Waw magazine

Waw magazine

Menu
  • /

Je zou zeggen dat ze recht uit een film uit de jaren ’30 komt. Achter de ouderwetse vitrines schuilt er magie in die ogenschijnlijke wanorde, waarover de ambachtsman toch heel strikt regeert.


Of juister: de ambachtsvrouw, want het gaat hier over Magali Hertsens, die de hoedenmakerij «La Modiste» heel handig leidt. Het betreft hier een klein bedrijf dat in 2005 werd opgericht en geen last heeft van de crisis. Met haar slanke figuur, haar beweeglijk en opgewekt gezicht en haar welbespraaktheid, overtuigt Magali haar bezoekers onmiddellijk door daar overvloedige energie. Een ontmoeting met een heel intelligente dame.

WAW : Hoe kwam u aan die passie voor hoeden ?

Magali Hertsens : Ik ben begonnen met het maken van toneelkostuums. Ik werkte met Sylvie Van Loo, de kostuummaakster van het gezelschap «Les Baladins du Miroir». Op een dag zei ze me: «Er moeten hoeden worden gemaakt, doe jij dat maar even!» En dat deed ik. Ik kende er helemaal niets van, maar toch ging het. Toen zei ik bij mezelf: «Dit is nu echt wat ik graag wil doen». Ik volgde een opleiding en toen begon ik... Maar eigenlijk ben ik gegradueerde lichamelijke opvoeding, wat toch iets heel anders is! 

En hoe maak je een hoed ?

Je vertrekt vanuit een vilten kegel, althans voor de winter, een vilten kegel op een houten vorm. Met behulp van stoom geef je daar een vorm aan door hard te trekken, dan pin je hem vast en laat je hem minstens één nacht drogen. Daarna maak je de coupe en versier je hem.

Dat lijkt eenvoudig, maar er is toch kennis van zaken en een artistiek aanvoelen voor nodig!

Zeker en vast! Maar ik zeg altijd dat een goede ontwerper op de eerste plaats een goede technicus moet zijn. En er zijn verschillende technieken, naargelang het materiaal: vilt voor de winter en stro voor de zomer... Je moet goed kunnen snijden, naaien, een patroon maken en stukken assembleren zonder ondersteuning. Er bestaan dus meerdere technieken.

Moet je ook kunnen tekenen?

Inderdaad. Eerst schets ik het profiel van een klant. Een hoed die volledig bij hem past, moet immers beantwoorden aan zijn profiel. Dat maakt zijn hoofddeksel exclusief en origineel.

Wat inspireert u dit jaar?

De natuur inspireert me altijd, maar sommige tijdloze vrouwen geven me ook veel inspiratie. Audrey Hepburn, bijvoorbeeld! Ik hou van vrouwen met veel levenswijsheid, die zowel inwendig als uitwendig mooi zijn. Ik zou voor hen een hoed willen maken, ook al leven ze niet meer, en dat brengt me soms op ideeën.

Op de televisie ziet men dikwijls extravagante hoeden, meer bepaald op gekroonde hoofden!

Zeker en vast. Op de rennen van Ascot, bijvoorbeeld! In Engeland zie je echt waanzinnige hoeden; ze zijn daar gek op extravagante modellen. Maar zulke buitensporigheden zetten de klanten soms aan het dromen, zodat ze naar hier komen met het idee: «Ik ga eens een hoed proberen te dragen, ik ga het riskeren. »

Zijn hoeden nog in de mode?

Bij prinsessen en koninginnen ligt dat voor de hand. Sommige mode-iconen houden ook veel van hoeden. Maar men draagt er inderdaad veel minder dan 40 of 50 jaar geleden. In de jaren ’50 had iedereen een hoed – echt iedereen. Vandaag is dat veel minder het geval. Behalve voor speciale gelegenheden, zoals huwelijken. Dikwijls zal de moeder van de bruidegom of de bruid een hoed dragen omdat ze haar zoon of dochter uithuwelijkt en ze zich aan de anderen wil tonen. En dan zijn er de kunstenaars. Degenen die street art maken. Ze hebben een speciale look met die hoed met kleine randen, die men «Brixton» noemt.

Hoeden kosten echter wel geld, ook al zijn ze veel goedkoper geworden…

Wanneer u Made in China draagt, zult u gemakkelijk hoeden voor minder dan 50 euro vinden. Maar bij mij kost een hoed ongeveer 180 euro. Dat zijn dus confectiehoeden. Wanneer het gaat om creaties, kan een dameshoed 350 euro en zelfs meer kosten.

U bent ook gespecialiseerd in folkloristische hoeden?

Om onze collectie te verrijken, hebben we in 2014 de activiteiten van de firma Boudart-Jurcek uit Binche overgenomen, die gespecialiseerd was in het ambachtelijk maken van petten voor lopers, historische hoeden en carnavalshoeden, alsook galons, vederbossen... Zo zijn alle deelnemers aan de flokloristische marsen in de regio tussen Samber en Maas tegenwoordig klant bij mij. Voor mij betekent folklore 7 maanden werk per jaar en tijdens die periode kan ik het atelierwerk niet op mijn eentje doen, maar heb ik een heel team.

Vergt dat veel werk of onderzoek?

Wanneer er nieuwe groepen worden opgericht of wanneer groepen van kostuum willen veranderen om nog authentieker te zijn, dan doe ik opzoekingen. Maar het is vooral een kwestie van traditie. Voor de «Royale Moncrabeau» uit Namen, die waarschijnlijk de oudste folkloristische groepering van Wallonië is, maak ik de hoeden op basis van een model dat al sinds 1840 bestaat. Het is altijd hetzelfde model geweest en daar mag je niets aan veranderen.

Is het leuk om dat soort hoeden te maken?

Geweldig! Ik wilde een beroep waarbij ik me niet zou vervelen en ik ben dol op geschiedenis en op de geschiedenis van het kostuum. Ik word daar enorm door geboeid en ben dus altijd op zoek naar oude boeken.

Hebt u veel concurrentie?

Het aantal hoedenmaaksters kun je in Wallonië op de vingers van beide handen tellen. In Luik zijn er drie en aan de kanten van Virton moet er ook nog een modiste zijn, maar die is al veel ouder. In heel de streek van Namen ben ik de enige. Ik denk dat ieder van ons haar eigen stijl heeft. Ik ga ervan uit dat de zon voor iedereen schijnt en als er meer modistes waren, zou dat betekenen dat er ook meer klanten zijn. Als er een modiste in mijn straat zou bijkomen, dan zou ik daar geen enkel probleem mee hebben. De mensen zouden dan speciaal naar Spy komen omdat ze weten dat daar minstens twee modistes zijn...

Exporteert u uw hoeden en bent u bekend in het buitenland?

