Waw magazine

Waw magazine

Menu

Met zijn 264 kamers, 37 vergaderzalen en 300.000 geserveerde maaltijden per jaar zou hotel Dolce in La Hulpe al snel op een fabriek kunnen gaan lijken. Toch is dit een verrassend vredige plek. Dat heeft waarschijnlijk alles te maken met het omliggende bosgebied. Wij hadden een gesprek met manager Erik Jansen.

Dolce La Hulpe wordt beschouwd als een van de beste conferentiehotels van Europa. Het hotel is gelegen op de vroegere opleidingslocatie van IBM België, niet ver van het Solvaypark en het daar gelegen kasteel. In 2005 kwam het terrein in handen van Banimmo, een vastgoedconcern gespecialiseerd in de renovatie van omvangrijk onroerend goed. Uiteindelijk werd het complex in februari 2007 verbouwd tot hotel-congrescentrum.

Vandaag de dag bestaat het hotelcomplex uit zeven gebouwen met 264 viersterrenkamers en -suites, 37 vergaderzalen, twee auditoriums met een capaciteit van respectievelijk 500 en 150 personen, drie restaurants, een zwembad, een fitnesszaal en een spa ‘Cinq Mondes’. Het klinkt gigantisch, maar wekt niet die indruk. De gebouwen tellen maar één verdieping en alle kamers kijken uit op het bos. Dankzij de grote ramen bieden ze een verbluffend zicht op de natuurpracht. Het hotel heeft twee gezichten, vertelt directeur Erik Jansen. “Doordeweeks komen hier vooral zakenmensen. Vanaf vrijdagavond of in de schoolvakanties verandert het publiek, en komen stelletjes, gezinnen en recreanten hier het weekend doorbrengen, genieten van het zwembad en de spa. Maandag is het weer de beurt aan mannen in pak en vergaderingen.”

Buiten de stad

De Dolce-keten werd in 1981 opgericht door Andy Dolce, zoon van Italiaanse migranten in de Verenigde Staten. Tegenwoordig behoren de 24 hotels (waarvan zes in Europa) tot de top van de conferentiehotels. Uniek aan het keten is dat ze altijd plaatsen buiten de stad kiezen, die toch goed bereikbaar zijn met auto, trein of vliegtuig. Dat is ook wat de Brabantse Dolce zo aantrekkelijk maakt. “Onze ligging is ons grote geluk”, geeft Jansen toe. “Een privépark van 70 hectare in het hart van het Zoniënwoud, op slechts 15 kilometer van de hoofdstad. Nu zou je geen toestemming meer krijgen om een complex als het onze te bouwen in het midden van het bos. En gelukkig maar. Maar voor ons maakt dat wel het verschil op de congresmarkt. De meeste hotels liggen immers in het centrum van de grote steden. Onze andere troeven? Een infrastructuur waar je alle kanten mee uit kunt, 650 gratis parkeerplaatsen en wifi in het hele hotel, ook voor congressen.”

Ecologie en economie

Dolces bijzondere ligging bracht de directie ertoe een beleid voor rationeel energiegebruik te ontwikkelen: leds in plaats van gloeilampen, bewegingsdetectoren, biologisch afbreekbare onderhoudsproducten, afvalsortering, zuinige douchekoppen en kranen… Het hotel zoekt in alles naar groene initiatieven.

En dat is niet alles: in november 2011 kocht Dolce 1.069 zonnepanelen. “Voor de plaatsing hebben we rekening gehouden met de blootstelling aan de zon en met de bomen rondom. Nu kunnen we 8 à 10% van de elektriciteit die we verbruiken zelf produceren. Jammer genoeg vreet onze infrastructuur veel energie. Maar we hebben veel geld geïnvesteerd en inspanningen gedaan om deze groene aanpak te lanceren. Zo willen we het bos beschermen, maar natuurlijk ook energie besparen.” In 2012 werden die inspanningen beloond met een ‘Groene Sleutel’-certificaat (1) . In Wallonië beschikken slechts vijf hotels (2) over het label, tegenover 60 tot 70 in Vlaanderen en bijna 300 in Nederland.

1. “Groene sleutel” is een ecolabel dat meer dan 2.100 toeristische bedrijven over de hele wereld onderscheidt voor de inspanningen die ze leveren voor het milieu. www.cleverte.be
2. Herberg de Lanterfanter, B-4782 Saint-Vith www.lanterfanter.be - Park Inn by Radisson, B-4460 Liège www.parkinn.com - Radisson Blu Palace Hotel, B-4900 Spa www.radissonblu.com/palacehotel-spa - Radisson Blu Balmoral Hotel, B-4900 Spa www.radissonblu.com/balmoralhotel-spa

“Doordeweeks komen hier vooral zakenmensen. Vanaf vrijdagavond of in de schoolvakanties verandert het publiek, en komen stelletjes, gezinnen en recreanten hier het weekend doorbrengen, genieten van het zwembad en de spa.” 

 

“Verder besproeien we onze tuinen niet”, gaat de manager verder, “en gebruiken we geen pesticiden.” “We hebben ons eigen waterzuiveringsstation en we planten nieuwe bomen als dat nodig is. We zijn ook van plan om vier bijenkorven te installeren en onze eigen honing te gaan produceren. Een van die bijenkorven zal bij de ingang van het gebouw komen te staan, achter een glazen wand. Zo willen we onze gasten bewustmaken van de milieuproblematiek. We kiezen misschien niet altijd voor de goedkoopste oplossing, maar we doen er alles aan om het bos rondom ons te beschermen.”

Die aanpak zou de Dolce-groep graag voortzetten in andere landen, in samenwerking met investeerder Banimmo. Hun hoofddoel is nochtans om gerenoveerde gebouwen met een meerwaarde te verkopen, maar ze lijken gewonnen voor dit avontuur en zouden hun portefeuille graag uitbreiden met andere hotels in Europa. Erik Jansen: “Op dit moment hebben we een langlopend huurcontract met Banimmo en werken we samen aan een project in Lissabon. We hebben veel vertrouwen in hen als investeerder en dat draagt natuurlijk bij aan een goede samenwerking.”

 

informatie

Dolce La Hulpe Brussels
Chaussée de Bruxelles, 135
B-1310 La Hulpe
+32 (0)2 290 98 00
www.dolcelahulpe.be

Het bedrijf John Martin is sinds 1909 actief in België en groeide uit tot een grote naam in de drankensector. Maar daar bleef het niet bij. De kleinzoon van de oprichter, John C. Martin, staat intussen aan het hoofd van een keten van tien hotels, met het Château du Lac in Genval als zenuwcentrum.

In 1909 ruilt de jonge John Martin zijn thui shaven Engeland in voor Antwerpen. Daar lanceert hij de beroemde Schweppes Indian Tonic en de Globe-limonades. Al snel importeert hij verschillende bieren, zoals de Guinness uit Dublin, de Bass Pale Ale en later de Gordon Scotch Ale en Martin’s Pale Ale. Die laatste twee worden tegenwoordig in België gebrouwen. Dan komen er werken aan het Albertkanaal, die het grondwater verontreinigen waarmee de dranken gemaakt worden. Martin besluit daarop om zijn activiteiten naar Genval te verplaatsen. In 1934 koopt hij het Château du Lac en de bijbehorende bronnen, die het etiket ‘natuurlijk mineraalwater’ kregen van de Koninklijke Academie voor Geneeskunde. De weg naar een nieuw avontuur ligt open.

Congrescentrum

Tijdens de tweede wereldoorlog vlucht de familie Martin naar Londen. Na hun terugkeer in Genval bereikt de productie van Schweppes nieuwe hoogten. De Martingroep koopt de Franse licentie van de bekende limonade en palmt ook de Duitse markt in. De fabriek bij het kasteel van Genval wordt stilaan te klein. Ze verhuizen daarom naar een nieuwe locatie, 500 meter verderop. “Op dat moment”, vertelt John C. Martin, “had ik net een jonge vrouw ontmoet die seminars organiseerde voor een Amerikaans bedrijf, gespecialiseerd in beloningssystemen. We besloten om een congrescentrum met 38 kamers op te starten. In die tijd was dat een echt gat in de markt.”

Het succes laat niet op zich wachten, ook al is niet iedereen te spreken over de 20 kilometer tussen Genval en Brussel. Het vijfsterrenkasteel van Genval groeit uit tot dé locatie voor seminars. Al snel volstaat één hotel niet meer. Martin gaat met de jaren dus op zoek naar nieuwe locaties en renoveert die telkens met stijl. Dat brengt het huidige aanbod op 800 kamers en heel wat vergaderzalen in 10 hotels, verspreid over Vlaanderen en Wallonië. “Door de indexatie van de lonen en de stijging van de grondstofprijzen zijn we genoodzaakt om voortdurend nieuwe kamers te creëren”, vertelt de manager. “Zo kunnen we de vaste lasten en de lonen opvangen. Die kunnen we immers niet meer verhalen op de klant zoals vroeger. We letten goed op en halen geen gekke dingen uit. Om te kunnen overleven, moet je alles goed onder controle hebben. Wij zijn een familiebedrijf. Door nieuwe hotels te openen, kunnen we ons personeel ook laten doorgroeien binnen de groep. Zo bieden we hen telkens nieuwe uitdagingen. Daardoor lopen ze niet snel over naar de concurrentie en zitten ze zich niet te vervelen na drie jaar op dezelfde plek. We weten allemaal hoe dat gaat.”

