Waw magazine

Waw magazine

Menu

In 2017 is het thema voor het Waalse Erfgoedjaar ‘Waterwegen, landwegen en spoorwegen — Erfgoed en RaVeL’. Een prima gelegenheid om een selectie te maken uit de vele plaatsen en activiteiten rond twee fietstochten van RaVeL die aandacht besteden aan waterwegen. 

 

KANALEN, STROMEN & RIVIEREN
www.ravel.be

Leers-Noord → Doornik 23 KM

De kathedraal van Doornik
Vijf torens reiken naar de hemel. De Onze-LieveVrouwkathedraal, met haar romaans schip en transept, en een gotische beuk, is een meesterwerk van de  middeleeuwse architectuur. Sinds 2000 staat ze op de werelderfgoedlijst van de Unesco. 
www.visittournai.be

 

Doornik → Peruwelz 22 KM

Kalkovens
Langs de Schelde rijzen deze indrukwekkende gebouwen op uit het groen, dat er iets geheimzinnigs en poëtisch aan geeft. Ze zijn ook getuigen van de vroegere industriële activiteit, namelijk de productie van natuurlijke waterkalk op basis van kalksteen. Sinds verscheidene jaren ontwikkelt de vereniging van doorgevers van herinneringen een artistiek project om die gedachtenis te bewaren.
www.famawiwi.com 

 

Peruwelz → Bergen 30 KM

Het natuurreservaat van Harchies
De vogels kennen het veel beter dan wij. De moerassen van Harchies strekken zich over 150 ha uit in de Hainevallei en herbergen talloze vogelsoorten die er heel het jaar blijven of er langskomen tijdens hun trek. Het CRIE van Harchies organiseert bezoeken op de eerste en de derde zaterdag van de maand.
www.oiseauxmaraisdharchies.be 

 

Bergen → La Louvière 19 KM

Scheepsliften van het Centrumkanaal
Van de acht hydraulische scheepsliften die er tussen het einde van de 19de en het begin van de 20ste eeuw werden gebouwd, blijven er nog vier in hun oorspronkelijke staat van werking over. Ze zijn wonderen van de menselijke vindingrijkheid en een lofzang op de traagheid. Minstens eens in zijn leven moet men er zich mee verplaatst hebben. In het kader van het Erfgoedjaar 2017, kunnen er in Houdeng-Goegnies elektrische boten worden gehuurd van 01/04 tot 14/04, van dinsdag tot zondag, van 10 tot 17 uur.
voiesdeau.hainaut.be 

 

La Louvière → Charleroi 45 KM

Kaai 10
In de vroegere modernistische gebouwen van de Nationale Bank in Charleroi ontplooit zich voortaan een nieuwe plek die gewijd is aan tekenfilms, films en video’s. Met haar vijf bioscoopzalen, haar gamingspace, haar café-restaurant en haar onthaalplaats voor ondernemingen, is dit een nieuwe stedelijke ruimte, een ruimte om te leven aan de oever van de Samber.
www.quai10.be 

 

Charleroi → Anhée 49,5 KM

Het ReGareinterpretatiecentrum van Fosses-la ville
In het oude station van Fosses-la-Ville hebben de uurroosters van de spoorwegen en het gefluit plaats gemaakt voor de heilige Feuillanus, voor de Chinels en voor alle figuren uit de geschiedenis en het erfgoed van Fosses. Je vindt er sporen van de Ierse monnik die de stad stichtte, je leert er wat de geheimzinnige Limotche is en nog veel meer. Het is niet zozeer een museum als wel een ontmoetingsplaats, waar voorwerpen verhalen vertellen en je zin geven om er meer over te weten. 
www.regare.be

 

 


TOCHT NAAST HET WATER
www.ravel.be

Chaudfontaine → Hoei 43,5 KM

Op stap, burgers!
Het geheugen opfrissen om beter naar het heden te kunnen kijken, dat is het doel van deze maatschappelijke tocht rond Hermalle-sous-Argenteau. Een smartphone-toepassing en erfgoedplaatsen of alledaagse plekken om het te hebben over onderwerpen zoals democratie, vrije meningsuiting, onderwijs en geheugenwerk. In het kader van het Erfgoedjaar 2017 kan men dit traject afleggen tot 14/04. 
www.territoires-memoire.be

 

Hoei → Namen 32,5 KM

De Sint-Lupuskerk
De Sint-Lupuskerk in het centrum van het oude Namen wordt beschouwd als een van de mooiste Belgische barokgebouwen uit de 17de eeuw. Het prachtige gewelf van tufkrijtsteen uit Maastricht, het fijn gebeeldhouwde houtwerk en de indrukwekkende zuilen van zwart marmer uit Mazy en van rode “jaspe” uit Rochefort verheerlijken het sacrale. In het kader van het Erfgoedjaar 2017, kan de kerk elke zaterdag om 15 uur worden bezocht tot 14/04.
www.eglise-saint-loup.be



Namen → Charleroi 47,5 KM

Sambreville, de paden van Arsimont
In dit landelijke dorpje kunnen bezoekers en bewoners wandelen op de Rousse-, Violettes- en Mousse-paden. Die paden ontstonden omdat men de kinderen naar school wilde laten gaan, zonder dat ze langs drukke verkeerswegen moesten lopen. Zo werden er zes paden vrijgemaakt en bewegwijzerd met de hulp van de Koning Boudewijnstichting. Oude namen werden vanonder het stof gehaald en nieuwe werden aangebracht door de kinderen van het dorp. 
www.cracs.eu


Charleroi → Thuin 21 KM

À s’naise su la Sambe?
Is de Boven-Samber een streek voor riviertoerisme aan het worden, net zoals het Canal du Midi en de Bourgondische kanalen? Dat is in alle geval de wens van Sambre Tourisme, met zijn twee boten. De ‘Lord Josef’ biedt plaats aan 2 tot 10 personen, terwijl de ‘Helix’, een verre neef van de ‘Petit Baigneur’ van Louis De Funès, er 6 tot 20 aan boord kan nemen.
www.sambre-tourisme.be

 


Thuin → Erquelinnes 19,5 KM

Solre-sur-Sambre
De burcht van deze landbouwgemeente is een van de mooiste voorbeelden van middeleeuwse versterkte gebouwen in Henegouwen. Tijdens een wandeling door het dorp kan men ook de gotische SintMedarduskerk, de Clocherhoeve met haar portiektoren en de ruïnes van de Thure-abdij bewonderen.

 

 

www.journeesdupatrimoine.be
ravel.wallonie.be

De collegiale kerk van het Heilig Kruis is een van de zeven die op het Luikse grondgebied werden gebouwd. De geschiedenis van een opmerkelijk monument en van zijn zeer nabije verrijzenis.  


De kerk van het Heilig Kruis staat al meer dan twintig jaar in de steigers. Ze lijdt aan allerlei kwalen en ziet er treurig uit. Het is zo erg, dat ze gesloten werd voor de eredienst en de gelovigen. In 2015 moesten de verantwoordelijken de deuren ervan sluiten uit schrik voor een of ander ongeval. Sinds 1998 zamelt het comité “SOS Collégiale Sainte Croix” geld in voor de noodzakelijke herstellingen. Maar het geduld werd beloond en in februari kwam er een goede oplossing uit de bus: voor deze langverwachte restauratie werd € 15.000.000 vrijgemaakt (op 10 jaar). De Luikenaars en andere bezoekers zullen echter nog flink wat geduld moeten oefenen: de duur van de werken wordt immers op vijf tot zes jaar geraamd.