Ik begin klanten te krijgen in Frankrijk, dat begint zachtjesaan. Maar ik ben een beetje iemand die tegelijk de klok luidt en in de processie gaat. En het is niet gemakkelijk om bekend te worden. Ik werk met ambachtelijke makers van haute couture in Parijs, meer bepaald met de firma Michel, die voor Chanel werkt, en ook met twee Parijse ateliers die voor Ungaro en Dior werken. Ik werk ook voor Thresie in Engeland. Maar mijn klanten komen hoofdzakelijk uit Wallonië, ook al zijn er Vlamingen die bij mij kopen.

Hebt u nog plannen?

Op de eerste plaats wil ik een collectie genaaide regenhoeden creëren, want bij de andere merken vind ik niets voor vrouwen dat me bevalt. En ik heb al de verkoper met wie ik ga werken; ik moet er gewoon mee beginnen. Volgens mij gaan we tussen dit en een jaar beginnen met export naar Frankrijk of Nederland. Een van de landen waarvoor ik zou willen werken, is Japan; dat is een van mijn dromen.

www.modiste.be

  • /

De rauwe soul-stem van een Amerikaanse gospelzangeres :  Typh Barrow maakt zich klaar om haar publiek het album ‘Raw’  voor te stellen. Ze wilde er iets organisch, oprecht en authentiek van maken. Het album werd in Brussel en in Londen opgenomen. Het komt uit op 18 januari en bevat uitsluitend eigen composities. Ontmoeting.

 

Tiffany Cieply-Baworowski, die Typh Barrow wordt genoemd, werd in 1987 in Brussel geboren uit een Belgische moeder en een Poolse vader. Reeds als kind had ze een verbazend zware en atypische stem. Ze is musicienne in hart en nieren en begint al op vijf jaar piano te spelen. Als ze acht is, gaat ze notenleer studeren. De zangeres in de dop is al consequent, aangezien ze op haar twaalfde haar eerste liedjes schrijft en op haar veertiende zangles gaat volgen. Ze vormt haar muzikale identiteit en ontdekt in pianobars waar ze graag op de planken staat. «Ik heb altijd geweten dat ik wilde zingen. Ik denk dat je dat hebt of niet», legt Typh Barrow uit. Muzikaal werd ze onder meer beïnvloed door legendarische figuren zoals Stevie Wonder, Marvin Gaye en Otis Redding, maar ook door hedendaagse kunstenaars zoals John Legend, Jessie Ware, Rhy en Jacob Banks. «Een boek, een film, een zin, dat wat ik beleef… Alles inspireert me. Luisteren naar andere zangers brengt me dikwijls tot iets onverwachts. Ik laat me leiden.»

Lijnrecht vooruit

Een keerpunt in haar jonge loopbaan was haar ontmoeting, in 2003, met François Leboutte, haar huidige manager en producer, die aan het hoofd staat van het label Doo Wap Records. Hij laat haar haar eerste demo’s opnemen. Eind 2012 brengt ze haar eerste singel, «You Turn», uit, die het goed doet op onze radio’s. Dan komt er een CD met drie titels, «Ton ombre qui court». Vervolgens barst ze los in verscheidene covers die op Youtube worden geplaatst, zoals «Gangsta Paradise» van Coolio, die al meer dan één miljoen keer werd bekeken en «Hotel California» van de Eagles die op 280.000 staat. «Die internationale geestdrift was een immense verrassing. Coolio, van wie ik van kinds af een fan ben, heeft mijn video zelfs in de Verenigde Staten gedeeld. Ongelooflijk! Via het internet en de sociale media kun je je publiek echt vertienvoudigen.» Haar omgeving helpt haar om de stroom positieve en negatieve kritieken te beheren. «Ik ben gelukkig zeer goed omringd. Het positieve neem je aan met veel plezier en nederigheid. Het negatieve leer je op afstand houden om je er niet door te laten raken.» Dan komt in 2014 de dubbel-EP «Time» en «Visions», een mix van 12 eigen composities en covers. Daar vind je titels zoals «You turn» en «I die» op terug, maar ook «Back to black» van Amy Winehouse, «No Diggidy» van Blackstreet en «Too close» van Alex Clare. «Die EP was een formidabel avontuur voor mij. Hij kreeg een mooie verspreiding en veel return. We hadden meer bepaald een superzomer met concerten op de ‘Francofolies’ en de ‘Solidarités’. Hij heeft goed gereisd. Ik moet zeggen dat hij langer heeft geleefd dan ik had gedacht. Ik was klaar voor het vervolg ».

Een tijdreis 

« Raw», haar nieuw project dat met hetzelfde team wordt gemaakt, is een knappe mix van pop en soul, van old school en van eigentijdse klanken. «Ik heb dat album beleefd als een tijdreis. Sommige titels werden opgenomen in Londen, in de studio’s van Abbey Road en in omstandigheden uit de jaren 1960», legt de zangeres uit. «Ik wilde ‘roots’-klanken, zoals op de vinylplaten uit die tijd. De meeste stukken werden in één keer opgenomen. Het moest uit mijn buik komen, het moest organisch zijn. Men gebruikte opnamen van dagen waarop mijn stem moe was. Dat geeft een meerwaarde.»

De rest van het album werd opgenomen in de ICO-studio’s in Elsene, een van de grootste studio’s van Europa. «‘Raw’ is het product van beide. Het mengt Motown-klanken gelijk van Nina Simone met moderne toetsen zoals bij Janelle Monáe. (accent op de a ok – Marc) Het scheppingtraject was tegelijk geniaal en intens. Ik heb kunnen samenwerken met ongelooflijke mensen, uit heel verschillende werelden. Daardoor moest ik mijn vertrouwenszone verlaten. Ik ben daar dol op.»

Het album wordt nu afgewerkt en zal uitkomen tegen 18 januari. «Het project is heel groot geworden. Het is een echte geboorte voor mij. Daar heb ik al heel mijn leven van gedroomd. Ik wacht vol ongeduld op de publicatie en op de voorstelling aan het publiek. Momenteel wordt het afgewerkt ». De eerste clip die begin november in Lissabon werd gedraaid, vergezelt het liedje ‘Tabou’ en zal een kruising zijn van verschillende liefdesverhalen. «De titel gaat over allerlei relaties die taboe zijn, zoals homoseksualiteit, verschil van leeftijd, cultuur of religie. Ik had graag iets vrolijk, positief en kleurrijk. Dat vind je in de straten van Lissabon.» Na het uitkomen zullen er verscheidene concertdata volgen. Binnenkort worden die gepubliceerd.


Interview  met Harry Fayt

Watercreaties

Na zijn studies fotografie in Namen begint Harry Fayt zijn loopbaan met het verslaan van live-muziekuitvoeringen. In 2006 installeert hij zijn studio in Luik en maakt drie jaar later zijn eerste onderwaterfoto’s.

Welke herinneringen bewaart u aan die shooting met Typh Barrow in 2015  ?

