Waw magazine

Waw magazine

Menu

Génération W is het beste wat Wallonie op dit moment te bieden heeft op culinair vlak. Van de tien chef-koks stellen we u hier Maxime Collard en Pierre Résimont voor, die achter hun fornuis de meest sublieme Waalse streekgerechten verzinnen.

Maxime Collard

 Geboren in Paliseul op 24 maart 1984
⇒ Familie van leerkrachten
 Hotelschool van Libramont
 Stage bij Les Forges du Pont d’Oye (Habay-la-Neuve)
 Opleiding bij De Karmeliet (Brugge – 3 Michelinsterren)
Ongehuwd
 2009: opening van La Table de Maxime (Our)
 November 2010: een ster in de Michelingids

Pierre Résimond

 Geboren in Mettet op 12 mei 1965
Ouders: wasserijarbeiders
 Hotelschool van Namen
 Opleiding bij Michel Guérard, Eric Lekeux en in Frankrijk
 Gehuwd met Anne, 2 kinderen
 1990: opening van l’Eau Vive
 December 1994: een ster in de Michelingids
 November 2010: twee sterren in de Michelingids


MAXIME 
COLLARD Eén en al discretie

Paliseul is een charmante plattelandsgemeente in het zuiden van Belgisch Luxemburg. Bossen, weiden en huizen vormen er een landelijk decor waar het rustig wonen is. Maxime Collard werd hier geboren op 24 maart 1984 in een familie van leerkrachten. Hij gaat naar de lagere school in Opont, een gehucht vlakbij, maakt een tussenstop in Bertrix en schrijft zich dan in aan de hotelschool van Libramont. De school staat bekend om haar strenge, maar degelijke opleiding. De toekomstig chef-kok leert er de kneepjes van het vak. Het duurt dan ook niet lang of hij opent zijn eigen restaurant, La Table de Maxime, dat al snel succes oogst bij fijnproevers.

Van jongs af aan kijkt Maxime verlangend naar het fornuis van zijn moeder en grootmoeder. Zijn ouders merken al snel welke kant hij op wil. Ze moedigen hem aan om zijn hart te volgen. Hij werkt als souschef bij Forges du Pont d’Oye (Habay-la-Neuve) en bij driesterrenrestaurant Karmeliet in Brugge. Daar voldoet hij vijf jaar lang aan de hoge eisen van chef-kok Van Hecke.

Collard is gepassioneerd door zijn beroep. Hij bewondert de grote Franse chef Michel Bras en diens naslagwerk. De Ardense chef weet hoe hij zijn team (vijf tot zes personen) moet leiden. Opmerkingen aanvaardt hij met plezier, zowel van zijn medewerkers als van zijn klanten, want daar kan hij alleen maar nog beter van worden.

Hij is tevreden wanneer alles op wieltjes loopt, de sfeer ontspannen is en hij zijn trouwe klanten kan verwennen met zijn kookkunst.

Hij zou graag in de Provence wonen, maar hij blijft een grote liefde voor zijn land koesteren en vooral voor de lokale streekproducten. Zijn vlees en wild haalt hij bij slagerij Poncelet, voor groenten is Daniel Leblond zijn vaste leverancier en ook voor andere producten kan hij terecht bij lokale producenten. Nieuwelingen in de keuken stimuleert hij om de collega’s te leren kennen en om goed en kritisch te leren proeven. Hij is trots op zijn welverdiende Michelinster, maar kan het zich daardoor ook niet meer veroorloven om teleur te stellen. Hij blijft zeer kritisch voor zichzelf.

Collard vestigde zijn restaurant in een knap gerenoveerde dorpswoning in Our. De eetkamer kijkt uit op het groen, dat via een licht terras binnenvalt in het restaurant. Voor wie graag blijft slapen, zijn er zes comfortabele kamers voorzien. Beter een goed bed dan een gevaar op de weg…

Le Pré Maho

Hout staat centraal in de Fabrique de Pré Maho. Het hotel biedt modern comfort en verfijning in vier luxekamers vlak bij het restaurant. Binnenkort volgt ook Jardins de Maxime: vier kamers die uitlopen in een groene ruimte en een brasserie.

Het bedrijf Thomas & Piron is gevestigd in hetzelfde dorp en nam de bouw van de verschillende constructies op zich. Eigenaar Louis-Marie Piron is een gepassioneerd gastronoom. Zijn smaak en kennis van tafelen en zijn ervaring in de bouw vormen de perfecte combinatie. De hele streek vaart wel bij die vernieuwde dynamiek.

Achter zijn fornuis goochelt de jonge chef met persoonlijke creaties. Daarin krijgen kwaliteitsproducten uit de streek een ereplaats. Vormen, kleuren, smaken en combinaties verleiden ogen en smaakpapillen. Een jong en enthousiast team staat voor u klaar en vergast u op zuiver gastronomisch genot. De lunch bestaat uit drie gangen (€ 32). Het seizoensmenu verspreidt zijn charmes over vier, vijf of zes gangen (€ 40, € 50 en € 65). Zo is er een jachtmenu met mousse van houtduif, scholfilet en gerookte paling, zoetwaterkreeftjes met Ardense ham… De reebok is vergezeld van braambessen, champignons en een fijne saus met Rochefort. Kers op de taart is een geroosterde vijg.

informatie

La table de maxime
Our, 23
B-6852 Our (Paliseul)
+32 (0)61 23 95 10
www.tabledemaxime.be

PIERRE RÉSIMONT Een vuurwerk van smaken

In een kleine molen uit de 17de eeuw aan de rivier Burnot in Arbre openden Pierre en Anne Résimont hun restaurant l’Eau Vive. De mooie plek ligt aan de rand van het bos. In het salon kozen ze voor resoluut hedendaags meubilair in bruine en rode tinten. Kleuren en stoffen zijn opvallend harmonieus op elkaar afgestemd. Het is er comfortabel en gezellig zitten voor een aperitief, digestief of koffie. Anne komt de bestellingen opnemen. Ze geeft uitleg over de specialiteiten van de chef en begeleidt je naar de veranda, met zicht op het mooie terras, dat uitloopt op een ruisende waterval. Op reservatie kan de chef je ook uitnodigen om plaats te nemen aan de gastentafel, waar je de keuken kunt zien. Je kunt er in het oog houden hoe je maaltijd klaargemaakt wordt en de nieuwe apparatuur van de koks bewonderen.

Pierre beschrijft zijn keuken als “een zoektocht naar een bepaalde emotie, een evenwicht tussen krokant, zuur en vet, een constante evolutie met respect voor de producten.” De chef is een perfectionist die levendigheid en inventiviteit vermengt tot een vuurwerk van heel persoonlijke smaken. Hij tovert met originele bereidingen op basis van streekproducten. Zijn keuken is inventief en deinst niet terug voor gedurfde combinaties. Bij het ‘ontdekkingsmenu’ hebben de zes gangen telkens nieuwe schatten in petto, die ons hart wat sneller doen slaan. De Gillardeauoesters worden lauw opgediend met snijbiet, tomaten en lomo. De tongfilet krijgt een garnituur van grijze garnalen en een toets van yuzu. Een mooie, perfect gebakken snee foie gras krijgt het gezelschap van vijgen en citroen op peperkoek. De verfijnde reerug wordt begeleid door peren en bieten. Je hebt de keuze tussen een uitgebreide, geurige kaasschotel of een sorbet. Het dessert is een subtiele combinatie van karamel, appel en citroen. En dat alles met een gracieuze en efficiënte vrouwelijke service.

De chef is een perfectionist die levendigheid en inventiviteit vermengt tot een vuurwerk van heel persoonlijke smaken. Hij tovert met originele bereidingen op basis van streekproducten.

 

Pierre Résimont werd geboren op 12 mei 1965 in een familie van wassers, die de roeping van de jongeman al snel begrepen en hem naar de hotelschool in Namen stuurden. Als kind was hij vol bewondering voor de kookkunst van zijn moeder en grootmoeder: brood, taart, kwartels en niertjes kenden geen geheimen voor hen. Hij doet ervaring op in prestigieuze restaurants en bij gerenommeerde chefs, die hem de kneepjes van het vak leren. In 1990 opent hij l’Eau Vive en in 1994 krijgt hij zijn eerste Michelinster. Zijn tweede ster komt eraan in 2010. Hij heeft samen met Anne twee kinderen geadopteerd. Er wordt nog niet gesproken over de overname van het restaurant, maar de interesse bij de kinderen is er alvast.

Pierre werkt uiterst nauwgezet, maar hij staat altijd open voor opmerkingen van zijn vrouw of personeel. Ook interessante suggesties van klanten vergeet hij niet zomaar. Hij vindt dat een kok open moet staan voor de buitenwereld en zich niet mag terugtrekken in een ivoren toren. Ervaringen zijn er om uitgewisseld te worden. Hij strooit ook zelf gul met advies. Rust in zijn dagelijkse omgeving is volgens hem essentieel om het uiteindelijke doel te bereiken, de voldoening van de klant. Alain Ducasse is de chef die hem geïnspireerd heeft met zijn geschriften en de manier waarop hij zijn bedrijf leidde. Pierre schoolt zich graag bij hem bij. Zijn favoriete maaltijd is balletjes in tomatensaus met frieten en echte mayonaise. Couscous is dan weer niet zijn ding. Hij zou graag Sophie Marceau eens te gast hebben, in het gezelschap van Asterix. Zijn inox tang en zijn vork met twee tanden zijn zijn lievelingsinstrumenten. Gezellige, vrolijke momenten met vrienden zijn heel belangrijk in zijn leven. Hij zou graag in Quebec wonen, want hij vindt de mensen daar fantastisch.

Op 5 minuten van het restaurant ligt Espace Medissey. De vertrekken stralen met hun vloeiende lijnen en harmonieuze lichtval een bijzondere sereniteit uit. Ondertussen bestaat ook de Comptoir de l’Eau Vive al een jaar. In Erpent bij Namen kunt u er in een ontspannen sfeer genieten van brasseriegerechten aan tafel of aan de toog.

informatie

L'eau vive

Route de Floreffe, 37
B-5170 Arbre (Profondville)
+32 (0) 81 41 11 51
www.eau-vive.be
Gesloten op zaterdagmiddag, dinsdag en woensdag



Génération W

Wallonië herwaarderen vanuit gastronomische hoek

Tien emblematische chefs uit de vier streken van Wallonië hebben zich verenigd in een collectief. Samen willen ze de gastronomie in Wallonië opnieuw op de kaart zetten. En dat liefst over de landsgrenzen heen. In het collectief zitten chef-koks, ondernemersrestauranthouders, scheppers van smaak die een ding gemeenschappelijk hebben: de wens om het echte gezicht en de grootheid van ons gastronomisch erfgoed te laten zien. Het zijn moderne koks, met hun eigen persoonlijkheid, dynamiek en overtuiging, die laten zien dat er wat beweegt in Wallonië. Génération W wil onze streek promoten, via de gastronomie en de creativiteit van zijn chef-koks. Ze betrekken ook kunstenaars en ambachtslieden die van ver of dichtbij te maken hebben met het plezier van tafelen als erfgoed. Verder willen ze de streekproducten en hun producenten opwaarderen dankzij de kennis van hun leden, en de gastronomie en het Waalse Gewest bekendmaken in binnenen buitenland. Restauranthouders die hun kandidatuur willen stellen, moeten beantwoorden aan enkele criteria. De oprichters van het ambitieuze project rekenen op positieve reacties, zodat ze binnenkort een versnelling hoger kunnen schakelen. Zo plannen ze om een boek uit te geven met portretten – van de koks, maar ook van producenten – en recepten. In maart 2014 is Génération W te gast op de Horecatelbeurs in Marche. De ideale gelegenheid om kennis te maken met het publiek en om een nieuwe wind te laten waaien in de georganiseerde wedstrijden.

