Waw magazine

Waw magazine

Menu

Begrijp ons niet verkeerd. Uw foltering? Genieten van de eenvoudige en verfijnde keuken van Le Pilori (schandpaal) in Écaussinnes, stad der liefde. Met Michel Van Cauwelaert in de keuken en Marc Leveau in de zaal vertrekken we op culinaire ontdekkingstocht.

Marc Leveau en Michel Van Cauwelaert zijn jeugdvrienden sinds meer dan veertig jaar. Het is geen toeval dat ze van hun passie hun beroep hebben gemaakt waar ze elk hun persoonlijke toets inbrengen. Ze zijn allebei als vrije leerling ingeschreven aan de hotelschool wanneer ze beslissen om apart ervaring op te doen bij de grote chefs. Ze verdiepen zich in de keukens van anderen, waarna ze terugkeren naar hun roots en samen Le Pilori overnemen. Al 22 jaar vullen de twee chef-koks elkaar aan. In het begin stond Michel in de zaal en Marc aan het fornuis. Ondertussen hebben ze de rollen gewisseld. “Michel staat liever tussen zijn kookpotten. Ik houd van contact en voel me meer in mijn element in de zaal”, zegt een ontspannen Marc, die een groot wijnkenner is. Hij voegt toe: “Het is een voordeel het vak van de andere te kunnen begrijpen en elkaars moeilijkheden te kennen.” Dit uitgebalanceerde evenwicht geldt ook voor het personeel. “We hebben het geluk dat we werken met een stabiel team waarin iedereen elkaar kent. Er zijn weinig personeelswissels.” Als goede huisvaders slagen de twee mannen erin om hun loopbaan en hun gezinsleven in evenwicht te houden. “Één weekend per maand de deuren openen bijvoorbeeld, helpt ons daarin te slagen en zorgt ervoor dat we met de glimlach komen werken.”

Le Pilori in het begin 

Naast zijn eigen kleine wereld waarin iedereen zich nestelt en zich goed voelt, is restaurant Le Pilori ook hartverwarmend door zijn ligging en zijn kader. Op enkele stappen van de imposante burcht in het afgelegen dorp Écaussinnes-Lalaing heeft de buitenkant van de zaak zijn rustieke look behouden dankzij zijn oude stenen. Zodra je binnenstapt, wint het eigentijdse cachet het echter van de overblijfselen uit het verleden. Een verleden dat de twee vrienden na vele jaren hebben kunnen vervangen. Als trekpleister voor de streekkenners heeft café-restaurant Le Pilori al meer dan 80 jaren horeca op zijn teller staan. Destijds moest je nog het nummer 318 vormen om een tafel te reserveren. Le Pilori ging van de ene generatie over op de andere en heeft grote veranderingen gekend, zowel qua kaart als qua inrichting: eigentijds gemaakt door hoekige en ronde vormen samen te brengen. “We waren het oude interieur beu en hebben het zeven jaar geleden opgeknapt en ingericht naar onze smaak”, zegt Marc. De lampen die van kleur veranderen, de grote koperen bijenraten in een cirkelvorm in het plafond of het dominante groen op de muren, het interieur is levendig en dynamisch, naar het evenbeeld van de twee makkers.

Als trekpleister voor de streekkenners heeft café-restaurant Le Pilori al meer dan 80 jaren horeca op zijn teller staan.


De innovaties

Om de zaak naar hun smaak in te richten hebben de twee mannen een beroep gedaan op plaatselijke mankracht en een Waalse architect. Ze kopen vooral bij Belgische invoerders aan, wegens de hoge Belgische eisen voor voeding. Toch verkopen ze ook ambachtelijke producten zoals armagnac of specerijen van Ingrédients du Monde. Onze twee handlangers, steeds op de uitkijk voor nieuwe technieken en nieuwe productcombinaties om hun kaart te vernieuwen, inspireren zich zowel op hedendaagse stromingen als op de borden van hun concurrenten. Hun motto is “vermijden om het basisproduct te denatureren”. Hun nieuwigheid bewijst het. Le Pilori is het enige restaurant ter wereld dat champagne aanbiedt die 10 minuten voordien is gedegorgeerd. De champagne wordt aangekocht tijdens het productieproces, nog voor er dosagelikeur aan is toegevoegd, en wordt met de hals naar beneden bewaard. Voor aroma’s die natuurlijker en authentieker zijn... echte champagne zonder suiker om van te genieten met mate. Of niet!

 
informatie

Le Pilori
Rue du Pilori, 10
B-7191 Écaussinnes-Lalaing
+32(0)67 44 23 18
[email protected]
www.pilori.be

Een seminarie of een huwelijksfeest op het water? Waarom niet? Boat for you vervult al vier jaar de wensen van particulieren en professionals en biedt een luxueus kader voor een feest in stijl. Inschepen maar!

Aan de voet van de citadel van Namen liggen twee opvallende boten naast elkaar aangemeerd. Op een ervan hangt een bord met ‘Boat for You: votre événement à bord’ (uw evenement aan boord). Eigenaar Bernard Schorkops gaat ons voor. De vloer kraakt, het metaal blinkt en door de raampjes zien we het water van de Maas rustig kabbelen. Hier worden alle mogelijke recepties gehouden. De kapitein voelt zich duidelijk als een vis in het water.

Hij is de bedenker van het gedurfde concept. In 1998 kocht hij na lang nadenken een eerste schip. Het definitieve project kreeg pas zo’n tien jaar later vorm. Sindsdien stromen klanten toe met de meest uiteenlopende profielen. Bedrijfsleiders of particulieren, ze zijn allemaal even enthousiast zodra ze voet aan dek zetten.

Ook Schorkops is er nog steeds verbaasd over. Hij groeide op langs de oever van de rivier en beschouwt zichzelf als een ‘kind van de Maas’. “Ik heb water nodig om me heen.” Zijn passie voor watersport ontstond in zijn kinderjaren en veranderede langzamerhand in een manier van leven. Hij deed aan waterskiën, zeilen en speedbootracen. “Waarschijnlijk heb ik vroeger te veel naar The Love Boat gekeken. Het was misschien een kleffe tv-serie, maar de mooie verhalen zetten mensen wel aan het dromen. Een boot waarop je al je zorgen vergeet… Dat idee blijft mensen aanspreken, zelfs na al die jaren. Ook nu nog zie je hetzelfde effect. Wanneer de gasten aan boord gaan en het feest begint, leggen ze de link en komt er een dromerige glimlach op hun gezicht. De meeste mensen stappen niet zo vaak aan boord van een schip, dus dat spreekt tot de verbeelding.”

Wij zijn uniek doordat we niet alleen een zaal verhuren, maar ook een volledig arrangement aanbieden, op maat van de klant. We bieden een totaalpakket met geluid, licht, inrichting, maaltijden… Alles erop en eraan.