De Luikse collegiale kerken

De zone waarbinnen de zeven Luikse collegiale kerken in het centrum van de stad werden gebouwd, is een voorschoot groot. Ze staan heel dicht bij elkaar in een boogvormige lijn die uitstak boven de Sint-Lambertuskathedraal naast het Prinsbisschoppelijk Paleis. Op een oude reproductie ziet men duidelijk de verschillende plaatsen ervan, die in één vlak liggen. Dikwijls schrijft men de bouw van die collegiale kerken toe aan eredienstredenen en aan de ontvangst van kerkelijke hoogwaardigheidsbekleders. Maar de beslissers hebben het aantal ook om uiteenlopende redenen vergroot, meer bepaald om de goddelijke bescherming af te smeken door het gebed van de kanunniken. De kerken vormden dus een verdedigingschild om de veiligheid van de stad te waarborgen.

In de loop der tijden heeft de collegiale kerk een groot aantal veranderingen ondergaan. Ze werd rond het jaar 980 gesticht door bisschop Notger. Deze opvolger van bisschip Eraclus kreeg onder Keizer Otto de titel van prins-bisschop, die hem al het militair, gerechtelijk en financieel gezag zou opleveren in het prinsbisdom. Deze bouwlustige prins-bisschop was ook een slimme strateeg. Toen hij vernam dat een machtig heer een kasteel wilde bouwen op de plaats van de toekomstige collegiale kerk, vlakbij het bisschoppelijk paleis, besloot hij een nieuwe kerk te bouwen die aan het Heilig Kruis zou worden toegewijd. Samen met de Onze-Lieve-Vrouwekerk en die van Sint-Jan, vormt het Heilig Kruis een Golgotha dat beantwoordde aan een religieus urbanisme dat men ook tegenkomt in andere steden van Neder-Lotharingen. 

Twee koren

Van het oorspronkelijke gebouw blijft slechts een stuk muur van steenkoolhoudend gres over aan het begin van de enige resterende kloostergang. De kerk van het Heilig Kruis is buitengewoon omdat de kerk twee tegenover elkaar opgestelde koren van verschillende stijl bevat, gotisch aan de westkant en romaans aan de oostkant. Dit laatste doet nu als baptisterium dienst. De drie beuken van het “Halle”-type hebben dezelfde hoogte en verbinden de twee uiteinden van het gebouw met elkaar. Boven het westelijke koor bevindt zich een achthoekige klokkentoren. Het koor zelf wordt verlengd door een apsis in de vorm van een cirkelboog, die voorzien is van een doorgangsgalerij. Het bouwen van de zijbeuken heeft waarschijnlijk van 1283 tot 1332 geduurd, terwijl de laatste aangrenzende kapellen tussen de steunberen van de zijbeuken pas aan het einde van de 14de eeuw werden voltooid. De collegiale kerk is 57 m lang, 17 m hoog op het hoogste punt onder het gewelf en 25 m breed. Indrukwekkend!

Van de klokken zijn er slechts twee tegen de tijd bestand geweest, een uit de 17de en een andere uit de 20ste eeuw. In zijn glorietijd bevatte de toren er meer, waaronder een beiaard met een twintigtal elementen.

 

Bewaarde schatten

Op lange termijn valt er wat schade te betreuren. Gelukkig zetten de “SOS Collégiale Sainte Croix” en de plaatselijke verantwoordelijken zich in voor het restaureren en veiligstellen van de voornaamste bedreigde stukken, waaronder het schilderij “De Heilige Kruisvinding” (1674) van Berthollet FLEMAL, dat zich nu in de SintPauluskathedraal bevindt. Er blijven ook interessante sporen achter, waardoor men het historische traject van de plaats kan ontdekken.

Het westelijk koor bevat verscheidene prachtige elementen, zoals het mausoleum van kanunnik Hubert Milemans, de schatbewaarder van prins-bisschop Joris van Oostenrijk. Het is in Luikse renaissancestijl gebouwd met gepolijste zwarte kalksteen van Theux (B). Op de pilasters staan enkele raadselachtige hiërogliefen. Ook het baptisterium is goed bewaard en heeft nog gediend voor de doop van componist César Franck (1822-1890), die vlakbij de kerk werd geboren. Een gedenkplaat in het koor getuigt daarvan. Noteer ook de zeer mooie poort van geslagen messing, die werd gemaakt door Arnold de Nalinne (1758). Het orgel heeft ook een prestigieuze geschiedenis. Het bevindt zich in een opmerkelijke kast en werd gebouwd door Arnold Clérinx (1861). Onder die kast vormt een deur van opengewerkt messing in Lodewijk XIII-stijl (1662) de scheiding tussen het klooster en de kerk.

Het oostelijke koor dateert uit de 14de eeuw. In het midden staat een zeer mooi en sober altaar, dat uit één enkel blok kalksteen is gemaakt. Zoals tot aan de sluiting zal het later opnieuw voor de eredienst worden gebruikt. Rechts van het altaar zijn de mooie koorstoelen bewaard gebleven. Wegens de eindeloze gebeden en andere vieringen in de collegiale kerk, kon men moeilijk heel de tijd blijven rechtstaan in het koor. Men kon echter steun vinden op kleine klapstoeltjes – die “miséricordes” werden genoemd – terwijl men toch de indruk gaf rechtop te staan.

In de schatkamer worden we aangenaam verrast door enkele zeldzame stukken die tijdens de werken elders zullen moeten worden ondergebracht. Juist achter de deur bevindt zich een geheel met, links en rechts van een kruisbeeld, de buste van de heilige Cordula en die van de heilige Sentina (16de eeuw). Er staat ook een houten groep (16de eeuw) met de heilige Anna, Onze-LieveVrouw en het Kind Jezus. Verder zien we twee kisten met antifoonboeken (16de eeuw), in leer gebonden handgeschreven liedboeken van perkament. Die boeken zijn zeldzaam en verkeren in groot gevaar, zodat ze elders moeten worden opgeslagen. De vele in zwart en rood gekalligrafeerde bladzijden zien zwart van het stof en dreigen door verwaarlozing te worden aangevreten. Achteraan in de ruimte staat een echte brandkast, die om veiligheidsredenen gesloten moet blijven. Naast enkele kerkelijke voorwerpen van edelsmeedwerk is er ook de beroemde sleutel van de heilige Hubertus. Volgens het verhaal zou die symbolisch sleutel hem in 722 tijdens een bezoek aan Rome zijn overhandigd door paus Gregorius II. Hij diende om de crypte van de Vaticaanse basiliek te openen, waar het graf van de eerste paus zich bevond.

De reliektriptiek van het echte Kruis maakt ook deel uit van de schat van de collegiale kerk. Hij dateert van de 12de eeuw en is gemaakt van hout dat bedekt is met verguld, geëmailleerd en gedreven koper. Het is een zeldzame schat van edelsmeedwerk uit de Maasstreek. Gelukkig werd de triptiek gerestaureerd door het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium (KIKP) en wordt het veilig bewaard in het Luikse “Musée d’art religieux et d’art mosan” (MARAM).

Aan de vooravond van een mooi avontuur staat de kerk van het Heilig Kruis voor een nieuw begin met culturele en toeristische projecten, die het erfgoed van de Vurige Stede nog zullen verrijken.

