Waw magazine

Waw magazine

Menu

140 jaar van creatie, herijking, uitbreiding en evolutie. Een Waalse familiesage met internationale allure.

Het verhaal van deze Belgische hoedenmakers begint in de… Oriënt Express. In de trein naar Wenen ontmoet oprichter Justin Herman een hoedenverkoper die zijn zaak van de hand wil doen. Volgens die verkoper zou de uitbreiding van de spoorwegen het einde betekenen van zijn handel. Mensen die met de trein reizen, zouden volgens hem binnenkort immers geen hoed meer nodig hebben. Maar Justin Herman ziet de zaken anders. Hij is zo zeker van zichzelf omdat zijn grootvader hem ooit een goede raad meegaf: “De toekomst wordt bijna altijd gebouwd op een plotselinge inval.” Het wordt meer dan een uitspraak, het wordt een voorspelling. Drie jaar later, in april 1874, keerde Justin Herman terug naar België en startte hij zijn hoedenmakerij. In die tijd ging het vooral om gleufhoeden en petten. De eerste modellen waren trouwens geïnspireerd op hoofddeksels die hij over de hele wereld op zijn reizen zag: petten van Ierse dokwerkers, gangsterhoeden, de elegante kapjes van rijke New-Yorkse vrouwen… Twee generaties later maakt Alexandre, de kleinzoon van Justin, nog steeds petten (een bewijs dat de mode altijd terugkomt), maar ook mutsen, strohoeden, vilten hoeden, met het logo van andere bedrijven van de groep. Want het verhaal van deze Waalse hoedenmakerij is niet zomaar een opeenvolging van hoofdstukken die zich in een klein Waals dorpje in de provincie Luxemburg afspelen. We zitten evengoed in Frankrijk, Engeland, Japan, China of Rusland.

Het hele dorp

In de loop der jaren werd de hoedenmakerij van Justin Herman alsmaar groter. Gedurende tientallen jaren werkten bijna alle inwoners van Wellin hier. Toen een hoed nog een onlosmakelijk deel was van de kledingcode van elke man, werden de hoeden van Herman zelfs verkocht bij Harrods in Londen, wat toch een hele mooie referentie is. Van het centrum van Wellin verhuisde de hoedenmakerij later naar een industrieterrein in de buurt. Tegenwoordig werken er maar zo’n vijftien mensen in Wellin. Een van hen is Damien Ducobu, ontwerper en hoofd marketing van Herman Headwear, de groep waartoe de kleine honderd jaar oude hoedenmakerij nu behoort. Tot drie jaar geleden werkte Damien voor privéklanten in het buitenland. Daarna keerde hij terug naar zijn geboortedorp om voor Herman te komen werken. Hij is tegenwoordig het gezicht van de hoedenmakerij. Hij ontwerpt de petten en de panamahoeden en is daarmee het uithangbord van de zaak. Al is Herman Headwear in 2014 wel meer dan dat.

“Er zijn geen grenzen meer en dus verplaatste de productie zich naar andere landen. Maar het is altijd de bedoeling geweest om kwaliteit te blijven leveren, met respect voor de lokale knowhow.”

 

De wereld is ons dorp

Tot het begin van dit millennium vond de hele productie in Wellin plaats. Maar er zijn geen grenzen meer en dus verplaatste die zich naar andere landen. Maar Damien Ducobu benadrukt dat het altijd de bedoeling is geweest om kwaliteit te blijven leveren en met respect voor de lokale knowhow. De panamahoeden worden dus gemaakt in Ecuador, de petten in Napels en de mutsen worden in China gebreid. De producten van de groep – met het jaartal 1874 er trots op aangebracht – worden verkocht in Japan, waar ze gek zijn op hoofddeksels, maar ook in de warenhuizen Le Printemps en Bon Marché in Parijs of in Galeria Inno in België. De bedoeling van de groep is duidelijk: zich positioneren als Europese marktleider. Daar komt bij dat de markt van de hoofddeksels opnieuw in opmars is, wat je over de hele wereld terugziet.

WINTERCOLLECTIE 2014/2015
Zowel de pet als de vilten hoed is nog steeds met een opmars bezig. Toch blijft de muts ook dit seizoen voor Herman Headwear het belangrijkste product. In heel de communicatie zal vooral hierop gefocust worden, en dan voornamelijk op de modellen met een pompon (nog altijd een aanrader), net als op de mutsen in natuurlijke wol, opgeleukt met details in konijnen- of vossenbont.

 

En de Belgische ziel?

Ongeveer vijftien jaar geleden hield de productie-eenheid in Wellin er mee op. Alexandre Herman is toen op zoek gegaan naar de best mogelijke leveranciers, om zo een trouw klantenbestand op te bouwen over de hele wereld. Klanten die op zoek zijn naar uitzonderlijke producten, maar ook naar modellen die beantwoorden aan de nieuwste vereisten van de markt. Het geheim van de lange levensduur van dit bedrijf is het evenwicht tussen prijs en kwaliteit, ongeacht het soort producten. In 2014 blijft een van de grootste successen van de groep – misschien tegen alle verwachtingen in – de handgebreide muts (zie kader). En de Belgische ziel daarin? De buzz rond Belgische producten – een duidelijke trend van de laatste jaren – heeft ertoe bijgedragen dat het merk nieuwe markten kon veroveren. Dan denken we vooral aan Japan, waar ze een gewaagdere stijl gewend zijn. De kracht van de leiding van de groep is dat ze inhoudelijk hebben kunnen doorwerken aan de hele catalogus. Naast de sportmerken (zoals R Mountain of Ignite) heeft Herman ook het merk van de Franse ontwerpster Céline Robert uit Le Mans gekocht. Het idee daarachter? Een aantal merken aanbieden die elkaar aanvullen, waardoor ze alle stijlen en trends vertegenwoordigen.

 

DE GROEP HERMAN HEADWEAR IN CIJFERS

EN DE TOEKOMST?