Sociaal engagement

Sinds 1981 is Martin’s Hotels volledig onafhankelijk van de ‘drankentak’ van de familie. Ze zijn bovendien de eerste hotelgroep met een EMAS-certificaat (Eco-Management and Audit Scheme), het strengste in Europa op milieugebied. Dat betekent dat al het personeel meewerkt aan de bescherming van het milieu en dat het beheer is aangepast aan de verschillende locaties. “Wat ons erg verrast heeft, was de grote interesse bij ons personeel, nochtans een mix van 37 nationaliteiten met grote mentaliteitsverschillen. Ook de klanten waren meteen gewonnen voor het idee. Zij kunnen helpen met eenvoudige dingen. Als ze niet langer dan drie nachten blijven, vervangen we de lakens niet; bij twee nachten zijn dat de handdoeken enz. Voor die eenvoudige zaken krijgen ze punten, die hen recht geven op kortingen bij hun volgende verblijf.”

Maar het bedrijf doet meer dan dat. Al 25 jaar steunt het humanitaire en sociale goede doelen. Concreet gaat € 0,50 per verkochte kop koffie of thee naar ‘En avant les enfants’, een vereniging zonder winstoogmerk die weeskinderen in Afrika helpt. Elke nieuwe klant wordt bovendien uitgenodigd om een euro te storten voor een sociaal project. Om hun CO2-uitstoot te compenseren, steunt Martin’s Hotels ten slotte de bouw van fabrieken in India die methaan omzetten in elektriciteit. Het programma ‘Tomorrow needs today’ (zie kader) voorziet ook nog andere acties.

Nieuwe kansen voor toerisme

Tien hotels onderhouden én voortdurend nieuwe locaties zoeken om te renoveren, in tijden van crisis vraagt dat om een gewiekste marketingstrategie. Toch blijft John C. Martin optimistisch. “De hotelmarkt heeft het niet makkelijk, want wij zijn de eersten die de crisis voelen. In onze sector spreken we van ‘yield management’ (rendementsbeheer), een combinatie van de bezetting en de gemiddelde prijs. Het klinkt goed om te zeggen dat er 80% bezetting is, maar als de kamers weggegeven worden voor € 30 per nacht, is er een probleem. De concurrentie is moordend in onze sector. Je moet je echt onderscheiden door een onberispelijke service, een hartelijke ontvangst, vriendelijk personeel enzovoort. Die dingen maken nu het verschil. België is helaas nog altijd weinig bekend bij het grote publiek, behalve misschien bij de Nederlanders. Sinds kort zien we wel weer meer Japanners. Dat doet ons plezier, want ze hebben het de laatste jaren niet makkelijk gehad. Er komen wel minder Russen dan vroeger. En de Chinezen investeren liever in hun eigen hotels. Tegenwoordig worden veel hote ls opgekocht door Amerikaanse pensioenfondsen. Dat is een teken dat er weer schot in de zaak zit. Als je de klok van de hotelsector bekijkt, kun je zeggen dat het net 6 uur geweest is en dat we stilaan richting 12 uur gaan. Het zijn vreemde tijden, maar toerisme zal de grootste wereldeconomie blijven en er zijn mogelijkheden om verder te groeien. Ik denk zeker dat er hoop is, maar het zal tijd vragen.”

 

Tomorrow needs today

Tien hotels in Genval (2), Rixensart, Waterloo (2), Brussel, Leuven, Mechelen en Brugge (2), 350 personeelsleden, 177.842 gasten en 63.237 maaltijden in 2011: Martin’s Hotels is op dit moment het grootste familiebedrijf in de Belgische hotelsector. Waarschijnlijk zijn ze ook het meest bezig met duurzame ontwikkeling dankzij hun programma ‘Tomorrow needs today’, dat zich richt op gasten, personeel, humanitaire acties en de aarde.

Drie concrete initiatieven ondersteunen die laatste pijler:

 de Carbon Zero-seminars, waarbinnen bedrijven de CO2 -uitstoot van hun seminars kunnen compenseren door projecten voor schone energie te steunen in opkomende landen en ontwikkelingslanden. Met die nieuwe aanpak kunnen bedrijven een duidelijk signaal geven, maar ook hun personeel stimuleren om anders om te springen met het milieu;

 de Eco-Bons: een puntensysteem dat inspanningen voor het milieu beloont bij de gasten; en

 de invoering van een milieumanagementsysteem, EMAS , voor alle personeelsleden: zaal, administratie, keuken, techniek en onderhoud.

In dezelfde geest heeft Martin’s Hotels een verklaring opgesteld over de gevolgen van de activiteiten van de groep voor het milieu, naast een reeks doelstellingen om die impact op het milieu te verminderen. Voor 2013 heeft de groep drie milieudoelstellingen vastgelegd ten opzichte van de resultaten van 2010: 5% minder waterverbruik, stimulering van ecologische en verantwoorde aankopen (producten van Belgische oorsprong en duurzame onderhoudsproducten) en vermindering van het totale afvalvolume. Duurzaamheid is hier duidelijk geen loze kreet.

 

informatie

Martin’ s Hotels
www.martins-hotels.com

Golf Château de La Tournette in Nijvel ligt op het domein van een indrukwekkende kasteelboerderij. Het is wellicht een van de mooiste clubs van het land. Was golf vroeger het privilege van de hogere klasse, dan geldt dat principe hier steeds minder. Geliefde of gehate sport? Wij gingen op ontdekking…

“Wie een golfstok in zijn handen neemt, krijgt sowieso de smaak te pakken. Maar het omgekeerde is ook waar”, zegt Bart van Stokkum, wiens familie eigenaar is van het domein. Het adellijke domein dateert uit de 16de eeuw en kwam in 1993 in handen van de familie Snijders. De golfclub viert dit jaar haar 25ste verjaardag. Investeerders richtten ze op in 1988 en kwamen daarmee tegemoet aan een groeiende vraag in België. Heel wat clubs zagen het levenslicht in die tijd.

De eerste golfbaan op het oude jachtdomein is ‘l’Anglais’, een open baan op een breed plateau dat blootgesteld is aan weer en wind en uitkijkt over het omliggende landschap. Daarna volgt ‘l’Américain’, een beboste en smalle baan. De green of aankomstplaats ligt verscholen achter natuurlijke en artificiële hindernissen, zoals water of bunkers (putten met zand). De twee golfbanen tellen elk achttien holes en zijn prachtig vormgegeven door speciale ‘golfarchitecten’. Samen met de Orival beslaan ze maar liefst 160 hectare. De heuvelige grasvelden worden perfect onderhouden door de green keepers. De laatste baan ten slotte is bestemd voor beginners en telt negen holes. Het domein van Château de La Tournette wordt het hele jaar door bezocht door spelers van alle niveaus. Maar dat is niet altijd zo geweest.

Een opvallende evolutie

Sinds enkele jaren weet golf naast de gegoede klasse ook een ander publiek te bereiken. Toch staan Belgische clubs nog altijd niet echt open voor het grote publiek, in vergelijking met andere landen. “Die openheid verschilt van club tot club. Golfclubs trekken inderdaad nog altijd een bepaald publiek aan, maar de sport zit wel in de lift”, benadrukt van Stokkum. “Golf wordt steeds populairder bij alle lagen van de bevolking. En dat is uiteraard een goede zaak, want zonder nieuwe spelers heeft de sport geen toekomst.” Iedereen is dus welkom. De club van La Tournette wil echter een referentie zijn en hecht dan ook veel belang aan de tradities en het prestige van de sport. Respect voor de etiquette en de dresscode is daarbij essentieel. Hoe prestigieus ook, de club gaat er prat op open te staan voor iedereen. “Golf draait bij ons niet om snobisme. Onze spelers komen hier om te oefenen en uit liefde voor het spel.”

Handicap, practice, driving range, green, swing… Het golfjargon is een wereld apart. Waar de sport juist vandaan komt, is niet zo duidelijk, maar vast staat dat ze al eeuwenlang beoefend wordt.


Melting pot

De perfecte mix is het nog niet, maar toch: op het kortgeknipte gazon slaan zowel gezinnen, ouderen als jongeren graag een balletje. Er zijn bijna 200 junioren, van zes tot achttien jaar. Ook de kledingsstijl ontsnapt niet aan die mix: van klassiek tot hypermodern. De Britse invloed is nog merkbaar op het terrein: de eeuwige geruite broek, truien met ruiten en traditionele poloshirts met een kraagje, tweekleurige schoenen en een pet op het hoofd, zonder de onvermijdelijke handschoenen te vergeten die golfspelers blijkbaar niet kunnen missen.

Oorspronkelijk was golf vooral een mannensport, maar stilaan komt ook daar verandering in. Ook de ladies zijn hier immers goed vertegenwoordigd. De laatste jaren ontdekken steeds meer vrouwen van alle leeftijden de golfsport. “De laatste tien jaar zijn de Ladies van La Tournette goed bezig. Ze hebben wel drie keer de Belgische interclubkampioenschappen gewonnen”, vertelt een trotse Bart van Stokkum, die ook in het directiecomité van de club zit.

Een echte sport

Petje af voor de winnende dames, want golf mag dan de perfecte ontspanning zijn, het blijft ook een sport die een behoorlijke conditie vereist. Naast precisie, beheersing, concentratie en techniek moeten de spelers ook over uithoudingsvermogen beschikken. “Een partij golf spelen betekent ook minstens zes kilometer stappen. Maar je moet ook sterk zijn, want een golfstok weegt zo’n vierhonderd gram en kan een slagkracht van meer dan een ton hebben. Het is geen krachtsport, maar je moet de bal toch zo’n 200 meter ver slaan. Dat vergt techniek en concentratie.” Ook de heuvelachtige golfbanen maken het de spelers niet makkelijk.