 

  • /
 

'Chacun sa place'

OP TOURNEE IN WALLONIË

Véronique Gallo, cabaretière uit Hannut, komt terug met ‘Chacun sa place’, een hoogst vermakelijke show. Laurent, Bénédicte en Clara. Een broer en twee zussen organiseren de 65ste verjaardag van hun ouders. De zaal wordt in gereedheid gebracht. Alles lijkt vlekkeloos te verlopen. Ze moeten alleen nog de laatste hand leggen aan de ontroerende diavertoning die ze willen brengen tijdens het feest. Maar de samenwerking aan dit gemeenschappelijke project brengt opnieuw oude strijdpunten en onuitgesproken irritaties tussen zussen en broer aan de oppervlakte. Uiteraard ontaardt alles in een hilarische afrekening zoals die altijd opduikt binnen ‘probleemloze’ familierelaties. Heen en weer geslingerd tussen boosheid en luim ontdekken ze dat ze alle drie een ander beeld hebben van het gezin waarin ze opgroeiden. Een stuk dat de toeschouwer verrast op een lach en een traan. 

www.veroniquegallo.com
 


Eklipz

IN WATERLOO OP 11 MAART

In de voorstelling Eklipz zien we de ontmoeting tussen twee op het eerste gezicht totaal tegengestelde werelden: de klassieke muziek (piano) en urban dance (hiphop), die elk een eigen publiek aanspreken en vastzitten in tegengestelde codes en vooroordelen. Eklipz wil die gewoonten uit de weg ruimen en de twee kunstvormen dichter bij elkaar brengen. Op die manier zorgen ze voor wisselwerking, geven ze aanleiding tot een nieuwe kijk op de hiphopcultuur en een andere manier om klassieke muziek te beluisteren. 

www.centre-culturel-waterloo.be 


 

Recht in de ogen

IN ROCHEFORT VAN 9 TOT 26 JANUARI

De reizende tentoonstelling ‘Droits dans les yeux-Recht in de ogen’ biedt een overzicht van het werk van vooraanstaande Belgische fotografen. Deze expo, een organisatie van de Franstalige afdeling van Amnesty International België, wil het grote publiek bewustmaken van de (schending van de) mensenrechten. Ze toont degenen die zich, waar ook ter wereld, dagelijks inzetten voor de zaak. Enkele bekende namen zijn Colin Delfosse, Johanna De Tessières, Tim Dirven, Thierry Falise, Cédric Gerbehaye, Roger Job, Pascal Mannaerts, Christophe Smets, Bruno Stevens, Didier Telemans, John Vink, Teun Voeten en Gaël Turine, al wordt jong opkomend talent evenmin vergeten. 

www.ccr-rochefort.be 




Pop Art

IN AARLEN TOT 26 FEBRUARI

Deze uitzonderlijke tentoonstelling brengt de grondleggers van de popart bijeen. Daarbij presenteren de artiesten het concept niet zozeer door het kunstwerk zelf, maar door de interpretatie die eraan gegeven wordt. Deze stroming onderscheidt zich door thema’s en technieken uit de populaire massacultuur, zoals reclame, stripverhalen en triviale voorwerpen. De expo toont een honderdtal originele werken van vermaarde Amerikaanse artiesten, zoals de supersterren Roy Lichtenstein en Andy Warhol, naast Robert Indiana, James Rosenquist, Mel Ramos en een hele reeks hedendaagse kunstenaars die zich door hen lieten inspireren. Een unieke kans om een duik in de fantastische fifties te nemen. Alle werken zijn afkomstig uit privécollecties. Er is ook een specifiek parcours voor kinderen. Niet te missen! 

www.palaisarlon.be 


 




Rebel Rebel art + rock

IN HORNU TOT 22 JANUARI

Op de agenda van het Mac's vinden we ‘Rebel Rebel art + rock’, een aparte tentoonstelling over de rockcultuur en haar banden met de hedendaagse kunst. Vanaf de sixties lieten veel beeldend kunstenaars zich inspireren door de utopieën, revoltes, marginalisering, looks en andere opmerkelijke uitingen van de rockmuziek. Directeur van het Mac’s Denis Gielen nodigt het publiek uit om de rockcultuur te ontdekken via kunstvormen die de inherente regels, trends en verwijzingen verdraaien – dat zijn onder meer video’s, foto’s, installaties, tekeningen en schilderijen. Aan de hand van werken van circa dertig Belgische en buitenlandse kunstenaars biedt deze expo een benadering die laveert tussen destroy-energy en ongeremde humor. Een van de hoogtepunten is een zeldzame installatie van de gerenommeerde Amerikaanse kunstenaar Dennis Oppenheim, die sinds haar creatie in 1974 nooit meer vertoond werd en die het Mac's, in samenwerking met de in New York gevestigde stichting, uit de vergetelheid haalde. 

www.mac-s.be

Er is een zekere dosis lichtzinnigheid en durf nodig om zoiets te bedenken in een vlak land… Komen, dat Waalse stukje tussen Vlaanderen en Frankrijk, heeft een van de zeldzame indoorskibanen van Europa.

 

Al van ver zie je het Ice Mountain Adventure Park, dat langs de nationale weg 58 tussen Kortrijk en Armentières ligt. Sinds 17 jaar trekt het meer en meer bezoekers aan. De skibaan is 210 m lang en 30 m breed. In 2006 kwam er nog een baan voor beginnelingen bij, die 85 m lang is en ook 30 m breed. Twee mechanische skiliften en een transportband maken de uitrusting compleet. Het hele jaar door ligt er een 60 cm dikke laag echte sneeuw. Voor de dagskiërs is er een gratis parking met 500 plaatsen.

Sinds 2009 heeft Ice Mountain drie thematische paintballterreinen, waarvan twee overdekte. Die terreinen zijn verlicht, zodat er ook ’s nachts kan worden gespeeld. Het alternatief voor paintball is nu het lasergame. In 2014 werd het complex bovendien uitgebreid met drie Accro-adventureparcours van 3, 6 en 9 m hoog, die aansluiten op een 500 m lange tokkelbaan.

Sinds maart 2016 kun je er de lucht ingaan met een verticale vrijevalsimulator. Onder begeleiding van een professionele instructeur doe je een vlucht van enkele minuten. Je zweeft op de door een turbine aangeblazen lucht. Terwijl je aan de wetten van de zwaartekracht ontsnapt, verlies je alle steun en zweef je in de lucht met een ervaring van gewichtsloosheid die je een adrenalineshot geeft. Hetzelfde ondervind je bij het paragliden.

Ice Mountain Adventure Park
Rue de Capelle, 16
B-7780 Comines
+32 (0)56 55 45 40
www.ice-mountain.com

295 m skipisten van 60 m breed, met een totale oppervlakte van 9000 m²

 

  • /

Terug naar de Ijstijd. De mammoeten bezetten het Prehistomuseum tot 19 april. Een internationale tentoonstelling die ook de 30 ha van dit nieuwe prehistoriepark onthult.

 

Gedaan met de Prehistosite van Ramioul! Leve het Prehistomuseum. Na twee jaar werken, opende het Prehistomuseum zijn deuren in februari jongstleden. “De Prehistosite van Ramioul was te klein geworden voor de 42.000 bezoekers per jaar”, benadrukt directeur Fernand Collin. “Met twintig jaar ervaring en een goede kennis van de verwachtingen van het publiek, vooral inzake de behoeften aan natuur en wetenschappelijke cultuur, hebben we een museum gecreëerd dat erfgoed, natuur en wetenschap bijeenbrengt en dat in alle weersomstandigheden kan worden bezocht.” Het nieuwe museum, dat de vrucht is van een investering van bijna 10.000.000 euro, is duidelijk interactief voor eender welke bezoekers – en vooral voor gezinnen – die in een spectaculaire architectuur en landschapsomgeving worden verwelkomd. Het Prehistomuseum gaat voortdurend heen en weer tussen verleden en heden, en nodigt iedereen uit om allerlei ontdekkingen te doen. Echt iedereen: zowel zij die van musea houden, als zij die er niet van houden. Het Prehistomuseum breidt trouwens zijn wetenschappelijke activiteiten uit, meer bepaald met de ontwikkeling van een Centrum voor Conservatie, Studie en Documentatie. “Ons Prehistomuseum staat ook voor een aanpak die de complexiteit van het menselijk gedrag wil uitleggen naargelang het tijdperk of de plaats waar men zich bevindt”, onderstreept Fernand Collin.