Evolutie blijft het motto van Herman. Want in een sector die zo beweeglijk is als de mode, blijft het noodzakelijk om bepaalde trends te volgen. Het beste voorbeeld is de terugkeer van de pet, die er de laatste jaren weer helemaal bij blijkt te horen. Het bewijs dat een origineel product dat de essentie van het merk weergeeft en rekening houdt met de streekgebondenheid, meer dan ooit de wind in de zeilen heeft. Misschien niet genoeg om de muts van de troon te stoten, maar wel om het beeld te ondersteunen van een merk dat prat gaat op zijn verleden. De slogan liegt er niet om: Herman 1874, be protected by a legend. Nog een bewijs van deze aanpak? De nieuwe strategie van de groep die met verschillende reclamebureaus contact heeft opgenomen. De opdracht is heel duidelijk: een campagne ontwikkelen die het authentieke karakter van de groep in de schijnwerpers zet, zowel in België als daarbuiten. De volgende keer dat u nog eens een trendy kerel ontmoet met een platte pet op zijn hoofd, kijk dan even naar het logo. De kans is groot dat u het merk herkent met die vier cijfers op de kant.

Hij is al dertig jaar ontwerper voor beroemdheden zoals Sharon Stone, Mickey Rourke en Amélie Nothomb. Hij ontwierp hoofddeksels voor tal van gekroonde hoofden. Elvis Pompilio, Luikenaar van Italiaanse afkomst, schakelt nog een tandje bij: hij gaat kostuums ontwerpen voor een opera en ook nog eens een tafel voor San Pellegrino. Een portret van een Waalse ondernemer met veel petten op.

Waar komt uw voornaam, Elvis, vandaan?
E.P.
— Toen ik geboren werd, was mijn moeder 42 en mijn zussen waren al tieners. Een van hen was fan van Elvis Presley. Nog een geluk dat ze me niet naar Fernandel vernoemd hebben.

Ook Elvis hield van hoeden.
E.P.
— Meer nog van petten, vooral militaire.

Als we zien hoe u werkt, valt ons aan de ene kant de volledige controle op over het hele proces, maar aan de andere kant werkt u heel veel samen
E.P.
— Het een kan niet zonder het ander. Om in de modewereld gerespecteerd te worden, moet je je eigen stijl ontwikkelen. Maar als je gevraagd wordt door Chanel of Véronique Branquinho, moet je minstens op hun niveau staan. Werken met de allergrootsten vind ik een echte uitdaging. Zeker in het begin, als dit soort ervaringen nog stressvol is, maar ook boeiend.

Zorgt zo’n samenwerking voor veel nieuwe ideeën?
E.P.
— Eerder op het vlak van persoonlijke relaties. Dat geldt ook voor de relatie met mijn klanten. Elk van hen is verschillend en ik kan hen niet allemaal op dezelfde manier ontvangen. Uiteindelijk, of het nu gaat om een evenement, de vorm van een kledingstuk of een modeshow, het belangrijkste is dat je je werk goed doet.
In de mode vormen hoeden een apart vak. Als ik hoofddeksels ontwerp, wil ik me niet beperken tot één doelgroep: hoeden voor kinderen, voor klassieke of trendy mensen, wintermutsen… Ik ken geen grenzen. Er zijn ontwerpers die alleen maar hoeden maken voor huwelijken, maar mij interesseert dat niet.

Bent u bevriend met andere hoedenontwerpers?
E.P.
— Nee. In de modewereld ontmoeten we elkaar niet zo vaak. Tenzij bij een of andere samenwerking. De mensen werken hard. Er zijn wel feesten waar we elkaar ontmoeten, maar dat wil niet zeggen dat we vrienden zijn.

Wat is voor u het belangrijkste: een hoed ontwerpen voor Madonna of voor koningin Mathilde?
E.P.
— Ze zijn allebei goede ambassadrices voor mijn vak. Al wil ik niet alleen voor sterren of prinsessen ontwerpen. Laten we zeggen dat die twee beroemdheden het me mogelijk gemaakt hebben om mijn horizon te verruimen. Ik hou ervan om de ene dag een hoed te ontwerpen voor een baby van een half jaar en de volgende dag voor een mevrouw van 102. Ik hou van afwisseling. Voor sommigen is een hoed maken voor Madonna een schan-de omdat ze vulgair overkomt. Voor anderen getuigt de creatie van een hoed voor de koningin van slechte smaak. In mijn ogen is er geen verschil. Ik beschouw het als een beloning dat ik hoeden mag maken voor mensen die wereldberoemd zijn, die veel reizen en die overal binnenkomen.

Een goede relatie is de sleutel…
E.P.
— Natuurlijk. Elke persoon is belangrijk. Over het algemeen verloopt alles altijd goed. Ik ben nogal gemakkelijk en open, ik hou van alle soorten mensen en ik pas me aan elke situatie aan. Gelukkig maar, want in dit beroep moet je mondain zijn, maar niet meteen fan worden van wie dan ook.

“In de mode vormen hoeden een apart vak. Als ik hoofddeksels ontwerp, wil ik me niet beperken tot één doelgroep: hoeden voor kinderen, voor klassieke of trendy mensen, wintermutsen… Ik ken geen grenzen. Er zijn ontwerpers die alleen maar hoeden maken voor huwelijken, maar mij interesseert dat niet.”

 

Is er een verband tussen een hoedenmaker en een kapper?
E.P.
— Ze werken allebei rond het hoofd, met dit verschil dat je een hoed kan afzetten, waardoor je snel van look verandert. Een kort kapsel vereist geduld. Omdat je een hoed kan afnemen als je dat wilt, voel je je vrijer. Maar het klopt dat een hoofddeksel iets mysterieus heeft en zelfs nog in 2014 iets intimiderends. Ik heb dat sinds het begin van mijn carrière gemerkt, toen de mensen nog veel minder gewend waren een hoed te dragen dan vandaag. Laten we zeggen dat ik ze een beetje in de mode heb gebracht.

Is het hoofd een intieme plek van het lichaam?
E.P.
— Nee. De mensen laten hun hoofd zien en ze kunnen het niet verbergen.

Toch raakt een hoedenmaker het hoofd aan, net zoals een kapper.
E.P.
— Ja, maar als de mensen bij mij komen praat ik met hen, ik stel ze op hun gemak. Want een hoed blijft iets ongewoons en men aarzelt toch wat. Maar over het algemeen zijn mijn klanten al gewend aan hoeden, ze durven meer, ze zijn opener.