Initiatie voor iedereen

Wie een balletje wil slaan op de championshipbanen van achttien holes moet eerst een bepaald niveau halen. Dat wordt berekend naargelang de handicap. Voor de groentjes er te laten swingen aan de zijde van de beste spelers, besloot La Tournette om middagen te organiseren waarop geïnteresseerden kunnen proeven van de golfsport. Beginnelingen die zich helemaal willen verdiepen in de sport, kunnen ook een stage volgen. De driving range is de ideale plek om te leren lange ballen te slaan. Met 70 tot 500 meter tussen vertrek- en aankomstplaats is het wel handig om dat te kunnen. Wie wil oefenen, kan altijd terecht op de practice. Daar vind je toestellen om alle andere aspecten van je spel te verbeteren. Nadien kunnen beginnelingen het terrein van de Orival bestormen. En na inspanning volgt natuurlijk ook ontspanning. Op de kaart van het Club House staan er snacks en meer verfijnde gerechten en bij mooi weer kun je er op het terras zitten.

 

Informatie

Golf Château de La Tournette
Chemin de Baudemont, 21
B-1400 Nivelles
www.tournette.com

 

Golfkalender

• 1 en 2 juli 2013: Senior Championship AFG in de golfclub van Pierpont
• 19 augustus 2013: Super Seniors Interclub Kampioenschap, Golf du Bercuit
• 7 september 2013: finale van de ‘Challenge de la Francophonie’, in de Royal Golf Club des Fagnes-Spa
• 3 oktober 2013: finale van de AFG Ladies Cup, in de Golf Château de la Tournette

 

Golf en zaken, de perfecte combinatie

Voor heel wat bedrijven betekent de golfwereld ook een kans om hun zakenrelaties te onderhouden. De Corporate Club van Golf Château de La Tournette telt zo’n 140 leden. Ze brengt multinationals, kmo’s en zelfstandigen samen en biedt hen de juiste omkadering, met golf als thema. “Geloof me, hier worden grote beslissingen genomen”, vertelt Bart van Stokkum, een van de beheerders van La Tournette. Het kasteel van La Tournette herbergt niet minder dan zeven vergaderzalen. Er is voor ieder wat wils: groots en imposant of net klein en gezellig. De Belgische interieurarchitect die de zalen ontwierp, slaagde erin om het adellijke karakter van de oorspronkelijke ruimtes te behouden. Schilderijen in goudkleurige kaders, felrood vasttapijt, een grote ouderwetse bibliotheek… Alles is voorzien om de bezoeker onder te dompelen in de 16de eeuw, waaruit het gebouw dateert. La Tournette kan bogen op een ideale ligging, op een paar kilometer van Brussel. Naast een natuurlijk landschap biedt de club ook een platform en interessante diensten voor bedrijfsleiders: bekendheid voor hun bedrijf, networkingevenementen, golfinitiaties en -toernooien, toegang tot het speelterrein, maar ook goed uitgeruste conferentiezalen en een evenemententeam dat niets aan het toeval overlaat. Dat alles maakt van de Corporate Club een boeiende plek voor wie zijn netwerk wil uitbreiden en zijn (nieuwe of bestaande) professionele contacten wil onderhouden.

Nicolas Colsaerts is 30 en schuimt al bijna 12 jaar de professionele golfcircuits af. Het Belgische wonderkind met het witte balletje kende er zowel ups als downs. Een beetje zoals het begin van zijn seizoen. Toen eindigde hij drie keer in de top 10 (Volvo Champions in Zuid-Afrika, Accenture Match Play Championship in Arizona en Zurich Classic in Louisiana), maar sleepte geen enkele overwinning meer in de wacht en miste de cut drie keer op een rij door een paar fouten, onder andere bij de putting. Dat was het geval op de Masters, het eerste grote toernooi van het jaar. Toch krabbelt Colsaerts altijd weer overeind. Hij staat er weer helemaal voor de volgende wedstrijden, waaronder de US Open (13-16 juni in Ardmore, Pennsylvania) en de British Open (18-21 juli in Muirfield, Schotland). We ontmoetten hem op 8 mei, bij de voorstelling van het toernooi ‘Kings of Golf’, dat op 29 september plaatsvindt op de golfbaan van Knokke. Colsaerts zal er aanwezig zijn samen met twee andere internationaal bekende golfspelers, de Spanjaard Sergio Garcia en de Schot Sam Torrance. Een hele uitdaging, want tot nu toe is dit de enige Belgische demonstratiewedstrijd voor het grote publiek waaraan de globetrotter dit jaar deelneemt. Op het moment van het interview was hij trouwens al vijf jaar niet meer thuis geweest, in Waterloo. De liefde voor zijn vlakke thuisland blijft echter groot.

Nicolas, u bent net terug uit de Verenigde Staten. Daar noemen ze u de ‘Belgian Bomber’. Is dat een terechte bijnaam?
Nicolas Colsaerts — Zeker. In de States noemen ze me ook ‘The muscles from Brussels’. Dat doet hen denken aan Jean-Claude Van Damme, die dezelfde bijnaam had. Maar hij mag hem houden van mij. (lacht) Dan hoor ik liever ‘The Belgian Bomber’. Dat verwijst naar mijn slagkracht (Colsaerts is de speler met de langste drive op het circuit, met een gemiddelde van meer dan 280 meter, nvdr) en naar mijn afkomst. In een land waar ze België alleen kennen voor zijn wafels, chocolade en bier, is het al een hele eer om bekend te zijn.

Beperkt u zich zo niet snel tot een bepaalde speelstijl, die van ‘altijd zo hard mogelijk slaan’, met het risico dat ze u gek verklaren?
NC — Nee, je moet ook niet overdrijven. Uiteindelijk doe ik wat ik wil wanneer ik voor de bal sta. Ik ben al uitgefloten door het Amerikaanse publiek omdat ik een houten golfstok gebruikte in plaats van een driver bij het vertrek aan een hole. Dat slaat je in het begin wel een beetje uit je lood. Maar intussen ben ik zoiets wel gewoon.

U speelt tegenwoordig vooral in de Verenigde Staten, maar u woont er nog altijd niet. Hoe komt dat?
NC — Ik zie het niet zitten om de hele tijd in de States te zijn. Ik heb er altijd het gevoel dat alle plaatsen er hetzelfde uitzien, met dezelfde wegen en dezelfde restaurants. Daarom heb ik het nodig om af en toe naar Europa terug te komen. Niet alleen om te spelen op toernooien die ik uit het hoofd ken en om mijn speelrecht te behouden in het circuit, maar ook voor de cultuur. Ik voel me Europeaan en ik ben er trots op om Belg te zijn. Ook al ben ik er niet vaak, ik blijf wel officieel hier gedomicilieerd, bij mijn ouders in Rixensart. Als ik wat langer hier blijf, kan ik bij een vriend slapen, die een kamer voor mij vrij houdt bij hem thuis in Waterloo. Dat vind ik fijner dan in Brussel wonen, met al dat verkeer van ’s morgens tot ’s avonds.

Wat weten ze van België op het Amerikaanse circuit? En van Wallonië?
NC — België en Brussel doen nog een bel rinkelen bij sommige Amerikanen, maar Wallonië en Vlaanderen zijn volstrekt onbekend. Je moet bedenken dat er 25 Amerikaanse staten zijn die 10 keer groter zijn dan Wallonië. België is maar net zo groot als een van hun kleinste staten, dus ik ben al blij als ze ervan gehoord hebben. Dat betekent niet dat ik niet trots ben op mijn nationaliteit. Als ik de Belgische vlag zie wapperen tijdens een wedstrijd zoals vorig jaar op de Ryder Cup in Medinah (Chicago), dan geeft me dat de energie om nog een tandje bij te steken.

U komt uit Brussel, maar bent uitgeweken naar Wallonië, waar u in de Brabantse clubs van Rigenée en Waterloo hebt gespeeld. Waarom?
NC — Simpelweg omdat er in Brussel geen golfcompetitie bestaat. Een grote stad als Brussel die geen professionele golfbaan heeft, dat is jammer. Het is toch de hoofdstad van Europa! De Ravensteinbaan in Tervuren blijft een van mijn favorieten in België, maar noch de baan noch de practice zijn lang genoeg voor het pro-circuit. Waals-Brabant daarentegen heeft een hele hoop banen, waardoor golf groot is kunnen worden in ons land. Waals-Brabant is echt de wieg van de moderne golfsport in Wallonië en België.

“Luikenaren zijn absoluut de meest internationale Walen. Als je een Waal tegenkomt in het buitenland, is er veel kans dat hij uit de Vurige Stede komt.”

 

Wat zijn uw favoriete golfbanen in Wallonië?
NC —
Ik kom graag in de koninklijke clubs zoals die van Spa, Sart Tilman, Waterloo met la Marache of Henegouwen (Erbisoeul). En natuurlijk bewaar ik ook goede herinneringen aan de club van Rigenée.

Hebt u familie of vrienden in Wallonië?
NC — Familie niet. Ik ben opgegroeid in Brussel centrum. Mijn eerste ballen sloeg ik in de club van Watermaal-Bosvoorde, en ik oefende thuis verder. Mijn vader had er een net gespannen op de binnenplaats van het gebouw waar we woonden. Maar ik heb veel vrienden in Luik, nog een golfstad waar mensen zich weten te amuseren. Luikenaren zijn absoluut de meest internationale Walen. Als je een Waal tegenkomt in het buitenland, is er veel kans dat hij uit de Vurige Stede komt.

