Waw magazine

Waw magazine

Menu

Jaarlijks houdt Bergen haar “ducasse” (volksfeest) op Drievuldigheidszondagdag, een week na Pinksteren. Deze processie, waarvan de volgende editie plaatsvindt op 26 mei, gaat terug tot de 13de eeuw. De oorsprong van de Lumeçon ligt in de late middeleeuwen, dat staat vast.

Jaarlijks houdt Bergen haar “ducasse” (volksfeest) op Drievuldigheidszondagdag, een week na Pinksteren. Deze processie, waarvan de volgende editie plaatsvindt op 26 mei, gaat terug tot de 13de eeuw. De oorsprong van de Lumeçon ligt in de late middeleeuwen, dat staat vast. De feestelijkheden beginnen zaterdag om 20 uur met het neerlaten van het 350 kilo zware schrijn in de collegiale kerk van Sint- Waltrudis. De burgerlijke en religieuze gezagsdragers zijn samen met de hele bevolking aanwezig om de kostbare relikwieën te escor teren naar het midden van de kruisbeuk. De clerus vertrouwt de bewaking ervan toe aan de burgemeester. ’s Anderendaags wordt het schrijn tentoongesteld op de Car d’Or en rondgedragen in de processie1.

1 De Ducasse van Bergen wordt door de Franse Gemeenschap en de UNESCO erkend als meesterwerk van het immateriële patrimonium.

Op zondagmiddag rond 12uur is het beklimmen van het hellende vlak voor de Sint-Waltrudiskerk een van de hoogtepunten. De zes hardwerkende paarden worden bijgestaan door een menigte die tegen de “kont van de koets” duwt, opdat ze in één beweging tot boven komt. Daarna kan de koets tot voor de ingang van de collegiale kerk worden gereden, waar ze wordt verwelkomd door schallende Thebaanse trompetten. Pas op, want als het mislukt… De huidige vorm van de processie is te danken aan de inspanningen van kanunnik Edmond Puissant (1860-1934, Bergens archeoloog). Na de viering van 100 jaar België heeft hij van deze uitstap een historisch en religieus evenement gemaakt. Vanaf 10 uur ’s morgens volgen zo’n zestig kleurrijke groepen in stilte een traditionele route door het hart van de stad, van de Sint-Waltrudiskerk naar de Grand-Place, om tegen de middag weer aan te komen op het vertrekpunt. 1500 figuranten laten de emblemen van de stad zien, de symbolen van de Bergense parochies, de afbeeldingen van oude broederschappen of van hun beschermheilige, de kloosterlingen van Sint- Waltrudis, en ze beelden het gezin van de heilige uit, en personages die met haar leven te maken hebben.

De Car d’Or is het meest typische element van de processie. Al sinds de 14de eeuw wordt het schrijn van Sint-Waltrudis vervoerd op een car. De huidige praalwagen dateert van 1781, het eind van het ancien régime. Hij is gemaakt door de beeldhouwers Ghienne en Midavaine. Hij meet 5,8 bij 2,4 meter en leeg weegt hij twee ton. Met zijn engeltjes en zijn gestileerde bloemenversieringen is de wagen een goed voorbeeld van Lodewijk XVI-stijl. Het schrijn, dat in de Franse tijd werd verwoest, is gebeiteld in 1887. Sinds een bevel van de Hollandse regering in 1819 wordt het gevecht van Sint-Joris niet meer uitgebeeld tijdens de processie maar vindt het plaats na de terugkeer van de Car d’Or.

De heilige Joris

Om 12.25 uur wordt de draak, die op dat moment aan de buitenkant tegen het koor van de kerk staat, verplaatst door de Hommes Blancs (de witte mannen). Alle acteurs komen in actie, politiemensen en gezagsdragers houden zich klaar om de menigte in toom te houden. Brandweermannen lossen een eerste salvo. Het lied van de Doudou weerklinkt. De afdaling van de rue des Clercs, de echte start van het zogenaamde Lumeçon-gevecht, kan beginnen. Een bomvol plein wacht de acteurs op en het binnentreden van de arena voltrekt zich, tot groot collectief jolijt.

De heilige Joris is de held van het gevecht. Deze mythische heilige van oosterse oorsprong wordt hier sinds het eind van de 14de eeuw vereerd. Rond 1440-1441 wordt het Spel van de heilige Joris opgevoerd in het theater. Vanaf de 15de eeuw treedt hij op in de processie, samen met de draak en de maagd. In de 18de eeuw wordt hij belichaamd door de middeleeuwse ridder Gilles de Chin, die in 1133 een draak zou hebben geveld die de Borinage teisterde.

Zodra hij in de arena is (le rond, de kring), loopt de heilige Joris de arena rond terwijl hij maaiende bewegingen maakt met zijn lans. Het gevecht kan beginnen. Drie keer zal het monster de Chinchins omvergooien. Drie keer maakt de heilige Joris zich meester van de staart van de draak en loopt hij ermee in het rond. Op dat moment vallen de Chinchins hun tegenstanders aan. Geregeld haalt de draak met zijn staart uit naar het publiek en veegt hij toeschouwers weg. Die maken van de gelegenheid gebruik om de paardenharen van de staart te bemachtigen, want dat zijn geluksbrengers. De Chinchins en de Diables (de duivels) huppelen of zingen mee op de maat van de muziek. De eerstgenoemden laten hun halsketting rinkelen, de laatstgenoemden zwaaien met een blaas en slaan ermee op het zand van de arena.

Als de heilige Joris zijn lans breekt, gaat de Chinchin die optreedt als zijn lijfwacht (de zogenaamde beschermer) een nieuwe lans voor hem halen. Intussen zet de ridder de strijd voort met een sabel en geeft hij een slag op de staart en een andere op de bek of de rug van het monster. De Diables proberen te beletten dat de beschermende Chinchin een nieuwe lans geeft aan zijn meester, die door alle Chinchins wordt geholpen. Om 13 uur doodt de heilige Joris de draak met drie pistoolschoten (één naast en twee raak). Zodra het beest dood is, stor ten de Chinchins zich op de buit.

In de loop van de voorbije vijftig jaar heeft de Lumeçon een nieuwe dynamiek gekregen. Er is namelijk een duidelijke wil om het ritueel beter te organiseren, er is een toename van het aantal deelnemers en een betere band met de processie. De laatste vernieuwing is bedoeld om de vrouw een plaats te geven binnen het gevecht. Sinds het begin van het derde millennium hebben twee jonge vrouwen, Cybèle (de oude stad) en Polyade (de nieuwe stad), zich aangesloten bij de traditionele personages en hebben ze een plaats in het ritueel.

 

In het kort

De draak is gemaakt van wilgentenen en een geraamte van bamboe. Hij is bekleed met beschilderd linnen en hij is 9,3 meter lang. Traditioneel werd de 5 meter lange staart gemaakt van essenhout. In 2002 is het hout vervangen door koolstofvezel, een eigentijds materiaal dat aangeraden was door de Faculté Polytechnique en uitgewerkt door een bedrijf in Froidchapelle. Door dit lichte en resistente materiaal kon de draak 26 kilo minder zwaar worden gemaakt, tot tevredenheid van de Hommes Blancs die dit monster van ruim 150 kilo bedienen. Binnenin loopt een drager, en hij wordt door tien anderen geholpen. Zij dragen rode linten en een witte muts.

 

informatie

Maison du Tourisme
Grand-Place, 22
B-7000 Mons
+32 (0)65 33 55 80
[email protected]
www.mons.be
http://ducassedemons.info

Ze waakt over de collegiale kerk, over Doudou en over de toekomstige culturele hoofdstad van Europa. Maar wie was Waltrudis, dat charismatische icoon van Bergen, van de stad die haar als patroonheilige heeft geadopteerd?