Moet je koppig zijn als hoedenmaker?
E.P.
— Hoeden maken en hoeden maken is twee. Ikzelf maak hoofddeksels. Een hoed maken betekent voor mij uit het niets een vorm ontwerpen die past bij een klant. Elke fase is belangrijk. Vanaf de creatie over de zorg en zelfs hoe de media reageren. Je moet alles in de hand houden. Om een bekende en erkende hoedenmaker te zijn, moet je inderdaad een beetje ‘koppig’ zijn. Maar goed, dat is zo in elk beroep.
Aan de andere kant kan je ook een kleine buurthoedenmaker zijn – let op, ik heb daar enorm veel respect voor – je koopt je basismateriaal en zet er wat fruit op. Zoiets is natuurlijk niet zo veeleisend op elk niveau.

Als je internationaal bekend bent, over heel de wereld verkoopt en je hebt overal winkels, dan gaat daar toch enorm veel werk in zitten.
E.P.
— Klopt. Ikzelf presenteer collecties waarmee je niet te vroeg maar ook niet te laat mag komen. Ze moeten er op het juiste moment zijn, en je moet voldoende voorraad hebben. Elke nieuwe collectie is telkens weer een risico: je kan je vergissen of net die dingen maken die in de smaak vallen. Echt ontwerpen wil zeggen dat je nooit trends volgt.

U heeft net ook kostuums ontworpen voor een openluchtopera, La Bohème van Puccini. Uw werkterrein wordt nog uitgebreider.
E.P.
— Ik was op dat gebied niet aan mijn proefstuk toe. Maar elke keer als ik een modedefilé opzette, en dat zijn er al heel wat, heb ik altijd de kleren en accessoires ontworpen die bij de hoeden pasten. Voor het grote publiek is dat misschien nieuw, maar ik heb altijd objecten en kleren gemaakt om als accessoires te dienen voor mijn hoeden.

Maar het centrale thema blijft de hoed?
E.P.
— Dat is uiteindelijk wat ik het beste kan. Daarin kan ik me het meest onderscheiden van andere ontwerpers en kan ik me volledig uitdrukken.

Elvis Pompilio, het eenmansorkest?
E.P.
— Ja, vooral op het vlak van de promotie van mijn producten. Laten we zeggen dat je een beetje van alles moet zijn: man van de wereld, psycholoog, harde werker. Dit beroep vergt veel kwaliteiten en ik zeg dat zonder overdrijven, want ik heb het niet over mezelf in het bijzonder.

“Natuurlijk. Luikenaars zijn Belgen op z’n Frans, minder Germaans dan de Vlamingen, met een Franse geest, revolutionair en anarchistisch. Dat is ook de reden waarom men hier nogal wat verrassende dingen durft te presenteren, met kunstenaars als Jacques Lizène of Jacques Charlier.”

 

Bent u een Italiaanse Luikenaar of een Luikenaar van Italiaanse afkomst?
E.P.
— Ik ben een Italiaan van Luik. Mijn familie is afkomstig uit de Abruzzen, om precies te zijn uit Pescara, een stad die op dezelfde hoogte ligt als Rome. Pompilio is trouwens een Romeinse naam die afgeleid is van Numa Pompilius, de tweede koning van Rome na Romulus.
Maar eigenlijk interesseren nationaliteiten of religies mij niet. Ik ben wat dat betreft een individualist en ik hou iedereen te vriend. Ik hecht dus niet veel belang aan identiteit. Maar het klopt, ik heb nog altijd een Italiaans paspoort, maar ik ben van Luik.

Een stad met een nogal anarchistische traditie. Heeft u dat beïnvloed?
E.P. — Natuurlijk. Luikenaars zijn Belgen op z’n Frans, minder Germaans dan de Vlamingen, met een Franse geest, revolutionair en anarchistisch. Dat is ook de reden waarom men hier nogal wat verrassende dingen durft te presenteren, met kunstenaars als Jacques Lizène of Jacques Charlier. Het surrealisme is Belgisch, maar niet uitsluitend Brussels. Ik heb veel in Vlaanderen gewerkt en ik durf te zeggen dat er uiteindelijk niet zoveel verschillen zijn tussen die twee gemeenschappen. Walen zijn spontaner, lachen meer, stellen zich sneller open. In Vlaanderen gaat dat stapje voor stapje. Eerst leren kennen, rustig aan doen. Maar uiteindelijk lachen Vlamingen net zo hard.

U bent trouwens een Luikenaar die in Brussel woont. Dat zie je niet vaak.
E.P. — Ja, ik ben gek op Luik en ik ben blij dat ik daar ben opgegroeid, dat ik er gestudeerd heb en dat ik er op mijn 24ste vertrokken ben. Om te doen wat ik wilde, moest ik naar Brussel uitwijken om overal dichter bij te zijn. Hier klopt het hart van de mode, meer nog dan in Antwerpen. De hoofdstad biedt een etalage op de wereld en ziet er dankzij Europa en die mengelmoes van nationaliteiten ook meer uit als een wereldstad. Dat gezegd hebbende, is de reputatie van Luik als passievolle stad zeker waar.

In Luik heerste vroeger een prins-bisschop. Heeft de hoed een katholieke oorsprong of heeft het meer te maken met macht?
E.P. — Aanvankelijk meer met macht, maar het heeft met allebei te maken, met de kerk en met de macht. Je mag trouwens nog steeds niet een kerk binnen met een hoed op. Maar eigenlijk hou ik me niet echt bezig met dat soort zaken.

Dacht u aan Magritte toen u hoeden begon te ontwerpen?
E.P.
— Ik heb plastische kunst en kunstgeschiedenis gestudeerd. Maar ik heb nooit aan één artiest in het bijzonder gedacht. Het surrealisme in het algemeen heeft me meer beïnvloed dan een bepaalde kunstenaar. En het is niet zo dat als er een hoed op een schilderij staat, me dat meer aantrekt dan een landschap. Ik probeer me niet te laten inspireren door bestaande zaken. Uiteraard zullen er verwijzingen zijn die altijd terugkeren in mijn werk, maar dat is dan onbewust.

