Waw magazine

Waw magazine

Menu

Het Memorial Museum in Bergen doet ons nadenken over de oorlog, maar heeft ook aandacht voor de sociaal-culturele geschiedenis van de streek. Een terugkeer naar de bron voor het terrein van de Watermachine.

Het nieuwe museum op het terrein va n de Watermachine i s 3.000 m² groot en kreeg oorspronkelijk de naam Centre d’interprétation de l’histoire militaire (Interpretatiecentrum voor militaire geschiedenis). Uiteindelijk werd het Mons Memorial Museum, naar de verschillende rollen die het museum zal vervullen vanaf de lente van 2015: een plaats voor reflectie, een museum, een onderzoeksruimte, een interpretatiecentrum.

Het complex zal zo’n 5.000 voorwerpen uit de collecties van militaire geschiedenis van de Stad Bergen tentoonstellen, die vroeger in het Musée du centenaire stonden. Het zal echter vooral een ruimte zijn waar verschillende generaties in dialoog kunnen gaan, in een gebied waar de herinnering aan de twee wereldoorlogen blijft voortleven. “Het Mons Memorial Museum is het resultaat van twee jaar hard werken door historici, architecten, multimediaspecialisten en ontwerpers”, vertelt conservator Guillaume Blondeau. “Tegenwoordig dient een museum niet louter meer om zaken uit te leggen. We streefden naar een delicaat evenwicht tussen een gevoelsmatige benadering van de oorlogen en een historische, meer afstandelijke aanpak. De sensoriële ruimtes en interactieve instrumenten zijn van de hand van de Brusselse Winston Spriet en Martial Prévert, die ook de inrichting van het Magritte Museum ontwierpen.”

Concreet zal de permanente tentoonstelling (1.200 m²) uit drie delen bestaan: de periode van de middeleeuwen tot het einde van de 19de eeuw, de Eerste Wereldoorlog en de Tweede Wereldoorlog. Twee rode draden leiden de bezoekers door het parcours: aan de ene kant de relaties tussen burgers en militairen, aan de andere kant de getuigenissen van de bevolking en de soldaten van de verschillende legers. “Drie vierde van de tentoonstelling zal gewijd zijn aan het dagelijkse leven tijdens de bezetting. We zullen ons dus focussen op de sociaal-culturele geschiedenis en niet meer uitsluitend op de militaire geschiedenis.”

Britten weten meer over Slag bij Bergen

Van de 12de tot de 19de eeuw was Bergen een versterkte stad. Haar geschiedenis is doorspekt met veldslagen, belegeringen, branden en reconstructies. Uit de Tweede Wereldoorlog kwam ze relatief ongeschonden en ze werd als een van de eerste Belgische steden bevrijd door de Amerikanen. In de Grote Oorlog kreeg de stad het harder te verduren. Toch zouden de meeste Belgen geen enkel feit kunnen opnoemen dat gebeurde in die vier angstige jaren tussen de Hene en de Trouille. In Groot-Brittannië ligt dat anders. De naam Bergen roept daar meteen ‘het begin’ op. “Tijdens de slag bij Bergen vond op 23 augustus 1914 de eerste confrontatie tussen de Britse en de Duitse troepen plaats”, vertelt de conservator. “Er werden grote verliezen geleden en de soldaten van beide kampen werden zij aan zij begraven op het militair kerkhof van Saint-Symphorien. Dat is nog steeds symbolische plaats, die druk bezocht wordt door Britse families.” Hij voegt er glimlachend aan toe: “Volgens de legende zouden de Engelsen geholpen zijn door oorlogsengelen… Aan dat thema wijden we trouwens binnenkort een tijdelijke tentoonstelling.”

En in vredestijd…

Na enig zoeken viel de keuze voor het decor van het nieuwe museum op de Watermachine, met zijn industriële hal die in de jaren 90 gerenoveerd werd. Een historische plaats, want de gebouwen kwamen er in 1870-‘71 om de stad van drinkwater te voorzien. De rivier de Trouille werd omgelegd om de machines aan te drijven die het bronwater oesten oppompen tot aan het belfortpark, het hoogste punt van de stad. Het gebouw ligt in de boulevard Dolez, naar de naam van de burgemeester van Bergen die het liet optrekken. Aangezien de gevels beschermd zijn, kwam architectenbureau Pierre Hebbelinck en De Wit uit Luik met het idee om twee tentoonstellingszalen te bouwen aan beide zijden van de oorspronkelijke hal. Die zal als centrale ontvangstruimte dienst doen. De geschiedenis slaat dus een nieuwe richting in. Nadat de Watermachine bijna een eeuw lang water naar de huizen gebracht heeft, wordt dit een plaats waar mensen samenkomen rond ons collectief geheugen. Een soort terugkeer naar de bron. In 2015 is Bergen Culturele hoofdstad van Europa en dat gaat gepaard met heel wat festiviteiten, waaronder de inhuldiging van het Memorial Museum. Een spetterend feest, dat staat nu al vast!

Van 11 tot 20 oktober vindt in Namen de 19de editie van het Festival Nature Namur plaats. Het toont een selectie van films rond het thema natuur gemaakt door professionele en amateurcineasten. Maar er is meer! Op het programma van het festival staan ook een Natuurdorp en Natuurwandelingen, een Internationaal Concours voor de Natuurfoto en een veertigtal fototentoonstellingen. WAW geeft u hier graag een preview van enkele prachtige foto’s die worden tentoongesteld op symbolische plekken in Namen.

Vroeger was het een abdij, vandaag een seminariecentrum en een plek om te ontspannen. De hoeve van La Ramée is niet alleen mooi, ze heeft ook heel wat te vertellen.