« Die shooting herinner ik me goed! We hadden er twee dagen voor gepland tijdens een pinksterweekend. Typh heeft het heel goed gedaan. Ze is niet bang en houdt van uitdagingen. Zo wilde ik het. De eerste dag hebben we vooral foto’s met een piano gemaakt. We konden geregeld een pauze maken. Je moet weten dat je onder water alles moet controleren: haar ademhaling, de houding van haar lichaam, haar ogen… Dat is heel ingewikkeld en kan lastig zijn. De tweede dag hebben we een heel salon onder water gemaakt. Typh moest met gewichten worden verzwaard en kon enkel ademen met flessen die door een duiker werden gedragen. Ze had niet op haar eentje uit het water kunnen komen. Ze heeft op het team moeten vertrouwen en zich laten dragen. ».

Hoe bereidt u zo'n sessie voor ?

« Over het algemeen vergt dat veel voorbereiding voor het vinden van de plaats, het decor, de voorwerpen... Ik werk dikwijls aan wedersamenstellingen van schilderijen. Dat vergt meer of minder tijd, naargelang de inspiratie. Voor die sessie waren we met een tiental: een schminkster, twee stylistes, een scenograaf, twee duikers, Typh, haar producer en ik. Voor het ontwerp van de sessie is de werkwijze dikwijls dezelfde: ik heb een visie en bespreek die met de kunstenaar. Zo ook met Typh. Ik had een foto in mijn hoofd en ik zocht een zangeres. Ik heb contact met haar opgenomen en ze ging direct akkoord. Dat gaf me zin om een reeks te maken over Belgische kunstenaars en gaf me meer bepaald de gelegenheid om Jean-Luc Fonck te fotograferen in het kader van zijn ‘Grabataire tour’ ».

Wat bevalt u in die onderwaterwereld ?

« Ik zie mezelf als een studiofotograaf die onder water werkt. Ik let zeer sterk op de details, op de sfeer, op de decors en op de voorwerpen. Ik hou van het surrealistische aspect van die foto’s. Elke shooting onder water is een uitdaging voor mij en voor het model. Je moet innoveren met beperkte middelen. Om de persoon te leiden en te richten, zijn de verhoudingen helemaal anders. Je moet elkaar begrijpen met enkele gebaren. Om de plaats te kiezen, hangt alles af van de diepte die ik nodig heb. Ik gebruik dikwijls een openbaar zwembad, meer bepaald in Sint-Gillis of Luik, buiten de openingsuren.»

Wat zijn uw volgende projecten ?

« Elk project voedt de andere. Ik doe voort aan mijn beide reeksen ‘Modern Icons’ en ‘Heart Made in Belgium’. Ik stel altijd tentoon in de Molenpoort- passage in Nijmegen, in Nederland. Ik droom van een grote tentoonstelling in een ongewone plaats, zoals een kerk, binnen twee jaar. Ze zou bestaan uit zeer grote afdrukken en de vijf zintuigen aanspreken. Dat is mijn megalomane kant ! »


Renseignements :
 
  • /

“Façon Jacmin” is meer dan alleen een lijn vrouwenmode. Het is het verhaal van tweelingzussen die talent en passie met elkaar wisten te verenigen.  


De een is blond, de ander heeft bruin haar. Allebei stralen ze stijl en gratie uit. Ségolène is een extraverte doorzetter. Alexandra is ingetogen en op zichzelf. De een houdt van wiskunde, management en dagen vol verrassingen. De ander is bedachtzaam en rustig; ze houdt ervan om projecten mettertijd te zien rijpen. 

De gezusters Jacmin zijn in 1986 in de buurt van Doornik geboren, onder het sterrenbeeld Stier. Bij hun opvoeding kregen ze de ruimte om elk hun eigen talenten te ontwikkelen; ze werden niet als kopieën van elkaar behandeld! Ségolène woont in Brussel na eerder in Leuven voor ingenieur te hebben gestudeerd en een jaar in Chicago te hebben gewoond. Alexandra koos voor Oxford en daarna voor een designopleiding in La Cambre. Parijs is haar stad – en luxe is haar wereld. Ze leerde het vak bij Martin Margiela en later in de designstudio van Jean Paul Gaultier.

Van de zolder naar de markt

Als kleine meid bracht Alexandra al uren in haar eentje door, druk bezig met een nieuwe kledingcollectie voor haar poppen… of voor haar zussen. Die speelden graagvoor model en hielpen hun zusje zo vorm te geven aan haar creativiteit. Ségolène herinnert zich met een glimlach de eerste “creatie” van haar tweelingzus: een tasje gemaakt van restjes jeansstof…

Ségolène werkte in consultancy, maar op een dag realiseerde ze zich dat haar plaats elders was. Ze volgde haar intuïtie en schreef zich in voor een “Startupweekend” waarin ze twee dagen de tijd kreeg om met een idee te komen. Dat weekend vormde een keerpunt. Na afloop beloofde ze zichzelf om snel een project met haar tweelingzus te starten. Maar Alexandra is iemand die graag de tijd neemt voor dingen. Het voorstel van Ségolène werd nogal koel onthaald… Maar die liet zich niet uit het veld slaan. “Dan niet, zus!” Ze ging aan de slag als manager voor een vzw die gespecialiseerd is in de coaching van modeontwerpers.  

Een paar maanden later bracht ze met een vriendin een gamma sjaals op de markt onder de naam “Coucou”. De wollen sjaals werden in Nepal gemaakt en waren in tien kleuren verkrijgbaar.

Dit succes bleef niet zonder gevolgen. Was de nieuwsgierigheid van Alexandra gewekt of waren haar twijfels gewoon weggenomen? Wie zal het zeggen. Wat zeker is, is dat de ontwerpster haar familie op kerstavond 2015 een bijzonder cadeau schonk. Ze legde nonchalant een reeks ontwerpen op tafel waar ze zes maanden in het grootste geheim aan had gewerkt. Vervolgens stelde ze – alsof het de normaalste zaak van de wereld was – aan haar zus voor om die papieren ontwerpen samen tot realiteit te maken. – “In mei 2016 lanceren we onze lijn!” antwoordde Ségolène. Alsof ook dat de normaalste zaak van de wereld was. De zussen stelden een dossier op en vroegen en kregen een bourse de pré-activité van het Waals Gewest. De lastigste taak: het inschrijvingsformulier invullen. Maar dat was een heel belangrijke stap, want daarmee werd de oprichting van hun onderneming een feit. Om de beurs te krijgen, moest het tweetal het project op papier beschrijven, het businessplan opzetten, een sales pitch verzinnen en de positionering van het merk bepalen. Dat werd “middengamma – instap hogere gamma”.