 

Op de boot worden er heel wat verschillende activiteiten georganiseerd, van privérecepties (huwelijken, verjaardagen, familiefeesten…) tot zakelijke evenementen (seminars, conferenties, zakenmaaltijden, productlanceringen, personeelsfeesten…). Elke klant geniet van een persoonlijke aanpak. “Ik besteed heel veel tijd aan de voorbereiding van de evenementen, zodat ze vlekkeloos kunnen verlopen. Wij zijn uniek doordat we niet alleen een zaal verhuren, maar een volledig arrangement aanbieden, op maat van de klant. We bieden een totaalpakket met geluid, licht, inrichting, maaltijden… Alles erop en eraan.” Voor de keuken rekent de kapitein op zijn trouwe medewerker, traiteur Pierre Paulus. Hij was er al bij toen het avontuur van start ging. De twee mannen varen blind op elkaar, en wekken datzelfde vertrouwen bij hun klanten.

Belrive en Cap Meuse

Misschien vinden sommige mensen dat jammer, maar zeeziek zul je hier niet worden. De twee boten Belrive en Cap Meuse liggen permanent aangemeerd op het haast onbeweeglijke water van de rivier. De Belrive was Schorkops’ eerste aankoop. Het schip dateert van 1935 en is 39 meter lang. De oude tanker komt uit Gent en diende om plantaardige olie te verschepen in de haven van de stad. De Cap Meuse is 28 meter lang, dateert uit 1956 en werd gebruikt als baggerschip. Groot pluspunt van Boat for You is de ligging: een feestzaal op een steenworp van het historische centrum van Namen. Daarmee heeft Bernard een mooie troef in handen.

Binnenkort kunnen liefhebbers van boottochtjes inschepen op de Astaga. Zodra die helemaal opgeknapt is, zal hij ingezet worden als ‘boottaxi’ en ‘varend restaurant’ voor maximaal twaalf personen.


De verschillende dekken van de twee schepen vormen polyvalente en modulaire zalen, volledig uitgerust met geluid, licht en projectiemateriaal. Ze bieden ruimte aan 150 gasten. Ook over de inrichting is nagedacht. “Het typische karakter van de boot is al toonaangevend voor de inrichting. De authentieke eigenschappen komen terug in het interieur: een vloer in notenhout, metalen elementen in messing, patrijspoorten… Het heeft alles wat je van een boot verwacht. Ik heb vooral geprobeerd om die aparte sfeer die plezierboten eigen is te behouden, een mengeling van luxueus en klassiek.”

Drijvende limousine

Binnenkort kunnen liefhebbers van boottochtjes diezelfde sfeer terugvinden op de Astaga, een Nederlandse rondvaartboot uit 1965 van 22 meter lang. Zijn unieke naam dankt hij aan de scheepvaarttraditie, en is een versmelting van de eerste letters van de voornamen van de drie kinderen van de eigenaar - Astrid, Tanguy en Gauthier. Zodra de Astaga helemaal opgeknapt is, zal hij ingezet worden als ‘boottaxi’ en ‘varend restaurant’ voor maximaal twaalf personen. Een origineel luxeproduct, dat misschien nog het meest op een drijvende limousine lijkt.

En nu? Schorkops guitige lachje doet vermoeden dat zijn hoofd nog barst van de ideeën. “We hebben plannen voor een vierde boot, in een totaal andere stijl. Maar het is nog te vroeg om daarmee naar buiten te komen.”

Veel projecten, maar ook veel risico’s. De zakenman blijft dus voorzichtig. “We bieden geen alledaags product aan. Je kunt maar beter voorbereid zijn op de keerzijde van de medaille. Onze klanten zijn op zoek naar iets speciaals, maar dat betekent ook dat ze geen tien keer naar dezelfde boot zullen terugkomen zoals ze dat wel doen in een hotel. Maar we mogen zeker niet klagen. Ondanks het heersende instabiele klimaat en de zware investeringen lopen de zaken goed!”

 

informatie

Boat for You, votre événement à bord !
Bernard Schorkops
+32 (0) 475 49 38 90
[email protected]
www.boat-for-you.com

 

Luik langs de Maas

De coöperatieve vennootschap Liège au fil de Meuse (Luik langs de Maas) stelt tot 31 oktober in samenwerking met de Provincie Luik elektrisch aangedreven (en dus niet-vervuilende) schepen ter beschikking van het grote publiek. Doel: de Maas teruggeven aan de Luikenaars. Of zoals scheepvaartfanaat en een van de initiatiefnemers van het project Jean-Louis Schmetz zegt: “Het is een manier om de stad opnieuw te ontdekken vanuit een ander gezichtspunt en de stroom in de kijker te zetten.” Vanaf € 40 per uur gaat u als leerling-schipper aan boord van het binnenschip ‘Sayanora’, dat aan het begin van het Boveriepark ligt. Maakt u zich geen zorgen. Iedereen mag en kan het schip besturen. Ook zonder vaarbewijs. Want het vaart niet sneller dan 10 km/u. De enige voorwaarde is dat u 18 jaar of ouder bent. U vaart door Luik, van de Atlasbrug tot de Fragnéebrug. Tijdens de tocht ontdekt u in de ene richting het Paleis van de Prins-Bisschoppen, de neogothische Grand Poste en het Grand Curtius museum. En in de andere richting de jachthaven, de duiker en na het Congrespaleis de waterstraal. Het is ook mogelijk om de vaartocht te verlengen tot aan Visé of het eiland Monsin. U kunt de schepen ook voor een halve dag of langer huren. Momenteel kunt u met maximaal vijf personen ‘inschepen’. Maar binnenkort zal de watersportbasis beschikken over 7 schepen met 5 plaatsen en over 2 schepen met 10 plaatsen.

www.facebook.com/LiegeAuFilDeMeuse

De Route Merveilleuse is voor hem een professionele springplank geweest. Sinds vijf jaar biedt Thierry Pierre ritjes met de segway aan op de Citadel van Namen. Origineel en absoluut niet vermoeiend. Je moet enkel naar voren leunen en de machine doet de rest.

Hij zat altijd stil, door de pijn in zijn knieën, maar op een dag f luisterde een stem hem in: “Leun en ga vooruit!” en dus begon hij de Citadel van Namen te beklimmen, in twee tellen en met een paar bewegingen. Hij leek de rattenvanger van Hamlen wel, want in zijn kielzog volgde een rist fluorescerende mannetjes met helmen op. Ze waren verrukt doordat ze zich zo moeiteloos konden voortbewegen op de bochtige hellingen van dit bolwerk, dat eeuwenlang aanvallen van de grootste veroveraars weerstond. Dit is niet het verhaal van Lazarus of een sprookje van de gebroeders Grimm, maar wel degelijk het avontuur dat Namenaar Thierry Pierre beleefde. Sinds vijf jaar biedt hij een heel originele manier om een bezoek te brengen aan de Waalse hoofdstad en het pronkstuk ervan, de citadel. U heeft het vast al gezien, dat ding met twee wielen, waarop je overeind staat en dat je in beweging brengt door naar voren te leunen. Het heet segway of ‘personal transporter’. Het apparaat werkt als een gyroscoop. De lichaamshouding bepaalt dus de snelheid en de richting. Dankzij geavanceerde sensoren registreert het toestel de hellingshoek van je lichaam en geeft het de wielen de beweging die nodig is om je in evenwicht te houden en je intussen te verplaatsen. Doodsimpel en bovendien elektrisch, geruisloos en niet-vervuilend.