Wereldpremière 

In 1829 graaft Philippe-Charles Schmerling beenderen van dieren en bewerkte vuurstenen op, waardoor hij voor de eerste keer ter wereld kan vaststellen dat de mens al vóór de zondvloed bestond. Tot dan verklaarde men de wereld vanuit de Bijbel. Overigens ontdekken de “Chercheurs de Wallonie” de grot en de archeologische site van Ramioul, waar ze het museum voor de prehistorie in Wallonië oprichten, dat zal leiden tot het ontstaan van de Prehistosite en later van het huidige Prehistomuseum. De grot is uniek door haar geschiedenis en door de plaats die ze in het hart van de mensen inneemt. Ze bewaart de herinnering aan de enthousiastelingen die de site blootlegden en er sporen uit het verleden hebben gezocht, die ze hebben verdedigd en bewaard omdat ze deel uitmaakten van hun erfgoed. Het was de eerste grot in België die van elektriciteit werd voorzien om ze toegankelijk te maken voor het grote publiek, maar vandaag is ze weer in de oorspronkelijke duisternis gedompeld. Doof het licht en laat de voorwerpen spreken. Vandaag verkennen we de grot met haar drie niveaus zoals speleologen. Men gaat er binnen langs het middelste netwerk en komt, via een trap van 18 meter, weer buiten langs het bovenste. Het bezoek eindigt op het terras, dat het archeologische deel van de site vormt. Ondertussen heeft men de kristalvorming en andere schoonheden kunnen bewonderen, die de natuur in  miljoenen jaren heeft gemaakt. Men kan er ook voorwerpen zoeken die er de geschiedenis van vertellen. Lichtreflectoren duiden de plaats ervan aan.

We nodigen u uit voor een bezoek aan al die emblematische plaatsen die in de loop der maanden steeds meer succes kennen, en aan de tijdelijke tentoonstellingen. Naast een beschermde grot bevat de ruimte liefst negen openluchtattracties, twaalf praktijkateliers en tentoonstellingen (die permanent of tijdelijk zijn, naargelang de seizoenen), 8 km wandelingen door het woud, een uniek en origineel Archeorestaurant, onderzoeks- en opleidingscentra, een activiteitenzone voor ondernemingen, een speelplein, een auditorium met 160 plaatsen en de onvermijdelijke boetiek.

Het is een plezier al die activiteiten beter te leren begrijpen. Bij openluchtattracties zal u, uitgerust met een voorhistorisch werptuig en een boog, dieren uit de ijstijd en de gematigde periode ontmoeten. Er wordt u gevraagd met een boog of werptuig te schieten, om de onbestendigheid van de biotopen in tijd en ruimte te begrijpen, om te ontdekken welke technische en strategische keuzes de jagersvolken maakten en om na te denken over de verhouding tussen mens en dier. Bezoek de verschillende trajecten en volg de pootafdrukken om uw wild terug te vinden. Onderweg zal uw puntenboekje u enkele anekdoten vertellen, die deel uitmaken van een boeiend jachtverhaal .

U zet uw weg verder langs praktijkateliers die geleid worden door een archeoloog en waar u de gebaren uit de prehistorie kunt leren: vuursteen bewerken, vuur maken, klei vormgeven. Die praktijkateliers liggen verspreid over de 30 ha van de site en zijn toegankelijk voor groot en klein die actief willen proberen de gebaren van onze verre voorouders na te bootsen. Door die gebaren uit het verleden vastbesloten na te doen, kunt u niet alleen de archeologische resten beter begrijpen, maar ook en vooral de denkwijze van onze verre of misschien toch niet zo verre voorouders.

Aan de hand van permanente tentoonstellingen nodigt het museum u ook uit om, door het overlopen van een reeks archeologische voorwerpen die representatief zijn voor 500.000 jaar prehistorie, kennis te maken met de veelzijdigheid van de mensheid. Daar ontdekt u dat Wallonië de streek van de prehistorie is. De tentoonstelling brengt op originele wijze de best of van de verzamelingen van de instelling. Er worden onderwerpen aangesneden die zowel tot de prehistorie als tot onze tijd behoren: milieu, economie, mobiliteit, voeding, dood, samenleving, denken... Ongeacht het tijdperk, is het de cultuur die ons van elkaar doet verschillen: de manier van consumeren, produceren, samenleven, het beantwoorden van onze existentiële vragen...

IJstijd

Sinds september jongstleden vindt er op de site een tijdelijke tentoonstelling plaats onder de titel “De Wereld van de Reuzen uit de IJstijd”. De mammoeten zijn in het Prehistomuseum aangekomen! Tot 19 april 2017 zal de internationale tentoonstelling de bezoekers onderdompelen in de wereld van de mensen en dieren uit de IJstijd. Na het bezoek aan de tentoonstelling kunnen de belangstellenden het leven van de jagers uit de IJstijd leren kennen aan de hand van verscheidene unieke belevenissen, zoals jagen op de natuurlijke steppe, op zoek gaan naar de in 3D weergegeven dieren, al dan niet gewapend met een werptuig, diep in de ingewanden van de aarde kruipen voor een onuitgegeven bezoek aan de onverlichte grot van Ramioul, een archeologische site die tijdens de jongste IJstijd werd bewoond door neanderthalers en cro-magnonmensen, in de verzamelingen van het Prehistomuseum de Belgische getuigen uit de IJstijd bewonderen en ten slotte van het menu en de speciale IJstijdgerechten genieten in het Archeorestaurant en het Archeobistrot.

De 8 km woudwandelingen zullen u aan de hand van acht miljoen jaar menselijke evolutie tot in het hart van een plantenlabyrint voeren. Een tocht door het struikgewas om miljoenen jaren evolutie te doorlopen. Aan de ingang van dat labyrint bevindt u zich ergens in het Afrika van acht miljoen jaar geleden. U moet dan de weg vinden die u naar ons huidig tijdperk brengt. Verdwaal, amuseer u en kom “menselijker” uit dit avontuur... Of bent u zo slim als een aap?

Préhistomuseum
Rue de la Grotte, 128
B-4400 Flémalle
+32 (0)4 275 49 75
www.prehisto.museum

IN HET KORT    
500.000: Het aantal archeologische stukken dat in de reserves van het Prehistomuseum wordt bewaard.
1907: het jaar waarin de grot door de “Chercheurs de Wallonie” werd ontdekt.
13: de unieke, originele, wetenschappelijke, ludieke, eigenaardige tentoonstellingen en belevenissen...
5: de historische tijdperken waarmee historicus-kok Pierre Leclercq van het Archeorestaurant u laat kennismaken.
30 hectare: dit is is dit de oppervlakte van het Prehistomuseum te midden van het woud van Ramioul.


ARCHÉORESTAURANT

 

Als u zin hebt om te eten aan de tafel van Lodewijk XV of van Caesar, aan het hof van de Engelse koning in de middeleeuwen of in het Bagdad van Duizend-en-een-nacht, kunt u in het Archeorestaurant van het Prehistomuseum een tocht door de eeuwen maken en proeven van de meest verbluffende en lekkerste gerechten uit elke periode, van het Romeinse keizerrijk tot het 18de-eeuwse Versailles. Een unieke belevenis die u zeker niet mag missen! Alle op de kaart van het Archeorestaurant vermelde gerechten komen uit oude kookboeken en werden bestudeerd door historicus-kok Pierre Leclercq, die een gediplomeerde geschiedkundige en wetenschappelijke medewerker is van de Universiteit van Luik. De even heerlijke als verrassende schotels vormen evenveel gelegenheden om vergeten ingrediënten opnieuw te ontdekken en u te laten verleiden door de favoriete smaakcombinaties van onze voorouders. U zal uw bezoek aan het Prehistomuseum moeten verlengen ofwel speciaal naar het Archeorestaurant terugkeren om er een onvergetelijke tijd te beleven met collega’s, vrienden of met uw gezin. We kunnen niet nalaten u hier enkele door ons geproefde gerechten op te sommen: sint-jakobscrepinette met kweeperensaus, struisvogelfilet met dadelsaus, karperfilet met zuur druivensap, gehaktbrood met sinaasappelschillen, runderlever met ganzenlever en een trio van kolen met room. Smakelijk!