In de 19de eeuw aarzelden sommigen niet om haar voor te stellen als een prinses, vanwege haar vele adellijke titels. De geschiedenis beweert dat deze afstammeling van een welgestelde familie zich in de tweede helft van het eerste millennium (historici situeren haar geboorte rond 612 en haar overlijden in 688) gevestigd heeft op de heuvel vanwaar de stad haar hoge vlucht heeft genomen. Ook wordt verteld dat ze voor de allerarmsten zorgde. Ze zou zelfs zover zijn gegaan dat ze haar beurs te voorschijn haalde om gevangenen vrij te kopen. “Als grondbezitster wordt Waltrudis uitgehuwelijkt aan Madelgarius, een hoge functionaris. Voor ze van elkaar scheiden om hun levenseinde te wijden aan gebed en liefdadigheid, krijgen de echtgenoten vier kinderen, en die zullen het karakteristieke en iconografische symbool van hun ouders worden”, legt Benoît Van Caenegem uit, de conservator van de collegiale kerk en haar schat.

Madelgarius verzoent zich met het celibaat en trekt zich terug in Hautmont. Hij neemt de naam Vincentius aan en sticht Zinnik. Zijn ex-vrouw vestigt zich op de plaats Montis (Latijn voor ‘van de berg’), waar ze zich zal toeleggen op een geestelijk bestaan, zonder daarom een echte religieuze gemeenschap te stichten. “Je zou kunnen spreken van een leefsysteem waar de vrouwen flink wat invloed uitoefenden. Waltrudis had een dertigtal kloosterlingen onder haar hoede die net als zij nooit de geloften van armoede, kuisheid of gehoorzaamheid hebben afgelegd. Die adellijke meisjes bevonden zich ergens tussen het wereldse en het gewijde leven”, vervolgt Benoît Van Caenegem.

Als ze sterft wordt Waltrudis het voorwerp van bijzondere verering. In de loop der jaren wordt ze aangeroepen bij migraine en huidziekten. Ook vrouwen die spoedig moeten bevallen vereren haar, vertrouwd als ze is met de vreugden van het moederschap. “Ook vandaag wordt ze nog aangeroepen bij bepaalde kwalen, maar toch vooral opdat ze voor zacht weer zorgt tijdens de Ducasse.”

Eindelijk een Heilige

Het duurde tot het begin van de 11de eeuw (1030) voor de bisschop van Kamerijk een heilige zou zien in Waltrudis. Haar lichaam werd toentertijd bewaard in een schrijn of in een graf – een kwestie die historici niet met zekerheid kunnen uitmaken. Pas in 1157 doen er nauwkeuriger gegevens de ronde over de stoffelijke resten van de overledene. Daaruit blijkt dat die zich bevinden in een zijden lijkwade, die de gewone sterveling vandaag kan bewonderen achter een vitrine van de schatkamer in de collegiale kerk. In 1250 biedt de toenmalige gravin va n Henegouwen, Ma rga retha van Constantinopel, een relikwieënkast aan om er het hoofd van Waltrudis in te bewaren. In 1313 dan laten de kloosterlingen, die de nagedachtenis en de erfenis van Sint-Waltrudis voortzetten, een verzilverd en verguld koperen schrijn maken om er de stoffelijke resten van haar lichaam in te leggen.

“Ook vandaag wordt ze nog aangeroepen bij bepaalde kwalen, maar toch vooral opdat ze voor zacht weer zorgt tijdens de Ducasse.”


Als de Franse Revolutie uitbreekt en de troepen van Napoleon Bergen binnentrekken, hebben de erfgenames van Waltrudis maar net de tijd en de ingeving om de relikwieën van hun patrones in veiligheid te brengen. Het is een echte schat, waarvan ze gebruik maken om hun macht te bewaren. Dat verklaart ook de opmerkelijk goede staat waarin de resten bewaard zijn, ondanks hun ouderdom. Het hoofd wordt overgebracht naar een geheime plek in Luik en de andere lichaamsdelen naar Duits grondgebied. In 1803 wordt het kostbare gebeente gerepatrieerd naar zijn land van oorsprong, alvorens op 12 augustus 1804 terug te keren naar voorlopige koffers in de collegiale kerk. De relikwieënkast met het hoofd van Sint- Waltrudis, die vandaag bezichtigd kan worden in een van de zijkapellen van het gebouw, dateert uit 1867 en is gehandtekend door goudsmid Bourdon uit Gent.

Het schrijn, dat sinds 1887 boven het hoofdaltaar hangt, is een werk van de Luikse goudsmid Wilmot. Het wordt maar één keer per jaar naar beneden gehaald, aan de vooravond van de zondagsprocessie van de Car d’Or (de gouden koets), tijdens een plechtige ceremonie die de aftrap aangeeft van de Ducasse (het volksfeest) en gepaard gaat met muziek van het kerkorgel, Thebaanse trompetten en pauken (zie verder). Dan weerklinkt het lied van de Doudou, dat enkele uren later de maat zal aangeven van de zogenaamde Lumeçon, het beroemde gevecht tussen Sint-Joris en de draak. Het lied wordt onthaald op gejuich van het volk, en dat is altijd een buitengewoon emotioneel moment. ’s Anderendaags wordt het schrijn met de resten van Sint-Waltrudis op de Car d’or geplaatst, een praalwagen uit de 18de eeuw, om vervolgens de feestelijke straten van de stad te doorkruisen.

Op 17 november 1997, op een moment dat er nog wild wordt gespeculeerd over de echtheid van het gebeente dat aan de heilige wordt toegeschreven, gaat gewezen bisschop Mrg. Huart over tot de officiële en kerkrechtelijke erkenning van de relikwieën van Waltrudis. Als ze geopend worden, blijken er documenten in te liggen die teruggaan tot in 1250, en een verzegelde leren tas. Die bevat een zijden lijkwade met daarin de beenderen die naar verluidt aan Waltrudis toebehoren.

“Op basis van DNA -analyses en dateringstechnieken met koolstof-14 zal de gerechtsarts later bevestigen dat het wel degelijk gaat om het lichaam van een vrouw die geleefd heeft tussen 610 en 690. Die periode strookt ongeveer met het verblijf van Waltrudis in deze wereld”, onderstreept Benoît Van Caenegem. Voor gelovigen mag twijfel dan niet toegelaten zijn, voor de anderen herbergen de edelsmeedwerken de resten van een vrouw die aan de oorsprong van hun stad ligt. “In het collectieve Bergense onderbewustzijn wordt het gezicht van de relikwieënkast met het hoofd evenwel beschouwd als het gezicht van Waltrudis, ook al gaat het om een creatie uit de 19de eeuw”, voegt de conservator eraan toe.

Samen met het gevecht is de processie van de Car d’Or het hoogtepunt van het volksfeest, het puurste moment. De terugkeer naar de collegiale kerk vormt de apotheose. Iedereen houdt dan de adem in. De jongsten duwen de koets met het schrijn en worden daarbij aangemoedigd door de ouderen. De wagen moet in één beweging het hellend vlak voor de ingang van het gebouw op rollen. Als die fysieke krachttoer mislukt, vrezen de Bergenaren dat er groot onheil over hun stad zal neerdalen.

 

informatie

Maison du Tourisme
Grand-Place, 22
B-7000 Mons
+32 (0)65 33 55 80
[email protected]
www.waudru.be

 

Twee eeuwen trouw

Als bouwwerk van de Brabantse gotiek heeft de collegiale kerk (nog) geen UNESCO-label gekregen, in tegenstelling tot het belfort vlakbij. Het monument staat evenwel op de lijst van uitzonderlijk erfgoed van Wallonië. De bouw begint in 1450 en eindigt 171 jaar later (1621). Er wordt bij voorkeur gebruikgemaakt van materialen afkomstig uit steengroeven van de streek (zandsteen, blauwe hardsteen enz.). “Hoewel de werkzaamheden lang hebben geduurd, heeft de collegiale kerk een tamelijk uitzonderlijk karakter vanwege de eenheid van architecturale stijl, ook al had ze bijna twee eeuwen nodig om haar definitieve vorm aan te nemen…” De kerk is tegen een helling aangebouwd en de sluitsteen van het gewelf zit 25,5 meter hoog. Aan de buitenkant lijkt deze kerk, waar dagelijks missen worden opgedragen, gedrongen en in zichzelf gekeerd. Maar schijn bedriegt soms, want binnen wordt de bezoeker getroffen door verticalisme en grootsheid.