Vertrek in de kazerne Terra Nova

“Ik heb zo’n 20 jaar in de bouw gewerkt, als tegelzetter”, legt Thierry Pierre uit op het Terra Nova-platform in het hart van het versterkte domein, waar zijn segways op een lijn klaarstaan om te vertrekken. “Maar door voortdurend te knielen, kreeg ik problemen met mijn knieën. Ik moest om gezondheidsredenen een andere baan vinden. Tijdens een verblijf op de Dominicaanse Republiek had ik de gelegenheid om deze machine te proberen die was ontwikkeld door een ingenieur uit Californië. Ik heb nagedacht en eerst had ik nog het plan om officieel verkoper te worden. Maar al gauw kreeg ik het idee om het apparaat te gebruiken in het toerisme. Ik heb het getest op de hellingen van de citadel en daarna heb ik het erop gewaagd.”

En dus koopt Thierry in 2008 twaalf segways, voor € 8.400 per stuk. Maar hij heeft een vrachtwagen nodig om ze te vervoeren en een plek om zich te vestigen. “De Stad Namen ging akkoord dat ik me zou installeren in de oude Terra Nova-kazerne, naast de receptie voor de bezoekers. Met die mensen heb ik een overeenkomst gemaakt: ik promoot hun citadel en zij ondersteunen mij.”

En zo werd Segwaynam geboren, een kleine bvba waar je, voor € 30 bijvoorbeeld, terechtkunt voor een rondrit van anderhalf uur met een bezoek aan de citadel en een tochtje door de oude stad. Er is ook een versie van 2 uur… Met zijn twee accu’s heeft de ‘gyropood’ een actieradius van zowat 40 kilometer. Meestal doet Thierry Pierre zelf de begeleiding en onderweg geeft hij hier en daar wat commentaar. “Ik werk ook met instructeurs die ik aantrek via een uitzendkantoor. En soms, als de klant dat wil, met een erkende gids. Want dat is mijn job niet en ik wil niemands plaats inpikken.”

Ook aan de meren van l’Eau d’Heure

Gaandeweg, langs steile paadjes en hellingen, vooruit of achteruit, werd de catalogus van het Naamse bedrijfje aangevuld met andere ideeën. Tegenwoordig doet Segwaynam (inmiddels 25 segways rijk) meestal in samenwerking met lokale partners ook ritjes rond de meren van l’Eau d’Heure, op de RAVEL-route door het dal van de Molignée, in het centrum van Andenne, in de buurt van Dinant en Floreffe… “In het begin van dit avontuur, toen we ons tussen de voorbijgangers wurmden, konden we uit hun gelaatsuitdrukking opmaken dat ze ons maar nietsnutten vonden”, vertelt de initiatiefnemer, “maar nu verschijnt een sympathieke glimlach op hun gelaat. De automobilisten tonen fair-play en nemen de tijd om ons door te laten. En de toeristen, die zijn steeds meer geïnteresseerd, zowel groepen als gezinnen. Maar het grootste deel van mijn omzet komt van bedrijven, waarvoor ik diverse teambuildingformules heb uitgewerkt zoals ontdekkingsritten, schattenjachten of behendigheidsparcoursen.” Slaagt de stichter erin om te leven van zijn segways? “Nog niet”, geeft hij toe. “Ik heb nog altijd mijn job als tegelzetter om de dalmomenten in te vullen. Zoals de winter. En afgelopen winter was erg lang…”

Kortom, de wedstrijd is niet gewonnen maar Thierry Pierre is goed onderweg.

 
informatie

Segwaynam
Rue Jean Colin, 2
B-5020 Flawinne
+32 (0) 475 66 14 47
www.segwaynam.be

 

Wandeling voor melomane lekkerbekken

Op 4 augustus organiseert het Comité Animation Citadelle een wandeling op de citadelsite waarbij muziek wordt gecombineerd met gastronomie en geschiedenis. Tussen 11 u en 14 u wordt het publiek meegenomen op ontdekkingstocht langsheen uitzonderlijke historische plaatsen die normaal gesloten zijn en waar de typische muziek van toen kan worden beluisterd. Dat gaat van middeleeuwse muziek in het Château des Comtes, klassieke muziek in Terra Nova, volksmuziek in de Hangar aux Affûts en vocale ensembles in het Théâtre de Verdure, tot pop en rock in de Belvédère. In elke ruimte wordt het publiek door een gerenommeerde chef onthaald met een culinaire proeverij, eveneens uit de desbetreffende historische periode.

 

Op twee wielen Namen bezoeken

“Plaats uw voeten mooi in het midden van de plaat. Om te vertrekken volstaat het om lichtjes naar voren te leunen. Hoe verder u leunt, des te sneller de segway gaat… Om te draaien, trek aan het stuur, aan de kant waar u naartoe wil. Om te remmen en te stoppen, ga rechtop staan.”

Voor elke rit neemt Thierry Pierre een kwartiertje de tijd om uit te leggen hoe zijn segways werken. Die ochtend, op de parking van Terra Nova, begeleidt hij zesdejaarsstudenten van het Institut Ilon Saint- Jacques, de school voor hotelwezen en toerisme van Namen. Céline, Stéphanie en Anna konden niet op schoolreis met de rest van hun klas. De meisjes, vergezeld door wiskundeleraar Saji, hebben gekozen voor een bezoek aan de citadel en het oude Namen op de segway.

Na de initiatie schiet het groepje weg, de een achter de ander aan, geëscorteerd door Thierry en gevolgd door Renaud, zijn assistent. Iedereen draagt een helm en een fluorescerend hesje. Een beetje laveren en ze zijn op de Esplanade. “Het Stade des Jeux en het Théâtre de Verdure zijn het werk van een architect uit de tijd van Leopold II , Georges Hobé, die niet mag worden verward met motorcrosser Georges Jobé, die zich ook heeft onderscheiden rond de citadel”, legt de gids uit, voor hij een sleutel bovenhaalt en de segways de teugels laat vieren. “In het begin beperk ik hun snelheid tot 8 kilometer per uur. Nu kunnen ze dubbel zo snel.”

Het is dan ook met vleugeltjes dat de meisjes nu de Route Merveilleuse opschieten en de helling afrijden naar de Jardins de Médiane, waar Thierry hen wat uitleg kan geven bij het uitzicht op Namen: het belfort, de kathedraal, het Waalse parlement, de Maas… Ze nemen nog een hobbel om de Pont des Hollandais over te steken en dalen dan verder af naar de Jardin des Plantes, niet ver van de plek waar iets meer dan een eeuw geleden de kabelbaan vertrok die de stad verbond met het Grand Hôtel van de citadel. “Door de hoge exploitatiekosten en de concurrentie van de tram moest de baan in 1907 ontmanteld worden”, legt Thierry uit, voor hij het jaagpad oprijdt.