Midden in een oceaan van wuivende tarwe, maïs- en bietenvelden, ligt een groot, stenen schip aangemeerd langs de Grote Gete. De grote toren en die boven de poort dienen als masten, maar het pronkjuweel is ongetwijfeld de enorme schuur in de vorm van een boot. Met zijn twintig meter hoog is de tiendenschuur (waar de boeren uit de omgeving een ‘tiende’ van hun oogst kwamen brengen) de meest indrukwekkende van België. De kolossale constructie rust op stenen pilaren en beslaat een oppervlakte van 800 m². Ze dateert van 1713, zoals alle andere nog zichtbare gebouwen. Het complex werd in 1216 gesticht als cisterciënzerabdij voor zusters – alweer een bewijs dat religieuze ordes altijd de beste plekken weten te vinden.

Jauchelette was zo’n plek. Het dorp ligt aan de Grote Gete, tussen Namen, Brussel en Leuven, en is omringd door de vruchtbare Haspengouwse bodem. Geen betere plaats voor de zusters om zich terug te trekken in hun gebeden. Net als de rest van het land, leed ook de abdij heel wat schade onder de verschillende bezetters. De gebouwen werden geplunderd en de bewoners moesten uitwijken naar veiliger oorden. Toen de Spaanse Successieoorlog Europa teisterde, deed La Ramée zelfs dienst als militair hospitaal. Zo kreeg de abdij ook de winnaar van de slag bij Ramillies in 1706 over de vloer, de hertog van Malborough, die het leger van Lodewijk XIV versloeg.

In de 17de eeuw beleefde de abdij een tweede en ultieme periode van voorspoed onder Oostenrijkse heerschappij. Alle oude gebouwen die we vandaag nog kunnen bewonderen, dateren uit deze periode en vormden een kasteelhoeve naast de congregatie. Na de Franse Revolutie, in 1796, werd de abdij uitgeroepen tot nationaal bezit. De kloostergebouwen, met inbegrip van kerk en klooster, werden helaas volledig vernield. Maar het lot was La Ramée gunstig gezind: in 1903 werden de zusters van het Heilig Hart verdreven uit Frankrijk, ze vestigden zich in La Ramée en bliezen het klooster nieuw leven in. Tot in 2007 bleven ze in het abdijgedeelte wonen, achter de binnenplaats van de sinds 1980 beschermde hoeve. In 1990 kocht Jacques Mortelmans het agrarische gedeelte. De zorgvuldige renovatie die hij op touw zette, leverde hem een Caïus-prijs van Promethea op en het gebouw werd erkend als ‘Uitzonderlijk erfgoed van Wallonië’. Toen de zusters in 2007 hun gedeelte te koop zetten, was Mortelmans de logische kandidaat. Zo werden abdij en hoeve voor de eerste keer sinds 1789 weer herenigd.

Ook de productie van het Ramée-bier is trouwens in handen van de nieuwe eigenaar, uiteraard op een ander terrein. Hij kon nu de renovatie afronden van het bijzondere complex. Naast de monumentale schuur, bestaat dat uit een vierkantshoeve in rode baksteen, met dakvensters in bepaalde delen, een bolvormige hoektoren en een erg mooie poort met een toren erboven. De vroegere mesthoop werd omgetoverd tot een grasperk met een prachtige rode beuk. In het gedeelte achter de hoeve bevonden zich vroeger het klooster, de kerk, de oude school en het gastenverblijf, waar de familie Solvay ooit woonde. Nu ligt er een schitterend park. De vijver in het midden weerspiegelt de hemel die a lt ijd anders i s in dit deel van Waals-Brabant.

De kolossale constructie rust op stenen pilaren en beslaat een oppervlakte van 800 m2. Ze dateert van 1713, zoals alle andere nog zichtbare gebouwen. Het complex werd in 1216 gesticht als cisterciënzerabdij voor zusters – alweer een bewijs dat religieuze ordes altijd de beste plekken weten te vinden.


De keuze van Trigano

De plek straalt nog steeds een vredige rust uit en heeft iets spiritueels. Sinds 2008 verhuurt Jacques Mortelmans het hele complex (behalve het gedeelte dat hij zelf gebruikt) aan het bedrijf Châteauform. Oprichter daarvan is Jacques Horovitz, die samen met Jacques Trigano aan de basis lag van Club Med, en ondertussen meer dan 35 bijzondere locaties in Europa verhuurt (in Frankrijk, Italië, Spanje, Zwitserland, Duitsland, Engeland). Hij knapt ze op en tovert ze om, net zoals La Ramée, in prestigieuze seminariecentra. Met dakvensters versierde stallen bieden zo plaats aan meer dan dertig seminariezalen, uitgerust met het nodige kwaliteitsmateriaal voor een geslaagde vergadering. Onder het prachtige, zichtbare gebinte van het hoofdgebouw genieten de deelnemers van alle comfort en van het perfecte decor voor een teambuilding. Ook kloosterordes zijn tenslotte een soort van teams. De plek is smaakvol en gezellig ingericht, net als de slaapkamers en de 110 oude cellen. Zij beschikken over alle hedendaagse comfort, behalve televisie. Draait een seminarie immers niet om persoonlijk contact? Ontspanningsmogelijkheden zijn er genoeg: biljart, flipper en tafelvoetbal, sauna’s, hammams en massagebedden evenals twee restaurants. De schuur en de oude stallen met hun brugpilaren en gewelven vormen ook het ideale kader voor huwelijksrecepties. Onlangs vond in de schuur zelfs een klassiek concert plaats, met een indrukwekkende akoestiek volgens de dirigent.

Maar de rust en de landelijke omgeving brengen ons uiteindelijk toch weer terug bij het rijke verleden van deze plek. De zusters trouwden zelden, maar vormden een hechte groep die ijverig samenwerkte. Van een plaats voor gebed veranderde La Ramée zo in een plaats voor reflectie, waar enthousiaste deelnemers tijdens de seminaries veranderen in echte… ‘seminaristen’.

 

informatie

Abdij van la Ramée
Rue de la Ramée, 19
B-1370 Jauchelette
(Jodoigne)
+32 (0)10 23 71 71
www.ramee.be

De kleinzoon van Ernest Solvay liet in de jaren 60 een schitterend kasteeldomein na aan de Belgische staat. Vandaag is het een van de mooiste visitekaartjes van het Waals Gewest, op een boogscheut van Brussel.