De beurs kwam er en toen hoefden de zussen alleen nog maar op zoek naar een leverancier en een confectieatelier. Na een mislukte poging in Brussel vonden ze in Bulgarije wat ze zochten. Een werkplaats waarvan de kwaliteit van de afwerkingen al was getest en goedgekeurd door Sonia Rickiel, Pierre Balmain, Hugo Boss, Chloé… Het eerste prototype kwam eind januari 2016 uit. En vier maanden later, helemaal volgens plan, kwam de eerste collectie op de markt. Zes jeansmodellen en vier in popeline van katoen of soepele zijde

Levenspatroon 

Denim speelt de hoofdrol in de collectie. Daar zijn meerdere redenen voor. Naast een stukje nostalgie en het feit dat deze stof al generaties lang in de mode is, hebben de twee nog andere redenen voor hun voorkeur: het is een mooie stof met unieke patronen en een mooi slijtageproces. “Jeansstof”, aldus Alexandra, “wordt mettertijd mooier. De blauwe kleur maakt een eindeloze hoeveelheid gradaties mogelijk. En iedereen, in elke klasse van de samenleving, heeft een sterke band met deze stof. Het is als een tweede huid die met je mee groeit.” Ze heeft gelijk. De structuur absorbeert jaar na jaar een stukje van ons leven. Spijkerstof is in zekere zin de stille getuige van onze persoonlijke geschiedenis.

Noblesse oblige: om een jeansstof te vinden die aan hun eisen beantwoordde, moest het tweetal naar Japan. Daar krijgt de katoen acht opeenvolgende verfbaden alvorens te worden gefixeerd. Deze luxe verklaart de hoge prijs van de stof: veel leveranciers vinden vier verfbaden wel genoeg…

“Façon Jacmin” is een andere manier om naar mode te kijken, een onweerstaanbare drang om de codes te doorbreken, buiten de lijntjes te kleuren, innovatief bezig te zijn. Jurken, rokken, tops, broeken, mantels en zo verder: elk kledingstuk, ongeacht de snit, is geraffineerd, comfortabel en elegant tegelijk. Voor Alexandra is het een erezaak dat haar collectie elke vrouw goed staat: van naturel tot vurig, van lang en slank tot vol.

De Jacminvrouw, aldus Ségolène, “is een actieve vrouw die weet wat ze wil. Ze is tussen de 35 en 65 jaar oud en heeft dat beetje extra persoonlijkheid dat een vrouw uniek maakt… een vrouw die zichzelf is.”

 

De boetiek voorbij

De traditionele retail heeft het moeilijk en daarom kozen de gezusters Jacmin voor een innovatief alternatief: tweemaal per maand komt een mobiele winkel, “type verbouwde vintagecamion”, in Antwerpen en Brussel naar de klanten toe.

Daarnaast reist het merk van stad naar stad via tijdelijke winkels. Knokke, Gent, Luik en Parijs zijn binnenkort aan de beurt. De data worden regelmatig bijgewerkt op de site en op Facebook en Instagram.

De gezusters Jacmin kunnen rekenen op bijval van hun vakgenoten. Zo kregen ze van de RTBF en Paris Match de prijs voor “Best Talent 2016” in de categorie mode. Dankzij die prijs konden ze een maand lang aan de slag bij het befaamde modehuis NATAN, waar ze met drie andere jonge Belgische designers werkten aan het concept NATAN COLLECTIVE. Door zelf hun eigen arbeidsvoorwaarden te scheppen, heeft het tweetal een andere zege behaald: de zussen ontsnapten aan de paradox die Giulia Mensitieri, antropologe aan de Ecole des Hautes Etudes en Sciences Sociales in Parijs, in haar thesis beschrijft (1). Volgens haar “wordt werk des te slechter betaald naarmate het vanuit symbolisch oogpunt meer bevrediging oplevert. En andersom.” Meer hierover valt te lezen in haar boek, dat in januari 2018 door uitgeverij La Découverte zal worden gepubliceerd.


INLICHTIGEN

FAÇON JACMIN sprl
+32 474 330 255
[email protected]
www.faconjacmin.com

  • /

Yves Dejardin is een onvervalst kunstenaar. De Luikse “artisan designer” dwingt respect af. Hij zegde zijn vaste baan gedag om te proberen van zijn creaties te leven. Hij is een autodidact: de door hem ontworpen lampen en andere objecten zijn het product van zijn passie, die inmiddels is uitgegroeid tot een voltijdsactiviteit.

 

Yves Dejardin komt uit een kunstenaarsgezin. Hij is opgegroeid in een zeer creatieve omgeving en heeft altijd behoefte gevoeld aan zelfexpressie. “Mijn ouders hebben elkaar op de kunstacademie ontmoet. Mijn vader gaf er les en werd later directeur, mijn moeder was studente. Ze schilderde. Ze is veel te vroeg overleden – ik was zelf nog jong – en dat heeft sporen nagelaten. Vanaf mijn 23ste heb ik een moeilijke periode doorgemaakt, maar vandaag voel ik me sterker.” Yves Dejardin studeerde aan de kunstacademie, maar onderbrak die studie uit eigen beweging. “Ik wilde mijn eigen brood verdienen, zo snel mogelijk en liefst in een stabiel kader. Ik was niet bang voor de toekomst. Ik werkte hard, maar dat gaf me geen echte voldoening.” Hij beheerste meerdere kunstvormen en -technieken, maar pas na een reeks jobs zag hij in dat hij was geboren om zelfstandig te werken, levend van zijn creaties.

Art Maker

Yves Dejardin leefde zijn passie allereerst uit in een nevenactiviteit: de vervaardiging van designobjecten en -meubels. Hij richtte het merk Art Maker op, dat deel uit maakt van de “maker-beweging”: een terugkeer naar lokaal vakmanschap. “Ik werd eerst via Smart betaald en wilde geen start-up beginnen. Maar door mijn designmerk Art Maker te lanceren, kon ik mijn visie op de wereld van vandaag uitdrukken door naar de toekomst te kijken. Ik werk nu voor mezelf en probeer beetje bij beetje vooruit te komen. Eerst ging ik in de garage van mijn vader aan de slag; een half jaar geleden verhuisde ik naar mijn eigen atelier. Om mijn activiteit uit te breiden heb ik iemand ingehuurd die de lampen in elkaar zet.”

Art Maker is niet alleen een lampenmerk, maar vooral in dit segment heeft Yves Dejardin werk te over. De bestellingen voor zijn schitterende verlichtingstoestellen stromen binnen. Maar hij blijft een echte designer en vooral een ambachtsman: hij wil geen reuzenbedrijf van zijn activiteit maken, want dan verliest hij de controle. “Alleen nog maar manager zijn in plaats van kunstenaar, daar heb ik geen zin in. Ik heb mijn baan niet opgezegd om opnieuw in een werknemersstatuut te belanden.” De autodidact voegt toe: “Ik voel me goed in mijn rol als ambachtsman. Ik heb een eenvoudig, maar origineel productieproces ontwikkeld. Wat ik doe is essentieel en daar houd ik van. Wanneer je ergens een passie voor hebt, vind je vanzelf de kracht, de energie om creatief aan de slag te gaan, er je beroep van te maken. Ik wil een evenwicht vinden tussen duurzame bedrijfsvoering, klanttevredenheid en de garantie dat ik zoveel mogelijk tijd overhoud om te kunnen blijven ontwerpen.”