Bij de brug van Grognon (brompot) zijn er ondanks die naam niets dan blije gezichten en vertelt de gids dat de driehoek die wordt gevormd door de Samber en de Maas, destijds de bakermat was van Namen. “Daar woonden meer dan 2.000 mensen tegen elkaar aan, in 150 woningen. Dat was de wijk van de Saracenen, de bijnaam van de mensen die in de laagovens werkten.” De groep heeft moeiteloos de Samber overgestoken en bevindt zich nu voor het Théâtre de Namur. Tijd voor het bezoek aan de oude stad: de Marie Spilar-toren, het belfort, de rue des Fripiers, het Marché aux Légumes-plein… Op een hoek staat een etablissement uit 1616, de ‘Ratin-Tot’ (Waals voor ‘wachten op’). “Op die plaats gingen de mannen samenzitten om te wachten tot hun vrouwen terugkwamen van de mis in de kerk van Saint-Jean”, vertelt Thierry.

De voorbijgangers kijken geamuseerd toe hoe de rups-op-wielen door de steegjes zigzagt, tot aan het museum van Félicien Rops. Daarna gaat het terug via de Halle aux Grains en het jaagpad. Langs de brug van l’Évêché steken de segways de Samber over, op naar de hellingen van de citadel, via de Avenue Jean 1er. “We zijn er bijna”, laat Thierry weten, terwijl de groep de Route des Canons aanpakt. “Pas op! In de laatste tien minuten, wanneer mensen zich te zelfverzekerd voelen, is het risico op een valpartij het grootst.” Zijn woorden zijn nog niet koud of Stéphanie ligt met haar beentjes in de lucht. Meer schande dan schade, gelukkig. Dicht bij de Hangar aux Affûts en het prachtige uitzicht daar, kan het meisje al weer lachen voor de groepsfoto. “Ik dacht dat een segway iets voor jongens was”, zegt ze nog “maar het is niet moeilijk…”. “Een originele manier om de citadel te verkennen”, voegt Anna toe. “Schitterend gewoon!”, besluit Céline.

In het hart van het Pays Vert waakt de familie de Meester over een stuk erfgoed dat we echt als een schat mogen beschouwen. Strengheid en respect voor de voorouders gaan hier samen met zin voor ontdekking en toegankelijkheid voor het publiek.

Waar nu het kasteel van Attre staat, werd in de middeleeuwen een verdedigingsslot gebouwd, vanwege de oorlogen en voortdurende invasies. Toen de tijden beter en rustiger werden, was het oude gebouw niet meer aangepast. Door de nieuwe industriële en commerciële bloei wilden de mensen genieten van een gemakkelijker en weelderiger leven. Daarom besloot François- Philippe Franeau d’Hyon, graaf van Gomegnies, in 1752 het pand te slopen en er een lustslot te bouwen. Sinds meer dan 250 jaar en nu nog altijd wordt het kasteel bewoond door zijn nazaten, die met volle overtuiging waken over de goede staat ervan.

Tijdens de rondleiding zult u verrast worden door de schoonheid en verfijning van de verschillende salons, die elk een welbepaalde functie hebben. Aan weerszijden van de toegang tot het kasteel staan hoge zuilen in roze marmer, afgestaan door de abdij van Cambron, niet ver van hier. Links en rechts van de Franse tuin bevinden zich de twee koetshuizen, waar de paardenrijtuigen werden ondergebracht. Eén daarvan werd onlangs gerestaureerd volgens de regels van de toenmalige kunst en architectuur. Zodra de financiën het toelaten, zal ook het tweede in ere worden hersteld.

Kom binnen!

De bezoeker wordt ontvangen zoals de genodigden destijds. Via het centrale bordes, dat geflankeerd wordt door twee sfinxen, kom je in de brede vestibule, waarvan de grote, nog gesloten deur uitkomt op de verschillende salons. Nog steeds in de hal, in een van de hoeken, verbergt een kromgetrokken dubbele deur een kapel die bestemd was voor de genodigden maar op processie- en kruisdagen ook voor de dorpelingen. Boven het altaar waken twee “putti” (naakte engeltjes) van beeldhouwer Jérôme Duquesnoy… die ook ons Manneken Pis maakte. Achter een deur aan de rechterkant gaat de praalhal schuil. Een reusachtig trappenhuis, in een subtiel gemengde stijl van rococo en neoklassiek die zeer in de mode was in de jaren 1710 -1750, leidt naar de verdieping. Het trappenhuis doet dienst als galerij met portretten van vermaarde voorouders. Onder de trap staat een vitrinekast waarin een zeer mooie collectie waterwild en opgezette exotische vogels uitgestald is. Achter een authentieke draagstoel, op houten, gouden en zilveren steunen, rusten enkele oude flessen in gekleurd geblazen glas die gered werden uit de bronnen van Spa.

De salons

Er zijn er vier en elke salon dient voor een andere activiteit. In de eerste, de muzieksalon, werden genodigden allicht ontvangen tijdens concerten. Door de fraai bewerkte eiken parketvloer en de afgeronde hoeken heeft het vertrek een opmerkelijke akoestiek. Qua decoratie valt vooral de zin voor detail te waarderen: schoorsteenmantels in marmer uit Entre-Sambre et Meuse, meubiair dat past bij de muurdecoratie, het plafond gemaakt door stucwerkers uit Noord- Italië, guirlandes met vrolijke vogeltjes. Door de hoge vensters stroomt het licht rijkelijk binnen en zie je de Engelse tuinen en het park, waar een zijtak van de Dender doorheen loopt.

De salon van de aartshertogen dan is gewijd aan de voorouders van de eigenaars, die het kasteel hebben gesticht. Hier vind je borstbeelden en schilderijen te hunner ere. En, iets bijzonders wat de aandacht van de bezoekers verdient: de stroken bedrukt behangpapier met een ondergrond geweven uit vlas die met een plank bedrukt zijn en met de korte kant tegen elkaar geplaatst zodat de motieven overeenkomen. Dicht bij de schouw prijkt een “duchesse brisée”, een soort tweedelige luie stoel in Lodewijk XV-stijl. Doorniks porselein herinnert ons aan het vaatwerk dat destijds in het kasteel werd gebruikt tijdens diners.

De mode van het exotisme, zeer populair in de 18de eeuw, komt tot uitdrukking in de Chinese salon. De wanden en muren zijn versierd met zeldzaam verfijnde zijden stoffen die met zilver zijn afgewerkt en bedrukt met bloemen en vogels. Het meubilair past bij het geheel. Een grappig detail: aan weerszijden van de schoorsteenmantel hangen koorden waarmee je het personeel in de kelderkeuken kon roepen.