Elvis Pompilio heeft kostuums ontworpen voor de opera La Bohème van Puccini, in het kader van een reeks openluchtopera’s, georganiseerd door de vereniging ‘Opéra pour tous’. In de zomer werden ze opgevoerd in het Prinsbisschoppelijk Paleis in Luik, in het kasteel van Bois-Seigneur- Isaac in Braine-l’Alleud en in het kasteel van Ooidonk in Oost-Vlaanderen.
www.operamobile.be

 

U staat aan het hoofd van een KMO. Denkt u dat dit de toekomst is voor Wallonië?
E.P.
— Ik hoop het, want wat blijft er anders nog over? Mensen moeten zich in beweging zetten en dit soort initiatieven nemen door KMO’s op te richten en opnieuw waarde te hechten aan bepaalde beroepen waarvan je de producten zowel in warenhuizen als op meer ambachtelijk vlak vindt. En waarvan de productie niet noodzakelijk duurder hoeft uit te vallen dan zaken die industrieel of massaal in het buitenland gemaakt zijn. Het is belangrijk om de geest te bewaren van kleine bedrijven en van het ambachtelijke.

Heeft u de indruk dat deze vorm van ondernemen aan het terugkomen is?
E.P.
— Die is nooit weggeweest, vooral dankzij Italiaanse en Portugese migranten die hier zijn komen wonen. Dit is in Italië de meest voorkomende bedrijfsvorm. Je ziet de toekomst van Europa in dit soort ondernemingen. Wat rest ons nog? Cultuur en wat mooie stenen? Het zijn dat soort verschillende initiatieven en die kwaliteit die we moeten nastreven.

Een aantal van uw werken staat in musea: Musée Grevin, het Modemuseum in Parijs. Is dat een bekroning en bestaat het gevaar niet dat zoiets verstarrend werkt?
E.P.
— Dat klopt allebei. Voor mij is het belangrijk dat de dingen blijven leven. Een hoed leeft alleen maar als hij gedragen wordt. Desondanks moet je wel aanwezig zijn in musea, want dat is een bekroning. Maar het is geen doel op zich. Net zoals de Leopoldsorde opgespeld krijgen. Dat is bevredigend, maar het verandert niets.

U werkt met beelden, met design en stijl. Welke definitie van Wallonië zou u op dat vlak geven?
E.P.
— In Wallonië zetten veel mensen zich af tegen de massa. Ze maken mooie dingen en ze zijn misschien minder arrogant dan elders, of ze nu wafels maken of hoeden. Het zijn geen opscheppers, maar misschien verkopen ze zichzelf niet genoeg.
Het verouderde beeld verdwijnt. Steden spannen zich in om iets moois en vernieuwends neer te zetten, zoals Luik met het Guilleminsstation. En het is maar goed ook dat het stadsbeeld evolueert. Dat bewijst dat er zaken in beweging zijn, dat er een wil is om te veranderen.

Bio Express

1961  Hij wordt geboren in Luik.

1987  Opening van zijn eerste atelier in Brussel, waar hij ontwerpt voor de modeshows van grote namen als Dior en Valentino.

1990 — Opening van zijn eerste boetiek in het centrum van Brussel. Later opent hij ook nog winkels in Antwerpen, Parijs en Londen. Zijn creaties worden eveneens verkocht in de Verenigde Staten en Japan.

2005  Elvis Pompilio eindigt op de 84ste plaats van de RTBF-uitzending ‘Le plus grand Belge’ (De grootste Belg).

2014  Elvis Pompilio ontwerpt de kostuums voor de opera La Bohème.

 

Inlichtingen

 

www.elvispompilio.com

Videos

Vincent Van Gogh en Kirk Douglas zijn twee grote namen die elk een onuitwisbare stempel gedrukt hebben in het geheugen van de Borinage. Het is in elk geval daar gebeurd, in het tijdsbestek van nauwelijks een filmopname.

De bevolking van de Borinage moet nogal hebben staan kijken, toen op een septemberdag in 1955 het laatste neerstreek wat je kan verwachten in een streek die helemaal rond steenkool draait: een hele productieploeg van een grote Amerikaanse filmmaatschappij. Met aan het hoofd twee hele grote namen uit Hollywood: acteur Kirk Douglas en regisseur Vincente Minelli.

Aan de basis van hun aanwezigheid lag een tamelijk onbelangrijk feit. Een vriend van Kirk Douglas had hem gewezen op een opvallende gelijkenis tussen hem en die andere beroemdheid, Vincent Van Gogh. Toen dat bleek te kloppen, werd de acteur daar erg door geraakt. En na wat opzoekwerk werd hij zo gepassioneerd door het onderwerp, dat hij de rechten kocht van een van de biografieën van de schilder om er een film van te maken. Kirk Douglas richtte meteen een productiemaatschappij op en nam contact op met de vijf belangrijkste filmmaatschappijen die in die tijd de hele Amerikaanse cinema beheersten. MGM, de grootste maatschappij besloot om zijn indrukwekkende portemonnee open te trekken voor het project van Douglas. Een project met een zekere omvang, want in plaats van te gaan filmen in een vertrouwde studio-omgeving, trokken ze naar Europa, naar de plaatsen waar Van Gogh had geleefd. Wat studio-opnames betreft, na wat rondvraag werd de regie van de film toevertrouwd aan Vincente Minelli, een regisseur die tot dan toe nog nooit buiten de studiomuren had gewerkt.

Nu is het hier in de streek de gewoonte dat de mensen, als het mooi weer is, buiten op een stoel voor hun deur gaan zitten. Voor deze privé filmvertoning hebben we hen allemaal andere stoelen gegeven. Die verschillende stoelen vormden allemaal samen een symbool van verankering in de Borinage.


Ondanks zijn gebrek aan ervaring met buitenopnames stond hij er toch op om deel uit te maken van dit avontuur. Hij maakt overigens een werk over kleur en hoe kan je dat beter doen dan met een film over een schilder, Van Gogh notabene, om zijn studie over kleur te verfijnen. Vanaf dan is alles klaar om te beginnen aan het grote filmavontuur van Lust for life (Nederlandse titel: Het leven van Vincent Van Gogh). Ze vertrekken naar Europa met als eerste halte het zuiden van Frankrijk. ‘De opnames begonnen in Frankrijk en eindigden in de Borinage. Dat is de omgekeerde chronologie van in de film, want die begint als Vincent Van Gogh, Kirk Douglas dus, in België is en als de schilder, toen predikant, zich meer en meer aan zijn kunst begint te wijden’, legt Philipe Reynaert, directeur van Wallimage uit. ‘Je kan je de verbazing voorstellen van de mensen in de buurt als ze daar die hele Amerikaanse bende zien toekomen. Voor Hollywood zijn dit de gouden jaren, in alle betekenissen van het woord. Terwijl de Borinage toen zowat de armste streek was van België, ze zaten midden in de steenkoolcrisis. De ontmoeting van die twee werelden moet iets onwaarschijnlijks geweest zijn’.