Hoeveel vreemde talen hoor je tijdens een middagwandeling in het prachtige park van Terhulpen? “Veel!”, zegt Olivier Vanham beslist. De directeur-conservator van het ‘Solvaydomein’, zoals het bekend staat bij het grote publiek, herhaalt trots: “Heel veel, en het worden er almaar meer.” Tellen lukt niet, aangezien het park vrij toegankelijk is, dus we gaan af op ons gevoel. En dat bevestigt Vanhams woorden. De ligging vlak bij de hoofdstad van Europa vormt duidelijk een troef voor dit stukje Wallonië aan de rand van het Zoniënwoud. Heel wat expats en weekendtoeristen brengen een bezoek aan het 227 hectare grote park rond het kasteel. In de hoeve huist sinds 2000 de Stichting Folon.

Een bijzondere plek dus, die zelfs beschermd werd als Uitzonderlijk erfgoed van Wallonië. Wat veel bezoekers echter niet weten, is dat ze hier van de idyllische rust kunnen genieten dankzij de gulle familie Solvay. Maar laten we bij het begin beginnen…

1842

Terhulpen werd in de 16de eeuw genoemd naar de Helpe, de stroom die door het dorp slingert, en maakte lange tijd deel uit van het Hertogdom Brabant. Pas in de 19de eeuw werd het grondgebied van Terhulpen verdeeld in grote eigendommen.

In de jaren 1820 maakte het grootste daarvan, met 851 hectare, deel uit van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden. Maar dan wordt België onafhankelijk en worden de kaarten opnieuw geschud. Het Koninkrijk valt uit elkaar en verkoopt heel wat van zijn eigendommen.

In 1833 koopt de markies van Béthune, lid van de raad van bestuur van het Koninkrijk, een deel van het domein om er een kasteel te laten bouwen. De werken beginnen in 1840 en eindigen twee jaar later. Decennialang was een windhaan met het jaar ‘1842’ daar stille getuige van, maar vandaag is hij nergens meer te bekennen. Zeggen dat het kasteel volledig origineel is, zou niet helemaal eerlijk zijn. Maar klasse heeft het zeker. Het rechthoekige gebouw van 25 op 18 meter, ontworpen door de Franse architect Harveuf, bestaat uit rode baksteen op een ondermuur van blauwsteen. Het is gebouwd in François I-stijl en pronkt met een achthoekige toren op elke hoek. De hoofdingang ligt in het westen, terwijl het statige bordes in het oosten naar een enorm grasveld leidt.

In 1871 veranderden kasteel en domein van eigenaar, maar de nieuwe eigenaar, baron Antoine de Roest d’Alkemade, bracht geen grote wijzigingen aan.

Heel wat expats en weekendtoeristen brengen een bezoek aan het 227 hectare grote park rond het kasteel. In de hoeve huist sinds 2000 de Stichting Folon.


Het Solvay-tijdperk

Het nieuwe leven van het kasteel begint op 9 december 1893. Op die dag koopt de Waalse industrieel Ernest Solvay het kasteel om er zijn zomerverblijf van te maken. Als inwoner van Elsene is hij verliefd geworden op de groene oase. De 55-jarige, briljante scheikundige werd geboren in Rebecq-Rognon, een klein dorp in Waals-Brabant. Hij verdiende een fortuin door een nieuwe procedé uit te vinden om soda te maken. De nieuwe eigenaar van het prestigieuze domein is dus een rijk en bekend man, maar ook een man met smaak. Hij wendt zich immers tot architect Victor Horta om enkele wijzigingen aan te brengen in het interieur van het gebouw.

De overigew ijzig ingen aan het ‘Solvaykasteel’, zoals het vanaf dan genoemd wordt, zijn echter vooral het werk van zoon Armand en kleinzoon Ernest-John. Vanaf 1932 veranderen grote werken het algemene uitzicht van het gebouw. Zo worden de bakstenen bedekt met cement die lijkt op Franse steen en die de klassieke uitstraling van het gebouw nog versterkt.

 

Een ‘Gouden Palm’ voor de stilte

Het Kasteel van Terhulpen is wereldwijd bekend sinds Le Maître de musique er zijn hoofddecor van maakte. Dat was in 1988. De film van Gérard Corbiau zou niet alleen het talent van José Van Dam bevestigen, hij zou ook het kasteel en het hele domein doen schitteren. Sindsdien doet de plek het opvallend goed bij bedrijven die gespecialiseerd zijn in ‘locatiehunting’ voor audiovisuele producties. Langspeelfilms, tv-series, reclame, alle genres vinden er hun ding. Het kader van het kasteel weet kandidaatproducenten dan ook snel te charmeren. Directeurconservator Olivier Vanham somt verheugd de troeven van het domein op. “Ten eerste hebben we veel ruimte, waardoor alle wagens van een productie zonder problemen kunnen parkeren, en dat zonder goedkeuring van de politie te moeten vragen. Dat lijkt misschien onbelangrijk, maar het zijn een heleboel administratieve zorgen minder. Daarnaast is er de absolute stilte, die je niet vindt in de stad. Tijdens opnames zijn storende geluiden uit den boze. Zelfs in een groot stadspark is er echter altijd achtergrondlawaai. Ten slotte is er het natuurlijk het kasteel, dat met al zijn pracht en praal een ongelooflijk decor vormt.”

Intussen is het kasteel zelfs vereeuwigd op YouTube. Wereldwijde roem gegarandeerd dankzij het reclamefilmpje Virgin Mobile Massimo dat in de zomer van 2011 werd opgenomen in het kasteel. Maar het domein is ook bekend van andere opnames, vertelt Vanham ons. “Op het grote scherm was het te zien in ‘Mortelle randonnée’ en op tv in een episode van de serie Femme de loi met Ingrid Chauvin.” De laatste ster die er kwam draaien was Michael Caine, in Mr. Morgan’s Last Love. Die film komt in september in de zalen.

