilveren medaille die we verleden zomer op de Olympische Spelen van Rio wonnen, natuurlijk de bekroning van heel dat verhaal.

En de grootste ontgoocheling?

J.J.D. — Ons parcours doet een beetje aan een roetsjbaan denken. De grootste ontgoocheling was twee jaar geleden, tijdens de Wereldbeker in Den Haag. We eindigden vijfde terwijl we op een podiumplaats hadden gehoopt. Dat blijft een grote mislukking voor ons. Juist daarna ben ik kapitein geworden.

Hoe ziet u de evolutie van het hockey in België?

J.J.D. — Twaalf jaar geleden waren we niets! Er was absoluut geen geld voor de hockeysport en er is er nog altijd niet veel, maar toch al een beetje meer. Sindsdien heeft de nationale federatie de juiste mensen op de juiste plaats gezet in de staffs. Bovendien zijn de spelers zelf beslissingen gaan nemen, zowel individueel als collectief. De spelers zetten zich veel meer in, zonder dat ze weten of ze ook enig voordeel zullen halen uit al hun offers. Ze durven risico’s te nemen. Voor het olympisch jaar hebben we bijvoorbeeld alleen maar hockey gespeeld; geen werk, geen studies... Dat was een bewuste keuze van alle spelers. Niemand heeft hen daartoe gedwongen. Ook de nieuwe coach werd door de spelers zelf gekozen, wat vroeger nooit het geval was. De spelers hebben een doorslaggevende rol gespeeld voor de jongste successen van het Belgische hockey.

Maar ondanks de medailles blijft hockey in Wallonië en Brussel toch een veeleer discrete sport. Is hockey nog de elitesport die sommige mensen zich herinneren?

J.J.D. — Ja, het is een discrete sport, Maar de jongste Olympische Spelen hebben ons toch een beetje in de schijnwerpers geplaatst. Niemand komt echter naar de wedstrijden van de hockeyclubs kijken. En nochtans hebben we een van de grootste kampioenschappen ter wereld en hebben we belangrijke clubs! Het probleem ligt in het feit dat hockey meer aandacht van de media zou moeten krijgen. De wekelijkse uitzending “Le Weekend Sportif” (RTBF) wijdt sinds kort een klein hoofdstukje aan hockey, maar dat is heel kort en ronduit slecht gemaakt. De clubs zelf zouden meer reclame moeten voeren voor hun wedstrijden, maar ze zouden het publiek ook iets moeten bieden, zoals bij voetbalmatchen. Wanneer u een hockeywedstrijd bijwoont, ziet u dat iedereen weggaat zodra de match gedaan is. Er is dan niets meer. Er wordt geen enkele inspanning gedaan om een sfeer te scheppen die het publiek kan aantrekken. Dat is heel jammer! Wat de elitaire kant betreft, die is niet meer zo uitgesproken als vroeger. Hockey was een elitaire sport omdat het oorspronkelijk altijd werd beoefend in tennisclubs en steeds door leden van dezelfde families, maar dat is vandaag niet meer het geval. Tegenwoordig is het een sport die voor iedereen openstaat en de clubs vragen niet liever! In de Verenigde Staten is het bovendien een haast uitsluitend vrouwelijke sport, terwijl er bij ons evenveel jongens als meisjes zijn..

Hoe ziet u uw eigen toekomst in de hockeywereld?

J.J.D. — Ik zie me niet zo intensief voortdoen gelijk vroeger. Ik heb driemaal aan de Olympische Spelen deelgenomen en nu zie ik me tijdens de vier jaar tussen de Spelen niet meer zoveel en ononderbroken op hockey toeleggen.


BIO EXPRESS
1988 Geboren op 24 januari.
1993 Begint hockey te spelen op de leeftijd van 5 jaar.
2012 Neemt met het nationale team deel aan de Olympische Spelen van Londen (vijfde plaats).
2013 Wordt vicekampioen op het Europees Kampioenschap in Bonn.
2014 Wordt kapitein van het nationale hockeyteam.
2015 Hij leidt de Red Lions naar de tweede plaats van de World League in India.
2016 Het nationale hockeyteam dat door John-John Dohmen wordt geleid, wint de zilveren medaille op de Olympische Spelen van Rio.


 www.hockey.be

GEEST EN HANDEN

Schrijnwerker en ontwerper Adrien Moscato besloot om zich in Itter te vestigen. Vanuit zijn nieuwe thuisbasis bestudeert en ontwerpt hij op maat gemaakte projecten voor leefruimtes, meubels en voorwerpen. Dit alles met het oog op ecologisch en duurzaam denken en creëren.