Een tweede leven voor Lust for life

Philippe Reynaert had nooit gedacht dat hij zoveel zou kunnen halen uit deze onwaarschijnlijke ontmoeting tussen de glitter en de steenkool. De directeur van Wallimage en filmcriticus werd twee jaar geleden aangetrokken om een cinemaproject uit te werken voor Mons 2015, culturele hoofdstad van Europa. Hij had geen idee wat hij zou kunnen voorstellen. ‘Onze eerste ideeën waren wat ik noem verkeerde goede ideeën. Een documentaire over Mons, een scenariowedstrijd, enzovoort. Toen zijn we op dat verhaal van Lust for life gestuit. Ik had gedacht dat ik in die film slechts een paar korte scènes zou vinden die hier in België gedraaid waren. Maar in werkelijkheid gaat het over 19 minuten. Een echte verrassing. We hebben samengewerkt met de Cinematheek in Brussel, met de Nationale Bibliotheek, maar ook met de Oscarbibliotheek in Hollywood. Die bestaat echt. Die bibliotheek is niet erg bekend, maar ze bewaart de archieven van alle films die ooit genomineerd zijn voor een Oscar. Niet alleen de films zelf, maar alles wat tot die film heeft bijgedragen, dus de tekeningen, de kostuums, allerlei documenten, … Een echte schatkamer en bijzonder goed bewaakt ook. Toen ik daar binnenliep werd ik bewaakt als in een bankkluis’. En hij gaat verder: ’We hebben verkregen van Warner, de opvolgers van MGM die nu over de rechten van de film beschikken, dat zij nieuwe negatieven zouden laten trekken. Dat is op dit moment aan de gang. Dat is een artistiek en tegelijk wetenschappelijk werk, dat verplicht in de VS moet worden uitgevoerd, maar gecoördineerd wordt door de Koninklijke Belgische Cinematheek. Het gaat hier dus wel degelijk om een coproductie Mons 2015/ Warner, wat toch heel uitzonderlijk is’. Half februari mogen we ons dus aan een avant-première verwachten van de gerenoveerde film. Dan volgen nog vier andere vertoningen, maar die datums staan nog niet vast. ‘Ik had Kirk Douglas willen uitnodigen, maar de acteur is heel oud en kan niet meer reizen. Maar zijn zoon, Michael Douglas heeft al laten weten dat hij het een eer zou vinden om naar Mons te komen. Ik wacht op een aantal datums om de première te kunnen vastleggen’.

Wie heeft Kirk Douglas gezien?

Omdat de opnames plaatsvonden in 1955, was de kans vrij groot dat er nog enkele mensen zijn die er toen ook bij waren. Om hen terug te vinden heeft de ploeg van Philippe Reynaert een oproep naar getuigen gelanceerd: ‘Wie heeft Kirk Douglas gezien’? Daarop is een hele reeks antwoorden gekomen. Van de vijftig mensen die op de oproep zijn afgekomen werd er een twintigtal geselecteerd, mensen met scherpe en relevante herinneringen. ‘Het gaat om mensen die in de film gefigureerd hebben, of die op de een of andere manier de filmploeg hebben ontmoet. Voor sommigen was dit het avontuur van hun leven. Er zijn er die minutieus alle materiële souvenirs hebben bewaard van die enkele dagen. Zo is er een vrouw die nog altijd het poesiealbum heeft waar Kirk Douglas iets voor haar in schreef. Een oude Poolse arbeider die toen in de film figureerde, heeft wel iets heel bijzonders bewaard. Voor die paar dagen werk, werd hij door de filmmakers vergoed. Op twee, drie dagen verdiende hij twee derde van wat hij toen maandelijks aan huishuur betaalde. Maar in de plaats van dat welgekomen geld goed te gebruiken, heeft hij die briefjes bewaard. Hij heeft ze mij getoond, er is niets uitgegeven. Hij heeft dat geld als souvenir bewaard. Toch een bewijs dat die opnames hart en ziel beroerd hebben van de mensen die het hebben meegemaakt’. Er zijn zo veel souvenirs en ontroerende getuigenissen dat ze onderwerp worden van een tentoonstelling die in de Slachthuizen van Mons zal plaatsvinden, samen met een tentoonstelling over de filmopnames zelf. ‘Het wordt een tentoonstelling voor een groot publiek over het buitengewone verhaal van een Hollywoodopname in de Borinage met video- opnames van die getuigen,’ legt Philipe Reynaert uit. Nadat ze al dat gevoelige materiaal hadden gevonden, werd er immers ook beslist om een documentaire van 26 minuten te maken over die getuigen. Philippe Reynaert regisseert hem samen met Henri de Gerlache.

We hebben de getuigen gefilmd op de plaatsen waar destijds hun ontmoeting plaatsvond met de filmploeg.


‘We hebben de – zoals we al dachten - inmiddels heel oude getuigen geïnterviewd. We hebben ze gefilmd op de plaatsen waar destijds hun ontmoeting plaatsvond met de filmploeg. Maar een van de meest ontroerende momenten was toen we afgelopen zomer voor hen op het plein van Grand-Hornu een speciale visie georganiseerd hebben. De grootte van het beeld kwam precies overeen met die van het scherm. In het donker leken de beelden in de lucht te zweven. Nu is het hier in de streek de gewoonte dat de mensen, als het mooi weer is, buiten op een stoel voor hun deur gaan zitten. Voor deze privé filmvertoning hebben we hen allemaal andere stoelen gegeven. Die verschillende stoelen vormden allemaal samen een symbool van verankering in de Borinage. Het was de bedoeling om de mensen, hun gezichten, hun uitdrukkingen te filmen. Om hun emoties te vatten terwijl ze naar de film aan het kijken waren als ze bijvoorbeeld zichzelf herkenden in een bepaalde scène. Om een goed resultaat te krijgen, hebben we de eerste 20 minuten van de film verschillende keren na elkaar getoond. Toen we tevreden waren met het resultaat, hebben we voorgesteld aan wie dat wilde, om de hele film uit te kijken. Maar dat waren oude mensen en het was al heel laat, dus dacht ik dat er niemand zou blijven. Toch is meer dan de helft tot een uur ’s nachts blijven zitten om de film helemaal te zien’, herinnert Philippe Reynaert zich, nog altijd ontroerd en met een glimlach om de lippen. De documentaire brengt acht getuigen en drie filmspecialisten samen. Voor de tentoonstelling werd er een beroep gedaan op vijftien getuigen. Ook niet te missen: om nog meer waarde te geven aan het werk dat in de restauratie van deze film werd gestopt, brengt Warner vanaf 11 februari 2015 een dvd-box uit met blu-ray en bonusmateriaal, samen met een boekje dat door de stichting Mons 2015 ondertekend is.