De weg naar de sterren

Gepassioneerde chef-koks, met hun eigen persoonlijkheid en overtuigingen, die deel uitmaken van het economisch weefsel, werkgelegenheid creëren en bron van inspiratie zijn voor al wie hun prachtige beroep wil leren.Maxime Collard (Table de Maxime, Our), Sang Hoon Degeimbre (Air du temps, Liernu), Mario Elias (Cor de chasse, Wéris), Eric Martin (Lemonnier, Lavaux Sainte-Anne), Arabelle Meirlaen (Arabelle Meirlaen, Marchin), Christophe Pauly (Coq aux champs, Soheit-Tinlot), Clément Petitjean (Grappe d’or, Torgny), Pierre Résimont (Eau vive, Arbre), Jean-Baptiste Thomaes (Château du Mylord, Ellezelles), Laury Zioui (Éveil des sens, Montigny-le-Tilleul).

 

De charme van wijn

Het beroep van sommelier was lange tijd een mannenbastion. Gelukkig duiken er stilaan ook meer vrouwelijke sommeliers op. Bij l’Eau Vive valt het talent van Anouk Fransolet meteen op. Ze weet wat goede service is en geeft correcte informatie. Pierre Résimont laat haar volledig vrij, zodat ze haar eigen weg kan zoeken en vooral anderen de weg kan tonen. Anouk werkt graag met iemand, en niet voor iemand. De verstandhouding tussen haar en de chef is dan ook optimaal. Haar gevoel voor gezelligheid en verfijning kon ze volop ontwikkelen in Le Darville in Wierde, voor ze bijna twee jaar geleden bij het team van Résimont terechtkwam. De Guide Le Vif reikte haar een welverdiende Fouet d’or uit van beste sommelière. La Table de Maxime speelt Anissa Body uit als troef. Ze is amper twintig jaar, komt uit de hotelschool in Namen en volgde een intensief zevende jaar in oenologie. Samen met twee andere meisjes uit haar klas won ze de wedstrijd Val de Loire. Ze werkt nu zes maanden bij Maxime en geeft daar blijk van heel wat talent. Ze geeft klanten enthousiast en met de glimlach advies om het beste evenwicht te vinden met de bereidingen van de chef. 

 

Horecatel - Het Gastronomische Paleis     

Van zondag 9 tot woensdag 12 maart 2014 is Horecatel de place-to-be. Verspreid over 23.500 m² vind je er alle trends voor het komende seizoen. Elk jaar stellen zo’n 350 bedrijven hier hun producten en materiaal voor aan de 40.000 professionele bezoekers uit de wereld van de horeca, de grootkeukens, de catering en de gastronomie. Ze komen uit heel België en de buurlanden. Professionele verenigingen en officiële vertegenwoordigers uit de sector komen er samen om over de uitdagingen van het beroep te discussiëren tijdens rondetafelgesprekken, werkgroepen en andere informele bijeenkomsten. Jonge en ervaren chefs, gastronomen en experts komen er tijdens een wedstrijd, een demonstratie of een culinaire sessie hun talent en passie tonen aan een nieuwsgierig publiek. Sinds de opening twee jaar geleden blijft de interesse voor het gastronomische paleis groeien. De nieuwe ruimte is bedoeld als dé plaats waar chef-koks, hun leveranciers en hun producenten elkaar ontmoeten. De organisatoren bekroonden sterrenchef Éric Martin van restaurant Lemonnier in Lavaux-Sainte-Anne tot Ambassadeur 2014, als erkenning voor zijn passie voor gastronomie.

informatie

Horecatel
Wallonie Expo Parc d’activités du Wex
Rue des Deux Provinces, 1
B-6900 Marche-en-Famenne
9 tot 12 maart 2014 (van 11 tot 19 uur)
Alleen voor professionals
[email protected]
www.horecatel.be

 

Saveurs de nos Régions

Welkom bij Saveurs de nos régions. Onze nieuwsbrief bestaat intussen al zeven jaar. Maandelijks valt hij in de bus bij meer dan 37.000 liefhebbers van restaurants, speciaalzaken, streekproducten en gezellig tafelen. Onze lezers komen niet alleen uit de provincie Luik, maar uit heel Wallonië en zelfs de rest van België en daarbuiten… Luik is (nog!) niet het centrum van de wereld van de smaak.

Deze nieuwsbrief wordt opgesteld door een team specialisten onder leiding van onze medewerker Guy Delville. U vindt regelmatig artikels van zijn hand in WAW Wallonie Magazine. Al meer dan 25 jaar is hij gastronomisch recensent, maar bovenal is hij een meester in het opsporen van leuke adresjes en zet hij u met de glimlach op weg bij uw zoektocht naar een goed restaurant. In de nieuwsbrief maken we u met plezier wegwijs in alle aspecten van lekker eten en drinken en van een gastvrije ontvangst. We wijzen u op nieuwe producten, bijzondere en onbekende plaatsen, en verkennen samen de rijkdom van Wallonië. We vertellen u over nieuwe adresjes en allerhande evenementen in verband met eten en drinken. Op gastronomische wandeling verrassen we u met tal van geheime tips. Verder bespreken we een ruime selectie boeken, zodat u ook uw ogen de kost kunt geven. Met de recepten zult u vrienden en familie verbazen. Streekproducten staan altijd in de kijker en bieden u een keur aan lekkers. En dan zijn er nog de onvermijdelijke ergernissen over de domme fouten en de onbegrijpelijke vergissingen van sommigen.

Afhankelijk van ons humeur, maar altijd met de nodige humor, nemen we u mee op een onderzoek waar zelfs commissaris Maigret graag was bij geweest. We volgen de wereld van gastronomie en oenologie op de voet en laten ons graag leiden door het toeval. Guy Delville eet, proeft, vertelt, smult, bijt, knabbelt, test, vergelijkt, beschrijft en geniet het jaar rond. Een echte levensgenieter!

Bezoek zeker de website van Saveurs de nos Régions. Een abonnement op de maandelijkse nieuwsbrief is gratis. Uw mening, commentaar en zelfs kritiek is altijd welkom. Zonder vooroordelen, zonder taboes en volledig autonoom.

informatie

www.saveurs-regions.be

Videos

Optimum ParkTM, cultureel product van de Entreprise d’Optimisation du Réel (of EOR – Onderneming voor de Optimalisering van de Werkelijkheid), is een wervelend multimediagebeuren. Een spel vol intellectuele en fysieke proeven, waarin u ontdekt hoe goed u eigenlijk ‘presteert’. Als u het spel meespeelt, tenminste.

Stoppelbaard, kortgeschoren kapsel, zwarte outfit, tatoeages op zijn arm en een piercing in iedere wang. Sébastien Rien heeft de looks van een bad boy. Maar schijnt bedriegt. Hij vertelt boeiend over zijn recente project in het BPS22 (Centrum voor hedendaagse creatie in Charleroi). Dat is Optimum Park™ , een fascinerend cultureel product dat in eenzelfde ruimte verschillende disciplines vermengt die anders zelden samengaan. Biowetenschappen, literatuur, videokunst, poëzie, fictie, muziek, human resources, communicatietechnologie… Het concept haalde de mosterd bij hedendaagse kunst, pretparken en teambuildings. Het resultaat is bijzonder, aan te passen aan ieders situatie en problemen, en bedoeld als een intellectuele en zintuiglijke ervaring waar u ‘geoptimaliseerd’ uit komt. Een multimedia-incentive die het genre op zijn kop zet. Met een ludiek en uitdagend karakter, mentale en fysieke proeven, mysterie, lichteffecten en de nieuwste technologie, prikkelt het concept de creativiteit, de competitiviteit en de motivatie van iedereen.

Spicy experiment

Na de proef zegt Optimum Park™ welke speler het meest ‘geoptimaliseerd’ is, op basis van vooraf bepaalde criteria. Daarvoor gebruiken de IT-krakken van EOR een eigen paradigma, namelijk een bepaalde visie op de wereld. Maar ook de minst ‘geoptimaliseerde’ speler zet een hele prestatie neer. Hij is immers ontsnapt aan het systeem door andere waarden te kiezen dan wat de bedenkers van het spel voor ogen hadden. U begrijpt het al: “Het is sowieso een interessante ervaring, maar je moet ook kunnen relativeren. Het optimaliseringsproces is afhankelijk van ieders wilskracht en inzet om te antwoorden of te handelen.” Het zijn dus niet noodzakelijk de antwoorden zelf die ertoe doen. Sommige deelnemers beslissen zelfs uit eigen beweging om uit het experiment te stappen. Ze vinden dat ze “geen schapen zijn en niet klakkeloos de bevelen van een elektronische stem moeten volgen”. Wie maakt zijn eigen keuzes, gehoorzaamt, is onverschillig of heeft veel inzicht? U zou wel eens versteld kunnen staan van uw eigen reacties.

Met een ludiek en uitdagend karakter, mentale en fysieke proeven en de nieuwste technologie, prikkelt Optimum Park™ de creativiteit, de competitiviteit en de motivatie van iedereen.


In tegenstelling tot een gewoon pretpark, ga je hier niet naartoe zonder enige voorbereiding. Niets wordt aan het toeval overgelaten. Bij de tweede experimentele fase* afgelopen juni in Charleroi schreven de bezoekers zich in via de website van de Entreprise d’Optimisation du Réel. Daarop ontvingen ze een dresscode (donkere kleuren, geen hakken…) en praktische informatie (plaats en uur). Bedoeling is om vooraf al even stil te staan bij wat je te wachten staat. Ter plaatse wordt de deelnemers gevraagd om een formulier te tekenen waarin ze verklaren verantwoordelijk te zijn voor hun daden tegenover zichzelf en anderen. De spanning stijgt. Daarna worden ze een voor een in het computersysteem geregistreerd en krijgen ze hun persoonlijk identificatienummer. De ‘stem van het systeem’ gebruikt dit nummer om te communiceren en om de deelnemers naar de stations te leiden. Daarbij volgen ze een parcours dat steeds moeilijker en sneller wordt. Van de ‘standaardstations’ (minimalistische videospelletjes, multiplechoicevragen…) tot fysieke ‘actiestations’, de prestatiedruk wordt steeds verder opgevoerd. Maar waar stopt het?