De schatkamer neemt de kapittelzaal in beslag en is toegankelijk van dinsdag tot zondag tussen 14 en 18 uur. Je kunt er vooral schitterende liturgische voorwerpen bewonderen, naast manuscripten, schilderijen, de lijkwade en de ring van Sint-Waltrudis, en nog andere voorwerpen die rechtstreeks verwijzen naar dit personage, dat onlosmakelijk verbonden is met de Bergense geschiedenis en folklore. “Tegen 2015 wil de kerkfabriek ervoor zorgen dat het publiek opnieuw kan rondwandelen in een deel van het triforium (de zuilengalerij onder de glas-in-loodramen) en van het gebint van de collegiale kerk”, meldt de blije conservator.

De bekendste piccolo blijft na 75 jaar dienst de Rue Destrée in Marcinelle op de wereldkaart van het stripverhaal zetten. Het verhaal wordt vervolgd!

Personages van stripverhalen doorstaan de tand des tijds en dat is op de beroemdste stripfiguur al helemaal van toepassing. Die lijken zelfs een verjongingskuur te ondergaan wanneer ze hun kaarsjes uitblazen! Het levende bewijs daarvan is Robbedoes, zowel het personage als het tijdschrift, die in 2013 allebei hun 75ste verjaardag vieren en bij die gelegenheid worden het hele jaar lang albums, nieuwigheden en evenementen van Robbedoes aan elkaar geregen. Marcinelle is nog steeds hun thuis, daar waar op 21 april 1938 de drukker en uitgever Jean Dupuis besloot een tijdschrift met stripverhalen voor de jeugd uit te brengen. En waar vervolgens de mooiste bladzijden en prenten uit de geschiedenis van de negende kunst werden geschreven: de uitstekende en wereldwijd vermaarde Frans-Belgische strip.

In Brussel had je natuurlijk Hergé die zich aan het tijdschrift ‘Kuifje’ waagde, maar het is de groep van Marcinelle, samengesteld uit Jijé, Franquin, Will en Morris, die de meeste van de grafische en narratieve codes heeft vastgelegd die de Frans-Belgische strip wereldwijd toonaangevend maakten, met Robbedoes als uithangbord. De tijden zijn 75 jaar later natuurlijk veranderd met de globalisering van het uitgeversbedrijf, tekenaars en eigenaars hebben elkaar opgevolgd – vandaag is de Franse reus in de uitgeverswereld Médias-Participations eigenaar van Dupuis, evenals van Dargaud en Le Lombard, twee andere Frans-Belgische kroonjuwelen. Het personage is mee geëvolueerd met zijn tijd en is moderner dan ooit. In de reeks verschijnt het 53ste album, er werden ‘one shots’ toevertrouwd aan grote talenten, tal van speciale uitgaven en integrale reeksen geproduceerd, maar ook tentoonstellingen, tekenfilmseries en zelfs een filmproject georganiseerd. Het jaar van deze piccolo uit Charleroi zal goed gevuld zijn. Op 21 april 2013 wordt hij al verwacht aan de voet van het Atomium voor de lancering van Spirou Z, de tabletversie van het weekblad. Levendiger dan ooit, die vlegel uit Charleroi!

En de vrouwen dan?

Robbedoes viert zijn verjaardag natuurlijk niet alleen. Reeds bij zijn eerste verschijnen in het weekblad werd hij vergezeld van vele vrienden: Kwabbernoot, Spip, Baard en Kale, enkele Amerikaanse cowboys… maar geen vrouwen, tenzij aan de haard of het fornuis. Sinds 1937 zijn de inhoud van het tijdschrift ‘Spirou’ en het lot dat vrouwen in het stripverhaal was beschoren goddank veranderd. Nu heersen de dames onmiskenbaar en hebben ze op de pagina’s van het tijdschrift een vredig en vooral modern oord gevonden.

Franquin was de eerste om heldinnen en vrouwelijkheid in zijn prenten op te voeren in een wereld die toen overwegend mannelijk en conformistisch was en waarin de jonge lezers absoluut veel talrijker waren dan de jonge lezeressen. In de jaren vijftig creëerde hij IJzerlijm, een jonge moderne vrouw, dynamisch, goedlachs en avontuurlijk, die Kwabbernoot heel wat last bezorgt! Een beetje later werd Juffrouw Jannie de trouwe gezel in de gags van Guust Flater, om niet meer te zeggen. In de loop der jaren gaf Franquin haar in elk vakje meer body en aantrekkingskracht… In de jaren zeventig deden eindelijk heldinnen hun intrede die vandaag nog steeds worden gewaardeerd: Yoko Tsuno van Leloup en natuurlijk Natasja van Walthéry. Andere, jongere lezers, hebben mooie herinneringen aan Viola van Hislaire, die het hoofd van Frommeltje, de zoon van de frietverkoper, op hol bracht… en die een van de eersten was om naakt in het tijdschrift te verschijnen!

Franquin was de eerste om heldinnen en vrouwelijkheid in zijn prenten op te voeren in een wereld die toen overwegend mannelijk en conformistisch was en waarin de jonge lezers absoluut veel talrijker waren dan de jonge lezeressen.


Maar de vrouwelijke, zelfs feministische revolutie van het stripverhaal breekt pas in het nieuwe millennium echt door: de opkomst van de manga’s en digitale strips veranderde het lezerspubliek dat nu voornamelijk vrouwelijk is. De kanonnen van het stripverhaal zijn meegegaan in die beweging. Veel tekenaars zijn nu vrouwen, en de ‘girly strip’, door meisjes en voor meisjes, zijn echte bestsellers. In ‘Spirou’ wordt de girl power tegenwoordig verzekerd door Mooie Navels. Dit trio meisjes, die op zijn zachtst gezegd geen last hebben van complexen, is een enorm succes. Maar daarnaast zijn er ook Tamara (die er ‘haar eerste keer’ beleefde), Melisande, Vrouwen in ’t Wit… en nog steeds IJzerlijm, die meer dan ooit helemaal mee met haar tijd is gegaan.

 

Reeds verschenen dit jaar

“De avonturen van Robbedoes en Kwabbernoot, album 53: Vip, viper, vipst”
door Yoann en Velhmann Dupuis

« La véritable histoire de Spirou : 1937-1946 »
door Christelle en Bertrand Pissavy-Yvernault Dupuis

In het dorpje in de schilderachtige vallei van de Molignée ligt een benedictinessenklooster verscholen, beter bekend als de abdij van Maredret. De muren verbergen er een eeuwenoude schat aan kennis en talent.

De internat ionale faam van Maredret is grotendeels te danken aan de productie van miniaturen. Deze boeken en devotieprenten zijn met de hand gemaakt, meestal op perkament, speciaal daarvoor bewerkte dierenhuid.

Bij de stichting van de abdij in 1893 richtte zuster Agnès Desclée een atelier op waarin ze probeerde om de oude technieken van de middeleeuwse kopiisten en verluchters terug te vinden. Het heeft meerdere jaren geduurd voor de zusters alle geheimen van het vak onder de knie hadden: de beheersing van de oude geschriften, de goudzetting, het prepareren van de pigmenten.

De intrede in 1898 van zuster Marie- Madeleine Kerger, een zeer getalenteerde artieste, heeft in grote mate bijgedragen tot het groeiende succes van het atelier. In de eerste plaats stond het ten dienste van de benedictijnenabdijen, de Belgische adel en de koninklijke familie. Daarnaast werden talrijke devotieprenten verwezenlijkt, bedoeld om gedrukt en over een veel breder publiek verspreid te worden.

Het heeft meerdere jaren geduurd voor de zusters alle geheimen van het vak onder de knie hadden: de beheersing van de oude geschriften, de goudzetting, het prepareren van de pigmenten.