Inlichtingen

Tentoonstelling Hollywood aan de voet van de terril
Van 21 februari tot 17 mei 2015

Koelkast van de Oude Slachthuizen
Rue de la Trouille, 17
B-7000 Mons
www.abattoirs.mons.be

De Franse plastisch kunstenares Fanny Bouyagui, benoemd tot ‘Medeplichtig kunstenaar’ van Mons 2015, kreeg in het kader van ‘Mons, culturele hoofdstad van Europa’ een eenvoudige opdracht: ‘de jeugd bederven’.

Als je de naam van Fanny Bouyagui leest in een of andere communicatie rond dit evenement, is die vaak verbonden met het begrip ‘priesteres’. Fanny heeft wel wat van een vrouwelijke goeroe: ze trekt meteen de aandacht omdat ze groot, zwaar en getatoeëerd is. Maar het is vooral haar persoonlijkheid en haar talent die de aandacht van het publiek trekken. Deze vrouw uit Roubaix is 54 en na zowat dertig jaar werk kan ze terugblikken – en wellicht ook vooruitblikken – op een rijk parcours waarin vele kunstvormen en vele stijlen door elkaar lopen. Om te veralgemenen en zelfs om het eenvoudig te stellen, kunnen we zeggen dat Fanny Bouyagui een plastisch kunstenares is. Toch is die term te beperkt als je ziet op hoeveel terreinen ze de voorbije jaren haar stempel gedrukt heeft: modedefilés, multimedia-installaties, performances, tentoonstellingen, enzovoort.

Levende spektakels

Eigenlijk is Fanny modeontwerpster. Ze behaalde een diploma kledingontwerp aan wat tegenwoordig bekend staat als de Hogere Kunstschool van Nord-Pas-de-Calais Dunkerque-Tourcoing. In 1991 richt ze haar vereniging Art Point M op, waarvan ze artistiek directeur wordt en dat ze vestigt in een oude stoffenopslagplaats in Roubaix. Samen met haar (momenteel) zeven medewerkers, zonder de zes mensen van de technische ploeg mee te tellen, heeft Fanny tal van artistieke projecten opgezet: voorstellingen, performances, evenementen… Een van haar grootste producties was haar deelname in 1998 in Maubeuge aan het festival Les Inattendus, een van de eerste straatkunstenfestivals, gecreëerd door Didier Fusillier, directeur van de Manege in Maubeuge en die vanaf 2002 zijn programmatie en zijn communicatie afgestemd heeft op die van de Manege in Mons. De banden met Mons zijn er dus.

Fanny speelt met de verhoudingen tussen de kijker en de acteur, ze beraamt onderzoek naar een verrassend en ontregeld universum.


Om op Fanny en Art Point M terug te komen, de ontmoetingen en projecten volgen elkaar op. In 1999 is er de multimediavoorstelling ‘Quelques Gens de Plus ou de Moins’. Die komt er na een ontmoeting met Didier Thibaut, directeur van ‘La Rose des vents’, dat is de ‘Scène nationale Lille Métropole’ in het Franse Villeneuve d’Ascq. Een vreemde voorstelling waarin het publiek rechtstreeks geconfronteerd wordt met acteurs in een bijzondere en doorgaans bevreemdende of ontroerende situatie. Dat kan een cabaretzangeres zijn, een stripteaseuse, een vrouw in een luipaardpak. En dat alles in de besloten wereld van een houten doos om de bezoeker over te laten aan zijn verlangens, zijn angsten, zijn waarheden en zijn leugens. Dit is Fanny Bouyagui ten voeten uit: ondervragen, in twijfel trekken, choqueren, maar nooit zomaar. Fanny speelt met de verhoudingen tussen de kijker en de acteur, ze beraamt onderzoek naar een verrassend en ontregeld universum. En dat doet ze allemaal terwijl ze uiteraard haar ervaring in de modewereld als steun gebruikt.

In 2001 vindt ze ‘I have a dream’ uit, met de hulp van Jean Blaise. In deze voorstelling dompelt de directrice van Art Point M de toeschouwer onder in een volledig witte omgeving met een mengeling van video’s en elektronisch geluid. Achter ramen maken vrouwen zich langzaam op als mannequin, waardoor ze de indruk geven dat ze op een podium staan, maar het kunnen ook hoeren zijn. De kijker ziet wat er gebeurt, maar hij doet zelf ook mee. Op die manier wil Fanny Bouyagui de schijnwereld en de dictatuur van de schoonheid aanklagen. ‘Ik werk veel met het lichaam en vooral met het thema van het dwangmatig gelijk maken van elk vrouwelijk lichaam. Ik werk ook geregeld rond voeding, de dictatuur van het mager zijn, de angsten voor de regels die de maatschappij ons oplegt’. Ook de muziek speelt een belangrijke rol in het werk van Fanny. In het begin van de jaren 2000 ontwikkelt ze de Laboratoire Factory, een tijdelijke elektronische club die ze uitdacht voor Rijsel 2004, culturele hoofdstad van Europa. Daaruit vloeide dan het N.A.M.E. festival voort (Nord Art Musique Electronique), dat zijn tiende editie vierde in september 2014.