De wintersalon is intiemer en wordt nog altijd door de familie de Meester gebruikt voor feestelijke bijeenkomsten. Naast deze salon ligt de kamer van aartshertogin Maria Christina, landvoogdes van de Nederlanden en zus van Jozef II. Hier rustte ze en ontving ze privébezoek. Nog wat verder ligt het zogenaamde boudoir, een kamertje met een laag plafond dat dienstdeed als rustig plekje om te lezen. Op de vensterbank, onder beschuttend glas, ligt een collectie rammelaars en bijtstokjes. Deze zeldzame voorwerpen zijn gemaakt van bewerkt zilver, met handvatten van bergkristal, koraal of paarlemoer.

Het familiekasteel mag dan een bezoek waard zijn, het park werd door het Waalse Gewest erkend als uitzonderlijk erfgoed en het brengt de geïnteresseerde wandelaar vast in vervoering. Je hebt er niet alleen de zeldzame boomsoorten langs de wandelpaden; er valt ook van alles te ontdekken om je over te verbazen.


Het park en de tuinen

Het familiekasteel mag dan een bezoek waard zijn, het park werd door het Waalse Gewest erkend als uitzonderlijk erfgoed en het brengt de geïnteresseerde wandelaar vast in vervoering. Je hebt er niet alleen de zeldzame boomsoorten langs de wandelpaden; er valt ook van alles te ontdekken om je over te verbazen. Je komt er via een onverhard wegje, met aan de linkerkant de zogenaamde bijgebouwen van het versterkte kasteel, uit dezelfde tijd als het slot dat in 1752 werd afgebroken. Ook de duiventil vlakbij dateert uit die tijd. Er wordt verteld dat de duiven in dit cilindervormige gebouw als vers voedsel dienden voor hun eigenaars. Omdat dit kleinwild erg gegeerd was toen, moest het aantal koppeltjes dat kasteelheren werd toegekend gereglementeerd worden. Het aantal ‘hokjes’ werd bepaald volgens de totale oppervlakte van het land dat een kasteelheer bezat. Met één koppel per Franse acre, bezaten de eigenaars van het kasteel van Attre er 2.400. Daarmee kon je al eens een feestje bouwen…

Bij het hek dat uitkomt op het park kun je het wapenschild zien van de mensen die het kasteel bouwden: een witte eenhoorn tegen een rode achtergrond en een kruis boven een blauwe achtergrond. En dan begint de wandeling, over paden die vaak langs een waterwegje lopen dat van de Dender komt. Door die natuurlijke vorm van irrigatie zijn de bodem en de bomen schitterend groen.

In een bocht staat de toren van Vignou, die volgens de legende werd bewoond door een onbetrouwbaar figuur. Deze schurk, Vignou, zou 14 onschuldige mensen hebben gekidnapt en vermoord. Het adjectief vignou, dat verwijst naar een misdadiger, bestaat trouwens nog altijd in de volkstaal. Over ‘de rots’ dan is al veel inkt gevloeid. Dit vormeloze gebouw is een 24 meter hoge, grillige rotsformatie met stenen uit een groeve. Er lopen allerlei gangen doorheen waar je zelfs met het krachtigste gps-toestel het noorden kwijt zou raken en waarvan er maar een paar toegankelijk zijn voor het publiek. De kosten van deze operatie buiten beschouwing gelaten waren er 40 arbeiders en zeven jaar werk nodig om tot dit – het moet gezegd – zeer originele resultaat te komen. Eenmaal buiten dit labyrint, wordt de bezoeker verblind door het vrije uitzicht op een vreedzame vijver.

Verder op de weg, alweer een verrassing, vanuit de hoogte. Er hangt een Zwitserse chalet over het pad dat je kunt oplopen om de het bouwsel van dichterbij te bekijken. Naar binnen kun je niet, want dat zou de constructie, die nu al in een betreurenswaardige staat is, nog wankeler maken. Tegen het eind van de wandeling wordt je aandacht getrokken door een kubusvormig gebouw, opgetrokken op een hoogte. Dit is het badpaviljoen. Hier konden de gasten van de kasteelheer baden, om zich te ontspannen. Langsheen dit paviljoen konden de genodigden genieten van een mooi uitzicht op de Dender, met de tuin van het kasteel en de velden op de achtergrond. Langs enkele zitbanken loop je naar de uitgang van het park. Een bankje nodigt je uit om nog even te gaan zitten en je verbeelding de vrije loop te laten.

 

informatie

Château d’Attre
Avenue du Château, 8
B-7941 Attre
+32 (0)68 45 40 60
châ[email protected]

Vincent en Gaëtane Manil behoren tot de laatste tabaksproducenten in de streek van de Semois. In Corbion houden ze de traditie levend. Mensen komen van ver voor hun traditionele tabak. Zelfs de New York Times publiceerde er een artikel over!

De weg naar Corbion is even kronkelig als de meanders van de Semois. Het kleine dorp ligt op een steenworp van de middeleeuwse stad Bouillon en staat bekend bij tabaksliefhebbers. In het centrum vinden we een van de laatste fabrikanten van Semoistabak. Vincent Manil en zijn echtgenote Gaëtane begonnen tabak te branden in 1989. Daarmee willen ze de traditie van de streek voortzetten. “Het zachte, mistige klimaat van de vallei en de arme grond zijn perfect om een bijzonder soort tabak te kweken. Kenners zijn dol op de kleur en de smaak”, vertelt Gaëtane.

Een stevige reputatie

In de jaren 60 was de productie van tabak cruciaal voor de lokale economie in de mooie streek van de Semois. Tegenwoordig zijn zowel telers als fabrikanten steeds dunner gezaaid. De reputatie van de tabak wordt er echter niet minder op. Het bewijs daarvan werd de voorbije lente nog geleverd. De Semois-tabak kreeg toen een eerbetoon in de New York Times, uitgesmeerd over drie volle pagina’s. “Het is bijna niet te geloven”, zegt Vincent. “Een paar maanden daarvoor kregen we een telefoontje van een Engelstalige journalist die graag een reportage wou maken over onze tabak. Die had hij leren kennen bij een vriend in Italië en hij was er meteen weg van. Eerlijk gezegd geloofden we het niet.” Tot hun grote verbazing stond de journalist een tijdje later op de stoep. Hij bracht drie dagen in de streek door met de familie Manil en ontdekte er de geheimen van de lekkere tabak. Achteraf deed hij uitgebreid zijn verhaal aan de andere kant van de oceaan.

In de jaren 60 was de productie van tabak cruciaal voor de lokale economie in de mooie streek van de Semois. Tegenwoordig zijn zowel telers als fabrikanten steeds dunner gezaaid. De reputatie van de tabak wordt er echter niet minder op. Het bewijs daarvan werd de voorbije lente nog geleverd.


De Semois-tabak is het resultaat van een lange traditie. Vincent Manil plant en oogst de tabak niet zelf, maar hij brandt hem in zijn kelder, op de oude manier, voor hij hem verpakt of er pijptabak van maakt. Tabak branden vraagt een ruime kennis, die komt met de ervaring. “Goede tabak mag niet te droog zijn, want dan is hij niet goed om te roken, maar ook niet te vochtig, want dan bewaart hij niet goed. Tijdens het branden moet je heel goed opletten. Je moet de tabak kunnen beoordelen door eraan te voelen, zodat je hem op het juiste moment uit de oven kunt halen.” Alles is een kwestie van handigheid en precisie. En om dat bereiken heb je een grote gedrevenheid nodig – en veel tijd.