Waar gaat u graag uit?
NC — Ik toer al een paar jaar de hele wereld rond, dus ik ben niet meer echt op de hoogte en heb geen favoriete uitgaansplekken. Wanneer ik in België ben, eet ik wel graag typisch Belgisch, een lekkere tong à la meunière of garnaalkroketten. Vooral vis eigenlijk. In de Verenigde Staten is er niet veel naast steaks en hamburgers. Vroeger kende ik ook een paar goede nachtclubs, vooral in Brussel, maar ondertussen ben ik totaal niet meer mee.

Is er iets waaraan u zou willen meewerken in Brussel of Wallonië?
NC — Op dit moment ben ik bijna alleen met mijn carrière bezig. Ik heb weinig tijd om aan iets anders te denken. Ik heb wel net het Nicolas Colsaerts Coaching Team (NCTT) opgezet samen met mijn sponsor 2pm, mijn coach Michel Vanmeerbeek en mijn manager Vincent Borremans. Vorig jaar hebben we het evenement Colsaerts & Friends georganiseerd. Toen zag ik dat heel wat kinderen naar me opkeken en enthousiast golf speelden. Hun ogen straalden. Dat deed me zin krijgen om iets voor hen te doen. Daarom hebben we twee selectiedagen op touw gezet voor kinderen van 10 tot 12 jaar. Negen spelers worden opgenomen in het NCTT. Daar krijgen ze gratis tips van Mich om nog beter te spelen. Het is immers op die leeftijd dat je veel bijleert. Ik ben heel blij met het initiatief. Maar of de kinderen nu uit Vlaanderen, Brussel of Wallonië komen, maakt mij weinig uit. We zijn een te klein landje om ons daarover zorgen te maken.

www.nicolascolsaerts.com

 

Bio Express

Naam: Colsaerts
Voornaam: Nicolas
Geboortedatum: 14.11.1982
Domicilie in Rixensart

Clubs (amateur)
Watermaal-Bosvoorde (1989), Rigenée (Villers-la-Ville) en Royal Waterloo (Ohain)
Professioneel golfspeler sinds 2000

Proftitels
Omnium van België (2003),
Open van Bordeaux (2005),
Challenge van Finland en Challenge van Nederland (2009),
Open van China (2011) en Volvo World Match Play Championship in Finca Cortesin (2012)

Ryder Cup
1 selectie (2012), overwinning 13,5-14,5 van Europa in de Verenigde Staten
1pt van Colsaerts (met Lee Westwood) tegen Tiger Woods/Steve Stricker

 

Chloé Leurquin Van Waterloo naar Rio

De 22-jarige Chloé uit Waterloo werd afgelopen maart prof. Haar eerste streefdoel: zich kwalificeren voor de Olympische Spelen in Brazilië in 2016.

Chloé Leurquin is momenteel een van de grote namen bij de vrouwen in de Belgische golfsport. Een mogelijke opvolgster voor de Brabantse Florence Descampe, de enige speelster van ons land die een toernooizege behaalde op het Amerikaanse circuit begin jaren 90. Met haar 22 jaar besloot Chloé afgelopen maart om professioneel golfspeelster te worden. Een dappere beslissing, want ze moet haar studies beheersingenieur aan de UCL nog afmaken. “Ik zit in mijn eerste Master en heb nog een jaar tijd, waarin ik ook mijn scriptie moet schrijven. Ik wil graag golf spelen op topniveau en ook mijn studie afronden. Mijn topsportstatuut helpt me daarbij. Zo kan ik mijn uurrooster flexibel aanpassen in overleg met mijn profs”, vertelt ze. “Ik heb goed nagedacht over deze beslissing, samen met mijn ouders en mijn coach van Royal Waterloo, Arnaud Langenaeken. Ik heb beslist om me te concentreren op het LET Access Series circuit, de Europese Divisie 2 voor vrouwen. Mijn streefdoel is om de top vijf te halen aan het eind van het seizoen en zo een volledige kaart te hebben voor het Europees vrouwencircuit in 2014. Daarna kan ik hoger mikken, wie weet op een kwalificatie voor de Olympische Spelen in Rio in 2016.”

Het is haar grote droom, zeker omdat de jonge golfspeelster geboren is in Rio de Janeiro. Niets wees er toen op dat ze later een golfcarrière zou hebben. Op haar 11de begon ze te spelen op de greens van Louvain-la-Neuve, onder impuls van haar vader, directeur van drukkerij Evadix in Doornik. “Ik was meteen verkocht. Door alle dagen te spelen werd ik al snel een van de besten van mijn leeftijdsklasse. Daarna ging ik naar de club van Royal Waterloo. Ik kwam terecht bij de Franstalige golfvereniging en later bij het Belgian Team. De meisjes van 1990 waren heel competitief (bv. Laura Gonzales Escallon uit Waterloo, Valentine Gevers uit Antwerpen, Manon Vanmol uit Brabant en Stéphanie Dony uit Luik, nvdr). Daardoor boek je snel vooruitgang.” De laatste jaren veroverde Chloé heel wat titels, zoals die van Belgisch kampioen bij de amateurs (in 2007, 2008 en 2012). In 2010 won ze ook een match-play (een-tegen-een-toernooi). Eind vorig jaar stond ze op de eerste plaats in de Belgische ranking. Haar recentste zege betekende meteen haar eerste internationale amateurtitel. In maart won ze het Italiaans amateurkampioenschap in Castel Gandolfo, mede dankzij haar indrukwekkende kalmte en stalen wilskracht. Met zo’n karakter zou ze het wel eens ver kunnen schoppen.

www.chloeleurquin.com

Een jonge Waal reist de wereld rond om op filmsets zijn weinig zichtbare maar essentiële beroep uit te oefenen: hij is make-upartiest voor de filmindustrie. 

Net zoals decors en kostuums is maquilleren nauw verbonden met podiumkunsten in het algemeen en met de filmindustrie in het bijzonder. Om een typisch personage, een monster, een magisch of kwaadaardig wezen neer te zetten, moet het er echt uitzien. Als de kijker er niet in gelooft, mag de plot nog zo goed zijn als maar mogelijk is en kunnen de acteurs de pannen van het dak spelen, toch zal het de mist ingaan. Make-up en realistische special effects zijn daarom een fundamentele discipline en artistieke techniek, zelfs in deze digitale tijden. De acteurs in Griekse drama’s moesten destijds al trucs verzinnen om verschillende rollen te spelen. Op het podium mochten geen vrouwen staan, dus moesten mannelijke acteurs die rollen spelen. Ze droegen maskers van steen of terracotta naar het beeld van hun personage, die tegelijkertijd als een soort megafoon werkten.

Van de Grieken tot het begin van de film is make-up altijd een onderdeel van de show geweest, maar de gouden tijd breekt, door zijn impact en ensceneringen, pas aan met de zevende kunst. Sinds George Méliès is de kunst van het maquilleren al vaak overhoop gehaald, omdat ze zich heeft moeten aanpassen aan de technische evoluties, de overgang naar de kleurenfilm, de verbeterde kwaliteit van de film, 3D en de komst van digitale beelden. “Maar er zal altijd behoefte zijn aan technici die elke mogelijke make-up en elk mogelijk effect geloofwaardig kunnen maken. Het ene kan niet zonder het andere. Zelfs voor beelden die voor een green screen worden gemaakt, wordt een beroep gedaan op plastische technieken.” Lionel Lê verschijnt al langer dan negen jaar goedgemutst op de filmsets. Deze jonge Luikenaar studeerde illustratie en striptekenen aan het Saint-Luc, maar is altijd al gebeten geweest door de film. “Ik ben opgegroeid met Star Wars, Alien, de films van Romero... Het was voor mij doodgewoon dat ik plastische kunst en tekenen ging studeren. Daarna heb ik me als autodidact in de wereld van de make-up en natuurlijke effecten gelanceerd.” Het was een gewaagde carrièrekeuze, omdat er in België weinig toekomstperspectief is in de branche. “Om je brood ermee te verdienen, moet je reizen. De grote afzetmarkt is natuurlijk Noord-Amerika, maar ook in Frankrijk vind je al meer werk dan bij ons.”

Alle genres

Vaak worden make-up en realistische speciale effecten geassocieerd met fantasy-, griezel- en horrorfilms, maar in de meeste genres wordt een beroep gedaan op deze buitengewone performers. “Ik ben niet gespecialiseerd in een bepaald genre. Er is niet zoveel sciencefiction, maar het is wel het genre waar je je over het algemeen goed in kunt uitleven. Er wordt je zoveel gevraagd, van valse wonden tot de creatie van volledig fake lichamen, bijvoorbeeld voor autopsiescènes, of de creatie van objecten of het verouderen van de huid. Het zijn eenvoudige effecten die in werkelijkheid veel complexer zijn dan ze lijken”, vertelt Lionel Lê ons nog. Als de make-up niet geloofwaardig overkomt, kan de hele scène of zelfs de film daaronder lijden.

Je moet goed materiaal hebben om een meer dan levensecht effect te krijgen, maar de knowhow en de techniek zijn toch het belangrijkste. “Ik ben begonnen met kleine films, met kortfilms van een paar filmscholen om het in de vingers te krijgen en te leren hoe het er op zo’n set aan toe gaat, wat de gevoeligheden en de logica zijn.” Lê oefent zijn beroep nu al bijna tien jaar uit, maar heeft niet het gevoel dat hij alles al kent. Hij is pas sinds een jaar of vijf trots op zijn werk. “Het technische deel is erg belangrijk. Je kunt dagenlang of zelfs weken aan een afgietsel werken en pas op het einde merken dat de producten niet goed zijn of dat de verf niet houdt.” Om nog maar te zwijgen over het feit dat je een minimum aan voorzorgen moet nemen als je de hele dag met verschillende harsen en siliconen goochelt. “Je kunt niet knoeien, want je werkt toch met producten die in wezen gevaarlijk kunnen zijn. Als je een stuk sculpteert produceer je een berg stof. Daar moet je voorzichtig mee omspringen”, waarschuwt hij.