 


© Julien Hayard

Zijn atelier, in de ambachtelijke zone van Hennuyères, waar hij tevens twee leerlingen opleidt, is als het ware een laboratorium. Meubelen, voorwerpen in wording, maar ook ruw materiaal, zoals deze tafelpoot die, na bewerking op een draaibank, de sport van een trapleuning zou kunnen worden.

De geur van het hout doet hem denken aan zijn kindertijd. Als kind hield deze Bourgondiër ervan de adering van dit edele materiaal te observeren in het atelier van zijn grootvader, waar hij graag vertoefde. Adrien Moscato heeft in 2004 een hoger diploma van technicus in industriële vormgeving behaald en heeft een praktijkstage in meubelmakerij en houtdraaierij voltooid. “Ik had meer praktijk nodig, om het materiaal beter te kennen, om oude technieken aan te leren”, legt hij uit.

Adrien Moscato heeft in 2004 een hoger diploma van technicus in industriële vormgeving behaald en heeft een praktijkstage in meubelmakerij en houtdraaierij voltooid. “ Ik had meer praktijk nodig, om het materiaal beter te kennen, om oude technieken aan te leren.


De Compagnons du devoir

Om ervaring op te doen, bleef hij nog verscheidene jaren bij de Compagnons du Devoir, een vereniging waarvan de oorsprong teruggaat tot de bouw van kathedralen. Hij ontdekte een levenswijze die reizen, samenleven en een professionele carrière combineert. Zijn persoonlijke Ronde van Frankrijk bracht hem van Angers naar Brussel, via Pezenas, Nice en Rijsel, waar hij veel ervaring opdeed bij verschillende werkgevers. “In Pezenas heb ik voor een onderneming van schrijnwerkerij die historische monumenten restaureerde, de deuren van een 17e eeuws kasteel en een Frans plafond in hun oorspronkelijke staat kunnen herstellen”, herinnert hij zich. De vakman werd op zijn beurt de verantwoordelijke van een ambachtscorporatie en leraar. In 2021 won hij, samen met zijn leerlingen, in Rijsel de Trofee voor Cultuur en die voor Innovatie voor de creatie van een totempaal van hout en inlegwerk, met geheime lades, voor kinderen met een beperking.

Adrien Moscato vertelt het volgende : “Ik heb veel ervaring opgedaan door met andere ambachtslieden te werken, en ik heb mijn aanpassingsvermogen ontwikkeld, wat goed van pas kwam toen ik besloot voor mezelf te beginnen. Ook al kun je veel uit boeken leren, er gaat niets boven observatie en rechtstreekse overdracht.


© Frédéric Riche

Adrien Moscato heeft van meet af aan zijn pad gekozen : het ontwerpen van mooie en functionele voorwerpen of inrichtingen.


Van Brussel naar Itter

Hij gooide zijn anker uit in Brussel. “Deze stad trok mijn aandacht. Ik werd overtuigd door de openheid van de mensen.” De ontmoeting met zijn partner die afkomstig is uit Itter, bracht hem ertoe zich in dit kleine Brabantse stadje te vestigen. En om zijn eigen bedrijf op te richten, Atelier Moscato. Met een helpende hand van de solidaire financieringscoöperatie Credal en een lening van het Participatiefonds voor de aankoop van een bedrijfsvoertuig en gereedschap voor zijn werkplaats. En begeleiding om zijn project op te zetten. “Zeer handig in een bedrijf dat veel investeringen vergt”, zegt de jonge ondernemer.

Adrien Moscato heeft van meet af aan zijn pad gekozen : het ontwerpen van mooie en functionele voorwerpen of inrichtingen. Hij bestudeert en realiseert interieurprojecten op maat om te voldoen aan verzoeken voor opbergsystemen, het indelen en aankleden van woonruimtes, de creatie van meubels (bureaus, fauteuils, tafels … in unieke modellen of beperkte series), of objecten (lampen, fotohouders, juwelendoosjes …). Bovendien geeft hij daarbij de voorkeur aan duurzame en ecologische materialen. “Ik ben niet geïnteresseerd in goedkope materialen die na enkele jaren al versleten zijn. Ik geef de voorkeur aan massief, onafgewerkt hout boven spaanplaat of andere houtproducten die te veel formaldehyde bevatten, een schadelijke stof die in lijm zit.