Echte adel hoeft echter niet altijd op de voorgrond te staan. In sommige producties die in Terhulpen werden gedraaid, is de plek volledig onherkenbaar, zoals in het reclamefilmpje voor de Franse keten Auchan. “Verder gaan niet alle locatiehunters meteen met ons in zee”, geeft de conservator toe. “Maar ook als er opnames doorgaan, blijft het domein toegankelijk voor het publiek.” Nee, u droomt niet, het is de enige echte Michael Caine die u daar ziet!

 

Maar ook de tuin wordt niet vergeten. Ernest-John Solvay reorganiseert het park grondig en geeft het grotendeels zijn huidige vorm. Hij plant exotische bomen, bouwt het belvedère, legt de vijver van de hoeve aan…

Het pronkstuk beschermen

Ernest-John maakt zich echter ongerust over de toekomst van zijn eigendom. Hij vreest dat het prachtige domein zou opgesplitst worden en en verkrijgt in 1963 dat het beschermd wordt. In 1968 schenkt hij het domein zonder omwegen aan de staat. Zijn bedoeling? “Het domein van Terhulpen en zijn goederen, zowel roerend als onroerend, samenhouden en het huidige karakter bewaren van zowel het geheel als van elk van de elementen.”

Het vruchtgebruik blijft wel bij de gulle schenker, die in maart 1969 tot de adelstand wordt verheven. Zo kan graaf Ernest-John Solvay de la Hulpe in het kasteel blijven wonen tot aan zijn dood, op 17 oktober 1972. Op die datum wordt het domein volledig eigendom van de Belgische Staat.

Aangezien België nu eenmaal niet het meest ‘stabiele’ land is, werd de plaats sinds 1973 beheerd door een vzw, onder toezicht van de Franstalige minister van Cultuur. Daarna ging de bevoegdheid over naar de Franstalige Gemeenschap, die het domein tot in 1995 beheerde. Toen werd na een overeenkomst met de Solvay-erfgenamen de fakkel doorgegeven aan het Waals Gewest.

Waals prestige

Als beheerder van het uitzonderlijke domein heeft het Gewest de nodige investeringen gedaan om er culturele activiteiten en prestigieuze recepties te organiseren. “Geef toe,” zegt een enthousiaste Olivier Vanham “dat dit domein en het kasteel een prachtige toegangspoort vormen tot Wallonië. Een bijzonder visitekaartje!” Politieke recepties zien er hier inderdaad behoorlijk elegant uit. Het kasteel deed trouwens ook vaak dienst tijdens het Belgische voorzitterschap van de Europese Unie. Voor het imago van het kasteel zijn zakenlui echter de beste ambassadeurs. Het kasteel kan immers niet worden bezocht, maar dient wel als kader voor privé- evenementen. Door het steeds grotere aanbod aan kwaliteitsvolle seminarie- en vergaderzalen in Waals-Brabant, is het domein wat naar de achtergrond verschoven. Maar authentieke decors doen het nog altijd goed. Heel wat eersteklas seminaries en vergaderingen in het nabijgelegen, ultramoderne Dolce-complex voorzien tegenwoordig dan ook een of ander feest of vergadering in het kasteel. Je kunt met je tijd meegaan en toch genieten van een roemrijk verleden. Met of zonder Waals accent, een win-winoperatie is het sowieso.

 

informatie

Kasteel van Terhulpen
Chaussée de Bruxelles, 111
B-1310 La Hulpe
+32 (0)2 634 09 30

Het domein (Solvay-park)
Ouvert tous les jours
de 8h à 21h du 01/04 au 30/09
et de 8h à 18h du 01/10 au 31/03

Museum Folon
Ferme du Château
Drève de la Ramée, 6
B-1310 La Hulpe
+32 (0)2 653 34 56
Du mardi au vendredi de 9h à 17h
Week-end de 10h à 18h

Brasserie des Fagnes, de eerste brouwerij die vrije toegang biedt aan het grote publiek, trekt maar liefst 140.000 bezoekers per jaar. Wij gingen naar Mariembourg en spraken met ‘opperbaas’ Frédéric Adant.

Vaak worden ze verward met de Hoge Venen in het oosten van het land, maar de Kleine Venen liggen in het zuiden van de provincies Namen en Henegouwen, in de buurt van Philippeville. Langs de weg naar Nismes, op een steenworp van Mariembourg, verrijst er een eigenaardig bouwwerk met een nagemaakte molen. Het is het uithangbord van een discotheek die in 1998 door Frédéric Adant werd omgeturnd in een brouwerij. Vier jaar daarvoor stortte de ondernemer zich in een bijzonder avontuur. “De Super des Fagnes werd eind jaren 70 gelanceerd door brouwerij Marchand, die het bier tien jaar bleef brouwen. Mijn beide grootouders waren brouwers en na mijn studie, in 1994, besloot ik om de Super des Fagnes nieuw leven in te blazen en te laten produceren in de Brasserie du Bocq in Purnode, niet ver van Yvoir.”