Als de make-up niet geloofwaardig overkomt, kan de hele scène of zelfs de film daaronder lijden. Je moet goed materiaal hebben om een meer dan levensecht effect te krijgen, maar de knowhow en de techniek zijn toch het belangrijkste.

 

Om voldoende ervaring op te doen moet je veel in de praktijk werken en je spiegelen aan andere professionals. En zoals vaak is het adresboekje, de contacten die je in je carrière legt, van primordiaal belang. Het is al niet eenvoudig om ingang te vinden in de filmwereld, maar het is dubbel zo moeilijk in de make-upbranche. “Er zijn veel deuren opengegaan door mond-tot-mondreclame. Als je eenmaal hebt getoond wat je waard bent, komen de contracten sneller, maar je moet er elke dag constant mee bezig zijn om je vinger aan de pols te houden, je moet nieuwe technieken leren, en op de juiste plek met de juiste mensen werken.” En om van je passie je beroep te maken mag je niet aarzelen om maandenlang naar het buitenland te gaan om mee te werken aan grote projecten. Filmprojecten, maar ook projecten voor de tv, die een grote klant blijft, en voor de reclamewereld. “Ook al hebben we in België het Tax Shelterprogramma en komt daar toch vrij veel werk uit voort, toch moet je mobiel blijven en niet op je lauweren rusten”, waarschuwt Lionel Lê. Maar voor iemand die zo gebeten is als hij, gaan de lange maanden ver van zijn geboorteland uiteindelijk nog vrij snel voorbij.

Annah, alias Nathalie Noël, verlicht uw interieur met originele sferen. De ontwerpster uit de Gaume gaat voorbij de conventionele grenzen en mengt kleuren, stijlen en periodes. In haar creaties gaat deze traditionele knowhow een nieuw leven leiden.

Nathalie Noël ontwerpt lampenkappen. Dat is tegenwoordig een ongebruikelijke en nogal zeldzame activiteit. Maar via Annah, het merk dat ze heeft gecreëerd, geeft ze dit bijzondere ambacht zijn aanzien terug. In 2010 start ze haar bedrijfje op in Nantimont, een klein gehucht in de Gaume. Ze creërt originele koepels op maat, ontwerpt designlampen. Het idee is gerijpt in de vier jaar die ze in Burkina Faso doorbracht. Nathalie Noël en haar man werken er samen met lokale ambachtslui. “Het was de bedoeling de bevolking te helpen om, naargelang van hun mogelijkheden, artisanale producten te maken voor de export. De vrouwen van het dorp konden weven. Ze maakten prachtige geweven stoffen. We hebben toen besloten lampenkappen te maken en we hebben een collectie samengesteld. Toen zijn die objecten voor mij een passie geworden. Toen ik terug in België was, wilde ik er mijn werk van maken”, vertelt Nathalie Noël. Ze is romaniste van opleiding en is eerst als autodidact aan de slag gegaan, vooraleer ze bijzondere en oude technieken is gaan studeren in Parijs.

Op maat

Van bij het begin heeft Nathalie Noël lampenkappen ontworpen naar de vraag en behoefte van haar eerste klanten. Op dit moment ontwerpt ze voornamelijk objecten op maat. Ze vertelt: “Ik kan alle vragen naar unieke lampenkappen en herstellingen aan. Ik ben zo gepassioneerd dat ik een traditionele knowhow beheers en er originele, hedendaagse creaties mee maak. Ik leg mezelf geen beperkingen op.”

Maar al snel bleek het creëren op maat niet voldoende te zijn. Nathalie Noël had zin om zelf dingen te ontwerpen. “I k heb al snel de behoefte gevoeld om me op een andere manier, artistiek uit te drukken. Zo is een goed jaar geleden het idee ontstaan om een eerste collectie samen te stellen”, verduidelijkt de ontwerpster. ”Ik wilde belangstelling creëren voor mijn werk en emotie oproepen via mijn eigen ontwerpen.”

In haar creaties speelt Nathalie met technieken, kleuren en materiaal, van zijde tot Chinees papier. “Ik meng graag elementen, periodes en stijlen. Ik weet wat vandaag de dag in is, maar bij mijn ontwerpen probeer ik dat niet over te nemen. Naast lampenkappen ontwerp ik ook lampen. Ik denk na over nieuwe lijnen”, vertelt de ontwerpster nog.

Delicate fantasie

Om de creaties die ze op papier zet tot leven te wekken, heeft Nathalie Noël zich het talent van een designer eigen gemaakt. “Ik wil emoties losweken, zien hoe het gezicht van mijn klanten oplicht als ze mijn lampen ontdekken”, licht ze toe. Nathalie Noël zegt over haar ontwerpen dat ze ‘delicate fantasie’ zijn. “Ik ben gek op kleurige stoffen met vintagemotief die bij heel wat mensen herinneringen kunnen oproepen. Maar ik werk ook graag met wit, bijvoorbeeld met Japans papier, voor geraffineerdere stukken. Ik ontwerp hedendaagse designarmaturen en ik voeg er lampenkappen met passementwerk en barokkere elementen aan toe.” Met haar merk mengt Nathalie Noël tijdperken, stijlen en waarden. “Ik doe vooral waar ik zin in heb”, voegt ze eraan toe. “Het concept en de collectie zijn gebaseerd op associaties en mengelingen.”

In de lampen en lampenkappen van Nathalie Noël gaan fantasie, schoonheid en eenvoud hand in hand. Haar ontwerpen worden bewonderd omdat ze een eigen toets aan een interieur kunnen geven en omdat ze een sfeer creëren in het hart van een huis, een ontvangstkamer of een restaurant. Nathalie Noël heeft bij de uitbouw van haar zaak steun gekregen van het Maison du Design in Mons, waardoor ze haar zaak zo groot kon maken als ze zelf wou.

Tussen ontwerpers

“Het is mijn wens om in mijn kleine ateliertje te blijven ontwerpen, om met de hand beperkte aantallen te produceren”, vertelt de ontwerpster. Op dit moment werkt ze voor haar eerste collectie aan de uitbouw van de verkooppunten. “Mijn project past perfect in de winkels van ontwerpers, in pop-upshops waarin ambachtelijke ontwerpers op het voorplan worden gezet. Mijn klanten zijn over het algemeen mensen die op zoek zijn naar een origineel object, die willen weten wat er de geschiedenis van is en wie erachter schuilgaat”, vertelt Nathalie Noël nog.

Haar collectie past ook perfect op tentoonstellingen en ruimtes voor ontwerpers, hedendaagse en moderne kunst. In december maakt haar werk deel uit van de Marché des Créateurs van het Mudam, het Musée d’Art Moderne in het Groot-Hertogdom Luxemburg. Op 14 en 15 december is haar werk te zien op Labelle in Brussel, een expositie van creatief talent.

“Mijn project past perfect in de winkels van ontwerpers, in pop-upshops waarin ambachtelijke ontwerpers op het voorplan worden gezet. Mijn klanten zijn over het algemeen mensen die op zoek zijn naar een origineel object, die willen weten wat er de geschiedenis van is en wie erachter schuilgaat”

 

De objecten van Annah blijven verbazen. “Het ontbreekt me nooit aan inspiratie. Ik heb ideeën zat. Alles geeft me input: de natuur om me heen, de kleuren, wat ik elke dag zie, en ook de klanten die ik ontmoet en wat ze me vragen… Alles is goed om een idee op te wekken en me naar mijn kleine atelier te doen lopen. Daar ben ik bijzonder creatief”, vertelt ze tot slot.

De personages van Olivier Goka zijn kleurrijk en ludiek. Ze zijn tegelijkertijd schattig en ronduit trendy. Ze zijn helemaal gemaakt van staaltjes plastic en worden zowel door kunstliefhebbers als de grote merken gewaardeerd. Ontdek het geplastificeerde – maar niet versteende – universum van een kunstenaar die met ons afval speelt.

De eerste keer was tijdens een etentje onder vrienden. Olivier Goka begon, zonder erbij na te denken, een poppetje te maken met de overschotjes op tafel – een beetje zoals wij met ons servet zitten te spelen en de tandenstoker en rietjes ombuigen. Het is geen toeval dat dat eerste werkje al meteen artistiekerig was – in tegenstelling tot wat wij in elkaar draaien – want Olivier is gepokt en gemazeld in de wereld van het beeld. 

Animatie en illustratie

Olivier Goka werd geboren in de drielandenstreek, meer bepaald in Montzen. Hij studeerde af als illustrator aan het Saint-Luc in Brussel en volgde daarna een opleiding filmanimatie. Dankzij die tweede opleiding kon hij meewerken aan de film Les Triplettes de Belleville (2003), eerst als assistent en later als animator. Het was zijn taak om de bewegingen van de nevenpersonages te verzorgen. Hij ging verder als illustrator, met cartoons die hij maakte voor onder andere de krant L’Écho, de bank ING en het ONE (Office de la Naissance et de l’Enfance). Hij maakte ook een strip voor Spirou Magazine, Antarctique Nord, waar hij zowel de tekeningen als het scenario voor verzon. Jean-Luc de beer en Bertrand de pinguïn beleven hun avonturen als bevroren onderzoekers tegen de achtergrond van de opwarming van de aarde. Alles wordt overgoten met een enorme laag humor en wordt gedragen door een mooie waaier van maffe personages, onder wie een zekere kapitein Costaud, die niet helemaal toevallig lijkt op een bekend personage.