Stijl en diversiteit

Zijn houten lampen hebben toenemend succes en de bestellingen volgen elkaar op. “Alles wordt met de hand gemaakt”, aldus de designer. “Eerst werkte ik op bestelling, maar ik besloot al snel modellen te gaan vervaardigen met vaste afmetingen. Te veel keuze werkt alleen maar verwarrend. Uiteraard kan ik de afmetingen op vraag aanpassen. Ik heb al eens een lamp van een meter hoog gemaakt! Dat is maatwerk, een uniek exemplaar…”

In zijn creatieve aanpak kiest Yves Dejardin voor zo natuurlijk mogelijke materialen. Alle modellen zijn uit hout vervaardigd en elke plank heeft zijn eigen kenmerken. “Het hout is tot nu toe helaas niet lokaal, want dat leent zich niet voor deze verwerking. Vanwege de technische beperkingen werk ik meestal met exotisch hout. Plastic probeer ik te vermijden. De stukken afzelia, wengé, teak en bamboe worden handmatig verzaagd en verwerkt tot fijne, soepele elementen. Die worden vervolgens gebogen en op een of twee centrale stukken in elkaar gezet: dan zijn de lampen klaar.” Sinds mei 2017 werkt Yves Dejardin ook met notenhout, een schitterende houtsoort met een andere kleur dan de andere gebruikte materialen. De nieuwe lampen in de luxueuzere nieuwe collectie zijn van geolied notenhout.

De lampen zijn al op meerdere plekken in Luik te koop, evenals elders in Wallonië en daarbuiten. We noemen Nandrin (Namo Concept) en Luik (Audace au Pluriel), maar ook Brussel (Les Mémoires de Jacqmotte) en, sinds kort, Parijs. De lampen hebben een doorsnee van 50 centimeter tot 4 meter en zijn allemaal artisanaal vervaardigd, maar de prijzen blijven goed betaalbaar. Er is al een model van de “Double Maxime” (een van de toonaangevende producten van Art Maker) vanaf € 300.

De lampen van Yves Dejardin zijn luchtig, elegant en verfijnd. Ze verspreiden licht vanaf het plafond of de muur en scheppen een schitterend driedimensionaal beeld. Ronduit betoverend! Zoals de ontwerper zelf zegt: “Dit is een kunstwerk en een lamp tegelijk.”

www.facebook.com/ArtMaker.be

Videos

  • /
  • /

We kunnen bijna niet om het beroemde kookprogramma heen waarin Julien Wauthier uitblonk. Het leven heeft hem niet gespaard en de 33-jarige chef heeft er een atypisch parcours op zitten. Met beide voeten op de grond ontvangt hij ons in het Naamse restaurant La Plage d’Amée (Jambes), waar hij zijn creativiteit sinds meer dan een jaar de vrije loop laat.


De mooiste ontmoetingen gebeuren soms onverwachts… Nadat we hem tegenkwamen toen hij nog chef-patissier was in La Plage d’Amée en we zijn talent hadden opgemerkt met een fantastische variant van gezouten karamel, geserveerd als dessert, volgden we zijn parcours op televisie. We wilden ook weten wie Julien Wauthier, halve-finalist van de wedstrijd Top Chef, maar vooral chef van la Plage d’Amée, een gastronomisch adres in Namen waar je niet omheen kunt, en een verstandig en gevoelig man die duidelijk geen blad voor de mond neemt, nu echt is.

Atypisch parcours 

Niets wees erop dat de uit Walhain-Saint-Paul in WaalsBrabant afkomstige Julien Wauthier chef-kok zou worden. “Mijn ouders hebben er een oude boerderij overgenomen waar ik ben opgegroeid. We waren omringd door dieren en moesten klussen, in de tuin werken… Mijn ouders kookten allebei, maar dat interesseerde mij niet echt. Misschien droomde ik ervan astronaut te worden (lacht)”. Julien beslist “een beetje per toeval” om te gaan studeren aan de hotelschool van de provincie Namen. “Uiteindelijk beviel het zeer militaire aspect van dat beroep mij. Ik vind het spijtig dat dat tegenwoordig niet meer echt het geval is. Indertijd kregen we een goede omkadering en werd de chef echt gerespecteerd.” Julien doet zijn eerste ervaring op in een mooie zaak. “Ik heb bij Eric Martin (Le Lemonnier à Lavaux-Ste-Anne NVDR) eerst een stage van twee maanden gedaan, wat er drie zijn geworden en ik ben daar uiteindelijk vijf jaar gebleven nadat ik mijn school had afgemaakt.”  

Nadat hij even gewerkt heeft in een cocktailbar in Rochefort, keert Julien terug naar een sterrenrestaurant, dat van Pierre Résimont (L’eau vive à Arbre NVDR). “Ik was de patissier. Ik zorgde zowel voor de bereiding van het brood, de amuse-bouches en de eerste gang als voor de desserten en zoetigheden.” Het is echter niet altijd eenvoudig om een beroep in deze sector te combineren met een gezinsleven en Julien moet een keuze maken. “Mijn vrouw kon niet meer om met mijn uren en wilde een ‘normaler’ leven. Om mijn relatie te redden heb ik mijn job opgegeven.” Aangezien hij niet stil kan blijven zitten vindt hij snel ander werk als commercieel medewerker in een bedrijf dat zonnepanelen verkoopt. Alles gaat redelijk goed tot het bedrijf failliet gaat… De tegenslag op professioneel vlak wordt gevolgd door een grote persoonlijke ontgoocheling: zijn vrouw verlaat hem voor zijn beste vriend. “Ik heb toen echt heel diep gezeten.

In februari 2013 begint hij opnieuw te werken als kok in La Plage d’Amée,, waar hij 2 jaar lang opnieuw patissier is. In maart 2016 wordt hij eerste kok en neemt hij deel aan het televisieprogramma Top Chef.