1ste experimentele fase: 27 november tot 16 december 2012 – iMAL (interactive Media Ar t Laboratory) – 30 Koolmijnenkaai, 1080 Brussel
2de experimentele fase: 13, 14 en 20 juni 2013 – B.P.S.22 – 22 Boulevard Solvay, 6000 Charleroi

 

Ontwikkeling en duurzaamheid

Het project blijft groeien. Op dit moment is er een derde ontwikkelingsfase aan de gang. De bedenkers sleutelen verder aan het systeem en onderzoeken de mogelijkheden om het op de markt te brengen. Ook de nodige financiële middelen staan nog op het verlanglijstje. Zo wordt er actief gezocht naar partners in de publieke sector (musea) en de privésector (bedrijven). Binnenkort zet het team koers naar Noord-Frankrijk en Montréal. “Als we willen dat het project blijft duren, moeten we het rendabel maken.” Een hele uitdaging, maar voor een groep met zo’n talent wordt dat vast geen probleem.

 

In het kort

Optimum Park™ by EOR (Entreprise d’Optimisation du Réel) is ontsproten uit het brein van een team dertigers die van alle markten thuis zijn, een groepje moderne dichters met originele kronkels. De briljante constructie is het resultaat van de intellectuele nieuwsgierigheid van vijf volwassenen uit de ‘connected generation’. Sébastien Rien, master in digitale kunst met optie programmeren, ontwerper, coördinator en producent; Emmanuel Pire, softwareontwikkelaar en technisch systeembeheerder; Sébastien Biset, doctor in de kunstgeschiedenis, auteur en kritisch analist van participatieve kunst; Antoine Boute, filosoof, auteur van de tekstuele inhoud; Leslie Mannès, danseresperformer, verantwoordelijk voor de menselijke relaties.

 

De stations

Bij elke experimentele fase kan de inhoud van de stations, met drie verschillende moeilijkheidsgraden, evolueren naargelang de geleerde lessen of de behoeften van de ‘kopers’ van het systeem (bedrijven of groot publiek).

Er zijn 24 standaardstations, gegroepeerd in het midden van de ruimte. De ‘stem’ vraagt de deelnemers om bepaalde opdrachten uit te voeren, bv. om alarmen uit te zetten of te antwoorden op multiplechoicevragen.

De actiestations zijn verdeeld over 3 niveaus:

 Op niveau 1 sluit een van de deelnemers de ogen. Een chronometer wordt ingedrukt en loopt af na een minuut. Intussen begeleidt een tweede deelnemer de eerste, hij beschermt hem en verplaatst hem in de ruimte om zijn perceptie van tijd en ruimte te veranderen.

 Op niveau 2 en 3 worden de situaties complexer. Zo is er de dark room noise, waarbij drie deelnemers zich bevinden in een geïsoleerde, met rook gevulde ruimte waar micro’s voor speciale effecten zorgen. Met een lamp op hun hoofd moeten ze geluiden uitbrengen, roepen, experimenteren met hun stem.

 Bij experimentele fase 2 in Charleroi was het ‘ultieme’ station er een met een auto. De begeleider bezorgde de deelnemers een aantal vernietigingswapens (honkbalknuppel, koevoet…). Daarna kregen de deelnemers 20 seconden om de auto zo zwaar mogelijk toe te takelen. Met het psychologisch experiment wordt gekeken in welke mate de deelnemers zich onderwerpen aan gezag, vooral als ze iets moeten doen waarbij hun geweten opspeelt.

 

informatie

Entreprise d’optimisation du réel (EOR )
Sébastien Rien
Rue de Marcinelle 30
B-6000 Charleroi
+32 (497) 75 31 02
[email protected]
www.optimisation-du-reel.biz

In Le Grand-Hornu Image vindt de tentoonstelling ‘Moodboards’ plaats. De site van Le Grand Hornu werd onlangs opgenomen op de UNE SCO -Werelderfgoedlijst. Een plek met een rijk verleden dus, maar ook een die resoluut vooruitkijkt.

Toeval of intuïtie? Kort na de verkiezing van Jean-François D’Or tot ‘Designer van het jaar 2013’, lanceert Le Grand-Hornu de eerste monografische tentoonstelling van de kunstenaar. Marie Pok, directrice van Le Grand- Hornu Images: “Jean-François D’Or heeft duidelijk een punt bereikt in zijn carrière waarop zijn werk gezien mag worden.” Ze is gecharmeerd door de artiest en beschrijft hem als “een zorgvuldig en perfectionistisch man. Op het randje van maniakaal.” Op en top professioneel dus. Tijdens de voorbereiding van de tentoonstelling kwam Pok in contact met een aantal uitgevers, de industriële partners voor wie de designer gewerkt heeft. Zo ook met Michel Roset van het gelijknamige Ligne Roset. Voor dat merk ontwierp Jean-François D’Or onder andere opbergdozen in snoepkleurtjes, geïnspireerd door de wereld van kinderen. “Ik hoor van iedereen hetzelfde. Jean-François d’Or is zo gefocust op de details dat hij een duwtje nodig heeft om zijn creaties ook echt uit te brengen. Michel Roset moest hem uiteindelijk vriendelijk zeggen dat het tijd was om zijn baby los te laten.” Als perfectie bestaat, komt de designer dicht in de buurt. Saai wordt het echter nooit. “Zijn objecten geven blijk van logica en gezond verstand, maar altijd met een bijzondere twist. Zoals deze originele leunstoel met een opbergvak voor kranten tussen het zitvlak en de rugleuning. Vóór hem had niemand daaraan gedacht.” Aan creativiteit geen gebrek.

De tentoonstelling, die nog loopt tot in december, vormt een kennismaking met de ontwerptechnieken en de esthetiek van de artiest. “Het is geen koude showroom, geen retrospectieve van uitgebracht werk.” Dat is in ieder geval D’Ors bedoeling. Hij wil de bezoekers laten rondwandelen, met de rust en vrijheid die hij zelf ervoer toen hij carte blanche kreeg voor de tentoonstelling met Marie Pok. Geen regels, geen verplichte wandelrichting, alleen een paar geschreven aanduidingen die kunnen helpen bij het interpreteren van zijn universum. Het is een toegankelijke wandeling langs uitgebracht en niet uitgebracht werk, langs prototypes, stalen en ‘moodboards’. Alles ligt op een natuurlijke manier door elkaar, net als het atelier en het huis van de designer, waar je onmogelijk het verschil kunt zien tussen uitgestalde objecten, echte wanorde, werkruimte en privéleven. Deze eerste tentoonstelling is voor D’Or ook een kans om zich bloot te geven aan het publiek: dingen die hij nooit eerder vertelde, zoals geheimen, anekdotes uit zijn jeugd (zoals die keer toen hij een paraplu op een bolhoed prikte en zo op straat rondwandelde om voorbijgangers te verrassen) of referenties naar artistieke en literaire stromingen die zijn stijl beïnvloed hebben.

‘Moodboards’

‘Moodboards’ zijn het werkinstrument van Jean-François D’Or. “Het is als een kladblad, een voorontwerp, vóór ik de dingen verder uitwerk. Ik verzamel objecten, losse stukken materiaal, kleurstalen en ik breng ze allemaal samen, intuïtief en georganiseerd tegelijk. Uit dat tafereel haal ik mijn inspiratie.” Het lijken de voorbereidingen van een alchemist voor het ultieme elixir. Een creatief ontwerpproces dat perfect afgesteld is en visueel begrijpelijk is voor de uitgevers. Het samenbrengen van fysieke voorwerpen heeft immers vaak meer effect dan een digitaal ‘moodboard’. Jean-François D’Or houdt van objecten met een geschiedenis, een functie en een concreet gebruik. “Als ze me vragen om gewoon een mooi object te creëren, ben ik niet geïnteresseerd. Objecten uit het dagelijkse leven opnieuw uitvinden, dat is veel meer mijn ding.” En dat deed hij al met zwier voor een karaf, een deurklink, een spiegel, een bed, een deurmat, een bril… Maar de lijst met mogelijkheden is nog lang: een tandenborstel, een kachel, een schoen, een radiator, een steen… Zullen we het hem eens vragen?

 

Informatie

Moodboards
Monografische tentoonstelling
Van 22 september tot 15 december 2013


Les Écuries du Grand-Hornu
Rue Sainte Louise 82
B – 7301 Hornu
[email protected]
www.grand-hornu-images.be

 

Etiketten en vliegenogen

Jean-François D’Or, het creatieve brein achter studio Loudordesign, stelt zich voortdurend vragen. Creatieve ideeën in overvloed, en daar blijft het niet bij.

Uitgevers, kunstcritici en journalisten, ze gebruiken allemaal dezelfde woorden als het gaat over Jean-François D’Or: ‘juist’, ‘zorgvuldig’, ‘bescheiden’, ‘discreet’, ‘logisch’, ‘eenvoudig’, ‘natuurlijk’ zijn etiketten die regelmatig op zijn objecten en zijn mentaal universum worden geplakt. Maar misschien zijn er nog andere woorden die hem kunnen beschrijven. ‘Volks’ bijvoorbeeld, voor de locatie van zijn werkplaats in Schaarbeek, in een bruisende, multiculturele buurt die een bron van inspiratie vormt. Volks, maar ook een beetje ‘dandy’, wanneer hij zich een keer per week naar het College of Advertising & Design (C.A.D.) in Ukkel begeeft, met een hoed à la Jacques Tati op zijn hoofd. En ten slotte is D’Or ook een beetje een ‘vlieg’: ook al heeft hij maar twee ogen, ze hebben ontegensprekelijk heel wat facetten. De designer ziet alles als door een fijn traliewerk en zijn brein verwerkt de overvloed aan informatie in zijn typische ‘moodboards’. Gefilterde fantasie.

www.loudordesign.be

Kunstenaar Jean-Pierre Scouflaire uit Bergen ging op zoek naar een kader en vond dat in rechthoeken. Hij verandert ze, verkent hun oppervlak, speelt met de verticale en horizontale lijnen. Een dwarse kijk op de dingen, een soort van diagonaal in het vage.

“Er ligt een onbeschreven blad voor mij. Wat ga ik erop zetten en wat kan ik erop zetten zonder afbreuk te doen aan alle mogelijkheden die dat blad in zich heeft?”

 

Kunt u zich kort even voorstellen?
Jean-Pierre Scouflaire — Mijn ouders komen uit de streek van Bergen (Masnuy), maar ik ben deels opgegroeid in Afrika. In de jaren zestig zijn we teruggekomen naar Bergen en daar heb ik mijn middelbare school en hogere studie gedaan.