Goka werkt het liefst met plastic

Het was dus een beetje toevallig dat Olivier Goka zijn eerste personages maakte met behulp van overschotjes. In het begin werkte hij vooral, maar niet uitsluitend met plastic. Goka gebruikt graag verschillende materialen door elkaar. Zo maakte hij de koppen van zijn poppetjes in het begin vaak van de steel van houten werktuigen. Maar gaandeweg komt het plastic meer op de voorgrond: het is makkelijk te bewerken en bestaat in alle kleuren en vormen. Bovendien is het lichter dan alle andere materialen en is het makkelijk te vinden en kost het zogoed als niets, om niet te zeggen helemaal niets. “Eerste voordeel: net als mijn vader heb ik de neiging om alles te bewaren. Plus, ik vind mijn plastic onderdelen in vuilnisbakken en op vlooienmarkten, en ik krijg ze soms van kennissen. Ik koop dus niets, dat is de enige regel die ik heb. Maar ik recycleer alles! Markers, dopjes, shampooflessen, speeltjes, opzetstukken voor stofzuigers, filters van koffiezetapparaten… de lijst is eindeloos. Ik heb een duidelijke voorkeur voor gekleurde dingen.” Maar hoewel Goka alles recupereert en op een originele manier recycleert, is hij toch geen ecologische diehard. Achter het werk van deze plastische (of plastic-) kunstenaar gaat niet een of andere filosofie schuil. Plastic biedt hem alleen de mogelijkheid om een eindeloze reeks artistieke en ludieke invalshoeken uit te proberen. Toch heeft zijn werk onrechtstreeks ook met het milieuprobleem te maken: plastic is een materiaal dat absoluut niet biologisch afbreekbaar is en maar heel beperkt gerecycleerd kan worden.

“Ik koop niets, dat is de enige regel die ik heb. Maar ik recycleer alles! Markers, dopjes, shampooflessen, speeltjes, opzetstukken voor stofzuigers, filters van koffiezetapparaten… de lijst is eindeloos. Ik heb een duidelijke voorkeur voor gekleurde dingen.”

 

Maar laten we de kunstenaar maar verder werken. In zijn atelier staat een ontelbaar aantal dozen bomvol stukjes plastic, gesorteerd naar kleur en afmetingen. Zijn werktuigen: een cuttermes, een metaalzaag en lijm. Als hij aan een tableau begint dat Bernard Babette (sinds jaren zijn vaste fotograaf) zal fotograferen, lijmt hij alleen de afzonderlijke elementen, zodat die later makkelijk gedemonteerd kunnen worden. Dan kunnen die terug worden geplaatst en – zijn credo indachtig – opnieuw worden gebruikt. Maar als hij sculpturen maakt om te verkopen, worden de elementen onderling vastgeschroefd met behulp van houten cilinders. Het moet stevig zijn en gemakkelijk te manipuleren, en mag mettertijd niet breken als het wordt verplaatst.

Plasticmanie

De beeldjes van Goka zijn buitengewoon charmant en expressief en ze veroveren de harten, niet alleen van particulieren, maar ook van de grote media en merken. Het eerste bedrijf dat ervoor viel – en daarmee in de kijker liep – was de galerie 1 / 1 in Brussel, die de tentoonstelling, Les déchets contre attaquent (De tegenaanval van het afval) organiseerde. Daarna ging het Parijse agentschap Costume 3 Pièces voor de bijl: het bestelden bij Goka ‘tableaus’, of geënsceneerde foto’s van zijn personages, voor marketing- en reclametoepassingen. Zo komt het dat zijn personages terug te vinden zijn op de affiches van de keten Shopy, het Festival van de Tekenfilm, de kalender van Pepsi Japan, het Fête de la Musique (2008), het BLBE (het Brusselse centrum voor interculturele actie), maar ook The New Yorker en The Observer publiceerden zijn werk. 

Als je de beeldjes van Goka aandachtig bekijkt, is het een amusant spelletje om te achterhalen wat het kopje of het lijf in oorsprong was. Het is alsof je het voorwerp in laagjes uit elkaar haalt om te raden hoe het is samengesteld. En dan sta je voor leuke verrassingen. Ons dagelijkse afval is een klein, levendig meesterwerkje geworden.

 

De Collectie Vonpischmeyer!

Maar de laatste meesterzet is de onwaarschijnlijke collectie Vonpischmeyer . U kent vast wel deze fantastische ontdekkingsreiziger, Léopold Vonpischmeyer. Nee? Die naam zegt u niets? Ook niet als u er uw geschiedenisboeken op naslaat? Dat is normaal. Hij is helemaal verzonnen door Olivier Goka. En toch zijn de ontdekkingen van deze verbazingwekkende laat-negentiende-eeuwse reiziger in 2012 prominent tentoongesteld in de galerie Anversville (Antwerpen) en later in het Koninklijk Museum voor Midden-Afrika in Tervuren. Met zijn plastic reproducties van Congolese beeldhouwwerken en maskers heeft Goka het publiek versteld doen staan en officieel om de tuin geleid. Ze leken sprekend, zoals dat heet. De sculpturen van Goka – sorry, van Léopold Vonpischmeyer - stonden tentoongesteld tussen de echte Afrikaanse werken en verkregen legitimiteit door hun opstelling op een centrale plaats in de vitrines. Ze wierpen op een humoristische manier en met medewerking van het museum vragen op over het statuut van het kunstwerk: wordt een voorwerp, wat ook zijn oorsprong is, een kunstvoorwerp als het in een museum wordt opgesteld? “Voor de bezoekers was het een welles-nietesspelletje. In de vitrines was het moeilijk om te zien dat het om stukjes geassembleerd plastic ging. Bij de tentoonstelling in de Botanique waren er ook gidsen, studenten, die niet op de hoogte waren en mijn werk in alle onschuld voorstelden als echte collectiestukken”, legt Olivier uit. In ieder geval staken de 45 beeldjes van Goka niet af tegen de echte collectie primitieve kunst.

 

BIO EXPRESS

2004 — Tentoonstelling Les déchets contre-attaquent (De tegenaanval van het afval) in galerie 1/1, Brussel.

2005 — Olivier Goka gaat werken voor het Parijse agentschap Costume 3 Pieces.

2007 — Persoonlijke tentoonstelling ‘De Collectie Vonpischmeyer’, Botanique (Kruidtuin), Brussel.

2013 — Voorstelling van ‘De Collectie Vonpischmeyer’ in het Koninklijk Museum voor

Vijftien gram en evenveel seconden puur geluk… Een typisch Belgische kegeltje waar je nooit genoeg van krijgt. Als kind viel Christian Maenhout voor de charme van de cuberdon en als volwassene richtte hij zijn bedrijf ‘Bonbons à l’Ancienne’ op.

Herken je dat zoete, fruitige parfum dat zo uniek is? Het tovert een glimlach op je gezicht, prikkelt je smaakpapillen en roept ontelbare herinneringen op aan je kindertijd. Diezelfde geuren komen je nu tegemoet uit een fabriek in de industriezone van Seraing, in de Luikse regio. Lekkerbekken worden er constant bekoord.

Christian Maenhout heeft een eenvoudige oplossing: geef gewoon toe aan de verlokking van de suiker. Hij maakt het nog bonter, hij laat zelfs alles achter zich en geeft er zich met hart en ziel aan over. Deze ex-werknemer van het ministerie van Financiën wil weg uit zijn kantoor en aansluiting zoeken bij de bevolking. Hij is gek op suikerwaren, en dat opent nieuwe horizonten voor hem. Gedurende een jaar leert hij de kneepjes van het vak bij een meester-banketbakker. En dan start de leerjongen zijn artisanale productie op in een atelier in Bellaire. Hij maakt er eerst repen snoepgoed en stapt dan over op cuberdons, alleen omdat hij potentieel ziet in deze snoepjes die iedereen lust maar weinig fabrikanten maken. “Het zal je nooit lukken. Het is veel te ingewikkeld. Je zult er je tanden stuk op bijten!” Hij laat zich niet ontmoedigen door zijn collega’s en probeert het recept gedurende zes maanden uit. Hij zet door, laat zich adviseren, komt in de praktijk tot nieuwe inzichten en het wonder geschiedt: hij komt tot een meesterlijk recept. De bestellingen stromen toe en zijn voorraad vliegt de deur uit.

In 2005 doet zich een unieke gelegenheid voor. Hij kan voor een betaalbare prijs een machine kopen waarmee hij op grote schaal kan produceren en aan alle bestellingen tegemoet kan komen. De fabricage wordt wel geautomatiseerd, maar het recept blijft helemaal hetzelfde en het blijft dus een artisanaal product. Om de vijftien meter lange machine op een goede manier onderdak te kunnen bieden, investeert de suikerwarenfabrikant in een gebouw, goederen en personeel. Het betekent het einde van de ambtenaar van het ministerie en de geboorte van de bedrijfsleider.

Er gaat niets boven de oude recepten

Neuzeke, tsoepke, topneus… dit snoepje van het eind van de 19de eeuw heeft heel wat namen. De oorsprong is niet bekend, maar het gaat zeker om een Belgisch snoepje, hoewel niemand echt weet of het nu Vlaams, Waals of Brussels is. Volgens de legende werd het recept toevallig ontdekt door een leerjongen die een fout maakte. Het is maar één van de vele legendes.

In meer dan honderd jaar zijn de ingrediënten niet veranderd: geraffineerde suiker uit Tienen, glucose, varkensgelatine (voor de elasticiteit), natuurlijke aroma’s, natuurlijke kleurstoffen en Arabische gom (acaciaextract).