Het blijkt een succes en vier jaar later besluit Adant een brouwerij en een brouwerijmuseum te vestigen in een oude discotheek. “Het bedrijf groeide snel en hard,” vertelt hij, “want het was een gat in de markt. Je kon immers nergens anders een brouwerij gaan bezoeken met het gezin en al helemaal niet in het weekend. Wij brouwen van woensdag tot zondag en onze brouwketels zijn opengesteld voor het publiek. Op dit moment staan we in de top 10 van Waalse attracties. De brouwerij trekt 140.000 bezoekers per jaar, met een record van 1.800 mensen op een 15de augustus…”

Er worden vier soorten Super des Fagnes gebrouwen en verkocht. In verpakkingen van 25 of 33 cl, in flessen van 75 cl, per magnum van 1,5 l, jeroboam van 3 l of in vaten van 20 liter. Je hebt de Brune met een rode gloed, de goudkleurige Blonde, de donkere Scotch en de Griotte. De laatste is het lichtste bier en de favoriet van de dames… Daarnaast heb je nog het kerstbier Noël en zo’n veertig bieren in beperkte oplage, al naargelang het humeur van de brouwers. In Brasserie du Bocq wordt 800.000 liter geproduceerd. De overige 100.000 liter wordt rechtstreeks gebrouwen en afgewerkt op het terrein. Het hele jaar door werken er 19 personen full time aan, plus nog eens zo’n veertig studenten in juli en augustus. Samen met de Comptoir des Fagnes in Couvin, een distributieplatform voor voedingsmiddelen, en het administratief personeel werken er bij de Brasserie des Fagnes in totaal 80 mensen. Het is een doorlopend succesverhaal. Sinds kort produceert de brouwerij ook de Chevetogne voor het provinciaal domein met dezelfde naam. Enige minpunt: de export van Super des Fagnes komt voorlopig niet echt op gang. Maar daar komt binnenkort verandering in. “Heel wat brouwerijen ontwikkelen hun eigen bierkoffers,” vertelt Frédéric Adant, “maar tot nu toe deed iedereen in Wallonië gewoon zijn eigen ding. Daarom bedacht ik de verpakking Trésors de Wallonië, met 8 flessen van kleinschalige, lokale brouwerijen of abdijen: Triple Saint-Feuillien, Blanche de Namur, Barbar, Bush, Saison Dupont, Scotch de Silly, Blonde de Val-Dieu en Super des Fagnes ambrée. Alles wordt samen verkocht voor € 19,85, inclusief statiegeld. Een QR-code leidt de klanten naar een website met informatie over de brouwerijen, maar ook over de Waalse toeristische trekpleisters.”

Uiteraard wordt de koffer verkocht in België, maar het is vooral de internationale markt waar we met de brouwerijen op mikken. “Eén brouwerij richt zich op de Verenigde Staten, een andere op Azië, weer een andere op het zuiden van Europa, enz. Maar als er eentje binnen komt in China, opent die de deur voor ons allemaal. In 2013 rekenen we op een verkoop van 35.000 koffers. De inhoud kan elk jaar anders zijn – die hangt af van onze partners.”

De Super des Fagnes wordt 20 jaar in 2014, maar de brouwerij zelf vierde in april dit jaar al zijn 15-jarig bestaan. De toekomst ziet er rooskleurig uit. “De afgelopen 15 jaar heb ik geleerd om zorgvuldig, toegankelijk en goed georganiseerd te zijn, maar ook om niets vanzelfsprekend te vinden. Het waren 15 mooie jaren met veel nieuwe ideeën waarvan ik met volle teugen heb genoten.”

 

La brasserie des fagnes In cijfers

 

informatie

Brasserie des Fagnes
Route de Nismes, 26
B-5660 Mariembourg
[email protected]
www.brasseriedesfagnes.com

Comfor t, gezelligheid en autonomie: deze drie sleutelbegrippen staan voorop in de avant-gardistische opvatting over bedrijfsseminaries van Business-Etape. Of het nu gaat om een brainstorming, een opleiding of de lancering van een nieuw product, Business-Etape heef t uitzonderlijke verblijfplaatsen met een aangepaste infrastructuur voor u in petto.

Luxevilla’s, karaktervolle woningen, prachtige kastelen, …. In de ideale omgeving van de Ardennen biedt Business-Etape u de keuze uit ruim 50 klassevolle woningen die logies bieden voor 8 tot 50 personen.De woningen van Business-Etape, allemaal perfect uitgerust voor de organisatie van bedrijfsevenementen (vergaderzalen, internet, overheadprojector,…) en met drie- tot vijfsterrencomfort, vormen de geschikte locatie voor werk, bezinning en ontspanning. Gedurende hun verblijf zijn de gasten vrij en genieten ze totale autonomie.

Naast logies omvat het aanbod van Business-Etape ook originele culturele, sportieve en teambuildingsactiviteiten, waarbij de gasten het prachtige Ardense platteland kunnen ontdekken. De gelegenheid bij uitstek om te ontspannen en zich uit te leven. De deelnemers hebben de vrijheid om zelf in de catering te voorzien of ze kunnen een beroep doen op een traiteur voor een all-in verblijf. De vele par tners van Business-Etape serveren met zekerheid kwaliteitsvolle menu’s in onvervalste Ardense traditie.

Op grond van zijn ervaring en professionalisme staat Business- Etape dus garant voor de organisatie van een perfect zakelijk verblijf!

 

Informatie

Business-Etape
Ster 3b — B-4970 Stavelot
+32 (0)80 28 16 22
[email protected]
www.business-etape.com

In 2009 was de filmploeg van Potiche te vinden op diverse plekken in Waals-Brabant, meer bepaald in de Ferme du Bois Planté in Ophain-Bois-Seigneur-Isaac.

Potiche

van François Ozon (2010) Met Jérémie Renier, Catherine Deneuve, Gérard Depardieu, Fabrice Luchini, Judith Godrèche en Karine Viard.


aaAbdij van Bois-Seigneur-Isaac

In de abdij, waar vroeger norbertijnen huisden, wonen sinds 2010 jonge maronieten van de ‘Ordre libanais maronite’. De nieuwe naam van het klooster luidt ‘Monastère de Saint-Charbel’. De monniken brachten de relikwie van het Heilig Bloed mee en nu wordt ze vereerd in de gelijknamige kapel, samen met de reliek van de H. Charbel. De Heilig-Bloedkapel uit de late 16de eeuw bevat prachtige siervoorwerpen, zoals oorstoelen en biechtstoelen.