Geurige dampen

Gaëtane, Vincent en hun kinderen zijn al 25 jaar ondergedompeld in de wereld van de tabak. Nog dagen na het branden baden de winkel, het museum ernaast en hun woonruimten in de aangename dampen. De geur van de tabak die hier gemaakt wordt, is in niets te vergelijken met de geur van sigaretten die de lucht verpesten. Hier adem je met plezier in. De Semois-tabak wordt trouwens meestal heel bewust gerookt, uit passie. “Hij is absoluut niet verslavend zoals een sigaret. Het is een echt kwaliteitsproduct, dat we weer willen opwaarderen”, zegt Gaëtane. “Onze klanten roken pijp of sigaren. Roken is voor hen een zoektocht naar smaak en plezier, het genot van een levensgenieter.”

In de heuvels in Corbion, waar maar een paar tientallen mensen wonen, gaat de deur van de winkel van de familie Manil vaker open dan je zou denken. Klanten komen niet alleen uit de streek of uit de rest van het land. Sommigen leggen heel wat kilometers of om de heerlijke tabak aan te schaffen. “Twee dagen geleden hebben we nog een Parijzenaar over de vloer gehad. En begin deze week is er een Australiër onze tabak komen kopen. Er komen mensen uit alle hoeken van de wereld, uit Italië, Maleisië, China…”, vertelt de vrouw van Vincent Manil. “Tabaksliefhebbers wisselen tegenwoordig ervaringen uit op internetforums. Dat draagt veel bij aan de bekendheid van de Semois.” Uiteraard is er ook heel wat vraag uit de Verenigde Staten. Het artikel uit de Times was duidelijk niet zonder gevolgen. “We krijgen veel e-mails uit de Verenigde Staten”, vertelt Vincent. “Tot nu toe kunnen we nog geen tabak naar het buitenland opsturen. De wetgeving maakt export niet gemakkelijk. Maar we zijn ons aan het informeren om onze tabak in een of andere gespecialiseerde boetiek in New York te kunnen verkopen. Alleen de nodige toelatingen verkrijgen, loopt niet van een leien dakje.”

Een museum en een boek

Vincent en Gaëtane delen een grote liefde voor tabak en voor hun streek, waar het bijzondere product verbouwd wordt. Die traditie komt tot uiting in hun beroep en hun productie. Maar daar blijft het niet bij. In de kelder van hun winkel hebben ze een museum gecreëerd dat gewijd is aan tabak en de streek van de Semois. “Toen we tabak begonnen te maken, hadden we geen duidelijk carrièreplan. Het was voor ons één groot avontuur. Maar in de loop van de jaren zijn we steeds meer geboeid geraakt door het onderwerp. We hebben tal van voorwerpen verzameld die iets te maken hebben met tabak. We wilden onze verzameling tonen, mensen rondleiden in onze werkplaats, zodat iedereen het beroep en de traditie kan leren kennen. Daarom stellen we een ludiek en ongewoon bezoek voor om geïnteresseerden te laten proeven van onze passie.”

Naast het museum hadden Gaëtane en Vincent nog een ander idee. Ze wilden de geschiedenis van de Semois-tabak doen herleven in een boek. En zo gebeurde. Het boek is gebaseerd op hun eigen ervaringen en laat de lezer kennismaken met de bijzondere teelt aan de oevers van de Semois. Het werk beschrijft het ontstaan van tabak, van het planten tot het afgewerkte product dat klaar is om gerookt te worden. De schrijvers staan ook uitgebreid stil bij de vallei van de Semois, waar de tabak geproduceerd wordt. “Het boek is een tastbare getuige van een activiteit die aan het verdwijnen is. We hadden het gevoel dat zoiets nog ontbrak. En dus hebben we daar iets aan gedaan”, vertelt Gaëtane. Het geïllustreerde werk komt ongetwijfeld pas tot zijn volle recht onder het roken van de authentieke Semois-tabak.

De legende van de trollen, De sterren van de woestijn, De wijnroute… In Heyd (Durbuy) neemt hotel La balade des gnomes* je mee op wereldreis in tien droomkamers.

Als Durbuy de kleinste stad ter wereld is, dan is ‘La balade des gnomes’ misschien wel het vreemdste hotel. Het adres alleen al wekt de nieuwsgierigheid: het hotel ligt in de rue du Rémouleur (rowe dè Remoleu) of straat van de scharenslijper. We bereiden ons voor om binnen te treden in het Wallonië van onze voorvaderen, dat van ambachtslui en oude beroepen. Maar nee, we worden verwelkomd door een gigantisch houten paard dat de kruin van de bomen ernaast lijkt op te eten. “Ons paard van Troje is gebouwd voor vier personen”, vertelt eigenaresse Nathalie Noël. En ze neemt ons mee op een bijzondere reis. “Het geheel is gebouwd op twee verdiepingen, in middeleeuwse stijl. De klanten komen binnen over een kleine ophaalbrug en ’s morgens komt ons personeel hun ontbijtmand ophangen aan een touw onder hun raam. We hebben ook een uitkijkpost geïnstalleerd, waar je de hele vallei kunt zien vanuit het hoofd van het paard.”

Onze fantasie slaat even op hol, maar mevrouw toomt ons in. “Kom mee! Dan maken we een wereldreis op een drafje. We hebben nog negen andere themakamers. Ze zijn allemaal bedacht en ontworpen door Dominique, mijn echtgenoot. De klanten gaan net vertrekken. U kunt eens horen wat ze ervan vonden.”

Wie zijn die klanten eigenlijk? Durbuy trekt vooral Nederlandstaligen aan, maar op de avond voor Allerheiligen is de overgrote meerderheid hier Franstalig. Koppels rond de dertig, soms op huwelijksreis, die komen wandelen in de streek en willen genieten van de rust. “We hebben de Afrikaanse hut van Zobabou-Bou gekozen”, vertelt een jonge Brusselaar. “In de douche komt het water uit leidingen van bamboe!” “Het is de derde keer dat we komen en elke keer proberen we een andere kamer”, zegt een koppel uit Ciney. Deze keer hadden ze ‘Het hutje in het bos’. “Wij nemen elke keer dezelfde kamer, de ‘Casa Tireli-rela’. Die is volledig in Andalusische stijl ingericht”, zegt een vrouw uit Moeskroen. “We slapen in een oude kar en ontspannen ons in de sauna.”