Een vurige Top Chef

Het is aan de zijde van een andere Belg (Maximilien Dienst, restaurant Les pieds dans le Plat) dat Julien deelneemt aan het achtste seizoen van het beroemde programma Top Chef. “Ik wilde niet per se deelnemen. Het was eerder een weddenschap met een vriend.” De jonge chef wordt al snel opgemerkt voor de kwaliteit van zijn bereidingen en vervoegt het team van chef Michel Sarran. “In het begin wilde ik graag bij Philippe Etchebest terechtkomen. Dat is iemand die je echt uitdaagt. Uiteindelijk was ik blij dat ik niet in zijn team beland ben en dat Sarran me gekozen heeft.” Julien laat zich opmerken met zijn humor, zijn vurige, soms ook koppige temperament, maar ook en vooral door zijn kooktalent. Nadat hij bepaalde proeven heeft gewonnen en bij andere door de mand is gevallen, wordt een van Juliens gerechten verkozen tot ‘lievelingsgerecht’ van driesterrenchef Yannick Alléno om in zijn magazine YAM te verschijnen. “Eén gerecht heeft echt mijn aandacht getrokken. Een intelligent gerecht, een gerecht van een echte kok, een gerecht dat extreem aangenaam is om te proeven en naar te kijken. Dat gerecht is dat van Julien.” De kok rijgt de complimenten aan elkaar, maar ook de tegenslagen. Julien Wauthier wordt in de halve finale uitgeschakeld en zal de finale dus niet halen: het televisie-avontuur houdt hier op voor hem

CHEF MICHEL
SARRAN

Hij is de chef van het tweesterrenrestaurant in Toulouse dat zijn naam draagt. Hij maakt sinds 2015 deel uit van de jury van Top Chef.

 

Gelukkig zijn!

Ik heb nu een baas van goud. Hier (La Plage d’Amée NVDR) hebben ze mij er echt bovenop geholpen. Top Chef betekent zichtbaarheid. Dat is mijn manier om hen ook iets terug te geven. Ik ben graag ver van de camera’s. Ik sta graag in mijn keuken.”  Als vader van twee kinderen, Luna (9 jaar) en Soan (5 jaar), blijft elke dag een uitdaging voor deze jonge veelbelovende chef. “In ons beroep is het gezinsleven niet eenvoudig…. Ik zie mijn kinderen niet vaak door tijdsgebrek, maar als ik hen zie is dat gelukkig heel intens en geniet ik er 200% van! Zelfs als het niet gemakkelijk is voor de mensen rond mij, ben ik ervan overtuigd dat je in het leven moet doen wat je graag doet.” Zijn grootste droom en wens? “Gewoon gelukkig zijn!

Projet d’O

Nadat hij zich toelegde op de aanwerving van personeelsleden in een sociaal reïntegratieproces, heeft Benoît Gersdorff, eigenaar van onder andere La Plage d’Amée, op het MIPIM een nieuw ambitieus en innoverend project voorgesteld. Hoe kijkt Julien aan tegen die veranderingen? “Ik vind reïntegratie erg mooi, maar het is absoluut niet gemakkelijk met de opleidingen die dagelijks gegeven moeten worden. Op een bepaald moment gaf ik ‘s maandags les, maar ik ben daar heel slecht in. Ik wil liever creëren, koken en Benoît weet dat. Wij komen heel goed overeen en soms verstaan we elkaar zonder woorden, ook als hij een handje komt toesteken in de keuken. Het project van Benoît is indrukwekkend en aangezien ik graag een ster zou binnenhalen, is dat een mooie kans (glimlacht).”  

Meer dan een gewoon vastgoedproject gaat ‘Projet d’O’ de strijd aan met onvermijdelijke milieuproblemen van onze tijd. ‘Projet d’O’ is gelegen op de oevers van de Maas in Namen, de hoofdstad van Wallonië. Het kader is idyllisch en de toekomstige realisatie van Benoît Gersdorff – sterrenchef die de hele wereld heeft afgereisd zonder zijn geboortestad uit het oog te verliezen – respecteert dat. Het project volgt een duurzame logica. Het gebouw is eerst en vooral ontworpen met het oog op autonomie. Daarnaast werken de verschillende restaurants met lokale producten en worden er tal van jobs gecreëerd. ‘Projet d’O’ omvat een drijvend hotel, een gastronomisch restaurant, een bar op het dak en een ‘urban café’. Het drijvende hotel is zonder twijfel het meest innoverende deel van het project. Het principe van ‘houseboats’ (echte drijvende logies NVDR) doet het al goed in de VS en Noord-Europa, maar is in WestEuropa nog relatief onbekend. De suites staan los van elkaar en zijn vaak opgebouwd op basis van een romp van een catamaran uit composiet of aluminium, materialen die de ecologische voetafdruk verlagen. Al die vernieuwende catamaranappartementen maken gebruik van hernieuwbare energie en kunnen ook varen, waardoor de gasten de vrijheid krijgen om de ideale plek te kiezen voor het ontbijt, het avondeten of gewoon om te ontspannen.

 


INLICHTINGEN

La Plage d'Amée
Rue des Peupliers 2
B-5100 Namen
+32 81 30 93 39
www.laplagedamee.be



BIO EXPRESS

1983
Geboorte

1997
Provinciale hotelschool van Namen

2006
Patissier in sterrenrestaurant L’eau vive in Arbre

2014
Patissier in La Plage d’Amee

2016
Deelname aan het programma Top Chef en Chef de cuisine in La Plage d’Amee

  • /
  • /

Zijn zacht gezicht, zijn glimlach en zijn lok zijn sinds enkele jaren niet meer weg te denken uit de Franstalige mediawereld. Tussen het succes van zijn Suarez-band, die we u niet meer hoeven voor te stellen, en zijn statuut van coach in het programma The Voice Belgique (dat we ook niet meer voorstellen), heeft Marc Pinilla uit Bergen radio en televisie veroverd.

 

Naar aanleiding van de release (op 17 maart) van “Ni rancœur, ni colère”, het vierde album van Suarez, hebben we hem ontmoet bij een heerlijke Italiaanse cappuccino in het Van Der Valk Congres Hotel in Bergen. Toevallig vond het gesprek plaats de ochtend van 27 januari, amper enkele uren na de plechtige uitreiking van de D6bels Music Awards aan kunstenaars uit de Federatie WalloniëBrussel. Hij was er zelf niet bij, maar de avond voordien werd hij indirect bekroond via de twee prijzen (Solokunstenaar en Ontdekking van het jaar) die werden toegekend aan zijn beschermelinge Alice On the Roof, voor wie hij de productie doet sinds hij haar in 2014 heeft ontdekt tijdens The Voice. Maar vandaag, na maanden werk voor het Bergense wonderkind, staat Marc Pinilla weer op de planken met zijn band en zet hij zich weer volledig in voor de promotie van een Suarez dat gewoon een beetje anders is… 

Om het nog even over de uitreiking van de D6Bels Music Awards te hebben: wat voelt u als “ontdekker” en producer bij deze dubbele bekroning van “uw” Alice?