U bent dus in zwart Afrika geboren en kwam nadien bij de ‘zwarte tronies’ van de mijnwerkers terecht?
JPS — Ergens wel ja… (glimlacht)

Is er iets in uw werk dat verwijst naar Afrika of naar de streek van Bergen waar u woont?
JPS — Nee, aan geen van beide. Dat ik gewerkt heb rond het idee van een kader, was denk ik ook omdat ik daar zelf naar op zoek ben, omdat ik dat als kind nooit gehad heb.

Hebt u structuur nodig?
JPS — Waarschijnlijk wel… Maar ik denk dat het belangrijk is om te starten met het idee: “Er ligt een onbeschreven blad voor mij. Wat ga ik erop zetten en wat kan ik erop zetten zonder afbreuk te doen aan alle mogelijkheden die dat blad in zich heeft?”

En zonder te vergeten dat er een rand is?
JPS — Inderdaad.

Is het ergens ook een levenskader?
JPS — Er is wel een verband. Mijn manier van werken, tekenen en ontwerpen stemt overeen met mijn dagelijkse manier van leven. Maar het is niet omdat mijn kaders er strak uitzien, dat ik een starre geest heb.

U bent wat flexibeler dan een industrieel ontwerper?
JPS — (lacht) Ja, bij mij bestaan er ook soepele vierkanten. Ik kan de lijnen in beweging brengen.

En uit het kader breken?
JPS — Ik ben in ieder geval in staat om het te verdraaien.

Hoe zou u uw werk omschrijven?
JPS — Een minimum aan zichtbare ingrepen voor een maximum aan efficiëntie. Zo weinig mogelijk tonen om zo veel mogelijk te suggereren. Mijn werk draait altijd rond een optimaal gebruik van middelen. Dat is geen minimalisme, maar ik wil met weinig dingen een vraag oproepen, een gedachte losmaken…

Uw schilderijen als open vragen?
JPS — Dat klopt, maar ik wil ook leren kijken, me interesseren voor kleine dingen… Alles lijkt gewoon, normaal, alleen is er dat ene vreemde detail. Het is leren en eer bewijzen aan de kleine dingen die verstoren wat op het eerste zicht conventioneel of normaal lijkt.

Opnieuw leren zien in een wereld die ons bombardeert met beelden?
JPS — Ja, we leven in tijden van oeverloos gepraat, ook visueel. Ik hou mijn blik liever open, zonder verantwoording. In onze maatschappij is alles ogenschijnlijk toegelaten, maar tegelijk moet je je voor alles verantwoorden. Dat is nog erger dan vroeger. Toen konden we niet veel doen zonder meteen een conflict uit te lokken. Er was een dualiteit. Tegenwoordig is die er niet meer, maar we moeten wel voor alles een verklaring geven. Dat is vreselijk! De controle is geniepiger geworden en verpakt als verantwoording.

Uiteindelijk bieden een kader en beperkingen je net de kans om eruit te breken.
JPS — Ja, je hebt toch ergens een referentie nodig. Het is nooit zomaar een kader. Je kunt erin binnengaan, eruit breken, het verdraaien. Maar om je referenties te kunnen loslaten, moet je ze eerst goed kennen en respecteren.

Werkt u met traditionele of vernieuwende technieken?
JPS — Met traditionele. Technieken die me zoveel mogelijk autonomie bieden. Ik werk graag met hard materiaal. Ik heb veel gravures en geprinte beelden gemaakt en ik heb gemerkt dat het gereedschap je vaak doet uitkomen bij interessante constructies. Ook het spel van je handen interesseert me bij dit werk. Als ik een omlijsting voorzie, zal die dus in hout of metaal zijn. Ik ben vooral te vinden voor hard materiaal waarin je moet snijden, waar je een echt contact hebt met het materiaal. Ik gebruik veeleer traditionele technieken zoals lithografie, houtgravure of linosnede, die weinig fouten toelaten en waarbij het duidelijk is wanneer ze klaar zijn. Zonder nuances. Alles of niets!

Mijn manier van werken, tekenen en ontwerpen stemt overeen met mijn dagelijkse manier van leven. Maar het is niet omdat mijn kaders er strak uitzien, dat ik een starre geest heb.

 

Zit uw streek ook in uw werk verweven?
JPS — Waarschijnlijk zit er wel iets in van de plaatsen waar ik woon. Waar wat juist? Geen idee…

Heeft de abstracte Brusselse artieste Marthe Wéry uw werk beïnvloed?
JPS — Niet rechtstreeks. Als er iemand is die me ondersteund en begeleid heeft en met wie ik artistiek op één lijn zit, is het Gabriel Belgeonne, ook al zijn onze werelden verschillend. Wat ik bij hem waardeer, is zijn eerlijkheid en openheid tegenover de wereld en de kunst. Dankzij Belgeonne heb ik heel wat andere artiesten ontdekt, andere invloeden zoals Rothko of een Poolse graveur met de naam Flakowski. In België vind ik het werk van Jo Delahaut zeer intrigerend. Zijn schilderijen roepen veel vragen op en als kijker vraag je je af waar die vandaan komen, wat de rode draad is. Het zijn kunstenaars die het aangedurfd hebben om wat vrijer met hun werk om te springen, zonder te moeten overdrijven om de indruk te hebben geloofwaardig te zijn.

Artiesten uit de Belgische abstracte kunst dus?
JPS — Ik heb altijd veel gehouden van het werk van de constructivisten, Malevitsj, Lissitzky en de Italiaanse futuristen. En natuurlijk kunstenaars zoals Paul Klee. Van Kandinsky ben ik dan weer niet zo’n fan. De eenvoud van de flessen van Morandi geeft trouwens blijk van een zeldzame intelligentie op het vlak van constructie. Je merkt niet dat er veel werk aan was. Dat is verschrikkelijk in kunst.

Uw werk doet me denken aan Eugène Leroy...
JPS — (lacht) Daar hou ik erg veel van, maar ik zou nooit zelf het verband hebben gelegd.

... misschien door de materie en de schaduwen die je je erbij kunt voorstellen, de dingen die het kader verborgen houdt en die je niet ziet op het eerste gezicht.
JPS — De chaos proberen terug te vinden, dat is goed, en in mijn ogen is het dat wat tot uiting komt in Leroy’s werk. Je vindt er een materiaaldichtheid die lijkt op de chaos of het zwarte gat. Tegenwoordig ben ik meer geïnteresseerd in het terugvinden van de chaos. Er is een schijnbare organisatie en geometrie, maar ik ga op zoek naar de chaos in die geometrie. Misschien net zoals Leroy op zoek gaat naar het licht. Maar als je het resultaat van zijn werk ziet, van zijn schilderijen, dan zie ik een zwart gat waarin alle energie van het licht verdwenen is.

Is er een artiest hier in de Borinage waar u voeling mee hebt?
JPS — Christian Claus, die in de streek woont. Een beeldhouwer die twintig jaar geleden veel gemaakt heeft, en een heel nauwgezette kunstenaar.

Van Gogh heeft in de streek gewoond. Heeft dat invloed op uw werk?
JPS — (lacht) Ik ben geen fetisjist. Van Gogh is niet meteen een bron van inspiratie voor mij. Als de aanwezigheid van Van Gogh publiek kan aantrekken, des te beter. Maar eerlijk gezegd heeft hij niets gerealiseerd in de Borinage. Hij is haastig vertrokken naar het zuiden, op zoek naar het licht. Zo’n dertig jaar geleden werd me gevraagd om de scenografie te doen van een tentoonstelling over surrealisme in België in het Museum voor Schone Kunsten van Bergen. Er was werk van Armand Simon en ze hadden zijn bureau en zijn potloden gezocht. Het moest een levensecht tafereel zijn, dus ik heb onder het bureau zelfs een paar kapotte pantoffels van mezelf neergezet. Het grappige is dat veel mensen echt geloofden in die ‘kopie’ van Simons wereld.

Wat denkt u als kunstenaar over Bergen als Culturele Hoofdstad van Europa in 2015?
JPS — Daar moet ik ook als ‘gewoon mens’ op antwoorden, niet alleen als kunstenaar. Uiteraard is het goed als alle activiteiten rond Mons 2015 mensen een ander beeld van de streek bezorgen. Als er één industrie nog volop bloeit hier, is het wel de culturele sector. En als cultuur kan helpen om de streek opnieuw te lanceren, waarom niet? Intussen kan ik genieten van tentoonstellingen dicht bij huis. Economie en cultuur hangen nauw samen. Damien Hirst is daar een voorbeeld van. De Engelse kunstenaar is wereldwijd bekend en is erin geslaagd om politiek, economie en financiën met elkaar te verbinden. Het is niet goed om alles van elkaar los te maken. We moeten beseffen dat we deel uitmaken van een geheel. Zoveel te beter dus als er interactie is, als we ons daarvan bewust zijn en de zaken wat kunnen opporren. Er is een economisch kader en een artistiek kader, en op hun beurt vormen zij een levenskader.

Nieuwe tentoonstellingen inhet Museum, van 28 september 2013 tot 19 januari 2014

Marcel Mariën 
De clandestiene passagier

In 1937 breekt Marcel Mariën zijn bril en maakt hij de veren aan één enkel glas vast. Daarmee creëert hij ‘L’introuvable / Het onvindbare’ en vervult hij grotendeels de wens van zijn vriend Paul Nougé – de centrale figuur van het surrealisme in België – die dringend verzocht om ‘nieuwe gevoelens’ te creëren.

Mariën maakte heel wat collages, foto’s en assemblages, die bij de kijker een glimlach, verontwaardiging, een genoegen of een poëtische emotie opwekken en waarmee hij onvermoede mogelijkheden uit het beeld of het object haalt.

Mariën werd in Antwerpen geboren uit een Vlaamse vader en een Waalse moeder (en vice versa, preciseerde hij). Hij werkte, vanaf zijn eerste contacten met René Magritte en de Belgische surrealisten, als uitgever, fotograaf, assemblagekunstenaar, dichter, cineast en collagekunstenaar, waarbij hij bewust weigerde de voorrang te geven aan één discipline of één materiaal. Voor hem telde enkel de efficiëntie van de bedoeling, los van elke esthetische preoccupatie, van elke vormelijke concessie. Marcel Mariën getuigt van de geestkracht van de tweede generatie surrealisten. Gedurende meer dan vijftig jaar was hij de incarnatie van hun voortbestaan. Hij was er tegelijkertijd de acteur en de geschiedschrijver van, de rechter en de getuige à charge, de ondermijner ook, doordat hij de huichelaars en de usurpators bestreed.

Hij was een intieme vriend van Nougé, van wie hij koppig de geschriften verspreidde en zijn belang onderstreepte, en van Magritte. In hun geest zette hij hun werk voort. Met de schilder raakte hij gebrouilleerd door de publicatie van het pamflet Grande Baisse, dat hij samen met zijn medeplichtige Leo Dohmen opstelde.