Een wijngaard in de kamer

Bij hun vertrek krijgen de klanten een rondleiding langs de kamers. Drie verdiepingen lang zijn er alleen kreten van bewondering te horen. In ‘Macquarie-eiland’ staat het bed in een echte zeilboot, die zachtjes op het water deint. De kamer ‘De wijnroute’ is dan weer gedecoreerd met vaten en flessen en ligt midden in een echte wijngaard. Wie er logeert, voelt zich meteen in een wijngaard in de Elzas… Niet verbazend dat je weken vooraf moet reserveren om je droomkamer te hebben. “Maar we aanvaarden geen groepen”, zegt de eigenaresse. “Het hotel is niet ingericht voor bijeenkomsten. Hiernaast ligt wel een restaurant, La gargouille. Vroeger was het van mijn man en ik, maar we hebben het verkocht, want Dominique heeft altijd nieuwe projecten nodig.”

Dominique Noël is evenzeer kunstenaar als ambachtsman. Zijn handen maken alles wat in zijn hoofd opkomt: houtwerk, meubels, decoratie, mozaïeken, smeedwerk… 

 

“Ik ben begonnen met het ontwerpen van huizen voor anderen,” vertelt de architect-designer, “maar op een bepaald punt van het project werden de mensen bang. Ondertussen bouw ik al tien jaar alleen nog voor mezelf, dan ben ik zeker dat de klant me zal volgen tot het einde!” Dominique Noël is evenzeer kunstenaar als ambachtsman. Zijn handen maken alles wat in zijn hoofd opkomt: houtwerk, meubels, decoratie, mozaïeken, smeedwerk… Alles behalve de glasramen en de ruwbouw op het vlak van leidingen en elektriciteit. Vandaag legt de edelsmid de laatste hand aan een huis in de vorm van een omgekeerde boot, in het naburige Wéris, op 20 meter van de plaats waar hij 46 jaar geleden geboren werd. Normaal gezien verhuist het koppel binnenkort hiernaartoe. “Dit huis is de synthese van al mijn kunnen”, vertelt Noël. Zijn volgende project wordt de bouw van twee wel heel bijzondere gîtes tegenover ‘La balade des gnomes’: de eerste in een organische woonwagen, de andere in een magische boom. “Ik heb mijn boom al gevonden, een es van acht ton! We zullen van de ene kamer naar de andere gaan via loopplanken en apenbruggen.”

Nog zo’n gek project, zullen de bezoekers denken. “Toen we de kamers zagen, zeiden we tegen elkaar dat de kerel die ze bedacht heeft, zeker wiet rookt of hallucinogene paddenstoelen eet”, zegt een klant. “Maar het is hier super, dat hij maar voortdoet!”

Voor de Amerikanen is de Mardasson zonder twijfel het bekendste monument van Bastenaken. Het gedenkteken kwam er na 1945 op initiatief van de toen pas opgerichte Belgisch-Amerikaanse Associatie, waarmee diverse vooraanstaande Belgische figuren de betrekkingen tussen ons land en zijn bevrijders wilden verstevigen.

Strikt genomen is de Mardasson Memorial niet echt een herdenkingsmonument voor het tragische Ardennenoffensief. Wel werd het monument tussen 1948 en 1950 gebouwd op een buitengewoon symbolische plek. De eerste steen werd op 4 juli 1946 gelegd door de toenmalige burgemeester, Pierre Renquin. Op een gedenksteen staat in eenvoudige bewoordingen de doelstelling van de Mardasson: “Het Belgische volk gedenkt zijn Amerikaanse bevrijders.” Anders gezegd, het monument herinnert aan de Amerikaanse inzet om België te bevrijden van de nazibezetting. Omdat het Ardennenoffensief een van de bloedigste perioden in deze bevrijdingscampagne was, staat de hele geschiedenis van deze slag in de zuilen van de Mardasson gegraveerd.

Het monument heeft de vorm van een vijfpuntige ster, het symbool van het Amerikaanse leger, en is het resultaat van een architectuurwedstrijd waarbij de Luikse architect Georges Dedoyard als overwinnaar uit de bus kwam. Een ronde galerij omgeeft een bezinningsruimte, terwijl de omloop getooid is met een fries, waarop de namen staan van alle 48 Amerikaanse staten die op het tijdstip van het offensief deel uitmaakten van de VS. Boven op de galerij bevindt zich een platform, dat gedragen wordt door twaalf meter hoge zuilen, zo’n 90 in totaal. Die wandelgang biedt een schitterend uitzicht op de stad.

Aanvankelijk was er geen crypte gepland. Die kwam er in 1949 op verzoek van Amerikaanse vrouwen die een plek wilden om zich in alle rust terug te trekken. Dat verklaart waarom deze crypte, met haar drie altaren, gewijd aan de katholieke, protestantse en joodse erediensten, werd uitgegraven in de rotsen aan de voet van de Mardasson.

Een absolute must… Om nooit te vergeten dat de vrijheid maar al te vaak met bloed gekleurd is…

 

informatie

Mémorial de Mardasson
Colline du Mardasson
B-6600 Bastogne
www.bastogne.be

Het dorpje Foy Notre-Dame ligt op zo’n zes kilometer van Dinant, te midden van velden en weiden. Steile weggetjes leiden ernaartoe. Op het hoogste punt prijkt een kerk in de barokke stijl van de Maasstreek. Ze werd gebouwd in 1623, zoals het opschrift op de gevel bewijst.

Bij het binnengaan valt meteen het licht op dat binnenvalt door de grote, doorzichtige ramen. Alleen in het koor zijn er blauwe glas-inloodramen met religieuze motieven. Het plafond is volledig bedekt met 145 cassettes in eikenhout. Elke cassette is beschilderd met een klein tafereel van verschillende heiligen, evangelisten en in de grotere ruiten momenten uit het leven van de Maagd Maria. Het levert een harmonieus en bijzonder geheel op. Foy was waarschijnlijk een onbekend gehuchtje gebleven, had in 1609 een houthakker geen beeldje ontdekt van een Maagd met Kind in het binnenste van een oude eik. Twee eeuwen eerder zou een bedevaarder het beeldje verstopt hebben in de holte van de boom. In de loop van de jaren was de boom dichtgegroeid rond de schat. Het terracotta beeldje van 22 cm veroorzaakte heel wat opwinding. De Maagd bleek kwistig mirakels uit te delen. Alle mirakels werden erkend door de religieuze macht van die tijd. Het beeldje was enorm geliefd en werd verschillende keren gestolen. Op een bepaald moment werd het daarom veilig opgeborgen in de woning van de baron van Celles. Tegenwoordig rust de Maagd eindelijk weer in de kerk, waar ze te zien is in haar verguld kistje. Onze-Lieve-Vrouw van Foy wordt nog steeds vereerd. Ook vandaag nog is Foy de bestemming van talrijke bedevaartstochten, zoals die van 29 september jongstleden.