Marc Pinilla — Ik ben heel trots dat ik de producer van die kunstenares ben. Dat vergde enorm veel werk, inzet en zelfs onbaatzuchtigheid, bijna zoals een vader doet voor zijn kind. Producer zijn, dat is werken voor iemand anders, zonder aan zichzelf te denken. Twee jaar lang hebben we aan haar album gewerkt (NVDR: ‘Higher’, dat uitkwam in januari 2016), maar ook om van dat charmante en getalenteerde meisje een volwaardige artieste te maken. Dat was een lang proces en vergde veel werk en overleg. Ik ben heel tevreden over en trots op haar. Ik was echter niet op de prijsuitreiking, maar heb ze gevolgd op de televisie. Ik had rust nodig en wilde er een beetje afstand van houden. Ik ben volop bezig met het uitbrengen van de plaat en moet opnieuw aan mezelf denken, aan wat ik doe, aan mijn volgend boek. Met de band zijn we aan het repeteren voor ons concert in de Ancienne Belgique, binnen enkele dagen, op 4 februari. Omdat ik twee jaar producer was, had ik inderdaad redenen om op de prijsuitreiking aanwezig te zijn, maar nu zet ik weer mijn petje van kunstenaar op en moet ik me enkel op dat aspect toespitsen

Vandaag komt u dus terug met Suarez en een nieuw album. Een latent verlangen om weer op de bühne te staan?

M. P. — Dit album komt drie jaar na het vorige. Goed, je moet er natuurlijk ook het tussentijdse album van Alice On the Roof bijtellen. Maar ja, ik wilde terug op het toneel staan. Ik heb daar nooit afscheid willen van nemen. Die afwezigheid was nodig. Het vorige album (‘En équilibre’, 2014) werd sterk overbelicht. Al die festivals, al die concerten... Voeg daar ook nog The Voice Belgique bij. Het album liep als een trein, maar ik moest een beetje afstand nemen. Wanneer je door heel die mediawereld wordt opgeslorpt, is je kijk op kunst en muziek een beetje verstoord. Als je altijd in beweging bent, neem je geen afstand. Ik kan moeilijk creatief zijn wanneer ik beweeg. Er is wat introspectie nodig, en een tournee en promotie laten dat niet toe. Wat ik wilde en wil maken, zijn mooie liedjes. Het deed deugd om een jaar in mijn hol te blijven zoals een beer. Daarna heb je meer behoefte om terug te keren, op de planken te staan en campagne te voeren voor jezelf, dat wil zeggen om mee te delen wat je in je hol hebt gemaakt.

‘Ni rancœur, ni colère’ is een album waarin de liefde het alomtegenwoordige onderwerp is. Maar de titel van het album, die ook de titel is van de single die nu op grote schaal door de media wordt uitgezonden, laat dat thema niet direct doorschemeren… Waarom koos u die titel voor heel het album?

M. P. — Om te beginnen is liefde een eeuwig en universeel thema, dat mij geweldig aanspreekt en waarover ik spontaan schrijf. ‘Ni rancœur, ni colère’ lijkt me een goede samenvatting van de persoon die ik ben geworden, die ik nu ben, in 2017. Ik ben altijd een angstig iemand geweest, die alles wilde, en wel onmiddellijk. Vóór vandaag, was ik niet bedaard. Die tekst, die in feite gaat over een ex, over een breuk, staat tamelijk goed symbool voor die rustige toestand. Na de chaos en de problemen, had ik van alles afstand genomen. Grosso modo wil ik zeggen dat ik terugkeer en me veeleer goed voel. 

Werd dit album anders opgevat dan de drie vorige?

M. P. — Ja, absoluut. Het werd op een heel andere manier gemaakt. Vroeger vertrokken we altijd van een muzikale kleur, een gimmick, een pakkende melodie. Samengevat kan men zeggen dat we in feite vertrokken van een esthetiek om een liedje te maken. Nu zijn we vertrokken van de liedjes om een esthetiek te ontwikkelen. Dat is een heel ander proces. We hebben voorrang gegeven aan de liedjes, wat voor ons helemaal nieuw was. We zijn teruggekeerd naar de basis. Een liedje, dat is een gitaar en een zangmelodie. Voordien vonden we een gitaarriff, een Afrikaanse klank, een speciaal ritme. Op basis daarvan probeerden we een liedje te maken. Volgens mij leidde dat tot halve liedjes. Ik ben zeer trots op wat we vroeger hebben gedaan, maar ik wilde een album maken waarbij eender wie zich aan de piano kan zetten, een album dat door iedereen en voor iedereen kan worden gespeeld, zoals het door mij alleen wordt gespeeld op gitaar… Een echt liedje heeft enkel melodie en tekst nodig om te bestaan. Naar dat begrip zijn we teruggekeerd. Dat is ook wat we gedaan hebben met Alice On the Roof: alle liedjes werden gemaakt met een piano en met haar mooie stem. We hebben verhalen verteld. Ik denk dat het dát is, wat echt werkt en wat het meest waarachtige is.

U denkt dus dat dit album beter geslaagd is dan de andere?

M. P. — De andere drie albums waren misschien zeer geslaagd voor de kunstenaar, voor de persoon die ik vroeger was, maar minder voor degene die ik nu ben. Ik heb er meer behoefte aan verhalen te vertellen. Tegenwoordig wil ik helemaal achter mijn verhaal staan. Daar had ik vroeger minder behoefte aan. Toen wilde ik een goed refrein hebben, een echte punchline, een goede gimmick die de mensen zou doen zingen, maar nu schenkt me dat minder voldoening. Scheppend werk wordt persoonlijker, ik heb er nood aan te reizen en te doen reizen aan de hand van een verhaal en niet alleen door een sfeer.

Zijn er in het album één of meer stukken die u meer aanspreken dan andere?

M. P. — Ja, ik hou speciaal van ‘Si seulement’, elektrische piano en stem. Maar goed: eigenlijk hou ik van alle stukken. We hebben er een dertigtal gemaakt, waaruit we er elf hebben gekozen. Ik had dus keuze genoeg en ik wilde achter elk liedje kunnen staan; geen enkel stuk mocht voor mij niet authentiek zijn of minder dan de andere. Ik hou ook veel van het laatste, ‘Voir la mer’. Mijn voorkeur gaat eigenlijk uit naar de twee rustigste. Misschien zal ik ooit een album maken met alleen maar heel zachte liedjes, een intimistisch album. Het probleem met die rustige stukken duikt op wanneer men op het podium staat. Suarez barst van energie, we houden van feesten en van bewegen; in dat opzicht kunnen rustige liedjes blokkerend werken.

We vinden u in het album ook terug in een zeer verfrissend duo met Alice On the Roof; een coverversie van “L’Amour à la plage”, de hit uit 1985 van Niagara…

M. P. — Het coveren van een hit is een oefening die we voor elk album deden. Een cover maken is heel ludiek, want je bent volledig vrij. Je hoeft niets te creëren, je hebt geen schrijfangst. Je hebt al iets en dat is enkel een puzzel die je uiteen moet halen en weer leggen op een andere manier. Dat is heel leuk en ik ben dol op die oefening. ‘L’Amour à la plage’ vond ik een origineel liedje – althans wanneer je enkel de tekst neemt – vooral omwille van de tweede laag die je erin vindt. Nu spreekt de esthetiek van de jaren 1980 mij niet echt aan. Dus heb ik op die uit de toon vallende tekst de esthetiek overge
bracht waar ik van hou. Ik had onmiddellijk het idee dat ik dat liedje moest vertolken met Alice.