OP ZOEK NAAR ONZE VOOROUDER

 


Vier onderzoekscentra openen de weg voor wetenschappelijke teams die op ontdekkingen uit zijn.

  • Het Centrum voor Conservatie, Studie en Documentatie draagt zorg voor de kostbare verzamelingen archeologisch erfgoed door ze toegankelijk te maken voor de op bezoek komende wetenschappers en door een groot archieffonds tot zijn recht te doen komen.
  • Het Laboratorium voor Experimentele Archeologie ontwikkelt onderzoeksprojecten en werkt in een uitwisselings- en leercentrum samen met andere onderzoekers.
  • Het Laboratorium voor Publieksbemiddeling denkt na over en experimenteert met de huidige en toekomstige omgang met erfgoed, wetenschap en publiek.
  • Het Laboratorium voor de Geschiedenis van de Gastronomie is een centrum voor onderzoek van de geschiedenis van de gastronomie, om oude recepten te analyseren en opnieuw te bereiden.

 

  • /

Samen met de Citadel, de SintAlbinuskathedraal, de Sint-Lupuskerk en het Arsenaal is de Koninklijke Schouwburg van Namen een van de parels van de Waalse hoofdstad. Een prachtig instrument dat – omwille van zijn gevel, zijn foyer en de vergulde delen van zijn grote zaal – naar aanleiding van de restauratie in 1993 verheven werd tot een belangrijk openbaar burgerlijk erfgoedstuk van Wallonië.

 

Het op enkele stappen van de place d’Armes gelegen gebouw valt vooreerst op door zijn indrukwekkende gevel met klassieke, neoklassieke, barokke en zelfs Dorische elementen. Achter deze gevel van eclectische maar toch harmonieuze stijl ligt een van de mooiste zalen van België. Die is het werk van architect-ingenieur Julien Rémont, aan wie we ook de inrichting van de Koninklijke Schouwburg van Luik (de Koninklijke Opera) te danken hebben. “Het is een prachtig instrument, een stradivarius!”, zegt directeur Patrick Colpé. “Maar ik ben er al zo lang aan gewend, dat ik soms vergeet hoeveel geluk ik heb!

Heel oud is het gebouw niet, aangezien het van 1868 dateert. Kort daarvoor, in 1824, werd er op dezelfde plaats een eerste schouwburg gebouwd op de site van het vroegere klooster van de annonciaden, dat van twee eeuwen vroeger dateerde. Zoals men weet, heeft de Franse Revolutie van 1789 niet veel kerkelijke gebouwen en sites overeind laten staan. De door die systematische vernieling vrijgekomen ruimten werden om beurten gebruikt voor nieuwe stedelijke uitrustingen (schouwburgen, kiosken, banken, parken enz.). In Namen werd in 1824 een door de Regentschapsraad gebouwd theater volledig en uitsluitend gewijd aan toneel en muziek. Die schouwburg was kleiner dan de huidige en omvatte een toneelzaal, een foyer en een balzaal, waarin ook concerten werden gegeven.

Drie branden op acht jaar tijd!

In een tijd waarin de brandbeveiliging meestal slechts bestond uit een pomp en enkele met water gevulde kuipen in de zaal – niet te verwarren met de ‘badkuipen’, namelijk de loges die een beetje hoger lagen dan de parterre! – kwamen veel toneelzalen op tragische wijze aan hun einde. Zo was de breuk in een leiding van de gasverlichting de oorzaak van een eerste brand, in 1860. In 1862 was de wederopbouw amper begonnen of de bliksem veranderde de bouwplaats in een vuurzee. In 1863, toen nieuwe renovatiewerken weer glans aan het gebouw gaven, hoopte men het onheil bezworen te hebben,
maar ook dat nieuwe avontuur ging in vlammen op toen, in 1867, een derde brand de zaal volledig in de as legde na een opvoering van de opera Faust van Gounod. (1)

Een Italiaanse zaal in Franse stijl

Het stond als het ware in de sterren geschreven dat de heropbouw van de schouwburg het meest gespeelde stuk van het Naamse repertoire zou worden. Julien Rémont, die zich zoveel mogelijk baseerde op de structuur van het vroegere gebouw, stelde in 1867 voor de twee zijgevels uit te lijnen op de voorgebouwen om de zaal breder te maken. Hij liet ook een inkomportiek van Dorische oorsprong toevoegen om de passagiers van de koetsen beter te kunnen ontvangen. Het toneel zelf paste de Luikse architect aan de eisen van de komische opera en aan de behoeften van de opera seria aan, waarbij hij achteraan een ruimte toevoegde voor de kunstenaarsloges. De hoefijzervorm van de zaal is een van de kenmerken van de Italiaanse schouwburgen, zoals de Scala van Milaan, maar doordat de zaal geen loges bevat, beantwoordt ze meer aan de Franse stijl. “In Italië gingen de mensen in gezinsverband naar de schouwburg en bleven ze in de intimiteit van hun loge. In Frankrijk gingen ze naar het theater om zich te laten zien en die “m’as-tu-vu”-kant kwam tot uitdrukking in de tegenover elkaar opgestelde zetels in de galerij”, verklaart Olivier Stoffels, die verantwoordelijk is voor de promotie en de externe betrekkingen van de schouwburg. “In Namen, waar de zetels op de balkons een beetje naar het toneel zijn gericht, kan men dus spreken van een Italiaanse zaal die werd ontworpen in Franse stijl.

De Naamse schouwburg bleef gespaard tijdens de Eerste Wereldoorlog, maar had tijdens de W.O. II zwaar te lijden onder de bombardementen van augustus 1944. Daardoor moesten er grote renovatiewerken worden uitgevoerd aan wat de Grote Schouwburg of de Stadsschouwburg werd genoemd – tot koning Albert I in 1933 toestemming gaf om hem “Koninklijke Schouwburg” te noemen. Die werken werden aangevat in 1948. Maar het was pas in 1993 dat men aan de grote restauratiecampagne begon die er de huidige stradivarius van zou maken: een prachtige zaal met 800 plaatsen, die aangepast is aan de moderne technologieën en die wordt aangevuld met twee kleinere ruimten onder het toneel, namelijk het amfitheater en de studio.

De Abdij van Malonne en de Slachthuizen van Bomel

Tot het seizoen 2014-2015, beschikte de Koninklijke Schouwburg van Namen met de 400 m verder in de rue Rogier gelegen Manège over een tweede infrastructuur, die een ruwe ruimte, een rustiekere esthetiek en een kleinere capaciteit (300 plaatsen) bood, die meer geschikt was voor modernere voorstellingen en aan toneelspelers die minder gewend waren aan grote zalen. Maar die in 1856 op vraag van de Minister van Oorlog gebouwde ruimte, die eerst diende voor oefeningen van militaire ruiters (lansiers en later jagers te paard) en die nadien een garage en dan een opslagplaats werd, wordt momenteel gerenoveerd en kan dus niet worden gebruikt tot in 2019. Gelukkig beschikt het Cultureel centrum - Naamse Schouwburg vandaag met de Muzikale Abdij van Malonne over een zaal met een uitstekende akoestiek, zodat daar concerten kunnen worden gegeven. En de niet ver van het station gelegen Slachthuizen van Bomel hebben pas gerenoveerde gebouwen die geschikt zijn voor de activiteiten van zijn Culturele-Actiepool en zijn Expressie en Creativiteitscentrum.