Informatie

Monastere de Saint-Charbel vzw
Rue Armand De Moor, 2
B-1421 Ophain-Bois-Seigneur-Isaac
www.olmbelgique.org


Het kasteel van Bois-Seigneur-Isaac

Het kasteel van Bois-Seigneur-Isaac, dat in 1993 werd opgenomen op de lijst van uitzonderlijk Waals erfgoed, was vroeger een feodale vesting, maar werd in de 18de eeuw omgebouwd tot buitenhuis. Aan de achterzijde van het kasteel strekt zich een bevallige Franse tuin uit, die doorloopt in een 7 ha groot, aangenaam park in Engelse stijl. Men ontdekt er talrijke opmerkelijke boomsoorten, naast een romantisch prieel van vormgesnoeide haagbeuken. Het kasteel is toegankelijk voor het publiek en kan gehuurd worden voor evenementen.


informatie

www.bois-seigneur-isaac.be

Idéale pour les voyageurs d’un soir, les romantiques ou les hommes d’affaires, la «Belle escapade» à Seneffe a pour maîtres-mots confort et beauté.

C’est dans un quartier résidentiel, à deux pas de l’église et du château de Seneffe que se trouve la « Belle escapade ». Au coeur d’un bâtiment chargé d’histoire, l’ancienne poste du village a été reconvertie en maison de maître. Les décorations de la façade, fraîches et romantiques, donnent d’emblée le ton. Car ici, l’accueil du voyageur, d’où qu’il vienne, est la base du plaisir d’être hôte. Nancy, québécoise souriante au grand coeur est depuis 2005 à l’écoute du client voyageur. « À l’arrivée des gens, je leur demande toujours ce qu’ils aiment pour le petit déjeuner, ce qu’ils veulent manger, s’ils désirent quelques trucs spéciaux pour égayer leur séjour. » Car la dame sait de quoi elle parle, ayant travaillé toute sa vie dans l’hôtellerie et l’accueil en tant qu’hôtesse de l’air notamment. Ici, chacun peut garder son intimité (entrées indépendantes) tout en bénéficiant de services semblables à ceux d’un hôtel. Le room service, le petit frigo et les micro-ondes dans chaque chambre, le Wi-Fi… Sans oublier le plateau de fruits frais et la table déjà dressée dans la chambre en guise de bienvenue. « On cherche toujours à améliorer. On essaie de faire un maximum pour enjoliver le séjour et apporter un accueil chaleureux. Faire plaisir est notre plaisir. »

Confort, beauté et bien-être

L’entrée de la bâtisse a gardé son caractère d’origine, mais avec cette touche contemporaine pour ne pas sombrer dans le vieillot. L’endroit est classe avec ses murs aux reflets noirs, son escalier trônant majestueusement au fond du couloir. La première chambre, en bas, la « Romantique », combine modernité et charme d’antan. Dans une atmosphère empreinte d’un style poétique assumé, on se plonge dans la rêverie amoureuse. Ici, les couples se (re)trouvent, fêtent leur anniversaire, se reposent après un bon repas au restaurant ou profitent simplement de la tranquillité de la région. À l’étage, la chambre zen offre un repos définitivement actuel, aux lignes claires et structurées, la préférée des businessmen de passage. Et comme cela ne suffit jamais pour Nancy et Olivier, les hôtes enthousiastes, une suite au second étage sera disponible dès décembre. Totalement refaite, comme le reste de la maison, par les mains du propriétaire luimême et les idées décoratives de Nancy. Dans cette dernière création, on pourra se retrouver en famille, lors de plus longs séjours et même se préparer à manger. Si l’on devait résumer la « Belle escapade » ? Une literie impeccable et hyper confortable qui invite au repos, une disponibilité permanente des hôtes, un plaisir non dissimulé de rencontrer le voyageur, qui devient presque un ami. Et surtout, le respect de l’intimité de tout un chacun.

à voir, à faire

Ce nom n’est pas anodin. À deux pas de la drève du Château de Seneffe, de l’ancien canal Bruxelles-Charleroi et du Ravel, le lieu invite à la promenade et à la détente. Les amoureux de la nature se baladeront le long du canal, repère des promeneurs avertis. Les romantiques s’enivreront du château (qui abrite d’ailleurs le Musée d’Orfèvrerie) et de son parc, où spectacles et artistes vont et viennent au gré des saisons. Une grande exposition de sculptures monumentales de Mauro Staccioli ornera d’ailleurs le somptueux parc jusqu’en novembre. Mais Seneffe c’est aussi de très bons restaurants, à quelques pas à peine des chambres d’hôtes. Le voyageur gastronome se délectera les papilles au « Gré du Vent » avant de s’endormir dans le lit moelleux de l’ancienne poste. Pour les sportifs, les clubs de golf ne manquent pas aux alentours. Idéal pour se ressourcer en toute simplicité. Et enfi n, le célèbre Musée Royal de Mariemont s’offre au touriste à quelques kilomètres à peine avec son parc aux arbres séculaires, ses impressionnantes collections archéologiques d’ici et d’ailleurs (Grèce, Égypte) ou encore de la célèbre porcelaine de Tournai. Une escapade tout en culture et nature.

www.musee-mariemont.be
www.chateaudeseneffe.be
www.resto-augreduvent.be

Naast overblijfselen uit de prehistorie en de mijnen verbergt de gemeente van de Iguanodons nog heel wat andere geheimen. Sinds 2010 is het project Terhistoire daarvan het bewijs.

 

De grote verscheidenheid van het patrimonium van Bernissart, of dat nu historisch is, natuurlijk of door de mens gebouwd, overbrugt een periode die teruggaat tot het Krijt. Om die door een groot publiek te laten kennen en waarderen, heeft de oude mijnplaats zich in 2010 verbonden met de Franse stad Condé-sur-Escaut. Die ligt op amper 10 kilometer van Bernissart en staat bekend om zijn middeleeuwse vestingwerken. Samen zijn ze gestart met het Europese toeristische project dat Terhistoire (Interreg IV) werd gedoopt.