In 1959, met beperkte middelen en met de hulp van vrijwilligers, realiseerde Mariën de enige authentieke surrealistische Belgische film, L’Imitation du cinéma, die in België gecensureerd en in Frankrijk verboden werd. Hij verbleef vervolgens in de Verenigde Staten en in communistisch China, waarvan hij bij zijn terugkeer het totalitaire karakter van het maoïstische regime hekelde.

In 1967 vond in Brussel zijn eerste individuele tentoonstelling plaats, de eerste in een lange reeks. Hij zette ondertussen zijn activiteiten voort via het tijdschrift ‘Les Lèvres nues’, opgericht in 1954, en via de uitgeverij met dezelfde naam die, behalve zijn eigen creaties, de essentiële teksten van het surrealisme in België uitgaf en het unieke ervan in het daglicht stelde. Marcel Mariën overleed twintig jaar geleden, op 19 september 1993. De tentoonstelling in het “Musée de la Photographie de la Fédération Wallonie- Bruxelles” in Charleroi wil geen retrospectieve zijn, maar zal focussen op de diverse activiteiten van Marcel Mariën en grote aandacht besteden aan zijn foto’s, waarvan de oudste lang onbekend zijn gebleven.

De tentoonstelling wordt vergezeld van de publicatie ‘Marcel Mariën, Le passager clandestin’, geschreven door Xavier Canonne, directeur van het Fotomuseum en samensteller van de tentoonstelling. Xavier Canonne was een intimus van Marcel Mariën.

Het boek, dat zal verschijnen bij uitgeverij Pandora in Antwerpen, omvat 460 bladzijden met meer dan 700 illustraties en zal in twee versies beschikbaar zijn, een Franstalige en een Engelstalige.

 

Michel Mazzoni
White Noise

Michel Mazzoni, in 1966 geboren in Frankrijk, woont in Brussel. Hij studeerde colorimetrie en sensitometrie. In zijn artistieke praktijk, waaraan hij zich sinds 2004 wijdt, neemt hij zijn toevlucht tot de fotografie, maar gebruikt hij soms ook een video-installatie. Zijn werk is een meditatie over tijd en ruimte. Sinds 2008 heeft hij drie monografieën gepubliceerd. White Noise is zijn vierde. Zijn werk wordt geregeld getoond op biënnales, op beurzen voor hedendaagse kunst, in kunstencentra, in galeries, in België, Frankrijk, Luxemburg en Zuid-Korea. Als kunstenaar is hij docent aan de hogere cyclus fotografie van de school Condé Nancy in Frankrijk.

“Michel Mazzoni bewerkt de tijd maar ook de ruimte. Hij wijdt zich aan een queeste naar het nauwelijks waarneembare, naar die verschuiving van de tijd die wij niet kunnen waarnemen. Hij legt zich ook toe op het gebrek aan belangstelling, op de verlatenheid, op de door de mens verwaarloosde zones die geleidelijk die langzame erosie ondergaan. […] Mazzoni ontwikkelt een oeuvre over het licht. Onderbelichting en overbelichting worden met elkaar geconfronteerd, vullen elkaar aan, zetten een dialoog in gang die niet rust voordat onze visie is verstoord. Deze bewerking van de fotografische materie gebeurt uiteraard opzettelijk, afhankelijk van de omstandigheden tijdens de opname en/of in de donkere kamer, of tijdens het scannen van het beeld. Dat werk over het licht lijkt een minuscule sluier te installeren tussen de kijker en het gefotografeerde voorwerp, een scheiding op te richten, en komt dat immense gevoel niet afsluiten maar verstoren. […] Geleidelijk aan worden details, onmerkbare vormen van de dichtheid van de sluier duidelijker. De observatie wordt verfijnd en gaat die vormen waarnemen, er worden tijdens de bewerkingen kleurovergangen gevormd die a priori monochroom zijn. […] Michel Mazzoni creëert dan wel een oeuvre over het licht, maar ook over de densiteit van de dingen. Meestal vloeit er een gevoel van zwaarte voort uit zijn reeksen. […] De gefotografeerde textuur neemt de vorm van ether aan, zoals bijvoorbeeld de mist of de wolken… Een van de dingen die Mazzoni zich in die foto’s, op die plaatsen afvraagt, is daarom de plaats van de mens. […] zijn spoor blijft aanwezig door aanwijzingen, overblijfsels, of door de architectuur… Zijn spoor wordt kenbaar gemaakt door de entropie zelf, wordt gevolgd door het opeenvolgend verlaten van plaatsen die vroeger vaak gekenmerkt werden door menselijke aanwezigheid.”

Hij wordt vertegenwoordigd door de Brusselse galerie “any space”.

Uittreksels uit de tekst van Valéry Poulet “Michel Mazzoni : L’axiome de la pose B?” voor performArt augustus 2012

  

Kodachrome
Herinterpretatie van dia’s

Wat blijft er over van de Kodachrome? Een lied van Paul Simon, diapositieven en duizenden herinneringen aan de meest verkochte filmrol ter wereld. Sinds Kodak in 2009 definitief besliste de productie van de mythische film stop te zetten, is het allemaal verleden tijd, maar de souvenirs blijven.
Vandaag rest enkel nog de herinnering

aan zijn gesatureerde kleuren. Zijn dood laat sporen na en nostalgici worden verplicht zijn zo karakteristieke veroudering na te bootsen met Instagram. Er rest ons evenwel de ouderwetse charme van de projectie, waarbij we ons een veelheid aan wonderlijke geschiedenissen inbeelden in een wereld die niet de onze lijkt. De fletse kleuren spoelen onze geest en schenken die oude films terug aan onze ogen, die schitteren bij de ontdekking. Het diapositief verbindt het tijdperk dat door de chemie is vastgelegd met een andere tijd, die van de vertoning. Projectie of afdruk, de dia is positief, zowel in de letterlijke als in de figuurlijke betekenis. Hij verstart niet en verschijnt maagdelijk op zijn drager. Op het witte scherm verliezen herinneringen en vergeten zaken zich in de echo van hun tijd. Op papier geeft hij zich over aan zijn drager en gaat hij verloren, vergeelt hij of blijf hij ermee voortbestaan. In alle gevallen bieden de dia en de Kodachrome de kijker de vrijheid van de interpretatie.
De dienst Collectie is bezweken voor de

charme van dat anonieme lot, samengesteld uit Kodachromes, gefotografeerd door een Belgisch stel dat aan de Westkust van de Verenigde Staten heeft gewoond. Die beelden, gefotografeerd tussen 1949 en 1952, projecteren ons rechtstreeks naar het tijdperk waarin Jack Kerouac het continent doorkruiste en zijn beroemde On the Road schreef. We bevinden ons ver van de waanzin van Cassady en Kerouac, ver van hun constant uitgebraakte bliksems, maar zo dicht bij die traagheid en mythische schoonheid die zij grenzeloos bezingen en bewonderen. Nochtans sprong dat legendarische Amerika helemaal niet in het oog. De onderwerpen gingen verloren in dat vierkante formaat, alsof dat haast onmogelijk leek in de Verenigde Staten. Rekening houdend met de interpretatieve aard van het diapositief hebben we besloten die beelden opnieuw te kadreren, om het opzet te beperken en te wijzen op de louter cinematograf ische essentie.

Cropping America biedt, in cinemascoop, een traject langs de Westkust, waarbij iedereen zijn verlangens en droombeelden kan projecteren naar een tijdperk waarin Duke Ellington losbrak in bebop-improvisaties, waarin de heksenjacht hoogtij vierde, en waarin Marilyn Monroe haar eerste passen zette in de film…

Gevoelig maar vastberaden, eenvoudig en oprecht, dat is Jean-Luc Couchard ten voeten uit. Hij is een Waal in zijn hart en een Brusselaar in zijn hoofd, een echte levensgenieter, die ons een voorzichtige blik gunt achter de schermen.

U bent op 14 juli 1969 om 6.45 u geboren in Verviers en u bent een Kreeft, met ascendant Leeuw. Uw sterrenbeeld staat in het teken van het vuur. Dat maakt van u een gepassioneerd man, iemand met intuïtie, energie, moed, zelfvertrouwen en enthousiasme. U moet kunnen liefhebben om te begrijpen, voelen om te handelen… Klopt dat?
Jean-Luc Couchard — Ja, dat klopt behoorlijk. Ik ben gepassioneerd. In mijn job kan ik al op voorhand genieten van de scènes die ze me aanbieden. Ik volg mijn instinct, en stel me voor wat ik ga kunnen doen met het personage dat ik ga spelen. Ik heb twee kanten: water en vuur. Ik ben gevoelig, maar ik kan ook beslissen om me af te sluiten van negatieve emoties. Net zoals ik me op het juiste moment opnieuw kan openstellen voor al het goede.

U bent opgegroeid in de omgeving van Luik, in Dolhain.
JLC — Ja. Ik heb een gelukkige jeugd gehad. Mijn vader was postbode, mijn moeder zorgde voor haar 4 zonen. We speelden veel op straat met de andere kinderen. Ik heb ook bij de scouts gezeten. Op 11 jaar schreef en speelde ik komische sketches samen met een vriend. We lachten met de mensen van het dorp, met mijn vader de postbode, met de melkman… Maar het bleef altijd vriendelijk. Op 11,5 jaar heb ik me ingeschreven voor de academie en toen ik 14 was, wist ik dat ik van acteren mijn beroep wou maken. Omdat mijn ouders dat niet zagen zitten, heb ik eerst een opleiding als opvoeder gevolgd. Tijdens het laatste jaar ben ik dan begonnen aan mijn eerste jaar conservatorium in Luik. Ik ben nog tien jaar in Luik gebleven, en daarna ben ik verhuisd naar Brussel.

En waarom niet naar Parijs?
JLC — Ik ben dol op Brussel, ik voel me er goed, op mijn gemak. Ik ben er enorm goed ontvangen toen ik net aankwam. Ik heb er geen stress, en dat is niet het geval in Parijs, waar ik 3 maanden gewoond heb. En ik trek vaak op met Walen die in Brussel wonen, maar die uit dezelfde streek komen. Je vindt altijd wel mensen met wie het klikt.

In 2010 bent u tot ereburger van de stad Limburg gekroond. Hoe voelde dat?
JLC — Het was een fantastische bekroning voor het parcours dat ik heb afgelegd. Vooral de erkenning van mijn roots heeft me deugd gedaan.

Welk aspect van Wallonië mis je het meest?
JLC — Het groen, de Waalse landschappen, de feestelijke sfeer. Ook al bouwen ze in Brussel ook stevige feestjes!

Naar welke plek gaat u altijd terug als u in Wallonië komt?
JLC — Naar de stad Limburg, voor het historische centrum en de wallen. Het is zo’n romantische stad dat ik er al mijn vriendin netjes mee naartoe nam! (lacht) En er is het café ‘Chez Didier’, waar ze geweldige scotch van het vat hebben… Ik ga er graag met mijn vader aperitieven.