Drie beloningen in 2016

De Naamse Schouwburg is ook een dramacentrum en dus een creatieve plek”, vervolgt de directeur. “Bij gebrek aan financiële middelen moeten we ons echter beperken tot één of twee stukken per jaar. Verleden jaar waren dat ‘Une veillée’ van Gary Kirkham en ‘Élisabeth II’ van Thomas Bernhard. Dit seizoen zijn het twee coproducties: ‘Tristesses’ (met de Luikse Schouwburg) en ‘Tableau d’une exposition’ (met de vzw Les gens de bonne compagnie).” In datzelfde register hebben de verantwoordelijken redenen om trots te zijn, aangezien de Naamse Schouwburg drie keer beloond werd op de ‘Prix de la Critique 2016’: ‘Tristesses’ kreeg de prijs voor de beste voorstelling, het duo Alexandre Trocki en Denis Lavant die voor de beste acteur in ‘Élisabeth II’ en in ‘Cold Blood’ van Jaco Van Dormael, en Michèle Anne De Mey en Thomas Gunzig die voor de beste artistieke en technische creatie. Een verrassende uitslag voor een team dat speelt in de... laagste afdeling!

Théâtre de Namur
Place du Théâtre, 2
B-5000 Namur
+32 (0)81 226 026
www.theatredenamur.be

EEN ECLECTISCHE PROGRAMMERING DIE 5000 ABONNEES VERLEIDT   
“De steden Charleroi, Bergen en vooral Luik krijgen veel meer culturele subsidies dan Namen. Hoewel wij slechts evenveel subsidie trekken als een kleine Brusselse schouwburg, slagen we er toch in om in eredivisie te spelen, want wij compenseren het tekort door veel bijdragen vanuit het publiek. Met zijn 5000 abonnementen en zijn 65.000 toeschouwers per jaar, staat de Naamse Schouwburg inzake bezoekersaantallen in de top 5 van de Federatie Wallonië-Brussel.” Patrick Colpé, de algemeen directeur van het Cultureel Centrum - Naamse Schouwburg, geeft toe dat hij dat te danken heeft aan een trouw publiek waarmee hij in de loop der jaren een bevoorrechte dialoog is aangegaan. “Sinds mijn aantreden in 1998 hebben wij er een gewoonte van gemaakt naar een 80-tal huizen in de streek te gaan om daar ons seizoen voor te stellen aan de abonnees en om er naar hun mening te luisteren. Wij zijn de enige schouwburg die dat doet. Terwijl het publiek toentertijd erkende dat het niet goed kon oordelen over toneel, is het nu zeer rijp geworden. Het heeft ons duidelijk laten weten dat het geen vedetten vraagt, maar afwisselende opvoeringen van goede kwaliteit.”

 

OPGELEID DOOR ARMAND DELCAMPE

 

Patrick Colpé werd in het vak opgeleid door Armand Delcampe, de directeur van het Atelier Théâtre Jean Vilar (Louvain-la-Neuve) en werkte 13 jaar samen met zijn leermeester. Hij voelt zich evenzeer op zijn gemak in het socioculturele milieu als bij het beroepstoneel. Hij geeft toe dat hij bij het programmeren slechts één leidraad volgt, namelijk eclecticisme. Zo brengt de Naamse Schouwburg elk seizoen een gevarieerd aanbod van bijna 70 voorstellingen en concerten. En wel voor alle smaken. “Het zou jammer zijn indien we slechts één kleur in de programmering hadden, want we zijn allemaal dissonant”, stelt de man uit Jambes. “We kunnen van thrillers houden, maar ook van humor. Van sociale drama’s en tegelijk van circus of dans. Daarom trachten we de genres af te wisselen. Zo hebben we in het begin van dit seizoen ‘Tristesses’ op het programma gezet, een tamelijk hard stuk van Anne-Cécile Vandalem, tussen het optreden van James Thierrée – de kleinzoon van Charlie Chaplin – en drie korte stukken van Feydeau, waarna we verder gaan met ‘La femme rompue’ van Simone de Beauvoir, met Josiane Balasko.“ Voor het seizoen 2017-2018 hebben de directeur en zijn team een voorlopig programma opgemaakt met verscheidene stukken over grote actuele kwesties zoals immigratie, vrije handel, milieu, oorlog, moordpartijen in scholen... “Maar we zoeken nog opvoeringen die mensen samenbrengen, die geestdrift kunnen wekken, zoals de stukken van Molière, de creaties van Jaco Van Dormael, het circus…” In de loop der seizoenen heeft de Naamse Schouwburg bevoorrechte relaties aangeknoopt met enkele artiesten en regisseurs zoals de Belgen Anne-Cécile Vandalem en Fabrice Murgia, de Zwitser James Thierrée, de Franse Aurore Fattier, de Libanese Canadees Wajdi Mouawad en de Brit Declan Donnellan. De instelling heeft ook vriendschap gesloten met de partners van het eerste uur, zoals het Canadese circus Eloize en het Franse circus Plume, dat in mei 2019 naar Namen zal komen met zijn laatste programma vóór het ermee stopt – toevallig zal die voorstelling samenvallen met het afscheid van Patrick Colpé.

 

Martin Dellicour, een 100 % natuurlijke fotograaf

  • ,
  • ,

Wanneer het gaat om de geschiedenis van het woud, van de natuur en van de mens, dan is men geneigd zijn verhaal te beginnen met “Er was eens...”. Want het is precies in die van magie en legenden doordrongen wereld dat fotograaf Martin Dellicour ons binnenvoert.

Hij genoot een opleiding als graficus. In 2001, aan het einde van zijn studies richtte hij in Luik zijn studio op. Een jaar geleden besloot hij zijn leven te veranderen, de stad te verlaten en zich aan zijn grafische projecten te wijden, maar ook en vooral aan het in beelden vastleggen van de onvermoede rijkdommen van zijn Ardense geboortestreek. Die keuze leverde hem trouwens al verscheidene bekroningen op, waaronder, dankzij zijn kortfilm “Gnomes”, de Grote Prijs van het 20e Internationaal Natuurfestival van Namen.

De roep van het woud

De Ardennen. Kent u die wel? Eens u ze ontdekt hebt door de ogen van Martin en zijn poëtische wereld, zal u beseffen hoe ze eindeloos emoties in u kunnen opwekken.

De fotograaf werkt nu aan een online-documentatieproject, “Ardenne Sauvage”, waarin hij de streek oproept die hem altijd heeft geboeid. Waarover gaat dat verhaal? Over de mens, het landschap en het wilde leven. Talloze ontmoetingen buiten de platgetreden paden, een interactieve reis die de verborgen schatten van onze wouden openbaart aan de hand van verhalen en beelden van een intense schoonheid.

In 2017 zou er ook een boek moeten uitkomen.

Citaten over het plezier van natuurfoto’s maken

“Het geheim van een geslaagde foto? Geduld en volharding...”

“Een geslaagd beeld vertelt altijd een verhaal. Later leest iedereen het zoals hij het begrijpt.”