Naast een tablet die een paar maanden geleden werd uitgebracht en waarmee je een soort reis door de tijd beleeft (zie kader), heeft dit ambitieuze concept ook gezorgd voor een aantal nieuwe wandelcircuits. Elk afgebakend en thematisch parcours van telkens zowat veertig kilometer richt zich tot wandelaars en liefhebbers van het mountainbiken. Er werd een gids uitgebracht om deze mooie streek te verkennen en de bezienswaardigheden te ontdekken, te beginnen aan het Museum van de Iguanodon. Die dinosaurus is sinds 1878 het zinnebeeld van de gemeente en van de opgraving door mijnwerkers van 29 dinosaurusfossielen die sindsdien tentoongesteld zijn in het Natuurhistorisch Museum in Brussel. Twaalf jaar geleden werd een van die skeletten die zo belangrijk bleken voor de paleontologie terug naar Bernissart gebracht. Je kan het bekijken in de daarvoor ingerichte tentoonstellingsruimte. Enkele overblijfselen waar de inwoners heel trots op zijn, getuigen nu nog steeds van het mijnbouwverleden van Bernissart. Aan het einde van de Rue des Iguanodons is de oude vuurmachine daar het kostbaarste bewijs van. Dat is een gebouwtje uit 1782, waarin een stoommachine stond die de pompen aandreef om het mijnafvalwater af te voeren.

Later zouden de jachtwachters van de hertog van Croÿ er intrekken, tot het een ruïne werd. In 2005 werd het door de gemeente gekocht en gerenoveerd, zodat het nu een unieke getuige is van de pre-industriële tijd. Binnenin werd het pompmechanisme zo getrouw mogelijk hersteld zodat de bezoekers kunnen zien hoe dat werkte. “Van dat type bestaat er nog maar één, in het Britse Tipton, vlak bij Birmingham”, vertelt Lucille Savignat, de coördinator van Terhistoire.

Er werd een gids uitgebracht om deze mooie streek te verkennen en de bezienswaardigheden te ontdekken, te beginnen aan het Museum van de Iguanodon.


Het Museum van de Mijn

De herinnering aan de heroïsche tijd van de ‘zwarte smoelen’ wordt sinds 1992 levendig gehouden door de ex-mijnwerker Jeannot Duquesnoy. Zijn verdienste is dat hij uit de ingewanden van de aarde materiaal en machines heeft kunnen recupereren die bestemd waren voor de sloop. Zoals de reusachtige mijnventilator met bronzen paddels, of een stoomlier of de liftkooi voor paarden.

Dit oude mijnwerkersdorp kan zich ook beroepen op een uitzonderlijk ecologisch erfgoed. Net als de meeste natte zones van de vallei van de Haine, zijn de moerassen van Harchies aan het begin van de 20ste eeuw voortgekomen uit de bodemverzakkingen als gevolg van de mijnbouw. De grote kuilen vulden zich met water en werden de meren die nu een habitat zijn voor verschillende soorten vogels – sinds 1994 huist de aalscholver hier – en een onschatbare flora.

Dit beeld staat in sterk contrast met de maanlandschappen van de zandgroeve van Grande Bruyère in Blaton. Insecten en zwaluwen hebben van deze uitgestrekte zandvlakte, waar alleen wat droge planten groeien, een echt vluchtoord gemaakt. Blaton verbergt ook nog een ongebruikelijk architectonisch erfgoed: de zogeheten ‘crètes à cayaux’, zandstenen muurtjes waarvan de herkomst teruggaat tot het neolithicum.

Nog zoiets merkwaardigs is de kerk van Onze- Lieve-Vrouw van Pommeroeul. De schuine toren van die kerk daagt de wetten van de zwaartekracht uit. Experts zijn het niet eens over de reden van die afwijking, maar verbaasde toeristen kunnen de toren zien vanop kilometers afstand.

VAN HET KRIJT TOT HET DIGITALE TIJDPERK

Een tablet laat de toeristen voortaan op een speelse en interactieve manier deze mooie regio ontdekken.

Sinds vorige lente laat een app de grensstreek tussen Bernissart en Condé-sur-Escaut op een andere manier ontdekken. De makers van het project Terhistoire hebben een toeristisch hebbedingetje ontwikkeld dat de buurt op een speelse en educatieve manier laat zien. Het is het resultaat van een samenwerking met studio Lucky Pencil uit Valenciennes, gespecialiseerd in de productie van videogames en films. “We hebben voor een tablet gekozen in plaats van een smartphone, omdat die laatste minder gebruiksvriendelijk is,” legt directeur Ludovic Leleu van Lucky Pencil uit. Deze beeld met een filmische blik op de pracht van de architectuur, de natuur en het erfgoed van deze streek.

Het Museum van de Iguanodon en de mediatheek van het Franse Condé-sur- Escaut stellen gratis een vijftiental tablets ter beschikking van het publiek. Het verhaal werd Fragment gedoopt en is een schattenjacht in het gezelschap van een historisch personage dat als interactieve gids dienst doet: hertog Emmanuel de Croÿ.

Fragment nodigt de gebruiker uit om de historische puzzelstukjes, eigen aan de streek, opnieuw samen te voegen. “Elk van de 42 etappes komt overeen met een code die telkens een thematische animatie opent die met het parcours te maken heeft. Dat kan een filmpje zijn, een reconstructie in 3D of een spelletje,” vertelt Lucile Savignat, coördinator van Terhistoire.

Behalve de zaken waar je niet aan voorbij kan, neemt Fragment ook interviews en getuigenissen op over de merkwaardigheden en de knowhow die typisch is voor deze streek: de staande wip van Harchies, de bijzondere muurtjes, enzovoort.kunstenaars hebben de toeristische informatie uitgeschreven,  

Op zes kilometer van Zinnik (Soignies) bevindt zich het kasteel van Louvignies. Als je door de poort stapt, kom je terecht in de sfeer van debelle époque.