Duurzaam, ecologisch duurzaam of innovatief

In zijn atelier stelt hij drie concepten voor. Zijn duurzame creaties houden rekening met de beperkingen van de klanten en maken gebruik van aangepaste materialen. Voor het ecologische concept kiest de ambachtsman ecologische materialen en recycleert en valoriseert hij oude voorwerpen. En voor innovatie creëert hij unieke stukken en beperkte oplagen voor privéverzamelaars en decorateurs, prototypes voor professionals. Dit resulteert soms in ongewone producten : een tafel gemaakt van een luik, designstoelen gemaakt van oude stoelen …

Zijn klanten ? Voornamelijk particulieren uit Brussel en Waals-Brabant. “Ik ben een beetje huiverig voor interieurontwerpers omdat ze vaak niet op het terrein staan en te veel verbeelding hebben. Ik ontmoet klanten en peil hun behoeften en beperkingen alvorens oplossingen voor te stellen. Over het algemeen ben ik zen ; ik geef de voorkeur aan kleine ruimtes, met een elegante, sobere, tijdloze stijl.

De ondernemer ontwikkelt ook partnerschappen met aannemers, architecten en binnenhuisarchitecten die zijn werkfilosofie delen. Hij ontwierp en vervaardigde displays voor Lutea, een bedrijf dat in Lathuy werd opgericht door Anne-Sylvie Godeau en gespecialiseerd is in de extractie van kleurstoffen en extracten voor verf en verfstoffen.


© Frédéric Riche

De ontmoeting met zijn partner die afkomstig is uit Itter, bracht hem ertoe zich in dit kleine Brabantse stadje te vestigen. En om zijn eigen bedrijf op te richten, Atelier Moscato.


Een moderne “materiaalbibliotheek”

Adrien Moscato geeft de voorkeur aan materialen van lokale en duurzame oorsprong. Dit brengt hem ertoe bij houtzagerijen in de Ardennen te kopen, maar ook de voorkeur te geven aan gerecupereerd materiaal. “Er zit een schat aan grondstoffen in het meubilair dat mensen wegdoen, ” zegt hij. “Maar om gerecycleerde bouwmaterialen in ecologische designprojecten te kunnen opnemen, moeten er voldoende beschikbaar zijn om de bestellingen te kunnen uitvoeren.” Vandaar het idee om gerichte samenwerkingen tot stand te brengen en samen te werken om ‘grondstofnetwerken’ op te sporen en te benutten.

Dat is het doel van het RessourceLab-project, een proefproject van de solidaire financieringscoöperatie Crédal. Het is de bedoeling een “materiaalbibliotheek” van gerecycleerde materialen op te richten, een collectieve productiewerkplaats waar meubelelementen zullen worden ontworpen en geproduceerd op basis van de materialen (planken van verschillende houtsoorten, voorgevormd hout, deuren, laden, enz.) en een verkoopruimte. De Ressourcerie Restor (in Tubize en Genappe) zal de grondstoffen en de opslag- en verkoopruimte ter beschikking stellen, terwijl Adrien Moscato (en andere ecodesigners) prototypes zal maken en meubelelementen zal produceren die op basis van de beschikbare grondstoffen worden ontworpen.

Adrien Moscato mikt daarnaast nog op een andere niche. Als vader van Samuel, 3 jaar oud, werkt hij aan meubels voor jonge kinderen, gemaakt met hout van plaatselijke zagerijen en materiaalcentra. Zoals een bed in een houten hut of een modulaire kast die kan worden omgebouwd tot theater, bibliotheek of keukentje, en die daarna makkelijk opgeborgen kan worden. “Ik maak ze op basis van een prototype, enkel op bestelling, en verkoop ze online”, zo legt hij uit. “Ik ga niet over tot massaproductie. Ik wil een vakman blijven.

www.ateliermoscato.com

Your opinion counts