 “Het wilde leven fotograferen houdt altijd wat onzekerheid in. Je kunt je terrein en de fototechniek goed kennen. Maar het hangt helemaal niet van ons af of we op het goede moment op de juiste plaats met het goede licht en het juiste onderwerp zijn. Dat is het opwindende van mijn beroep.”

www.martindellicour.be

+32 (0)496 54 65 23

[email protected]

  • /
De la ville fortifiée à la ville industrielle

Alors qu’elle entame sa deuxième reconversion et s’apprête donc à écrire une nouvelle histoire, Charleroi, deuxième plus jeune ville de Belgique, souffle cette année ses 350 bougies. Trois siècles et demi faits de hauts et de bas. Entre remparts et terrils.

 

Van versterkte stad tot industriestad

Nu Charleroi, de tweede jongste plaats van België, aan zijn tweede reconversie begint en dus een nieuwe bladzijde in zijn geschiedenisboek gaat schrijven, blaast het dit jaar 350 kaarsjes uit. Drie en een halve eeuw met hoogten en laagten. Tussen stadswallen en terrils.

 

Driehonderdvijftig jaar stelt niet veel voor op de schaal van een stad, maar toch betekent het dat er al heel wat wagons aan de trein van de Geschiedenis zijn gehaakt. Wees gerust: we gaan u niet vertellen hoe Charleroi steen na steen werd gebouwd. Maar misschien wilt u wel weten wat het lot van de stad heeft bepaald.

Kinderen stellen soms heel relevante vragen... “Wat was er vóór Charleroi, papa?” – “Toen de eerste stenen werden gelegd, stond er op die plaats een vredig dorpje dat Charnoy heette. De bewoners ervan maakten spijkers en gingen steenkool halen in de mijnen. Dat dorpje lag aan de oever van de Samber en de gronden ervan behoorden toe aan de Spaanse Nederlanden.” – “En waarom hebben de Spanjaarden het dorpje afgebroken om er een stad te bouwen?” – “Omdat ze toen dikwijls oorlog voerden met de Fransen, die zuidelijker gelegen vestingen bezaten, meer bepaald in Mariembourg en Philippeville. De Spanjaarden zochten dus een strategische plaats om er een fort te bouwen. Dat deden ze niet om de bewoners te beschermen, maar om hun grondgebied te verdedigen. Die op de as Bergen-Namen en op de hoogten van de Samber gelegen plaats vonden ze heel geschikt.” – “Waren zij het, die er de naam Charleroi aan gaven?” – “Ja, dat was ter ere van hun koning Charles II. Die was toen nog maar een kleuter van vijf jaar, maar hij heerste al, met de hulp van zijn mama, natuurlijk.

Rond de Place Charles II

Hoewel het de Spanjaarden waren die het fort in 1666 begonnen te bouwen, waren het de Fransen die het afwerkten nadat ze het, minder dan een jaar later, hadden veroverd. De uitgekiende, op de Place Charles II gerichte configuratie, is het werk van Vauban, de beroemde militaire architect van Lodewijk XIV. Wanneer men een maquette uit die tijd vergelijkt met het huidige plan van het stadscentrum, ziet men heel goed dat die configuratie bijzonder weinig veranderd is. Men herkent zeer goed de zeshoekige omwalling en het radiometrische interne tracé van de eerste versterking, met het bolwerk rond het wapenplein. Het was ook de markies van Vauban die de uitbreiding van de vesting tot aan de overkant van de Samber aanvatte om de zuidelijke flank te beschermen. Op die manier ontstond de Benedenstad, rond de huidige Place Albert Ier.

De bloeitijd van het Zwarte Land

We besparen u de verschillende machtswissels tussen Fransen, Spanjaarden en Oostenrijkers die achtereenvolgens gedurende 150 jaar de stad veroverden – het loonde wel de moeite ze te versterken! In 1815, na de nederlaag van Napoleon, viel de stad in handen van de Hollanders, die de versterkingen gingen uitbreiden naar het noorden en die de Samber bevaarbaar maakten, wat van essentieel belang was om de steenkool naar Frankrijk te voeren. Dankzij de komst van de eerste spoorweglijn en de bouw van een station in 1843 gaan de glas‑, de staal‑ en de steenkoolnijverheid, die zich geleidelijk rond de stad hadden ontwikkeld, een fenomenale uitbreiding kennen. In 1867 besluit de Stad tot het afbreken van de wallen, die haar verstikten. In de plaats van stenen komen er met bomen begroeide lanen en vallen de Beneden‑ en de Bovenstad elkaar in de armen. Het economische leven van de stad wordt geregeld door de steenkoolmijnen. Dit is de tijd van koning Leopold II. Het Zwarte Land stelt het goed. De stad wordt de tweede rijkste van een land dat zelf (na Engeland) de tweede industriële grootmacht ter wereld is! In 1911 vindt er een wereldtentoonstelling plaats.

De grote stedenbouwkundige omwenteling

En wat is er daarna met Charleroi gebeurd, papa?” – “O, de stad zou nog twee grote verbouwingsfasen kennen. Na de Tweede Wereldoorlog rijzen er zowat overal veel gebouwen en huizen in Jugendstil op. In 1930 wordt de oude bocht van de Samber gedempt om plaats te maken voor een grote laan, de Boulevard Tirou, waarrond het commerciële centrum van de stad zich zou ontwikkelen. Het is ook in die tijd dat het Stadhuis en het belfort worden gebouwd. Later, in de jaren 1960, zou het uitzicht van de stad nog eens veranderen door het opduiken van torens en administratieve gebouwen zoals de Tour de l’Europe en de Tour Baudoux. In 1975, ten slotte, wil Charleroi zijn mobiliteitsprobleem oplossen door het aanleggen van een autosnelweg rond de stad.

Vandaag is de streek, zoals we weten, zwaar getroffen door de oliecrisis en de ondergang van de nijverheid. Charleroi moest met zichzelf in het reine komen en zien uit te groeien tot een grote moderne metropool. Na de versterkte en afgezonderde stad, na de industriële en ontgonnen stad, is het nu tijd voor een open en aantrekkelijke stad. Een stad die verankerd is in haar grondgebied en die aansluit op het omringende landschap. Dat werk werd al meer dan twintig jaar geleden aangevat…

 

     

Nadat in 1930 de bocht van de Samber gedempt wordt, ontstaat er ruimte voor de boulevard Tirou en appartementsgebouwen.

©Archives Ville de Charleroi

 

Ondergrondse overblijfselen

Wat schiet er nog over van Charleroi als versterkte stad? In het stadscentrum zo goed als niets, behalve het speciale tracé van de straten rond de Place Charles II. Maar wanneer men een beetje dieper gaat zoeken, zal men ontdekken dat de ondergrond van de stad onvermoede getuigen van haar militaire verleden bewaart. Onder dat laatstgenoemde plein bevindt zich nog altijd de put die bij de oprichting van de Franse vesting werd ontworpen om de bouwers van de stad van het nodige water te voorzien. Een beetje verder, onder de Boulevard Zoé Drion, kan men een indrukwekkende galerij ontdekken, die uit de tijd van de Hollandse vesting dateert.

In 1695 werd er op bevel van Lodewijk XIV een plan in reliëf gemaakt van Charleroi. Om de strategie van die versterkingen beter te kunnen begrijpen, werd in het Stadhuis onlangs een kopie van dat plan onthuld. Het belfort van zijn kant, dat door de UNESCO op de werelderfgoedlijst werd geplaatst, geeft heel de geschiedenis van de Stad Charleroi weer in een nieuwe scenografie. Dat zijn allemaal plaatsen die op aanvraag kunnen worden bezocht, maar enkel door groepen.

 

Maison du Tourisme du Pays de Charleroi
+32 (0)71 86 14 14

Feest in het Land van Charleroi!