Als de Chaussée Brunehault, die het Noord-Franse Bavay met Utrecht verbindt, door de granietstenen streek van Zinnik trekt, doorkruist hij heel even het dorpje Chaussée-Notre-Dame-Louvignies. Elke dag weer ligt die heerweg daar, zonder ooit een ommetje te maken om het mooie kasteel van het dorp te gaan bewonderen. De toren uit de 11de eeuw, met daarnaast de kleine torentjes, lijken de Henegouwse lucht aan te vallen. Arme geesten, die hier voorbijrazen met oogkleppen aan, denken we, als we dat indrukwekkende gebouw, dat prachtige kasteel van Louvignies, zien opduiken uit het groen. Dit gebouw in neorenaissancestijl, dat je herkent aan de Saraceense toren en zijn uitgestrekte Engels park uit de 19de eeuw, opent elk jaar weer de deuren voor bezoekers.

“Door een huwelijk in 1716 is dit kasteel het domein van onze familie geworden”, legt de huidige eigenares, Florence de Moreau de Villegas de Saint-Pierre ons uit. “Het kasteel werd wat later gerestaureerd. Mijn voorvader, Léon de Villegas de Saint-Pierre, die na een carrière in de diplomatie burgemeester werd van deze gemeente, begon in 1870 aan een lange periode van aanpassingen en renovaties, die duurde tot 1885. De werkzaamheden bleven niet beperkt tot het kasteel zelf, dat overigens mooi werd gerestaureerd rond de oude verdedigingstoren, maar strekten zich ook uit tot het park en de tuinen. Dat was het werk van Louis Fuchs, een landschapsarchitect die toen veel gevraagd werd en die hier een bos met zeshonderd bomen heeft aangelegd, en ook nog een aantal alleenstaande bomen. Uit die periode dateren ook de kapel, de vleugel met stallen met dubbele boxen voor de paarden van de gasten, en de ijskelder. In de winter werd het ijs van de bevroren vijver gehaald en in blokken gesneden. Dat werd in een kelder bewaard, voor de verfrissingen in de zomer. Een laag ijs, een laag hooi, een laag ijs… die ijskelder dient nu natuurlijk nergens meer voor.”

Je weet niet wat je het meeste moet bewonderen als je eenmaal dit prachtige domein, gelegen aan - hoe kan het ook anders - de rue de Villegas binnenstapt. De voorgevel van deze typisch negentiende- eeuwse woning in neorenaissancestijl, met daarin nog overblijfselen van vroegere constructies, of het Engelse park? Dat is vijftien hectaren groot en nodigt je zo uit voor een wandeling. De paden zijn omzoomd met een reeks merkwaardige bomen, zoals de Amerikaanse tulpenboom of een treurzilverlinde. De vroegere groentetuin van één hectare is in vier stukken verdeeld en telt een heleboel perensoorten. Daarnaast ligt de oranjerie, waar nu Florence de Moreau woont. Een gans waakt discreet voor de ingang, net als een geweldige Russische hazewind met een zwartgevlekte pels. “Dat ras werd speciaal gekweekt om op wolven te jagen”, vertelt de vrouw des huizes. Daardoor herinnert ze er ons meteen ook aan dat de naam Louvignies afkomstig is van het Latijns lupus, wat wolf betekent. “Mocht hij zich nu eens bezighouden met vossen, dat zou ons beter uitkomen.”

Een kasteelvouw in de loopgraven

Binnen in het kasteel merk je nog steeds de sfeer van het rijke leven dat men toen leidde. Een wandeling door het gebouw doet denken aan een bezoek aan een museum. Van de witte salon, waar de dames graag keuvelden, naar de eetzaal met zijn indrukwekkende schoorsteen, tot de hal en de kamers boven, langs de kelderkeuken met een heel arsenaal aan keukengerei en zijn grote fornuis. Het interieur, de meubels en de rest van de huisraad zijn al jaren hetzelfde gebleven, en schetsen een goed beeld van de belle époque. Het is een heuse grot van Ali Baba, die Florence de Moreau dan nog eens aangevuld heeft met dingen die ze geleend heeft uit privécollecties. Sinds het begin van de zomer dient het kasteel ook als decor voor een tentoonstelling met de naam ‘Een kasteelvrouw in de loopgraven’, die gewijd is aan een van haar voorouders, gravin Maria de Villegas de Saint-Pierre (lees het artikel op pagina 92). Dankzij de zorgvuldige regie van Florence, die zich daarvoor baseerde op schriftjes en fotoalbums die pas onlangs opdoken in oude koffers, vertellen zowat dertig objecten uit het kasteel elk hun eigen verhaal over het leven van het nichtje van haar grootvader tijdens de Eerste Wereldoorlog. De tentoonstelling laat ons terugkeren naar een van de moeilijkste periodes uit onze geschiedenis waarin een moedige vrouw, helemaal vrijwillig en op haar eigen manier, heeft geprobeerd het leed wat te verzachten. Zo bijzonder, dat ze van koningin Elisabeth de bijnaam ‘de majoor van Poperinge’ kreeg.   

EEN KEUKEN WAAR ELKE REGISSEUR GEK OP IS

Iedereen die ooit in de jaren zeventig het Britse feuilleton Upstairs, downstairs gezien heeft of meer recent, de geweldige reeks Downton Abbey, hoeft alleen maar de ogen te sluiten om zich de keuken voor te stellen, waar de bedienden druk in de weer waren als bijen in hun korf, in de weelderige Engelse huizen van het begin van de 20ste eeuw. De kelderkeuken van het kasteel van Louvignies, aan het einde van een lange, koude gang, is zo merkwaardig, met al het keukengerei dat in perfecte staat is, en met de typische sfeer uit die tijd, dat verschillende regisseurs deze plaats gekozen hebben om te komen filmen. Claude Berri draaide hier Germinal en François Ozon Angel. François- Xavier Vives heeft hier in 2012 met Marie Gillain Landes gefilmd, en er werden ook heel wat scènes opgenomen in de kamers van het kasteel.

Your opinion counts