De benedictinessen vervaardigden ook manuscripten: missalen, antifonaria, ritualen voor de monniken en de slotzusters, en getijdenboeken voor de leken. Deze ambitieuze verwezenlijkingen, meestal in gotische stijl, impliceerden een heus teamwerk omdat er meerdere zusters deelnamen aan de transcriptie van de tekst, het bedenken van de compositie en de picturale uitvoering.

Zuster Marie-Madeleine had het geluk een talentvolle leerlinge te kunnen opleiden, zuster Marie-Louise Lemaire. Zij kon op haar beurt haar kennis doorgeven aan zuster Bénédicte Witz, de huidige abdis van Maredret. Die zet, aan dit begin van de 21ste eeuw, een eeuwenoude traditie voort.

 

informatie

Abbaye de Maredret
Rue des Laidmonts, 9
B-5537 Maredret
+32 (0)82 21 31 80
[email protected]
www.maredret.be

Virginie Harzé is productiehoofd in de brouwerij van de abdij Notre-Dame du Val-Dieu in het Land van Herve. De jonge vrouw van 33 is landbouwkundige van opleiding en steekt haar liefde voor kwaliteitsbieren niet onder stoelen of banken.

De abdij van Notre-Dame du Val- Dieu houdt haar schatten goed verborgen, ook de bieren die ontspringen uit het hart van de brouwerij. Schattenbewaakster van dienst is Virginie Harzé. Ze is dol op haar vak en beschikt over een diploma van meester- brouwer, maar noemt zich liever “productiehoofd”. Ze waakt zorgvuldig over de bierproductie en let erop dat de recepten nauwkeurig worden gevolgd. Sinds een paar jaar vallen ook steeds meer consumenten voor de charmes van de kwaliteitsbieren.

Controle over de elementen

Het productieproces van de bieren van Val- Dieu heeft geen geheimen meer voor haar. Blonde, Brune, Triple, Grand-Cru of kerstbier, ze kent ze allemaal op haar duimpje. We ontmoeten haar op een winterse dag. Ze is al van zes uur ’s morgens in de weer en checkt hier en daar bij de mannen in de brouwerij of alles goed verloopt. Het hele productieproces moet immers goed gevolgd worden, van het beslaan van de mout tot het brouwen en het afvullen in flessen of vaten. “Bier wordt geproduceerd op basis van een recept. Elk bier heeft zijn eigen recept en dat moet je respecteren”, legt ze uit. “Maar bier is een levend product. Er spelen verschillende elementen tijdens de productie. En er is altijd wel iets dat de kwaliteit kan aantasten of de smaak kan wijzigen. Je moet jongleren met de basisingrediënten mout, hop, water en gist, en daarna waken over de verschillende productiefases, zoals de temperatuur tijdens het brouwen of de correcte fermentatie van het bier in de gistkuip.” Bier brouwen op zich is misschien niet zo moeilijk, maar altijd hetzelfde bier maken, dat is een ander verhaal. Alle meester-brouwers zullen dat bevestigen. “We proberen voortdurend om de kwaliteit van het bier te verbeteren zonder de smaak of de kleur te veranderen”, zegt Harzé. “Dat maakt ons beroep net zo boeiend.”

Liever bier dan chocolade

De dynamische Virginie startte acht jaar geleden in de brouwerij van Val-Dieu. Met haar opleiding landbouwkunde wilde ze graag aan de slag in de voedingsmiddelensector. “Eigenlijk twijfelde ik tussen bier en chocolade. Toen ik in mijn laatste jaar een stage moest zoeken, koos ik een brouwerij omdat ik de chocoladesector al redelijk goed kende”, vertelt ze. Het was een beslissend moment. “Ik raakte gefascineerd door het product, het ingewikkelde proces, al die factoren waarmee je rekening moet houden om een goed bier te maken. Ik ontdekte er een heel bijzonder product. Je moet weten dat ik daarvoor totaal geen bierdrinker was. Maar in de brouwerij ontdekte ik ook de warme en gezellige sfeer die rond bier hangt.. Ik kan u verzekeren dat ik intussen mijn schade ruimschoots ingehaald heb”, lacht ze.

“Ik raakte gefascineerd door het product, het ingewikkelde proces, al die factoren waarmee je rekening moet houden om een goed bier te maken. Ik ontdekte er een heel bijzonder product.”

 

Na haar studie kwam Virginie terecht in een bedrijf dat niets met bier te maken had. Maar al snel kwam ze op haar stappen terug. Ze begon als laborante bij een grote Belgische brouwerij en controleerde er de kwaliteit van het bier. “Het was een heel andere manier van werken dan hier, in een kleine brouwerij. Bij mijn vorige werkgever gebeurde alles op grote schaal. In de brouwerij van Val-Dieu gaat het er heel anders aan toe. Hier kom ik met alle fases van het productieproces in aanraking en dat is heel verrijkend.”

Iedereen helpt elkaar

Het lot gaf haar een duwtje in de goede richting en zo belandde ze in de cisterciënzerabdij van Val-Dieu uit 1216. Virginie wou terug naar het platteland waar ze is opgegroeid en stuurde een spontane sollicitatie naar de kleine brouwerij. “Ik was op het juiste moment op de juiste plaats. Ze zochten net iemand voor de kwaliteitscontrole en om mee te werken bij het brouwen”, vertelt ze. Dat was acht jaar geleden. De jaren die volgden, leerde ze veel bij door samen te werken met de twee vennoten van de brouwerij, Alain Pinckaers en Benoît Humblet. Pinckaers hield zich meer bezig met de commerciële groei, terwijl landbouwingenieur Humblet de verschillende recepten ontwikkelde. “Ik zat dus niet de hele dag in het laboratorium, maar kon me ook onderdompelen in het productieproces van bier. Zo zag ik hoe we de kwaliteit nog konden verbeteren. Al doende heb ik heel veel geleerd over de productie. Dat was een grote meevaller. Ook al heb ik nog vaak de indruk dat ik nog veel moet leren”, geeft ze toe. Ze leerde ook de sector beter kennen en kon de sfeer aan den lijve ondervinden. “Er is veel concurrentie in België, want ons land telt heel wat bierproducenten, maar toch zit de sfeer goed. Ik ben goed opgevangen en heb altijd veel steun gekregen.” Ook al is de brouwerijsector vooral een mannenwereld, toch vond ze er makkelijk haar draai. Ze drinkt graag een lekkere ‘spéciale’ met haar collega’s en wisselt tips met hen uit om hun bieren of productieproces nog beter te maken. “We begrijpen elkaar en steken een handje toe waar het nodig is. Dat doet deugd. In het begin was het vooral een mannenwereld, maar stilaan trekt de sector ook meer vrouwen aan.”

Twee jaar geleden verliet Benoît Humblet de brouwerij. Hij maakt nu andere bieren in de buurt van Gembloux en Virginie kreeg de verantwoordelijkheid over de productie. Naast Alain Pinckaers, die zich nu ook meer bezig houdt met de productie, heeft Virginie het meeste ervaring van het hele team. Tegenwoordig werkt ze samen met de nieuwe vennoot van de brouwerij, Michaël Peisser, de neef van Pinckaers, en met twee mensen die haar ondersteunen op het niveau van de productie. Haar werk maakte een hele evolutie door, net als de doelstellingen van de brouwerij. “We staan voor grote uitdagingen. We moeten de nieuwe werknemers opleiden, de kwaliteit van het bier voortdurend verbeteren door een goede follow-up in het lab, efficiënt brouwen en manieren zoeken om de productie op middellange termijn te verdubbelen. Dat zijn veel dingen tegelijk, maar het is ook waarom ik mijn werk zo graag doe.”

Nieuwe creatie op komst?