U bent te zien in een video die een grote hype was op internet: Ce que disent les Bruxellois (Wat de Brusselaars zeggen). Wat zou u zeggen als Waal?
JLC — Dat ik al tien jaar stapelgek ben op Brussel! Ik heb Waalse roots, maar ik voel me ook een Brusselaar.

We zien u vaak in komische films, maar u hebt ook op de planken gestaan met werk van grote auteurs als Bertolt Brecht, Molière en Shakespeare… Waar gaat uw voorkeur naar uit?
JLC — Ik laat de mensen graag lachen. Het is zo leuk om hen gelukkig te maken! Ik speel ook graag ernstige rollen, maar komedie blijft mijn grote liefde.

In films als Dikkenek en Il était une fois, une fois, speelde u een karikatuur van de typische Belg. Irritant of leuk om te doen?
JLC — Dat is heel leuk om te spelen, het is één grote grap! Echt een geschifte ervaring.

Hebt u er nooit aan gedacht om een onemanshow te doen?
JLC — Ik denk er wel aan, maar het is niet zo eenvoudig…

Schuilt er een verlegen kantje achter al die grappen?
JLC — Ja, absoluut. Tijdens mijn eerste castings in Parijs ging ik dood van de schrik. In de lagere school was ik heel verlegen. Het podium is het beste tegengif!

Welke stunt zou u wel willen doen om een rol te krijgen?
JLC — Pfff… Ik heb er al een paar gedaan, in een reclamefilmpje bijvoorbeeld. Van een balkon springen en op een matras landen!

Welk soort rol zou u graag eens spelen?
JLC — Een gevoelig, in zichzelf gekeerd personage. Ik zou graag in een kostuumfilm spelen, uit de jaren 20 of over de Eerste Wereldoorlog. Maar ze hebben me net gebeld voor de rol van ziekenhuischirurg in Marie Cury, een docudrama…

U hebt in de jury gezeteld van het Brussels Short Film Festival 2013. Ook uw eigen filmcarrière is uit de startblokken geschoten dankzij de festivals… Wat spreekt u aan in een kortfilm?
JLC — Het zijn korte en dus gebalde verhalen, een beetje als een novelle. De beste kortfilm is er een die niet bedoeld is om een langspeelfilm te zijn.

Welke acteurs ziet u graag spelen?
JLC — De Funès, De Niro… En ik hou van het lichtgeraakte kantje van Sean Penn.

Het is niet zo bekend, maar in 1989 startte u met een groepje, Les Slip’s. U zong en uw broer Philippe schreef de tekst. Het was een nogal apart, folkloristisch repertoire…
JLC — Ik schreef ook samen met mijn broer. Ik ben beginnen te zingen toen ik 17 was, in een ander groepje, de Gulf Stream. Het vormde een goed tegengewicht voor het conservatorium. Nadien ben ik bij Les Slip’s begonnen, maar na 15 jaar ben ik ermee gestopt. Ik vond dat we er niet meer de leeftijd voor hadden, ook al omdat het niet zo’n denderend succes was…

WORDT VERVOLGD!

Jean-Luc Couchard is een ‘smeerlap’. De acteur is te zien in het fraaie fotoboek ‘Les 50 Salopards’ van Rudy Lamboray (Uitgeverij Luc Pire)! De publicatie is voorzien voor november 2013.

Selectieve filmografie

Calvaire (2004)
Komma (2005)
Dikkenek (2006)
Taxi 4 (2007)
Les Barons (2009)
Rien à déclarer (2010)
Les tribulations d’une caissière (2010)
Mon pire cauchemar (2011)
Il était une fois une fois (2011)
Dead Man Talking (2012)
Couleur de peau : Miel (2012)

 

Marie Gillain

Niemand is haar vergeten! Marie Gillain was het eerste aanstormende filmtalent in Wallonië. Tweeëntwintig jaar geleden (inderdaad!) overweldigde de jonge Luikse de imposante Gérard Depardieu in Mon père ce héros. Dankzij het succes van die film kon de talentvolle Marie zich bewijzen in de betere Europese film. Dit jaar maakte ze haar grote comeback in de Belgische cinema met drie films. Zo schitterde ze deze zomer in de Belgische prent Landes, een productie van Alain Berliner.

In 2014 zal ze dan weer te zien zijn in Mirage d’Amour avec Fanfare van Hubert Toint en in Tu t’appelleras Jeanne van Anne-Marie Etienne.

SELECTIEVE FILMOGRAFIE

Mon père ce héros (1991)
L’appât (1995)
Le Bossu (1997)
Le Dîner (1998)
Le Dernier Harem (1999)
Absolument fabuleux (2001)
L’Enfer (2005)
Pars vite et reviens tard (2006)
Les Femmes de l’ombre (2008)
Coco avant Chanel (2008)
Landes (2013)

Marie Kremer is een elegante en frisse verschijning – een beetje zoals Wallonië. De jonge actrice kan bogen op een ruime ervaring, zowel op de planken als op het grote scherm, en is duidelijk niet bang van nieuwe uitdagingen. Ze geniet van de natuur en is gesteld op haar vrijheid. Niet het type dus om zich op te sluiten in een rol of ruimte! Tijd voor een gesprek.

Een glimlach speelt om haar lippen zodra ze het Kasteel van Terhulpen betreedt. De plek doet haar terugdenken aan haar kindertijd. Ook nu nog heeft ze iets van een dromerig, vrolijk kind wanneer ze vertelt en poseert. De hele dag blijft ze haar spontane zelf en neemt ze ons mee in haar wereld vol lichtheid en magie. Marie Kremer staat met haar voeten stevig op de grond, maar haar hoofd zweeft ergens in de wolken…

Marie, wat deed je hier in het kasteel van Terhulpen toen je klein was?
Marie Kremer — Wanneer er een huwelijksfeest was, mengde ik mij onder de gasten samen met mijn vriendinnen. We deden alsof we ook uitgenodigd waren en deden ons tegoed aan al wat er op de tafels stond! (lacht) Het kasteel van Terhulpen was ook de plek waar ik naartoe ging om alleen te zijn in de natuur. Het is niet zomaar een kasteel, het is een park dat uitloopt in het bos. Ik heb altijd de behoefte gehad om alleen de natuur in te trekken.

Je bent geboren in Ukkel, maar toch ben je blij dat je op de voorpagina van een Waals magazine mag staan. Wallonië zit in je genen, en vooral je grootvader zou trots geweest zijn…
MK — Ja, ik was dol op mijn grootvader. Hij wou dat we Waals spraken. Ik heb heel mooie herinneringen aan de tijd die ik doorbracht met mijn grootouders. Ze woonden tussen Sivry en Rixensart en ze hebben me Wallonië leren kennen. We gingen vaak nieuwe plekken bezoeken. Dan namen we onze picknick mee. Mijn grootvader was erg gehecht aan Wallonië en trots om Waal te zijn. Hij nam ons overal mee naartoe, naar Charleroi, naar Le Grand-Hornu, naar La Louvière, naar Namen om musea te bezoeken… Hij was afkomstig uit Zinnik. Mijn hele familie is Waa ls, a l leen mijn vader komt u it Luxemburg. Ikzelf ben opgegroeid tussen Limal en Terhulpen.

Tegenwoordig woon je hoofdzakelijk in Parijs, maar je komt regelmatig terug naar Terhulpen.
MK — Eigenlijk woon ik aan beide kanten, en ik ontsnap naar Brussel via Terhulpen. Ik laad er mijn batterijen weer op als ik in de natuur ben en de bomen zie. Maar het is vooral de herinnering aan mijn kindertijd die me doet terugkomen naar Terhulpen.

Van welk typisch aspect van Wallonië hou je het meest?
MK — Het accent! Mijn hele familie heeft dat typische accent dat ik nergens elders vind. En dan zijn er alle herinneringen aan mijn kindertijd. Het klinkt misschien gek, omdat velen erover klagen, maar ik hou ook van de regen, van de wolken. Alles wat typisch Belgisch is. Ook de manier van leven van de mensen.

Zijn er plekken waar je altijd naartoe gaat wanneer je in België bent, als een soort ritueel?
MK — Dit park natuurlijk, maar ook de Abdij van Villers-la-Ville. Dat is een schitterende plek!

Tien jaar geleden heb je meegespeeld in J’ai toujours voulu être une sainte (Ik heb altijd een heilige willen zijn). Zou je zelf graag een heilige zijn?
MK — Absoluut niet. En trouwens, niemand is heilig.

Gaat er achter dat engelengezicht een rebel schuil die je graag aan de buitenwereld zou tonen?
MK — Ja. Over bepaalde dingen kan ik erg kwaad worden. Die kwaadheid kanaliseer ik door te sporten en te acteren, maar ik heb nog niet de goede manier gevonden om ze er echt uit te krijgen.

Waarvoor zou je bereid zijn om te vechten als een leeuw?
MK — Voor rechtvaardigheid, voor mijn werk, voor een gezin dat ik nog moet opbouwen. Vechten om eerlijk te zijn tegenover mezelf. Pas daarna kan je stelling nemen in de wereld. Ik ben op de goede weg, ik boek vooruitgang maar soms voel ik me als een wolf…

Ben je een feministe?
MK — Nee, nu ja, het hangt ervan af. Ik ben geen feministe als dat betekent tegen mannen zijn, want ik heb hen nodig, hun raad. Ze geven me essentiële dingen die wij niet hebben. Ze zitten eenvoudig in elkaar en dat heb ik nodig. Ze zijn minder ingewikkeld dan vrouwen.

Een feministe zijn, heeft niet meer dezelfde betekenis als vroeger. Het feminisme is geëvolueerd en komt nu vooral op voor gelijkheid.
MK — In die zin ben ik wel feministisch. Ik vind dat we veel vooruitgang geboekt hebben en dat we onze rechten moeten blijven opeisen waar het nodig is. Als ik zie wat er elders gebeurt, vind ik dat we niet te klagen hebben, ook al kunnen er altijd dingen beter. We hebben het goed hier. Ik besef maar al te goed dat ik kan gaan en staan waar ik wil, me kleden zoals ik wil en doen wat ik graag doe.

Zou je graag in een matriarchale maatschappij leven waar vrouwen het voor het zeggen hebben?
MK — Nee, absoluut niet! We hebben mannen en vrouwen nodig. Ook in de politiek is er een evenwicht nodig.

Marie Kremer onthult

Je acteert al 11 jaar, aan een stevig ritme van zo’n 4 films per jaar en toch zeg je dat je blijft twijfelen? Waarover dan?
MK — Twijfelen is belangrijk om steeds beter te worden. Je leert elke dag bij en je moet elke keer opnieuw beginnen. Elke rol is anders. En bij elke opnamesessie moet je je weer helemaal geven, maar telkens anders.