Art Point M ligt eveneens aan de basis van het project ‘La Braderie de l’Art’: 24 u lang creëren artiesten en designers live kunstwerken met behulp van gerecycleerde voorwerpen en materialen.
www.labraderiedelart.com


Maar Fanny, dat is ook ‘Violences commerciales’ voor het Vijfentwintigste uur van het Festival van Avignon 2005, of de kamers van Hotel Europa in de Gare Saint- Sauveur in Rijsel in 2009, 2010 en 2011, haar samenwerking met Lille 3000 en dan vooral de openingsstoet aan de zijde van Jean-Charles de Castelbajac. Fanny is ten slotte ook ‘NAINPORTEKOI’, de grootste actie ter wereld voor de individuele aanpassing van tuinkabouters. Kortom, Fanny is niet de eerste de beste. Trouwens, voor al die creaties en nog veel meer, werd ze in 2013 benoemd tot ridder in het ‘Légion d’honneur’.

Fanny en Mons 2015

Fanny Bouyagui werd, gepokt en gemazeld door grote evenementen en goed op de hoogte van wat er in Henegouwen gebeurt, rechtstreeks door Yves Vasseur uitgenodigd om haar speciale toets te verlenen aan Mons 2015. Er werd aan haar gevraagd om de jonge generatie te inspireren om die zo naar 2016 te leiden. Van de vijf projecten die ze heeft voorgesteld, zijn er uiteindelijk drie geselecteerd. Ze wordt ambassadrice van Lille 3000 in Maison Folie, tuinbouwer van de zonnebloemen op de Grote Markt van Mons en chef van de grote poëtische manifestatie ‘Mon(s) Idéal’.

Op de openingsavond, op 24 januari vinden we haar dus terug in Maison Folie waar zij helemaal op haar eigen(- zinnige) manier een parcours zal samenstellen. ‘Het publiek zal een parcours volgen door het hele huis. Eerst in de tuin waar de bezoekers gevraagd wordt een boodschap op linten te schrijven die wij dan ophangen in de bomen. Er zullen 2015 kaarsjes branden, een universum gemaakt van spiegels, optredens en muziek. Op de eerste verdieping kunnen de bezoekers sprookjesfiguur Ezelsvel ontmoeten, is er een tentoonstelling van hedendaagse fotografie en begeleidt een reeks waanzinnige figuren hen naar de uitgang’, legt ze verder uit. ‘Voor “L’Ailleurs en Folie Lille”, heb ik gezorgd voor een kunst- en modedefilé, maar ook voor kookcursussen voor kinderen. Die kunnen dan het avondeten voor hun ouders klaarmaken. Ik organiseer ook een maaltijd met koks uit Rijsel. Plastisch kunstenaar Mimi de clown zal haar collages tegen de muren plakken’, voegt ze er nog aan toe.

Fanny zal dus ook tuinbouwer worden om de installatie te organiseren van een reusachtig labyrint van 15.000 zonnebloemen op de Grote Markt van Mons. In juli 2015 zal dat tien dagen lang toegankelijk zijn.


En dat is niet alles: Fanny zal dus ook tuinbouwer worden om de installatie te organiseren van een reusachtig labyrint van 15.000 zonnebloemen (100 meter lang en 30 meter breed) op de Grote Markt van Mons. In juli 2015 zal dat tien dagen lang toegankelijk zijn. ‘Ik werk al twee jaar aan dit project. Ik kende er niets van, maar nu weet ik heel wat over de verschillende soorten zonnebloemen, dankzij de hulp van tuinbouwers in de streek’.

Het laatste project met de stempel van Mons 2015 wordt de grote manifestatie ‘Mon(s) Idéal’. ‘Dat zal het jaar afsluiten. Dat wordt al een stap naar het Mons van na 2015. Ik nodig de jeugd van Mons uit om in een stoet door de straten te lopen met spandoeken met straffe slogans waarmee ze uiting zullen geven aan hun wensen, hun toekomstvisie, hun verwachtingen. Er komt ook nog een modedefilé, een stoet over de wereld en de groten der aarde, maar waarbij alle tijdperken door elkaar zullen lopen’.

Van 25 januari tot 17 mei 2015 belicht de tentoonstelling ‘Van Gogh in de Borinage’, georganiseerd door BAM (Beaux Arts Mons) een weinig bekende maar erg beslissende periode uit het leven van een van de grootste schilders aller tijden: die waarin hij besluit om kunstenaar te worden en zich de thema’s eigen maakt die zijn werk zullen bepalen.

Er blijven maar weinig beeldmatige getuigenissen over van het verblijf van Vincent Van Gogh in de Borinage, tussen december 1878 en oktober 1880. “Veel tekeningen zijn verloren gegaan of vernietigd”, betreurt Sjraar van Heugten, commissaris van de tentoonstelling en ex-directeur van de collecties van het Van Goghmuseum in Amsterdam. “Niet te verwonderen”, verzekert hij. “Van Gogh was geen natuurtalent. Hij was een autodidact die zichzelf een ijzeren discipline oplegde en tal van schetsen maakte om zijn techniek te verbeteren. Voor hem hadden die knullige tekeningen amper waarde. Dat waren maar oefeningen.”

De tentoonstelling ‘Van Gogh in de Borinage’, meteen de aftrap van Mons 2015, tekent een fascinerend portret van de totstandkoming van een genie. Want het is tussen al die zwarte smoelen, tussen de terrils en de huisjes van de mijnwerkers dat een van de beroemdste artiesten ter wereld zijn lot heeft ontdekt.

Mislukte predikant

Wanneer hij in het steenkoolbekken aankomt, is Vincent Van Gogh 25 jaar. Net als zijn vader wil hij predikant worden. Omdat hij zich het lot van de armsten aantrok, aanvaarde bij een baan als evangelist in de protestantse gemeenschap van Petit-Wasmes (het tegenwoordige Colfontaine). Hij leest en bespreekt de bijbel bij de mijnwerkers. Met hen deelt hij algauw hun armzalige leven. Hij zweert elke luxe af en schenkt zelfs zijn eigen kleren weg. Maar zijn gedrevenheid wordt maar matig op prijs gesteld door de protestantse kerk die zijn contract niet verlengt na zes maanden. “Deze schande valt in slechte aarde bij zijn familie. Geschokt verzinkt Van Gogh in een depressie”, vertelt Sjraar van Heugten. De jonge Nederlander verhuist naar Cuesmes (Mons), waar hij een tijdje de plaatselijke predikant helpt, maar zijn hart is er niet meer bij. Zijn broer Theo, waarmee hij opnieuw contact heeft na een jaar van stilte, zet hem aan om opnieuw te gaan tekenen. “Hij stuurt hem wat materiaal op, plankjes van de tekencursus van Charles Bargue en reproducties van het werk van schilders waarvan ze beiden de scènes over het leven van arbeiders en boeren bewonderen, werk van Jean-François Millet en Léon Lhermitte. Voor Vincent is dit een echte wederopstanding en het begin van een immense artistieke carrière.”