Op dit moment produceert de abdij van Val- Dieu 7.500 hectoliter bier per jaar. Afwisselend is dat de Blonde (met een alcoholgehalte van 6%), de Brune (8%), de Triple (9%) en de Grand-Cru (10,5% ). Rond Kerstmis wordt ook de “Val-Dieu de Noël” gebrouwen. Daarnaast is er nog een reeks gelegenheidsbieren, die 10% van de productie uitmaken. Tegen 2015-2016 streeft de brouwer ij naa r een product ie van 15.000 hectoliter. Een hogere productie heeft uiteraard gevolgen voor het productieproces. Dat moet verbeterd en uitgebreid worden, zonder de kwaliteit van het bier aan te tasten. Ook het huidige team van vijf mensen heeft versterking nodig. Geen kleine uitdagingen dus, maar Virginie Harzé en haar collega’s zijn klaar om er tegenaan te gaan.

Tijd voor het productiehoofd om haar eigen recept te creëren en te produceren? Tot nu toe werkt Harzé de recepten van Benoît Humblet uit. De productie van een eigen bier is dus een volgende stap. “Ik heb er wel zin in, ook al is het geen prioriteit. Het is een heel andere ervaring voor mij. Ik moet alles nog leren” zegt ze. In 2016 bestaat de abdij 800 jaar en dat moet gevierd worden. Wellicht het ideale moment om dat eerste bier te creëren... “We denken erover na op dit moment. Ik zou voor de gelegenheid wel willen proberen om een biobier te creëren. Maar ik ben niet de enige die daarover beslist. We zullen wel zien wat er mogelijk is.” Het eindresultaat blijft voorlopig dus een verrassing, maar ongetwijfeld zal het bier de ervaring weerspiegelen die Harzé al die jaren heeft opgebouwd. Een nieuw bier betekent een nieuwe schat voor de abdij van Val-Dieu. Gelukkig stelt die graag haar deuren open, zodat iedereen kan genieten van al haar rijkdom.

 

Een imposant geheel

De abdij van Val-Dieu dateert van 1216 en heeft een lange geschiedenis. De culturele trekpleister van het Land van Herve was vroeger een toevluchtsoord voor cisterciënzermonniken. De meeste gebouwen die er nog staan, moesten heropgebouwd worden nadat ze in 1574 geplunderd werden door calvinistische troepen. De abdijkerk zelf stortte in 1839 gedeeltelijk in. De wederopbouw duurde tot 1884. In de imposante kerk staan er nog prachtige koorstoelen uit de renaissance van een andere Luikse cisterciënzerabdij, die van Paix-Dieu in Amay.

In 2001 verlieten de laatste drie cisterciënzermonniken de abdij. Daarna kwam een lekengemeenschap op de plek wonen en zette er de christelijke waarden voort volgens de principes van de cisterciënzerorde. De abdij en de brouwerij kunnen bezocht worden op afspraak. In de molen van Val-Dieu, tegenover de abdij, schuilt een restaurant waar Belgische en buitenlandse toeristen sinds januari 2013 kunnen genieten van streekproducten. Dankzij het bier is de naam Val-Dieu immers ook buiten de landsgrenzen bekend. 30% van de productie van de brouwerij is bestemd voor export naar 17 landen: Verenigde Staten, Italië, Frankrijk, Nederland, Spanje, China, Oekraïne, Zwitserland, Engeland, Canada, Polen…

 

informatie

Abbaye du Val Dieu
Val-Dieu, 227
B-4880 Aubel
[email protected]
www.abbaye-du-val-dieu.be

Snuif de ziel en de folklore van Charleroi op. Geniet van huisgemaakte gerechten, ontdek streekproducten of proef een lekker biertje van bij ons. Les Templiers in Charleroi is een levendige bistro naar ons hart.

Het gebouw tegenover het gemeentehuis, in het hart van Charleroi, staat al meer dan vijftig jaar t rouw op post . Brouwerij Diekirch liet het optrekken ter gelegenheid van de wereldtentoonstelling.

De originele lambrisering, de antieke kroonluchters, de rustieke tafels en stoelen en de oude toeristische affiches maken van Les Templiers een authentieke taverne in middeleeuwse stijl waar het goed toeven is. De hogere klasse komt graag samen in de bistro, maar het is ook een plek waar stamgasten en toeristen kunnen genieten van een artisanaal brouwsel. “Artsen, kunstenaars, journalisten en schilders zitten regelmatig samen aan de toog. We hebben zelfs een lokaal waar de Gilles Récalcitrants (een bekende carnavalsvereniging, nvdv) al bijeenkomen sinds 1977”, vertelt Giuseppe Ferrito – Joseph voor de vrienden. De man met zijn typische schort komt hier al vijfentwintig jaar over de vloer. Bijna twaalf jaar geleden nam hij de brasserie over. Hij besloot de handen in elkaar te slaan met Philippe Stiennon en sindsdien doen de twee zaakvoerders samen de bediening. De vijftigers zijn trotse inwoners van Charleroi. Gastvrijheid en een stalen karakter typeren hen. “We hebben elkaar ontmoet in Charleroi doordat we op dezelfde plekken uitgingen. Maar we zijn nog geen koppel!” lacht ex-basketspeler Philippe. Op het rek staan de trofeeën van de veteranen stof te vergaren – een herinnering aan andere tijden.

Een erkende taverne

Gezelligheid troef op deze plek, die niet alleen streekproducten serveert, maar er zelf een is. Hun label “Bistrot de Terroir” is dan ook meer dan verdiend. De toenmalige minister van Toerisme riep dit label in 2010 in het leven met de bedoeling om het blazoen van de horeca weer op te poetsen en om ook brasseries hun steentje te laten bijdragen aan de toeristische en sociaaleconomische ontwikkeling van Wallonië. “Het is een mooie beloning voor ons, maar we hebben er niets extra voor gedaan. We werken nog altijd op dezel fde manier ”, ver tel t Joseph. Ambassadeur van de stad Charleroi word je niet zomaar. Zo moet de brasserie minstens drie streekgerechten aanbieden, toeristische informatie geven over de streek en aangesloten zijn bij het Federaal agentschap voor de veiligheid van de voedselketen (FAVV).

Een traditioneel krijtbord

Aan die basisvoorwaarden beantwoordt Les Templiers al lang. Op het krijtbord staan de huisgemaakte specialiteiten en dagschotels. “We schillen onze aardappelen nog met de hand en we bakken onze frieten twee keer, zoals de traditie het wil. Zelfs onze mayonaise wordt met de hand gemaakt door Bruno, de kok”, vertelt Joseph trots. Maar de echte troef van de kok is dat hij met verse producten werkt van kleinschalige producenten uit de streek. “We vinden het belangrijk om samen te werken met lokale producenten.” Joseph voegt eraan toe: “De escabèche komt van een kleine fabrikant uit Virelles en het vlees van slager Yvan in Gosselies.” Naast de klassieke américain of konijn met blauwe Chimay staan er nog heel wat andere dingen op de kaart. Frans orgaanvlees zoals andouillettes of pens bijvoorbeeld, of mosselen (verkrijgbaar tot eind maart). Op de drankenkaart en de tafels pronken Belgische kwaliteitsbieren en -trappisten als Orval, Chimay en Maredsous van het vat. Ook de Scotch en Guinness van het vat stromen rijkelijk. En natuurlijk mag de P’tit Peket uit Biercée niet ontbreken.

Wie wil, kan hier alle dagen terecht. Tot de laatste klant opstapt, of dat nu een stamgast uit Charleroi is of een van de vele buitenlandse toeristen.

 

informatie

Les Templiers
Place du Manège, 7
B-6000 Charleroi
+32(0)71 32 18 36
www.bistrotdeterroir.be

Aan de rand van het mooiste circuit ter wereld, in het hartje van de Ardennen, blinkt het Hôtel de la Source uit door zijn architectuur en vrouwelijk management.

Het Hôtel de la Source werd bijna drie jaar geleden gebouwd door Luxemburgse investeerders. Weinig alledaags is dat vier vrouwen hier de touwtjes in handen hebben. En wat dan nog? Euh, niets. Maar als je Hôtel de la Source heet omdat je uitkijkt op de bocht met dezelfde naam en aan de Route du Circuit in Spa bent gelegen, zou je denken dat de sfeer hier van ver of van dichtbij te maken heeft met de autowereld, die toch eerder mannelijk is… “De periode van de Grote Prijs is inderdaad erg belangrijk voor ons wat omzet en naamsbekendheid betreft”, zegt Muriel Defosse, de commercieel directeur. “Maar we richten ons niet uitsluitend op autoraces, we hebben onze klanten nog veel meer te bieden.”