De fabricage is technisch complex, maar eenvoudig uit te leggen. In eerste instantie wordt vloeibaar zetmeel in een mal gegoten. Dan wordt de suikerstroop toegevoegd. De snoepjes worden gedurende zes dagen gedroogd in een droogkast die in een kamer wordt geplaatst waar het constant 50 graden warm is. Op de zevende dag worden de cuberdons uit de mal gehaald.

Dan komt het langverwachte moment van de degustatie. “Hoe sneller je hem eet, hoe lekkerder die is!” Op die manier is de korst van de cuberdon minder gesuikerd en minder dik. “De textuur en de stroop zijn de sterke punten van mijn snoep. De echt lekkere cuberdon moet in je mond smelten zonder een te uitgesproken suikerig effect te hebben.” Wat voor de ene kwaliteiten zijn, kunnen voor de andere zwakke punten zijn. Zo hebben de snoepjes van het concurrerende Geldhof, die je herkent aan de letter G, een dikkere korst en een meer gesuikerd binnenste. Iedereen zijn eigen smaak, nietwaar?

Eigen aan ‘Bonbons à l’Ancienne’ is het gevarieerde aanbod van smaken. Naast de traditionele frambozensmaak (Sweet Cuberdons) hebben ze nog een dertigtal andere smaken. We noemen er maar een paar: violet, kers, appel, aardbei, citroen, en ook een aantal verrassender, zoals kiwi, pistache, gember, speculoos en chocolade, en een aantal cuberdons met alcoholsmaak, op basis van champagne, Cointreau en Amaretto.

Er komen ook afgeleide producten in de winkels: mini-frambozencuberdons die je in een glas champagne dropt, stroop, aperitief, roomijs en een eetbare lichaamscrème.

Op dit moment produceert het bedrijf vooral cuberdons, aangevuld met snoeprepen, Arabische gom en carabouya. We spreken over 700 tot 800 kilo cuberdons per dag, oftewel zo’n vijf ton per week en een twintigtal ton cuberdons per maand.

Christian Maenhout heeft zijn kinderdroom waargemaakt. Hij zet de traditie voort dat brave kinderen beloond worden met een uitzonderlijk snoepje. Neemt u er nog eentje?

 

Cuberdons voor de export

“Op de klassieke producten na kun je suikerwaren helaas niet makkelijk exporteren.” Het gaat het bedrijf ‘Bonbons à l’Ancienne’ voor de wind, met z’n tiental werknemers in de fabriek en de onderaannemers, waaronder een sociale werkplaats in Waremme die voor de verpakking zorgt.

Op de Belgische markt gaat de voorraad cuberdons vlot de deur uit, vooral in de supermarkten. Onder andere Delhaize verkoopt de producten van het bedrijf uit Seraing onder de naam Sweet Cuberdons. Het lijkt ongelooflijk, maar cuberdons zijn in het buitenland nauwelijks bekend. Christian Maenhout grijpt alle kansen aan om ze bekend te maken, onder andere op de suikerwarenbeurzen van Keulen en Parijs. Er wordt ook onderhandeld met de Galeries Lafayette in Parijs en Harrods in Londen. “Ik zou er zo trots op zijn als cuberdons zo bekend en gewaardeerd zouden worden als de Luikse wafels.”

Ondernemingen die de internationale markt op willen, lopen grote risico’s op het vlak van traceerbaarheid en staan voor een hoop administratieve rompslomp. De Luikse suikerwarenfabrikant is daar niet bang van, als hij maar wordt ondersteund door een financiële investeerder, wat vandaag nog niet het geval is.

Er zijn voorstellen gekomen uit de Verenigde Staten en China, maar bij gebrek aan financiële middelen, materiaal en personeel is hij er niet op kunnen ingaan. “Het heeft geen enkele zin dat je ogen groter zijn dan je buik… Maar ik geloof erin dat er iemand de zaak overneemt, er geld in pompt en het bedrijf dat ik met mijn eigen handen heb opgebouwd groter maakt.”

Nieuwe tentoonstellingen in het museum van 25 januari tot 18 mei 2014

Gilles Caron
Le Conflit intérieur / Het innerlijke conflict

Gilles Caron [Frankrijk 1939-1970] heeft in enkele jaren zijn stempel gedrukt op de wereld van de fotografie. Als jonge gepassioneerde en stoutmoedige journalist heeft hij het genre van de fotoreportage vernieuwd. In 1968 richt hij, samen met Raymond Depardon, het agentschap Gamma op en valt hij zeer snel op door alle grote conflicten van die tijd te verslaan: het Nabije Oosten, Vietnam, Tsjaad, Ierland, Biafra. Hij is op alle fronten aanwezig tot 5 april 1970, dag waarop hij in Cambodja verdwijnt in een zone die in handen is van de Rode Khmer.

Caron verwierf niet alleen bekendheid als oorlogsreporter, hij slaagde er ook in op opmerkelijke wijze de geest van de jaren zestig vast te leggen. Film [de Nouvelle Vague], mode, chanson, revolterende jeugd, politiek… maken deel uit van zijn grote onderwerpen, onderwerpen die hem inspireren tot buitengewoon opmerkelijke beelden. Zijn levendig verslag van Mei 68, en meer bepaald de beroemde foto van Daniel Cohn-Bendit die een CRS uitdaagt, maakt deel uit van ons collectieve geheugen.

Het oeuvre van Gilles Caron ligt in de lijn van de grote traditie van de fotojournalistiek, maar het kondigt eveneens de beginnende crisis ervan aan. Deze crisis komt tot uiting onder vorm van een jammerlijk besef dat een kritiek inhoudt ten overstaan van het beroep. Dat ‘innerlijke conflict’ van Caron is dat van een hele generatie die zich vragen stelt over de draagwijdte van de getuigenis via beelden en meer algemeen over de zin van actie. Bij Caron bevindt de oorlog zich vóór het objectief, maar ook in de kern van het geweten van de fotograaf.

De tentoonstelling Gilles Caron, Le conflit intérieur, samengesteld door Michel Poivert, toont in 150 beelden en documenten, afkomstig van de ‘Fondation Gilles Caron’, het ‘Musée de l’Elysée’ en private collecties, het werk van een fotoreporter die nooit opgehouden heeft de doelmatigheid van zijn engagement in twijfel te trekken. Vertrekkend van de archieven – vintage prints, negatieven, contactbladen, oude documenten – laat de tentoonstelling ons toe een van de belangrijkste figuren van de fotojournalistiek uit de tweede helft van de 20ste eeuw te herontdekken.

Jours de guerres / Oorlogsdagen

De tentoonstelling van Gilles Caron in de kapel van het Musée de la Photographie, Le Conflit intérieur is een belangrijke retrospectieve van het oeuvre van deze Franse fotoreporter die, van 1965 tot aan zijn tragische verdwijning in Cambodja in april 1970, over talrijke conflicten bericht heeft.

Analoog aan deze tentoonstelling heeft het collectiebeheer van het museum een selectie gemaakt uit zijn fondsen met het doel de fotografische praktijk van Caron te schetsen binnen de fotojournalistiek van zijn tijd.

Een fotocollectie wordt inderdaad samengesteld rond diverse thema’s en reflecties, door middel van aankopen en giften, maar ook in de loop van de ontmoetingen met diverse fotografen. De sociale documentaire en de fotojournalistiek zijn cruciaal om de geschiedenis te begrijpen, maar eveneens de geschiedenis van de fotografie. De collectie van het museum getuigt hier meer bepaald van door meer dan 150 jaar van de geschiedenis van de reportage te vertegenwoordigen, vanaf de beelden van de Krimoorlog tot de recente actualiteit, via de Parijse Commune, de twee wereldoorlogen, Vietnam, de genocide van Rwanda en zelfs de sociale conflicten.

Voor de selectie voor ‘Jours de guerre’ werd vertrokken van de plaatsen waar Caron gewerkt heeft - we denken aan Mei 68, de Zesdaagse Oorlog, de oorlog in Vietnam, de Praagse Lente - maar omvat ook de praktijkjaren van Caron en de evenementen waarover hij niet bericht heeft, zoals bijvoorbeeld de inname van Stanleystad, omdat hij in beslag werd genomen door andere conflicten.

Een twintigtal beelden van de grote namen uit de fotojournalistiek worden tentoongesteld in de kloostergang. Sommige zijn zelfs iconen geworden van de sociale bewegingen, meer bepaald de foto van Marc Riboud tijdens de anti-Vietnambetogingen, of ook nog die van Franz Pans en van Claude Dityvon in het bijzonder. Andere zijn qua emotie even krachtig, zoals die van Philip Jones Griffiths, reporter van het agentschap Magnum, met zijn getuigenissen over de oorlog in Vietnam. Nu eens worden de burgers die die oorlog ondergaan op het voorplan geplaatst, meer bepaald met Leonard Freed, dan weer wordt de aandacht gevestigd op de plaatsen zelf, zoals Craig Barber, voormalig G.I., die jaren later teruggekomen is in die verlaten dorpen. De kracht van het ogenblik is in zijn volle omvang duidelijk bij Dick Durrance, in Vietnam op het hoogtepunt van het conflict, of bij Josef Koudelka die het ontketenen van de oorlog suggereert.

Samen met de 25 jaar ‘Visa pour l’image’ in Perpignan, getuigt deze tentoonstelling in het Musée de la Photographie van de plaats die de fotojournalistiek heeft ingenomen in onze geschiedenis en in onze collectie. De meesters die tentoongesteld worden aan de zijde van Caron weerklinken als een echo van de huidige generatie, die aanwezig is in de permanente collectie van het Musée de la Photographie.