 

informatie

Foy-Notre-Dame
Rue des Claviats, 4
B-5504 Dinant
www.pelefoy.be

 

De Citadel van Dinant

Als verdedigingsbolwerk bij uitstek trotseerde de Citadel van Dinant heel wat oorlogen door de eeuwen heen. Voor het indrukwekkende bouwwerk dat we nu kunnen bewonderen, bevond zich hier de eerste burcht van de stad. In het midden van de 15de eeuw was Dinant een bloeiende stad, bekend tot over de grenzen. Vergeleken met de omliggende steden telde ze bijzonder veel inwoners. De twaalf parochiekerken, de zeven abdijen en heel wat woningen werden beschermd door de stadswallen met acht toegangspoorten. Later laaide de rivaliteit echter hoog op, met plunderingen en tal van doden als gevolg. In 1466 brak Karel De Stoute het trieste record van het geweld. Dat was deze keer van een ongeëvenaarde wreedheid. Hij gaf het bevel om 800 inwoners, per twee aan elkaar gebonden, in de Maas te werpen. Ze vonden onvermijdelijk de dood. Ook de huizen werden niet gespaard. Na de aanval bleven de stad en haar inwoners achter in een onbeschrijflijke chaos. Pas in 1472 werd de wederopbouw volledig afgerond. Maar het lot was de stad niet gunstig gezind. Dinant likte zijn wonden nog, toen in 1554 de koning van Frankrijk, Hendrik II, het bevel gaf aan de hertog van Nevers om de stad te belegeren en in te nemen. Opnieuw vielen er onschuldige slachtoffers tijdens hoogoplaaiende gevechten. In totaal werd de Citadel wel zeventien keer belegerd. De twee wereldoorlogen troffen de bevolking zwaar. De Citadel werd ingenomen door de Duitsers en was het toneel van bloederige gevechten. Tegenwoordig is het gebouw te bezoeken, bij voorkeur met een gids. Die vertelt u alle details van de gebeurtenissen en de verschrikkelijke oorlogsfeiten.

 

informatie

Citadel van Dinant
Place Reine Astrid, 3-5 
B-5500 Dinant
www.citadellededinant.be

Aan de voet van een rots kijkt de collegiale kerk van Dinant trots uit over de Maas. Met haar bolvormige klokkentoren is ze van ver herkenbaar. Oorspronkelijk was het gebouw bedoeld als oratorium. Later werd het flink vergroot. In 934 kreeg de kerk in romaanse stijl het statuut van collegiale. In 1228 vernielde een losgekomen rotsblok de kerk bijna volledig. Bij de plundering van Dinant door Karel de Stoute en zijn troepen in 1466, kreeg de kerk het nog zwaarder te verduren. Overstromingen, brand en plunderingen verwoestten het gebouw en zetten de hele stad in rep en roer.

Ondanks al die tegenslag, werd de kerk telkens weer heropgebouwd.

Pas in 1855 werd de nieuwe, gotische kerk gebouwd die we nu kennen. De bombardementen tijdens de Eerste en de Tweede Wereldoorlog veroorzaakten opnieuw heel wat schade, vooral aan de glas-in-loodramen. De Collegiale staat op een smalle plek, ingeklemd tussen de rotsen en de Maas. Bij het binnengaan overvalt je echter een gevoel van ruimte. De combinatie van het sobere meubilair en het licht dat binnenvalt door de heldere glasramen, zit daar waarschijnlijk voor iets tussen.

De Onze-Lieve-Vrouwkerk van Dinant is erkend als Uitzonderlijk Erfgoed van Wallonië. Binnen vind je werk van grote Belgische kunstenaars zoals Ladon en Antoine Wiertz. Die eerste maakte een glasin- loodraam – een van de grootste van Europa – voor het koor met daarop de geschiedenis van de stad en die van de Collegiale. Van de tweede hangt er een schilderij met de titel On se retrouve au ciel (We zien elkaar terug in de hemel). Hij droeg het op aan zijn ouders, als een soort afspraak met hen in het hiernamaals. De kerk herbergt ook prachtig werk van plaatselijke kunstenaars. In het koor getuigen enkele voorwerpen van hun wereldwijd bekende savoir-faire. Zo zijn er de doopvont uit 1472 en een schitterende koorlessenaar uit 1731, waarop ook nu nog de Heilige Boeken rusten. Daarnaast valt er een schitterend altaar te bewonderen van Sint-Perpète, die Dinant een bezoek bracht. Deze heilige heeft enkele miraculeuze genezingen op zijn naam. Naast het zijaltaar bewijzen de grote kandelaars in geslagen koper dat de inwoners van Dinant ook bedreven koperbewerkers waren. De vredige indruk die de Collegiale geeft, wordt nog versterkt door de sacrale muziek die er klinkt. De ideale plek dus om even tot bezinning te komen.

 

informatie

Collegiale Onze- Lieve-Vrouwkerk
Place Reine Astrid
B-550 Dinant
www.dinant-tourisme.com

De brug van Avignon mag dan al jaren lang bezongen worden, die van Dinant heeft heel wat meer te vertellen. Een brug met een verhaal waar je niet over uitgelezen raakt.

Het idee om twee oevers van een rivier met elkaar te verbinden, is uiteraard niet zo bijzonder. Een brug is praktisch en vormt een noodzakelijke verbinding tussen twee stadsdelen. Maar wanneer er oorlogsconflicten en overstromingen bij komen kijken, wordt diezelfde brug een slachtoffer en een financiële put. De brug van Dinant behoort tot die laatste categorie.

De bouw van de brug ging gepaard met heel wat polemiek, meestal veroorzaakt door de eigenaars van de gronden langs de rivier. Er vonden bittere discussies plaats tussen de Kerk en de koninklijke macht. Zo was er de vraag of bewoners die naar de andere oever wilden, doorgangsrecht moesten betalen. Ter info: een man en zijn echtgenote zouden daarbij niet dezelfde prijs betalen als een boer met zijn tien schapen. Het tarief gold immers per hoofd. Al snel werd een eerste bouwwerk in hout meegesleurd door het water. Bij een bezoek aan de Citadel kun je trouwens enkele palen zien van de resten van de brug die achteraf werden teruggevonden. Kort nadien kwam er een nieuwe, stevige brug in steen, maar de bogen begaven het al evenzeer onder de woede van de rivier.

Nog later stortte een boog in onder het marcheren van de militaire troepen. De mannen vielen in het water, overgeleverd aan de golven.

De brug van Dinant kende duidelijk een bewogen geschiedenis. Van 1868 tot 1870 werden er belangrijke werken uitgevoerd. Dat waren de hoogdagen van de metaalindustrie. Naast twee stenen bogen werden er dan ook drie bogen in staal gebouwd.

Toen kwam de Eerste Wereldoorlog. Net als Sedan was ook Dinant tijdens de bezetting een geliefd doorgangspunt bij alle legers. Bij de aantocht van de Duitsers, bliezen de Fransen de brug op om hen de weg te versperren. Daarbij raakte een jonge Franse officier gewond. Later zou hij bekend worden als Generaal Charles de Gaulle. Een gedenkplaat vereeuwigt de gebeurtenis.

In de loop van de volgende jaren werden er verschillende bruggen gebouwd. De brede en moderne brug die er nu staat, kun je veilig oversteken. Ze werd ingehuldigd in november 1954 door minister Van Glabeke.

 www.dinant.be

Your opinion counts