De architectuur is trendy en de decoratie verwijst naar de motorsport… zonder verstikkend te zijn. Architect Stefano Moreno getuigde van goede smaak door te kiezen voor een hightechuniversum en design in plaats van luxueuze paddocks voor dit grote hotel met 90 kamers (waarvan 4 suites) dat zich zowel tot zakenlui als toeristen richt. “We beschikken over bijna 500 m² moduleerbare vergaderruimte”, vertelt Muriel Defosse. “Hier worden veel seminaries en teamtrainingen georganiseerd, zakentoerisme dus.” De infrastructuur en de omgeving zijn uiterst geschikt voor dit soort professionele activiteiten. “Er zijn het Ravel-netwerk en de bossen. Uiteraard zijn er de activiteiten op het circuit die, het moet gezegd, hun eigen publiek meebrengen. Verder is er de stad Spa met haar bronnen, charme en Francofolies. En vlakbij is er de abdij van Stavelot en haar automuseum. Er valt zo veel te ontdekken in de omgeving.”

Spa, toch?

Maar hoe beland je in Spa om een hotel uit te baten? “Ik ben oorspronkelijk van Spa, ook al woon ik hier niet meer”, gaat de commercieel directeur verder, vertaalster van opleiding. “Dankzij mijn talenkennis kon ik aan de slag als artsenbezoeker bij een farmaceutisch bedrijf. Ik moest dus regelmatig ‘incentives’ organiseren, dat waren mijn eerste contacten met de wereld van horeca en evenementen. De Sanglier des Ardennes stelde me voor om van kamp te wisselen en zo ben ik erin gerold. Na enkele jaren in Durbuy kwam deze aanbieding.” Zo’n uitdagend aanbod kon ik niet afslaan. Op het overigens prachtige gebouw na moest alles worden opgebouwd.

De drie andere dames aan het roer hebben een minstens even interessant parcours afgelegd. Alexia Ponghis, verantwoordelijk voor de seminaries, is licentiaat in de psychologie en behaalde een master in toerisme. Algemeen directeur Sophie Coumont werd aanvankelijk, in juli 2010, aangenomen als commercieel directeur, maar nam enkele maanden later, in maart 2011, de functie van algemeen directeur over. De vier belangrijkste functies zijn sindsdien in handen van vrouwen. Een bewuste keuze? “Het is toeval, want er werd op basis van competenties geselecteerd. Om een viersterrenhotel te leiden improviseer je niet. Al is het wel waar dat weinig mannen zich kandidaat hebben gesteld voor deze functies. Het toeval heeft zich royaal getoond”, verduidelijkt de algemeen directeur, licentiaat in management, die gedurende tien jaar haar sporen heeft verdiend bij Dorint en Accor. Net zoals haar medewerkster Monia Belli is ze altijd werkzaam geweest in de horeca. Een voordeel of een nadeel? “Wanneer je werk hebt dat je graag doet, doe je dat goed”, gaat Sophie Coumont verder. “Onze opleidingen en ervaringen zijn complementair. In het geval van Alexia, die naast haar stressbestendigheid ook een ‘psychologische’ bagage heeft, is haar profiel essentieel om de klant, zijn wensen en behoeften te begrijpen. Deze klantgerichtheid in combinatie met managementvaardigheden is een onbetwistbare troef voor een hotel zoals het onze.”

Voorrang aan contact

“Onze werkmethode is gebaseerd op de menselijke kant van het beroep en dat maakt het verschil”, zegt Monia Belli, ook aan boord sinds het begin van het avontuur. “Wanneer ons een offerte wordt gevraagd, maken we ons sterk die binnen 48 uur persoonlijk te overhandigen. Het hotel is meer dan een uithangbord, het zijn mensen die de klanten zich hopelijk zullen herinneren…”

 

Zaken of ontspanning?

Gezien de kwaliteit en de ligging van het hotel trekt het zowel nationale als internationale gasten aan. ‘We hebben veel Vlaamse klanten’, verduidelijkt Muriel Defosse. ‘Ons modern design valt in de smaak.’ Dit Nederlandstalige publiek uit Vlaanderen of Brussel komt vooral een weekendje ontspannen. Op de podiumplaatsen voor ontspanning staan de Vlamingen, Waals-Brabanders en Nederlanders, gevolgd door de Engelsen en Fransen, die vooral aangetrokken worden door de autosport. Als het over zaken gaat, maken de Nederlanders 10% van de clientèle uit (30% in het geval van ontspanning), terwijl de Duitsers ondervertegenwoordigd zijn. ‘In tegenstelling tot de Luxemburgers die goed vertegenwoordigd zijn, blijven de Duitsers erg behoudsgezind. Hun MICEnetwerk (Meetings, Incentives, Conferencing, Exhibitions) breekt de prijzen om hun klanten aan zich te binden in Duitsland zelf.’ Nochtans is dit een publiek dat wordt aangetrokken door een uitmuntende gastronomie en laat Jean- Marc Harzée, de nieuwe chef, de gastronomie nu net naar een hoger niveau hebben getild…

 

Who’s who?

Muriel Defosse

Opleiding
Licentiaat vertaler-tolk (UMH), Master in Management (ULG)
Vorige ervaringen
Sales & Marketing Manager (Hostellerie Sanglier des Ardennes), Communication Manager (Laboratoires Lohmann & Rauscher)
Indiensttreding
Juli 2011
Functie
Senior Sales Manager Hôtel de la Source Spa- Francorchamps, Board Member van de Club MI CE Wallonie-Bruxelles Tourisme

Alexia Ponghis

Opleiding
Licentie in de psychologische wetenschappen (ULG), Master in Toerisme (UJC Madrid)
Vorige ervaringen
Events Manager (Modelenvironment), Project Manager (Instele)
Indiensttreding
Augustus 2011
Functie
Meetings & Events Coordinator Hôtel de la Source Spa- Francorchamps

Monia Belli

Opleiding
Graduaat in Toerisme (Haute École Charlemagne, campus les Rivageois)
Vorige ervaringen
Front Office Manager (Hôtel Spa Balmoral)
Indiensttreding
Juli 2010
Functie
Front Office Manager Hôtel de la Source Spa-Francorchamps

Sophie Coumont

Opleiding
Licentie in Management (Toerisme), ULB
Vorige ervaringen
Marketing & Sales Coordinator, Sales Manager, Director of Sales (hotelketens Dorint en Accor)
Indiensttreding
Juli 2010
Functie
General Manager Hôtel de la Source Spa-Francorchamps, Voorzitter SI TE Belgium 2013-2014

 

informatie

Hôtel de la Source
Route du Circuit, 22
B-4970 Francorchamps
+32 (0)87 79 58 00
[email protected]
www.hotel-de-la-source.com

Meester-kaasmaker Jacquy Cange heeft vanuit zijn winkel in Stambruges internationale bekendheid opgebouwd met zijn hypercreatieve kazen. Zijn kazenpalet heeft hem het respect en de bewondering van collega’s en grote sterrenchefs opgeleverd.