Je volgt je gevoel. Wil dat zeggen dat je alleen maar in films meespeelt die je echt aanspreken?
MK — Nee, absoluut niet. Eerst en vooral omdat ik werk nodig heb. Tegenwoordig kan ik het me veroorloven om een beetje selectiever te zijn, maar het beroep van acteur is niet gemakkelijk. Je hebt niet iedere dag werk op de plank. Rollen weigeren is een kwestie van keuzes maken, maar ik denk dat een acteur zo veel mogelijk moet werken, zolang hij maar eerlijk blijft tegenover zijn principes. Sommige mensen zeggen bijvoorbeeld dat je niet voor tv moet acteren. Ik ben het daar niet mee eens. Ik heb veel geleerd tijdens al mijn opnames. Op dit moment ben ik trouwens met opnames bezig voor de Franse tv.

Mogen we daar meer over weten?
MK — Ik speel mee in Caïn, een reeks van 8 afleveringen die wordt geregisseerd door Bertrand Arthuys en uitgezonden op France 2.

Toen je amper 17 was, zette je je eerste stappen op het toneel bij het gezelschap Baladins du miroir. Nadien deed je straattheater bij de Compagnie des Bonimenteurs in Namen. Wat doe je liever, theater of film?
MK — Allebei… Ik heb veel straattheater gedaan, maar ik ben ook blij met waar ik nu sta.

Je bent discreet en wat verlegen. Zou je uit liefde voor de film bereid zijn om ook een intieme scène te spelen?
MK — Als dat in het verlengde ligt van het verhaal, ja. Maar discretie is belangrijk in film.

Wat vind je van de Belgische film?
MK — Van een hoog niveau. We hebben goede films, zowel in Wallonië als in Vlaanderen.

Regisseur Joachim Lafosse zei op de persconferentie van de Magrittes dat films niet goed zijn omdat ze Belgisch, Waals of Vlaams zijn, maar omdat ze juist zijn. Wat is voor jou een juiste film?
MK — Hij heeft helemaal gelijk. Een juiste film is zoals een acteur die juist speelt. Het is de juiste toon vinden voor alles, ook in de boodschap die de film wil meegeven.

Wat is er belangrijk voor jou als actrice?
MK — Het is belangrijk om je met de juiste mensen te omringen, ook mensen die niet noodzakelijk hetzelfde beroep hebben. Met de voeten op de grond blijven, niet kwaad worden op het systeem, ook al is het niet eenvoudig. Jezelf blijven heruitvinden. Opkomen voor jezelf.

In november komt de dvd uit van Sous le figuier, een prachtige film van Anne-Marie Étienne. Hij werd deels voor België geproduceerd, door Tarantula production. De film benadert de dood op een tactvolle en serene manier. Denk je dat niets echt eindigt daar aan de overkant?
MK — Ik weet het niet. Ik denk dat niemand echt sterft omdat we verder leven in wat we hebben doorgegeven tijdens ons leven. Mijn grootvader bijvoorbeeld leeft verder in mij door alle schoonheid en kracht die hij mij heeft gegeven.

Is je kijk op de dood veranderd door de film?
MK — Misschien wel, ja. Selma (Gisèle Casadesus, n.v.d.r.) heeft een heel zachte, geruststellende uitstraling. Ze heeft haar eigen manier om graag te zien. Ze geeft veel.

Ze is al lang gestopt met egoïstisch zijn. Gisèle Casadesus speelt een oude dame die kaarten legt en pendelt. Geloof jij in helderziendheid?
MK — Ik denk dat sommige mensen echt dingen aanvoelen, maar je moet altijd voorzichtig blijven, want er zijn ook veel bedriegers.

Gisèle Casadesus is met haar 99 jaar de oudste Franse actrice. Wat heeft je het meest getroffen tijdens jullie samenwerking?
MK — Haar levenswijsheid, haar humor over de dingen van het leven, zelfs over seks. Ook haar blik. Ze kijkt je aan zonder frustraties, kwaadheid of minachting. Ik zou heel graag ook zo willen oud worden. Ik wil dat onthouden. Oude mensen zijn vaak getekend door het leven op een niet zo mooie manier. Maar zij straalt liefde uit.

Wat zijn je projecten voor de nabije toekomst?
MK — Er staan een aantal filmprojecten op stapel, maar die zijn nog niet heel concreet. En ik ben een kortfilm aan het schrijven die ik graag zelf zou regisseren.

 

Bio Express

15 april 1982 — Marie Kremer wordt geboren in Ukkel

2001 — start met acteerlessen aan het INSAS

Juni 2012 — Marie ontvangt de Suzanne Bianchettiprijs (SACD)

Juni 2012 — de actrice treedt in het huwelijk

 

Selectieve filmografie

Film
J’ai toujours voulu être une sainte (2002)
Saint-Jacques… La Mecque (2003)
Les Toits de Paris (2006)
Dikkenek (2006)
Soeur Sourire (2008)
Au cul du loup (2011)
Louise Wimmer (2012)
Chez nous c’est trois ! (2012)

Televisie
L’Arche de Babel (2007)
Chez Maupassant, saison 1 (2007)
Un Village français, saison 1 à 5 (2008-2013)
La Solitude du pouvoir (2011)

De Stichting Folon stelt nog tot 9 november Explorations voor. Een reis naar het universum van de Catalaanse kunstenaar Josep Riera i Aragó.

Riera i Aragó s’inscrit dans une génération de sculpteurs catalans qui, dans les années 1980, donne une nouvelle dimension à l’art. À partir de matières traditionnelles comme le bois, le bronze ou le fer, il bouscule les codes, bouleverse les prérequis et traduit ses obsessions spirituelles en œuvres d’art. « Enfant, j’avais un certain intérêt pour l’art, mais ce n’est réellement qu’à l’adolescence que cet intérêt s’est converti en passion », confie-t-il. En effet, alors qu’il n’avait que 18 ans, le jeune Barcelonais expose pour la première fois ses créations à l’École Supérieure des Beaux-arts Sant Jordi à Barcelone, sa ville natale. Il vit alors les premiers balbutiements de son art, avec succès, mais avec le besoin de maturer encore et encore avant de parvenir à trouver sa particularité.

LA FONDATION FOLON

Située au cœur du Parc Solvay, la Ferme du Château de la Hulpe abrite la Fondation Folon. Créée en 2000, à l’initiative de Jean-Michel Folon, la fondation accueille des centaines d’œuvres de l’artiste belge. Plus de 40 ans de création sont présentés au public. La scénographie particulière de cette exposition permanente, son parcours alliant musique et effets d’optique et la qualité des œuvres présentées en font un lieu d’exception.

 

 

 

 

 

 

Navigateur de l’esprit, aviateur de l’art

Ce n’est que dix ans plus tard, lorsqu’il participe au IIe Salon d’automne organisé par l’Hôtel de Ville de Barcelone, qu’il présentera ses premières sculptures d’avions, de zeppelins et de machinerie ; caractéristiques indéniables de son œuvre aujourd’hui. Riera i Aragó se fascine très vite pour les machines, les engins, la physique, l’air, l’eau, les figures anthropomorphiques... « Dans les années 1980, j’ai développé une fascination figurative autour de deux intérêts : le monde sous-marin et le cosmos, et les machines », confie l’artiste.

Riera i Aragó invente, crée, décompose et recompose des engins. Ces machines dénaturées sont des invitations au voyage, entre réel et imaginaire.

 

Ces deux mondes créent un environnement inconnu dans l’esprit de l’artiste ; des sphères inaccessibles et inatteignables. Cette obsession le pousse alors à rêver de voyages vers ces mondes. « Il s’agit d’effectuer un voyage intérieur lors duquel on laisse ces univers affleurer à la surface. » Et pour voguer vers ces au-delàs imaginaires, Riera i Aragó invente, crée, décompose et recompose des engins. Ces machines dénaturées sont des invitations au voyage, entre réel et imaginaire. Il transforme les objets et les poétise sous la forme de sculptures et d’installations. L’artiste peut parfois assembler des centaines d’objets dans une même composition. Son œuvre 111 avions est constituée de 111 engins volants ou encore Colors 2U, qui est composée de milliers de petits sous-marins de couleur. Chaque composition représente l’esprit de son œuvre globale. « J’ai créé des milliers d’œuvres, je ne pourrai jamais en préférer une plutôt qu’une autre, poursuit l’artiste. L’une entraîne l’autre et, ensemble, elles créent une sorte de cosmologie. En fait, chacune de mes œuvres est une note de musique qui forme une symphonie ».

Pas de faux pas. Chaque pièce est réfléchie et apprivoisée. Assemblées en nombre, elles semblent former un essaim vrombissant ; une orchestration massive qui laisse l’observateur sans voix et le plonge paradoxalement dans un vide intérieur. L’auteur confie qu’il aspire, dans chacune de ses œuvres, à produire cette aura de silence. Car c’est bien là la particularité de l’œuvre de Riera i Aragó. De ses assemblages et de ce bruit graphique naît un silence magistral...

De mode van morgen

Allebei Luikenaars, allebei modeontwerpers en allebei finalisten van het Internationaal Festival van de Mode en de Fotografie in Hyères. Jean-Paul Lespagnard won de modeprijs in 2008. Pablo Henrard is een van de tien genomineerden van de editie 2014. Nog iets wat hen met elkaar verbindt: ze hebben alle twee een duidelijke ambitie, ze weten waar ze naartoe willen en ze hebben een nuchtere kijk op hun vak. Tijd voor een dubbelportret.

GALERIES LAFAYETTE, MAart 2014.

In tegenstelling tot vorig seizoen is Jean-Paul Lespagnard niet in Parijs om aan de pers zijn herfsten wintercollectie 2014-2015 voor te stellen. We spreken af bij Angelina, het vintage koffiehuis van de Galeries Lafayette. Jean-Paul voelt zich hier thuis. Een paar meter verder, in de Galerie des Galeries heeft hij carte blanche gekregen in de tentoonstellingsruimte van de vermaarde winkel aan de Boulevard Hausmann. Deze krankzinnige tentoonstelling, ‘Till we drop’, richtte al zijn schijnwerpers op deze extravagante maar aantrekkelijke Belgische ontwerper. De Belgische mayonaise heeft blijkbaar gepakt, als we mogen voortgaan op de meer dan tienduizend bezoekers.

De vroegere laureaat van het modefestival van Hyères wil het niet hebben over zijn tentoonstelling, ook niet over zijn bekroning in Hyères, nu zes jaar geleden. Wel over de nieuwe richting die hij wil inslaan met zijn merk. Drie seizoenen na zijn eerste Parijse presentatie heeft Lespagnard – niet voor het eerst besloten om een stapje opzij te zetten. “Ik wil komen tot een nieuwe, een meer rechtstreekse relatie tussen ontwerpers en kopers, en tussen ontwerpers en de media. Vanaf volgend seizoen stel ik in juni de stukken voor die in juli in de winkels geleverd worden,” legt hij uit. “Wat de collecties betreft, die zullen beperkt blijven tot pakketten van twintig stuks.”