De kunst van het kopiëren

Van Gogh begint dan onuitputtelijk de schilderijen die hem het meest aanspreken te kopiëren en opnieuw te kopiëren. Hij begint ook naar de natuur te tekenen. “Zijn eerste studies zijn bijzonder ontroerend, zelfs al herken je er de hand van de meester nog niet in”, benadrukt Sjraar van Heugten. De zeldzame tekeningen die bewaard zijn gebleven uit zijn beginjaren als kunstenaar vormen de belangrijkste stukken van de tentoonstelling in het BAM. De bezoeker zal, naast de meest geslaagde werken die in leen zijn van het Amsterdamse Van Goghmuseum en het Kröller-Müller Museum van Otterlo, (waaronder De Zaaier) ook twee prachtige houtskooltekeningen kunnen ontdekken uit de periode 1879-1880 die uit de National Gallery of Art van Washington komen. Alle twee stellen ze bescheiden huisjes voor, het huis Magros en het huis Zandmennik. Dat was een dierbaar thema voor Van Gogh. Hij zal die huisjes trouwens later in verf vereeuwigen, bewijs daarvan het werk Rue à Auvers sur Oise, uitgeleend door de Finse National Gallery.

Nog een ander werk trekt de aandacht, dat van de Maaier met zijn sikkel, naar Les travaux des champs van Millet. Van dat werk uit 1880 was iedereen dertig jaar lang het spoor kwijt, tot Sjraar van Heugten het terugvond in een klein privémuseum in Japan. In Mons kan je het bewonderen naast een olieverfschilderij dat bijna hetzelfde personage voorstelt en dat door Van Gogh in 1889 werd geschilderd toen hij in Saint-Rémy de Provence ging wonen. “Ze zijn voor het eerst verenigd”, glundert Sjraar van Heugten, die er ons ook aan herinnert dat Van Gogh op het einde van zijn leven opnieuw aangeknoopt heeft met wat hij in het begin deed en opnieuw kopieën is gaan schilderen. Maar deze keer wel met de perfecte beheersing van een schilder aan de top van zijn kunnen.

Onvergetelijke Borinage 

Vincent Van Gogh zal voor altijd heimwee blijven hebben naar de Borinage. Na 1880 komt hij zelfs twee keer in de verleiding om ernaar terug te keren. ‘[Zeg hen] dat ik gezegd heb dat ik de Borinage nooit vergeten ben en dat ik het nog steeds graag terug zou zien’, schrijft hij aan een Belgische vriend als hij het over twee oude bekenden heeft. Daar is zijn roeping als kunstenaar voor het eerst naar boven gekomen en hebben de thema’s die de basis van zijn werk vormen (vooral het harde leven en de inzet voor de minstbedeelden) duidelijk vorm gekregen.

De tentoonstelling in het BAM die het werk van Van Gogh terugplaatst in de sociaal-economische context van die tijd in de Borinage, toont meer dan 70 schilderijen, tekeningen en brieven van de kunstenaar. “Die brieven zijn bijna nooit getoond aan het publiek, want tot nog toe interesseerde die periode uit het leven van Van Gogh de meeste onderzoekers niet”, bekent Marije Vellekoop, directrice van de artistieke afdeling van het Amsterdamse Van Goghmuseum. “Mons 2015 was een gelegenheid om wat meer doorgedreven onderzoek te gaan voeren”, voegt ze eraan toe. De brieven van Vincent Van Gogh worden in schaars verlichte uitstalramen tentoongesteld, om de inkt te beschermen. ‘Dit zijn uitzonderlijke documenten, want herinner je dat na zijn mislukte pastorale avontuur, Van Gogh besloten had om alle contact met zijn familie gedurende een jaar te verbreken. In het BAM tonen we zeven brieven, waarvan er vijf zijn die hij schreef op het einde van zijn verblijf in de Borinage’, verduidelijkt Marije Vellekoop. Die brieven tonen een slagvaardige Van Gogh, die zijn energie heeft teruggevonden maar die toch ook tot rust is gekomen. ‘Ik kan niet uitleggen hoe blij ik me voel dat ik opnieuw ben gaan tekenen’, schrijft hij in 1880 aan zijn broer Theo. En hij dringt wat aan: ‘Als ik me niet vergis heb jij Les travaux des champs nog van Millet. Zou je de goedheid willen hebben om me dat te lenen… en per post op te sturen?’ ‘Ik voel de behoefte om figuurtekenen te studeren op het werk van meesters als Millet, Breton, Brion et Boughton’. Het vervolg kennen we.

In het spoor van Van Gogh

Om de terugkeer van Van Gogh naar zijn geliefde Borinage te vieren, nodigen Mons 2015 en zijn partners de bezoekers uit om in zijn voetstappen rond te wandelen. De renovatie van twee huisjes waar de kunstenaar gewoond heeft, in 1878 in Colfontaine en in 1880 in Cuesmes, heeft inmiddels een aanvang genomen. De ontdekking van deze historisch geladen locaties maakt de ervaring van de tentoonstelling in het BAM volledig.

In de loop van het jaar zijn er binnen Mons 2015, culturele hoofdstad van Europa nog andere activiteiten voorzien rond de persoon en het werk van Vincent Van Gogh. Zo wordt er op de Grote Markt van Mons in juli een verrassend plantaardig labyrint gebouwd met 8.000 reusachtige zonnebloemen. Een kortfilmfestival zal dan weer plezier doen aan de filmliefhebbers.

Renseignements

‘Van Gogh in de Borinage. De geboorte van een kunstenaar.’
Van 25 januari tot 17 mei 2015
Van dinsdag tot zondag van 10 tot 18u.

BAM (Beaux-Arts Mons)
Rue Neuve, 8 – B-7000 Mons
www.bam.mons.be

 

Your opinion counts