Zijn naamkaartje zegt genoeg over de erkenning die hij krijgt van zijn vakbroeders. Toch hebben die hem in zijn beginperiode vaak bekritiseerd vanwege de nogal onorthodoxe manier waarop hij de stiel aanpakte. Maar sinds hij zich gestort heeft op het selecteren en transformeren van een indrukwekkende variëteit aan kazen – de ene nog voortreffelijker dan de andere – grossiert Jacquy Cange in prijzen en eretitels van prestigieuze wedstrijden. Zo ontving hij in februari 2010 de hoogste nominatie als meester-kaasmaker van het internationale gilde der kaasmakers. Hij kan zijn ouders nooit dankbaar genoeg zijn voor de ongebreidelde interesse in voedingsproducten die hij van hen heeft geërfd. “Al toen ik nog heel klein was, ging ik geregeld met hen mee naar een restaurant. Zij hebben me de gastronomie leren kennen. Ik ben ook groot geworden met twee oma’s die heerlijk kookten. De eerste maakte verrukkelijke stoofpotjes met wild en vis, en bij de andere kreeg ik overheerlijk gebak”, zegt hij vol heimwee. In 1985 maakte hij zijn debuut in de kaaswereld. “Ik had net zo goed chocola kunnen kiezen,” bekent hij, “maar ik was niet zo tevreden over de kazen die toen op de markt waren.” En dus reed Jacquy een ronde van Frankrijk langs de producenten daar, gewoon om te ruiken hoe kaas ontstaat en hen eens te polsen over de kansen om nieuw bloed en toegevoegde waarde in de sector te brengen.

En toen kreeg hij onbedwingbaar veel zin om een heel assortiment van gedurfde kazen te maken, waarbij kwaliteit en originaliteit samengaan. Kazen die een knappe mix vormen van traditie en innovatie. “Het wonderlijke van kaas is dat dit product zich leent tot oneindig veel huwelijken.” Tot nu toe heeft Jacquy Cange binnen zijn eigen merk 35 kazen ontwikkeld, die hij naar alle windstreken exporteert. Zijn belangrijkste importeurs zijn in Europa gevestigd (Spanje, Italië, Engeland, Duitsland) maar ook in Singapore, Japan en de Verenigde Staten.

En zo brengt deze man, die zichzelf een beetje als een beeldenstormer beschouwt, perfecte en verbluffende combinaties tot stand door de meest uiteenlopende vaste en vloeibare ingrediënten toe te voegen aan zijn avant-gardistische kazen: wijn, bier, sterkedrank (calvados, appellikeur, Eau de Villée, jenever), specerijen, kruiden, gedroogd fruit, paddenstoelen (truffel) enz. Zo werkt hij nu aan een Engelse stilton met port. Zoveel exclusieve specialiteiten en recepten die enorm veel onderzoek en zelfopoffering vergen... “Soms zijn meerdere jaren en een eindeloze reeks tests nodig voor je een coherent product hebt dat een tijdje meegaat. Dat was het geval bij het uitwerken van de chocoladekaas. De grote kunst is om zo’n kaas identiek te reproduceren, zodat het product overtuigend en authentiek is. Echt, ik hou van al mijn kazen en ik zou de ene niet boven de andere kunnen plaatsen. Binnen de grenzen van het mogelijke proberen we elk jaar met iets nieuws te komen.”

Hij trekt vooral rond in België, Frankrijk en enkele andere Europese landen, om dat ene boerderijtje of die ene producent op te sporen die zijn assortiment nog kan verrijken met nieuwe smaken.


Naast zijn werk als hypercreatief kaasrijper veredelt Jacquy Cange ongeveer 250 klassieke kazen die hij zorgvuldig uitkiest en waarvan hij de kwaliteit zo hoog mogelijk opvoert. Hij trekt vooral rond in België, Frankrijk en enkele andere Europese landen, om dat ene boerderijtje of die ene producent op te sporen die zijn assortiment nog kan verrijken met nieuwe smaken. “Ik vergelijk een kaasplank vaak met een schilderspalet, waarbij elke smaak vertegenwoordigd moet worden door verschillende, complementaire nuances, en dat alles met een vleug persoonlijke vernieuwing. Er zijn zoveel lokale goede producten dat het absurd zou zijn om de andere kant van de wereld te verkennen en je ecologische voetafdruk te vergroten.”

In zijn winkel aan de rue des Meuniers in Stambruges (een deelgemeente van Beloeil) kunnen particulieren zijn weergaloze kazen rechtstreeks kopen, maar ook traiteurs en grote sterrenchefs worden er gelukkig van. Je kunt de kazen ook vinden in enkele winkeltjes in de streek en op de markten van Bergen, Doornik, Aat en Edingen. En het is ook hier, in Stambruges, vestigingsplaats van een kleine onderneming met zes werknemers, dat Jacquy Cange zijn kazen laat rijpen, in vijf goed bewaakte kamers.

Onze ambachtelijke kaasrijper laat ze rusten bij een luchtvochtigheid, ventilatie en temperatuur die aangepast zijn aan het rijpingsproces. De korsten worden geborsteld en gewassen met ongekende zorgvuldigheid en verfijning. Die nauwgezette aandacht staat garant voor een optimale trage en zachte rijping van deze onvervalste schatten, waarvan de chef de geheimen – terecht – niet prijsgeeft.

 

informatie

JAF sa
Rue des Meuniers, 46
B-7973 Stambruges
+32 (0)69 57 97 69
[email protected]
www.jacquycange.be

 

Fête du Fromage in Harzé

Het Land van de Ourthe- Amblève heeft toeristen heel wat te bieden. Streekgebonden evenementen staan er hoog op de agenda. In dit groene, idyllische kader organiseert de Dienst voor Toerisme van het Land van de Ourthe-Amblève (vzw GRE OA) het weekend van 17 en 18 augustus 2013 de 34ste editie van het Fête du Fromage. Het indrukwekkende kasteel van Harzé vormt de gedroomde locatie. Kaasmakerijen, zuivelbedrijfjes en landbouwers uit België en elders komen er samen op dit grootse feest van de smaak, waar gezelligheid troef is. Ook dit jaar wordt er een eregast verwacht.

Elk jaar stromen er meer dan 10.000 bezoekers toe. Deze keer zal Michel Vincent, radiopresentator bij VivaCité-Liège (RTBF), het gebeuren in goede banen leiden. Op het programma staan inhuldigingen van verenigingen, concerten van de Beierse fanfare uit Ulsenheim (Duitsland) en de traditionele wedstrijden met Waalse kazen. Een melkbar, een springkasteel, een rondleiding van het Musée de la Meunerie et de la Boulangerie (maalderij- en bakkerijmuseum) en aan het kasteel van Harzé maken het plaatje compleet. Plezier verzekerd voor jong en oud!

http://fdf.ourthe-ambleve.be

Drie jaar geleden startte Audrey Moineau met de import van kwaliteitswijnen uit de Nieuwe Wereld. Haar ‘Tasting Room’ was geboren. Vergeet de clichés en ontdek de smaken van verre oorden.

De exotische wijnen van The Tasting Room weten alsmaar meer smaakpapillen te bekoren. Wijn uit de zogenaamde ‘Nieuwe Wereld’ bestaat al langer dan vandaag en veroverde al een tijd geleden een plaatsje in onze supermarkten. Toch is hij nog behoorlijk onbekend - en onbemind - in onze contreien. Er doen dan ook nog heel wat misvattingen de ronde: het zou gaan om minderwaardige wijn die artificieel smaakt, slecht bewaart en alleen goed is als aperitief in het zonnetje of voor een zomerse barbecue. “Dat zijn hardnekkige clichés”, geeft Audrey Moineau toe, oprichtster van The Tasting Room. “Waarom zou Zuid-Afrikaanse wijn niet in een kelder kunnen rijpen zoals een Bourgogne of geen subtiele smaak kunnen hebben? De wijn wordt volgens dezelfde methodes bereid als in Europa. Het maakt niet uit waar wijn vandaag komt, als hij van goede kwaliteit is, kan hij perfect rijpen in goede omstandigheden.”