Lespagnard wil naar eigen zeggen het ritme terugvinden dat overeenstemt met zijn ongeduldige temperament. Dus komt er meer tijd vrij voor zijn andere activiteiten. Culturele veelvraat die hij is, voelt hij zich evengoed op zijn gemak bij het uitwerken van een tentoonstelling van balletkostuums. Vorig jaar oktober heeft hij ook meegewerkt aan de wedergeboorte van het Théatre de Liège. Lespagnard ontwierp de kleren voor het zaalpersoneel. En binnenkort doet hij mee aan een 3D-film van de Zwitserse choreograaf Gilles Jobin. Hij ontwerpt ook tassen van het merk Eastpak, gewoon omdat hij die als jongere zelf ook droeg. “Als ik niet in een project geloof, doe ik niet mee,” vat hij samen. “Elke ontmoeting is belangrijk voor mij. Een samenwerking moet groeien.” Deze manier van handelen houdt hem niet tegen om op verschillende fronten bezig te zijn. Lespagnard is finalist van de volgende Woolmarkprijs. Dat belet hem niet, zonder zijn eigen merk opzij te schuiven, om nauwgezet de aanbiedingen te bekijken van alle jobs die hem worden voorgeschoteld als artistiek directeur. “Als ik een modehuis vind dat mijn waarden deelt, aarzel ik geen seconde om te tekenen.”

Ook wat zijn betrokkenheid betreft bij Mons 2015, zit hij niet stil. “Vooral omwille van de workshops die we gaan doen met kinderen,” voegt hij eraan toe. Op dezelfde manier heeft hij nog in maart een workshop geleid in het Parijse Palais de Tokyo: 400 kinderen op een middag. En de ontwerper geeft graag toe dat hij niet verlegen is ‘om hun ideeën in te pikken’. Heel normaal, vindt hijzelf: “Ik geef hen ook die van mij.” Deze eeuwige enthousiasteling, liefhebber van buitenlandse films, is zelfs een beetje Vlaming. De Luikenaar heeft immers, uitzonderlijk toch, een aantal jaar in Antwerpen gewoond. Lespagnard is ook een bewonderaar van de haute coutureontwerper Christian Lacroix, omdat die fris blijft en omdat hij het verschil blijft maken. Dankzij zijn dorst naar vernieuwing die hij altijd behouden heeft. Die karaktertrek hebben de twee ontwerpers gemeen met elkaar. De Belg Jean-Paul Lespagnard blijft een zoon van zijn geboortedorp Harzé, maar ook van Brussel, waar hij een vaste stek vond. Of van Europa, dat hij heel het jaar doorkruist. Een wereldburger, eigenlijk.

VILLA NOAILLES, ApRIL 2014.

Zes jaar na Lespagnard is Pablo Henrard finalist van het prestigieuze Internationaal Festival van de Mode en de Fotografie van Hyères. In 2013 studeerde hij af aan de modeacademie van La Cambre. Deze 23-jarige Luikenaar is hierheen gekomen om een prijs te pakken, uiteraard. Maar ook om zich te laten opmerken. Wat dat ‘opmerken’ betreft, dat valt best mee. Toen hij afstudeerde werd hij al opgemerkt door de aankoopster van het label Opening Ceremony. Dat is een conceptwinkel in Los Angeles, Londen en New York. Oprichters Carol Lim en Humberto Leon werden de coolste fashionistas ter wereld, vooraleer ze zich lieten verleiden om voor het Parijse modehuis Kenzo te gaan werken. Net dit duo zat afgelopen lente de jury voor op het festival van Hyères. Pablo Henrard heeft de eerste prijs uiteindelijk niet weggekaapt. Maar dat hij bij de finalisten was, is op zich al een enorme verdienste. Deze jongen uit de heuvels van Herve – Belgischer dan Belgisch – heeft er altijd van gedroomd om jurken te ontwerpen. Toch blijft hij verknocht aan zijn vlakke land.

 

Hij volgde stage bij de Belg Olivier Thyskens in New York, bij Jean-Paul Gaultier, de ontwerper die zich altijd al omringd heeft met Belgische medewerkers, en ook nog bij Jean-Paul Lespagnard. Henrard heeft geen minuut stilgezeten. Toen hij pas was afgestudeerd, werkte hij keihard voor Opening Ceremony en gooide zich daarna voluit op de wedstrijd van Hyères. Ook heeft hij een paar maanden in Parijs gewerkt in de studio van Cédric Char lier, ook al een vrucht van La Cambre. Hij onthoudt van zijn opleiding op zijn Belgisch, “een heel serene manier om naar je werk te kijken en een constante zoektocht naar eenvoud in elke creatie”. Eenvoud die, het moet gezegd worden, samengaat met een uitgesproken en onbeschroomde stijl. Pablo wil helemaal geen afstand nemen van zijn Waalse roots. Toch bekent hij dat hij niets liever doet dan over heel de wereld mode te blijven ontdekken. De verkoop van zijn eerste collectie bij Opening Ceremony maakte hem duidelijk hoe het financiële plaatje eruitziet in de textielwereld. Toch blijft hij de kaart trekken van een ethische verantwoorde productie. Net als andere Belgi sche ontwerpers zoals Natan en Jean-Paul Lespagnard laat hij zijn creaties maken in een atelier in Binche. Die zijn het gewoon om nauwkeurig te werken in kleine reeksen. Zijn authenticiteit en zijn zin om het in deze wereld te maken zijn de twee pijlers van zijn dualiteit. Een dualiteit die hij terugvindt tussen België en de rest van de wereld. 

www.villanoailles-hyeres.com

www.jeanpaullespagnard.com

www.pablohenrard.com

Een zijsprong van drie maanden heeft alles veranderd in haar leven, als vrouw en als schilder. Een ontmoeting.

Haar moeder maakte collages, schilderde en etste. Ook haar vader was plastisch kunstenaar, en de invloed van haar ouders heeft haar ook in de kunst gesleurd. Zij drukte haar gravures door haar eigen lichaam als gewicht te gebruiken op een stapel telefoonboeken. Vreemd genoeg blijkt deze atypische techniek voor Sofie de eerste stap te zijn van ‘lichaam aan het werk’. Dat zal uiteindelijk de rode draad worden in haar artistieke parcours. Vanaf haar veertiende studeert ze schilderkunst, etsen en drukkunst aan de Academie voor Schone Kunsten in Luik. Ze is lid van het collectief ‘La Poupée d’Encre’ en geeft les en assisteert in graveerkunst aan het Sint-Lukasinstituut. Die job, zo zegt Sofie, zorgt voor zuurstof te midden van een intens en fascinerend autobiografisch oeuvre. Op dit punt in haar carrière denkt ze erover na om definitief te stoppen met haar erg persoonlijk werk, om zich in de plaats daarvan te richten op thema’s die niet zo dicht bij haar eigen leven staan. Maar ze had geen rekening gehouden met die zijsprong van 90 dagen. Een pauze die de spelregels helemaal veranderd heeft, net als haar werkritme en haar zin voor prioriteiten.

Drie maanden voor het leven

In oktober 2012 bevalt Sofie Vangor van een premature tweeling. Zes maanden daarvoor, toen ze vaststelde dat ze zwanger was, had ze net een tentoonstelling gehad in het Museum voor Schone Kunsten in Luik. Het onderwerp van die tentoonstelling was de dood van haar zus, die op 17-jarige leeftijd overleed. Sofie beschouwde deze reeks heel persoonlijke werken als een eindpunt van haar autobiografische werk. Maar haar zwangerschap eindigde vroeger dan verwacht. Drie maanden te vroeg zelfs. Alles verandert als ze naar het klooster gaat. Het klooster van Saint-Vincent, naast het ziekenhuis van Rocourt, waar ze van haar tweeling zal bevallen. Van de ene dag op de andere komt Sofie terecht in een onbekende wereld, ver weg van haar leven als kunstenares. Nu gaat het om een gevecht voor het leven van haar kinderen. Die strijd laat haar noch de tijd, noch de energie om kunst te maken. Toch houdt ze schriftjes bij, waarin ze alles neerpent over die zijsprong die 90 dagen zal duren. 90 dagen die ze letterlijk huid tegen huid zal doorbrengen met haar kinderen.

WAT IS ‘HUID TEGEN HUID’?
De kraamafdeling van Bogota, afdeling neonatologie, 1978. Om het gebrek aan middelen op zijn afdeling op te vangen, besluit dokter Edgar Rey Sanabria om de vroeggeboren baby’s dicht tegen het lichaam van hun ouders te plaatsen. Zo krijgen ze de lichaamswarmte van 37 graden waarin ze verbleven in de moederbuik. Met deze huid-tegenhuidtechniek wordt ook het tekort aan aff ectie opgevangen van deze kleine, tere wezentjes. Zelfs in 2014 heeft deze techniek nog niet de media-aandacht gekregen die hij verdient. Nochtans zijn de voordelen zowel voor de kinderen als voor de ouders wetenschappelijk bewezen.

 

Twee jaar later

Voor Sofie was deze tentoonstelling niet vanzelfsprekend. Haar schriftjes waren uiteindelijk maar getuigenissen. De kern van het werk, het concept, het materiaal, drongen zich aan haar op als een morele verplichting. Toen ze de afdeling neonatologie mocht verlaten, besefte Sofie Vangor dat wat ze meegemaakt had, zo intiem en zo aangrijpend was, dat het met geen woorden te bevatten was. Het gebrek aan mediabelangstelling, vooral ter gelegenheid van de jaarlijkse dag van de vroeggeboorte op 17 november, doet haar in gang schieten. Als kunstenares, als moeder en ook als vrouw. De werktitel van deze tentoonstelling is aanvankelijk ‘Oorlogszusters’. Ze wil die niet alleen organiseren, maar samen met haar ‘zusters’ in de strijd, de andere vrouwen die ze tijdens haar avontuur ontmoet heeft. Dat de meesten van hen geen kunstenaars zijn, maakt het resultaat alleen maar interessanter.

Universele vragen

Sofie Vangor heeft aan die moeders niet gevraagd om te tekenen of te schilderen, maar om zich uit te drukken in hun eigen taal, om hun persoonlijke visie op hun ervaring te geven. Gemodelleerd op haar eigen parcours dat haar leidde van gravure over schrift tot textiel, heeft ze deze vrouwen een ongelimiteerd vrij podium aangeboden. De vragen die hier gesteld worden zijn universeler dan alleen maar gekoppeld aan hun eigen ervaringen. Hoe bereid ik me voor op een geboorte? Hoe hou ik rekening met het onvoorspelbare en hoe bereid ik me daar op voor? Hoe geraak ik hier door? Hoe kom ik hiervan terug? Hoe kan ik mijn ervaringen delen, hoe denk ik erover na? Al die vragen hebben een tentoonstelling tot stand gebracht die schilderijen, gravures, borduurwerk en video’s van Sofie Vangor vermengt met installaties van andere vrouwen.

 

Inlichtingen

http://sofievangor.blogspot.be

Your opinion counts