Bent u uiteindelijk tevreden en zelfs gelukkig met het eindresultaat?

M. P. — Ik voel me goed bij dat album, maar het jaagt me schrik aan in de mate waarin we niet voor de gemakkelijke weg hebben gekozen, zoals we dat vroeger hadden kunnen doen. Hier is niets onmiddellijks aan. We hebben niet naar “ohohoho”-reacties gestreefd. Het album is toegankelijk, doch een beetje minder direct dan de andere. Maar goed, we maken natuurlijk geen heel ingewikkelde mediatheekmuziek. Niettemin is het bij het eerste beluisteren minder toegankelijk dan alles wat wevoordien hebben gemaakt, zodat ik veel schrik heb voor wat de mensen er gaan van denken. Hier heeft men een andere lezing van Suarez, een andere aanpak. Het voordeel is dat dit misschien andere mensen zal aantrekken, een ander publiek dat ons nu pas zal ontdekken. 


“Wanneer je door heel die mediawereld wordt opgeslorpt, is je kijk op kunst en muziek een beetje verstoord. Als je altijd in beweging bent, neem je geen afstand. Ik kan moeilijk creatief zijn wanneer ik beweeg. Er is wat introspectie nodig, en een tournee en promotie laten dat niet toe.”


 

Ondanks het succes dat u de voorbije tien jaar hebt gekend, hebt u besloten in de streek van Bergen te blijven voor uw creatief werk en om u verder te ontplooien. Wat betekent dat tegenwoordig, muziek maken in Wallonië?

M. P. — Ja, onze studio bevindt zich nog altijd in Hautrage, een dorpje waar we, tussen twee koeien en vier ganzen, een kamer van 10 m² betrekken. In Wallonië is er een overvloed aan zulke rustige plaatsen. Zo kan men vrijer zijn en zich volledig toeleggen op het creatieve werk. Ik kan me zelfs geen halve seconde inbeelden dat ik een album zou kunnen maken in een grote stad! Dat is ondenkbaar. Zelfs leven in dergelijke stad... Ik wil geen drukte, maar heb behoefte aan rust en aan ruimte. Wat heel goed is in Wallonië, is dat men tegelijk ook dicht bij die drukte zit en men er gemakkelijk naar toe kan gaan. Dat is tamelijk leuk en dat is de reden dat ik niet uit Bergen vertrek. Je hoeft niet te geloven dat je in Londen of Parijs het Eldorado zult vinden. Het is daar integendeel veel harder. Er is veel meer concurrentie en er zijn enorm veel getalenteerde mensen die erbij willen zijn. Daar is het dus nog moeilijker om boven de rest uit te stijgen. In Wallonië zijn er misschien minder mogelijkheden om een vedette te worden en om internationaal door te breken, met de buitensporige inkomsten die daarmee gepaard gaan, maar er zijn meer mogelijkheden om er rustig van te leven en om in alle vrijheid te doen wat je wilt. Hier bestaat een soort artistieke vrijheid die elders moeilijk te vinden is. Maar dat neemt niet weg dat we dikwijls naar Parijs gaan, bijvoorbeeld. We hebben trouwens onlangs een contract gesloten met Sony France.

Hebt u nog andere activiteiten buiten Suarez en de productie van Alice On the Roof?

M. P. — (Lacht). Wacht, ik ga u zeggen wat ik allemaal doe en dan zullen we zien of 24 uur daar voldoende voor
zijn! Ik ben musicus, componist en zanger van Suarez. Ik ben er ook de woordvoerder en de manager van. Ik ben de producer van Alice On the Roof. Ik ben coach bij The Voice. Ik ben ook bestuurder bij Sabam. Ik heb een gezin, vrienden en een netwerk dat tot buiten de muziekwereld reikt. Het is te veel. Soms zou ik graag een hobby hebben, maar daarvoor heb ik geen tijd. Je beroep heeft altijd en overal voorrang en het neemt alle ruimte in.

Wat inspireert u momenteel?

M. P. — Ik consumeer veel vormen van cultuur. Het probleem met het huidige systeem en de huidige samenleving is, dat je alles moet consumeren, maar heel weinig van dat alles. Ik ben in die val getrapt met Deezers en andere Spotify’s. Ik ben geen fan meer van iets bepaalds, maar doe vooral aan overconsumptie. Ik neem van alles het beste. Vroeger versleet men cd’s en cassettes tot op de draad, men was er fan van en zelfs aan verslaafd. Het huidige systeem van kunstconsumptie bestaat uit een overaanbod waardoor we niet echt consumeren. Anderzijds is het prachtig dat we een uiterst gevarieerd palet hebben. Om op uw vraag te antwoorden: er zijn niet enkele dingen die me inspireren, maar 1000! Ik besef dat mijn eigen project in die massa verloren kan gaan. Dat is angstaanjagend, maar ik denk dat sommige mensen daardoor Suarez ook kunnen ontdekken zonder ernaar gezocht te hebben.

Van consumptie gesproken: gaat het album “Ni rancœur, ni colère” in verschillende vormen verschijnen?

M. P. — Ja, het verschijnt natuurlijk op cd, maar voor de eerste keer zullen we ook een 45-toerenplaat uitbrengen. Een verrassing voor de fans. Overal zie je 33-toerenplaten, maar ik wilde een single maken. Tijdens concerten zullen we die tegen kostprijs verkopen; een A-kant met ‘Ni rancœur, ni colère’ en een B-kant met ‘L’Amour à la plage’. Ik ben er trots op. Het is een heel mooi voorwerp.

BIO EXPRESS
2007 Oprichting van Suarez
2008 Eerste album van Suarez ‘on attend’
2010 Het tweede album van Suarez, ‘L’indécideur’, komt uit. Het wordt meteen een gouden album.
2013 Hij wordt coach voor het tweede seizoen van ‘The voice’. In 2014 doet hij hetzelfde voor het derde seizoen en in 2017 voor het zesde seizoen.
2014 2014 Het derde album, ‘En équilibre’, verschijnt en behaalt weer goud.
2015 Oprichting van het label ‘Label et La Bête’, waar Alice On The Roof een contract krijgt.
2016 Hij produceert het eerste album van Alice On The Roof, goud.
2017 Vierde album van Suarez, ‘Ni rancœur, ni colère’


VOLGENDE CONCERTEN

24 MAART Spirit of 66 — Verviers
25 MAART Cultureel Centrum van Moeskroen
1 APRIL Le Manège — Bergen
8 APRIL Reflektor — Luik
26 APRIL Kulturfabrik — Luxemburg


« Ni rancœur, ni colère », release op 17 maart

www.suarezlegroupe.be

Your opinion counts