Sommigen krijgen wijn met de paplepel binnen, of toch zodra ze oud genoeg zijn om van het goddelijke goedje te kunnen genieten. Voor Moineau liep het anders. De jonge Luikse heeft een diploma rechten met een specialisatie in auteursrecht en kon vier jaar geleden niet vermoeden dat ze exclusieve importeur zou worden van een uitgebreid gamma Zuid-Afrikaanse wijnen. “In 2009 ben ik voor een tijdje naar Zuid-Afrika vertrokken. Ik was van plan om er een job in mijn sector te zoeken, maar ik vond niet meteen interessante vacatures.” Audrey valt echter als een blok voor de charmes van de Zuid- Afrikaanse wijnen en besluit daarom een cursus oenologie te gaan volgen. “Voor de eerste keer in mijn leven was ik de eerste van de klas”, lacht ze. Ze stort zich in het avontuur en besluit zich vanaf nu toe te leggen op het importeren van wijn. Amper enkele maanden na haar eerste lessen richt ze haar bedrijf op in België. “Ik besefte al snel dat dit een gat in de markt was, want ik vond geen enkele andere importeur in Wallonië.” Al snel sluit ze haar eerste contracten af: The Tasting Room is gelanceerd. De zaak begint in een aparte kamer in huis, breidt uit naar een webwinkel en krijgt er later een verkooppunt bij in Chênée bij Luik. Audrey bouwt contacten op en weet de interesse van keldermeesters en restauranthouders te wekken. Er is wel wat overtuigingskracht nodig om het aanvankelijke wantrouwen te overwinnen. “Mensen denken vaak dat Zuid- Afrika alleen witte wijn produceert en dat er maar weinig druivensoorten zijn, terwijl er bijna 90 verschillende zijn. Of dat je voor een goede wijn altijd diep in je buidel moet tasten. Maar gelukkig is die mentaliteit aan het veranderen.”

“Mensen denken vaak dat Zuid-Afrika alleen witte wijn produceert en dat er maar weinig druivensoorten zijn, terwijl er bijna 90 verschillende zijn. Of dat je voor een goede wijn altijd diep in je buidel moet tasten. Maar gelukkig is die mentaliteit aan het veranderen.”


Het argument ecologie heeft ze in haar voordeel omgebogen.“Ik ben altijd bezorgd geweest om het milieu, om duurzame ontwikkeling. Op het vlak van duurzame wijnproductie staat Zuid-Afrika aan de top. Er zijn strikte labels en certificeringen en die gaan zelfs verder dan de regels van de biosector in ons land.” En hoe zit het met het transport? “Wijn die met de vrachtwagen uit Italië komt heeft een grotere CO 2 -afdruk dan een fles die per boot bij ons geraakt. We kopen in grote hoeveelheden aan, zodat de totale kosten zo laag mogelijk liggen.”

Zuid-Afrikaanse wijn mag dan haar handelsmerk zijn, Audrey staat net zo goed open voor andere regio’s. “De benaming ‘Wijnen uit de Nieuwe Wereld’ slaat vooral op wijnen die uit het zuidelijk halfrond komen. We zijn van plan om binnenkort ook wijnen uit Argentinië, Chili of Australië aan te bieden.” Om ook lokale ontdekkingen een plaats te geven, bedacht ze een bijzondere categorie: ‘Audrey’s selection’. “Het idee blijft hetzelfde: onbekende of gedurfde wijnen in de kijker plaatsen. Zo ga ik binnenkort een wijn voorstellen die alleen in Venetië wordt geproduceerd en echt de moeite waard is.” The Tasting Room beperkt zich immers niet tot het importeren van kwaliteitswijnen, maar organiseert ook degustaties voor particulieren of bedrijven. “We proberen smaken op elkaar af te stemmen en onze gasten te verrassen met boeiende combinaties, zoals chocolade en wijn.” Een goed gekozen wijn geeft meer smaak aan de dingen - het zou de lijfspreuk van Audrey Moineau kunnen zijn.

Informatie en bestellingen

www.thetastingroomcompany.com

 
Zuid-Afrikaanse wijn in cijfers:

 Wijnbouw sinds het midden van de 17de eeuw
7de producent wereldwijd
 Productie: bijna 10 miljoen hectoliter per jaar
 Meer dan 600 verschillende wijndomeinen

Sterrenchef Pauly mocht zijn kookkunsten zelfs in Shanghai bovenhalen. In zijn eigen restaurant vormen een gulle keuken en een hartelijke ontvangst de hoofdingrediënten. Le Coq aux Champs blinkt uit in verfijning, maar blijft bescheiden. Is hier een tweede ster op komst?

De reputatie van Le Coq aux Champs blijft groeien. De eigenaars vonden het tijd voor een make-over, en die is verrassend geslaagd. Muren werden gesloopt en tussenramen verwijderd. Zo ontstond er een grote ruimte waarin de chef vrij kan bewegen tussen de zaal en de open keuken. Het contact tussen keukenpersoneel en gasten verloopt daardoor optimaal.

Christophe Pauly vertelt: “Mensen samenbrengen, dat is mijn doel. Zij die het restaurant draaiende houden en zij die er komen eten. Met de renovatie wou ik uiting geven aan mijn visie op het restaurantgebeuren: plezier, gezelligheid, minimalisme met een warme uitstraling. Catherine en ik wilden een restaurant dat tegelijk hedendaags en authentiek is, en waar de zaal en de keuken gewoon in elkaar overlopen. Waar mensen spontaan contact leggen en ervaringen kunnen delen.”

De zaal zelf kreeg een volledig nieuwe look. Wat daarbij het meest opvalt, zijn de tafels. Geen tafellakens meer, maar een ruw houten oppervlak met een mooi en warm effect. Een geslaagde vernieuwing volgens ons. Daarnaast staan de tafels ook verder uit elkaar. Zo kan de bediening vlotter gebeuren en is het rustiger praten. Wat een verschil met restaurants waar je bijna elleboog aan elleboog zit te eten! Christophe liet zijn tafels volledig op maat maken door plaatselijke ambachtslui. Oprecht vakmanschap vind je ook terug bij andere ambachtslui uit de Condroz waar Pauly een beroep op doet. Zijn keuken is duidelijk stevig verankerd in zijn geboortestreek. Zo koopt hij zijn op steen gemalen meel zonder toevoegingen bij Agribio. Bij Emmanuel Lange vindt hij dan weer fantastische koolzaadolie. Op de borden kiest Catherine Pauly voor een strakke maar elegante compositie. De gerechten rusten op een wolk van fijn wit porselein van de hand van ontwerpsters Sylvie Coquet en Roos Van de Velde. Pieter Stockmans creëerde een opaak waterglas en een servetring in een bijpassend, doorzichtig materiaal. De tafel baadt in zachtheid en lichtheid. De fijne zwarte vormen van het hapjesbestek vormen daarbij een mooi contrast.

Christophe en Catherine Pauly

De gelukkige eigenaars hebben zich hun plek helemaal eigen gemaakt. Ze leiden alles in goede banen en kunnen daarbij rekenen op hulpvaardig en vriendelijk personeel. De sommelier stelt de gasten graag zijn laatste vondsten voor, die perfect passen bij de sprankelende bereidingen van de chef.

De charme van Christophes keuken blijft ook in de nieuwe ruimte volledig overeind. Hij kiest voor een persoonlijke aanpak en werkt met superieure producten volgens het marktaanbod en het ritme van de seizoenen. De chef weet waar hij met een gerust hart inkopen kan doen en vaak is dat niet eens ver van zijn deur. De persoonlijkheid van de kok en zijn medewerkers zit schitterend verwerkt in een reeks delicate gerechten, een ode aan de streekproducten. In het vier- of vijfgangenmenu (€ 55 en € 75) zijn jakobsschelpen, langoustines en foie gras prominent aanwezig bij de voorgerechten. Als hoofdgerecht komen er duif van Racan, lam en entrecote op tafel, uiteraard met enkele lokale verrassingen. A ls zoete afsluiter proeven we van verrassende en verrukkelijke creaties. Het is fijn tafelen in Le Coq aux Champs en wij zijn duidelijk niet de enigen die dat vinden. Bedankt Christophe en Catherine! Hier komen we zeker terug.

 

informatie

Le Coq aux Champs
Rue du Montys, 71
B-4557 Soheit-Tinlot
+32 (0) 085 51 20 14
[email protected]
www.lecoqauxchamps.be

Gesloten op zaterdagmiddag, zondag en maandag

Your opinion counts