Claire Chevrier
Charleroi

Het Musée de la Photographie heeft aan Claire Chevrier voorgesteld een fotoreportage over Charleroi te realiseren. Deze kadert in de opdrachten waarvoor het museum het initiatief heeft genomen om de sporen van een stad in verandering te bewaren. Gedurende meerdere weken en tijdens vier verblijven heeft de Franse fotografe Claire Chevrier de stad en haar omgeving doorkruist. Van deze onderdompeling in Charleroi bezorgt zij ons in een dertigtal kleurenfoto’s haar visie op de stad.

Over deze opdracht heeft Claire Chevrier het volgende geschreven: “Ik ben onmiddellijk willen beginnen bij de directe omgeving van de stad, haar structuur en haar grenzen begrijpen, de wijken bekijken en de stromen begrijpen. Het was belangrijk zoveel mogelijk buiten te werken op zonnige dagen, ik wilde vooral geen donkere lezing toevoegen door middel van somberheid, maar wel dat men zich integendeel concentreert op de samenstelling van de modules die de stad vormen. Bij een tweede bezoek ben ik van de rand naar het centrum gegaan maar met dezelfde demarche. Ik wilde plaatsen observeren die gewijd waren aan de arbeid, ondernemingen in diverse sectoren, en niet binnengaan in appartementen, in de intimiteit. Het kiezen van afstanden, camera-instellingen, details… is een bevraging van de ruimte. Hoe men een ruimte bevat, hoe me een afgebakend oppervlak structureert [oppervlak van de ruimte en die van de foto], ruimtes in afwachting, waar zich verschillende geschiedenissen zouden kunnen afspelen. Generische beelden, open ruimtes, dat is wat mijn werk beoogt.” Claire Chevrier werd geboren in 1963, zij leeft en werkt in Parijs en Mayet. In 2007-2008 resideerde zij in de Villa Medicis in Rome. Zij heeft verschillende belangrijke individuele tentoonstellingen gerealiseerd : in 2005, in het Musée Nicéphore Nièpce van Chalon-sur-Saône, met haar werken die het resultaat zijn van verschillende jaren onderzoeksreizen naar diverse megapolissen [Bombay, Rio, Lagos, Cairo…]. Recent hebben er verschillende monografische tentoonstellingen plaatsgevonden : In het Centre de la photographie Île-de-France, in Pontault-Combault en in ‘la Salle Blanche’ van het Musée des Beaux- Arts van Nantes in 2009 ; de tentoonstelling ‘Connivence I’ in het Musée de l’Image in Épinal in 2011, en ‘Il fait jour’ in het Centre Régional de la Photographie van Douchy-les- Mines in 2012, evenals de tentoonstelling ‘Camminando’ in de Villa Medicis in Rome. Claire Chevrier heeft sinds 2005 eveneens deelgenomen aan verschillende groepstentoonstellingen.

Bovendien is zij sinds 2012 docente aan de École Nationale Supérieure d’Architecture van Versailles.

Met de steun van de stad Charleroi, Wallonië, de Fondation Mons 2015 en Ores.

De Belgische Aristide Spies werd onlangs derde op het Wereldkampioenschap voor sommeliers in Tokio. Al van zijn 12de zit hij met zijn neus in de wijn. We ontmoeten hem in de Cave du Sommelier in Habay, waar zijn talent goed van pas komt.

Het klinkt ongelooflijk, maar Spies ontdekte de wereld van de wijn toen hij nauwelijks twaalf was. Niet door de restjes op te drinken op familiefeestjes, maar na een vakantie in de Périgord, waar hij geboeid raakt door het landschap, maar ook door de wijngaarden. “Toen we terugkwamen, heb ik aan mijn ouders gevraagd of ik me mocht inschrijven voor avondlessen wijnproeven in Aarlen. Je moest 16 jaar zijn om je in te schrijven, maar met een trucje kon ik me inschrijven als vrije student. Zo heb ik in vijf jaar tijd 5 modules gevolgd, elke zaterdagochtend, naast mijn middelbare studie. Op mijn 16de mocht ik me officieel inschrijven.”

Ondertussen trekt hij elk jaar naar de Champagne, waar hij druiven plukt en bij gelegenheid ook wijnstokken snoeit bij een vriend van de familie. Hij is geïnteresseerd in gastronomie, volgt kookcursussen in avondonderwijs en doet stage in restaurants als Clémarais in Aubange of Lea Linster in het Groothertogdom Luxemburg. Na zijn laatste jaar middelbare school trekt hij als uitwisselingsstudent naar Melbourne in Australië. “Ik heb er natuurlijk de taal geleerd, maar vooral mezelf leren kennen. Je moet zelf je plan leren trekken, ook al staat je gastgezin klaar om je te helpen.” Zijn Australische ‘ouders’ merken zijn interesse voor wijn op en regelen stages voor hem tijdens de schoolvakanties in wijnstreken rond Melbourne. “Ik heb bij verschillende wijnbouwers gewerkt, onder andere bij Kooyong en De Bortoli. Daar heb ik echt wijn leren maken. Ik was de helper van de keldermeester, maar op het eind van de dag lieten de vinologen me hun assemblages proeven.”

2007 is ook het jaar waarin hij, met slechts 3 weken tussen, de eerste plaats behaalt op de wedstrijd voor ‘Beste sommelier van België’, georganiseerd door de Sommeliersgilde, en op die voor ‘Beste sommelier van België’ van Gastronomieclub Prosper Montagné.


Op naar de horeca

Spies is er intussen van overtuigd dat hij sommelier wil worden, een flexibeler beroep dan dat van vinoloog. Hij wint inlichtingen in over het beroep in de grote restaurants van Melbourne en bij zijn terugkeer naar België neemt hij contact op met de sterrenrestaurants in zijn provincie. “Natuurlijk heb ik even getwijfeld of ik terug naar Australië zou gaan, maar de afstanden daar zijn immens, de wijnbouwers voelen er zich heel geïsoleerd. Terwijl je hier na een uur rijden al in een andere wereld bent. Ik solliciteerde bij de Forges du Pont d’Oye, waar Pascal Carré werkte, die meerdere keren tot beste sommelier van België werd bekroond. En twee weken na mijn terugkomst ben ik aangenomen. Ik heb er vier maanden gewerkt als eerste rangkelner en daarna vijf jaar als tweede sommelier. Nadat ik Pascal 3 jaar lang had vervangen, ben ik in 2007 bij hem gaan werken in de Cave du Sommelier in Habay, toen het restaurant de deuren sloot.”

Alleen tegenover de jury

2007 is ook het jaar waarin hij, met slechts drie weken tussen, de eerste plaats behaalt op de wedstrijd voor ‘Beste sommelier van België’, georganiseerd door de Sommeliersgilde, en op die voor ‘Beste sommelier van België’ van Gastronomieclub Prosper Montagné. Tot nu toe slaagden slechts vier Belgische sommeliers erin om beide prijzen in hetzelfde jaar te winnen. Daarna volgen de wedstrijden elkaar snel op. In 2008 het Europees kampioenschap in Bulgarije (halve f inale), in 2010 het Wereldkampioenschap in Chili (kwartfinale), afgelopen maart het Wereldkampioenschap in Tokio dat om de drie jaar plaatsvindt en waar hij derde werd, en het Europees Kampioenschap in San Remo waar hij zesde werd. “Een wedstrijd voor sommeliers is geen boxmatch, waar je zo hard mogelijk op de andere moet slaan om te winnen. Hier sta je helemaal alleen tegenover de jury en de glazen. Je moet alles geven. Ik hou van die competitiegeest.”

Het is een vreemd beroep, dat van sommelier. Vaak zijn het jonge mensen – de combinatie avondwerk en gezinsleven is immers niet zo vanzelfsprekend – en ze moeten over heel wat verschillende talenten beschikken. “Eerst en vooral moet je een grote theoretische kennis hebben van wijn en gastronomie, maar ook managementvaardigheden”, legt Aristide Spies uit. “Een kelder is immers het financiële hart van een restaurant. Een vergissing van de sommelier kan dus grote gevolgen hebben. Je moet wijn kunnen kopen en verkopen aan de juiste prijs. Ten slotte, en dat is essentieel, moet je gevoel hebben voor service. Als je het niet leuk vindt om de klanten te ontvangen en hen een aangename avond te bezorgen, zullen ze maar één keer komen.”

Maar eet- en drinkgewoontes veranderen, en daar zit de crisis voor iets tussen. “Mensen gunnen zichzelf nog een menu van € 100, maar ze vragen wel een fles van € 45. Dat was 10 of 20 jaar geleden niet het geval. Iedereen heeft tegenwoordig ook een smartphone en kan de wijnprijzen online checken. De prijs op de kaart moet dus gerechtvaardigd zijn en de wijnkeuze origineel. Dat is iets nieuws, waar sommeliers rekening mee moeten houden. Sommige restaurants hebben dat gelukkig begrepen en nemen nog maar € 20 of 25 winstmarge op de prijs van een wijnfles in plaats van drie keer zoveel te vragen. Er is ook meer vraag naar wijn per glas. Minder drinken, maar beter. Mensen betalen liever twee glazen van € 8 of 10 dan een fles van € 50 of 60. Sommeliers moeten zich aanpassen aan die nieuwe trend.”

Een kelder is immers het financiële hart van een restaurant. Een vergissing van de sommelier kan dus grote gevolgen hebben. Je moet wijn kunnen kopen en verkopen aan de juiste prijs.

 

Your opinion counts