 

Men wordt niet alle dagen 350 jaar! Om die verjaardag in de verf te zetten met een gevarieerd programma, hebben alle actieve krachten uit Charleroi de handen in elkaar geslagen: de bestuurders, de stadsdiensten, de culturele en wetenschappelijke spelers, de onderwijsinstellingen, de horeca, de folkloreliefhebbers, de ouderen, de wijkcomités... “We hebben alle instellingen en verenigingen opgeroepen om projecten in te dienen”, verklaart Najia Sakhi, die in de coördinatiecel voor de 350 jaar instaat voor de communicatie. “Voorstellen konden enkel worden aanvaard, als ze aansloten bij deze historische datum. Men kon dus geen klassiek evenement voorstellen en daar het etiket ‘350 jaar’ opplakken. We wilden iets nieuws, iets origineels, iets dat in verband staat met de geschiedenis, het erfgoed of de folklore, iets dat over verleden, heden of toekomst gaat.

Eerbetoon aan zanger Jacques Bertrand

Omdat de eerste steen van de stad op een derde september werd gelegd, is die datum uitgekozen als orgelpunt van de manifestaties. Toen het evenement nog in de toekomst lag op de dag dat wij dit schreven (in augustus), zag het programma voor het weekend van 3 en 4 september er heel vrolijk en kleurrijk uit: officiële ceremonie en beiaardconcert op zaterdagnamiddag, dan een indrukwekkende optocht door de straten van het stadscentrum tot aan de kaden van de Samber. Een stoet die de 350 jaar geschiedenis van Charleroi zou schetsen, met metaalarbeiders, mijnwerkers, glasmakers, naoorlogse auto’s, reconstructeurs, revolutionairen van 1830, een praalwagen van de luchtvaartindustrie en – natuurlijk – de reuzen van de stad en veel zangkoren. Aan een uitzonderlijk evenement moeten ook uitzonderlijke personen deelnemen: een honderdtal leden van de Ommegang, onder wie Keizer Karel en zijn hofhouding, wilden voor deze gelegenheid hun Brusselse residentie verlaten. Het grote volksfeest op zaterdagavond – dat “Quai fièsse!” was gedoopt – heeft natuurlijk heel wat golven veroorzaakt op de Samber. Ook de muren van de stad trillen nog na bij de herinnering aan de duizenden personen die op zondag enkele volksliederen hebben aangeheven, die werden geschreven door de Charleroise zanger Jacques Bertrand (1817-1884): “Lolotte”, natuurlijk, maar vooral “Pays de Charleroi”, waarvan de stadsbeiaard vandaag nog de noten speelt.

“Charleroi tussen licht en schaduw”

De Stad heeft echter niet gewacht om haar 350 kaarsjes officieel uit te blazen vóór ze aan het feesten ging. Vermakelijkheden, concerten, feesten, lezingen en tentoonstellingen bepaalden al sinds de lente het levenstempo in Charleroi. Er werden een bier en een praline gecreëerd; er werden publicaties aan de stad gewijd – waaronder een zeer mooie brochure van “Espace Environnement”, die 350 jaar stadsgeschiedenis schetst; er werd eer betoond aan de chemicus en industrieel Ernest Solvay, die zijn eerste fabriek in Couillet vestigde, en aan de in Charleroi geboren kanunnik en natuurkundige Georges Lemaître; in de Sint-Valentijnsmars stapten voor het eerst folkloristische groepen uit de districten van Charleroi mee op; er werd een grote zoektocht georganiseerd in de stad enz. De sport werd niet vergeten: om de herinnering op te roepen aan de legendarische voetbalderby’s tussen Sporting en Olympic, werd er begin september een ontmoeting gepland tussen de Zebra’s en de Dogs!

De best geslaagde activiteit behoort echter tot het gebied van de bescherming van het erfgoed”, noteert Najia Sakhi. “In het Museum voor Schone Kunsten vond de tentoonstelling ‘Charleroi tussen licht en schaduw’ plaats, die door het Glasmuseum van Charleroi werd aangeboden en gewijd was aan het glas-in-loodraam in privéruimten, van 1880 tot 1940. Die kende zoveel succes, dat ze verlengd werd. Op de tentoonstelling kon het publiek niet enkel zien hoe glas-in-loodramen worden gemaakt, maar er ook kennismaken met de glas-in-loodramen uit veel privéruimten (herenhuizen, arbeiderswoningen, handelszaken enz.) aan de hand van oorspronkelijke stukken uit museumverzamelingen, archiefdocumenten en foto’s.

De burgers als commissarissen van hun tentoonstelling

En morgen? In het laatste kwartaal van 2016 zullen er een colloquium, en festival, tentoonstellingen en een paneldiscussie plaatsvinden. Op 23 en 24 september komen in het Paleis voor Schone Kunsten liefst 25 deskundigen van verschillende universiteiten een portret van Charleroi schetsen aan de hand van de mensen, de technieken en de ideeën die gedurende 350 de identiteit van de stad hebben gevormd. Op hetzelfde ogenblik gaat de “Asfalt”-biënnale van start, een stedelijk kunstenfestival waarvan deze derde uitgave vooral gewijd zal zijn aan de openbare ruimte als leefkader (zie kaderstuk). Maar het is vanaf 21 oktober, datum van de vernissage van de tentoonstelling “Publiek aan het werk”, dat men zal kunnen zien wat de inwoners van Charleroi in hun mars hebben. Het Museum voor Schone Kunsten van Charleroi en het Fotomuseum hebben zich aan een origineel experiment gewaagd door de hele de organisatie van een tentoonstelling aan het publiek over te laten. “Er werden ongeveer zestig burgers gekozen op basis van hun motivatie,” legt Najia Sakhi uit. “Van april tot augustus hebben ze kennisgemaakt met de musea en de verzamelingen ervan en geleerd op welke verschillende manieren men met kunst kan omgaan. Samen hebben ze het thema van de tentoonstelling gekozen en uitgewerkt, en de lijst van de werken opgesteld.Ten slotte hebben ze gezorgd voor de presentatie, de berichtgeving in de media en de communicatie over de tentoonstelling, die tot 21 januari zal plaatsvinden in het Museum voor Schone Kunsten.” Het thema? Mutaties. Zoals de Waalse metropool er nu een beleeft!

 

Voor het volledige programma zie www.charleroi.be/350ans

©Fred Guerdin
 

Stadsfestival “Asphalte#2”

Van 23 september tot 29 oktober zal Asphalte#2 de verbanden tussen culturen en de openbare ruimte onderzoeken. In 2016 viert men niet enkel het 350-jarig bestaan van de Stad Charleroi, maar ook de 500 jaar van Utopia van Thomas More. Het samenvallen van die twee vieringen bood de gelegenheid om een leefbare wereld te maken, om plaatsen, voorzieningen en modellen voor de toekomst te ontwerpen.

In 2012 en in 2014 was de biënnale gewijd aan straatkunst”, verklaart Sébastien Lacomblez, graficus op het kantoor van de Charleroi Bouwmeester. Hij herinnert eraan dat tijdens die eerste twee uitgaven de muren eerst vol foto’s werden gehangen en dan plaats boden aan fresco’s. “Dit jaar wilden de organisatoren afstand nemen van de straatkunst en zich op de openbare ruimte toeleggen door in te spelen op de utopie. Het LAB[au]-collectief, een laboratorium voor architectuur en stedenbouw, zal installaties maken op de toren van de Arbeidsuniversiteit en op het dak van Quai 10. Maar de grootste inspanning zal geleverd worden voor de feesten, de thematische ontmoetingen, de creatieve workshops, de stedenbouw...

Twee voorbeelden van evenementen: op 30 september zal het kinderplein, een project dat leerlingen uit Charleroi maakten tijdens workshops, ingewijd worden in de Rue du Laboratoire, terwijl er op 2 oktober een groot wandelpad vanuit het stadscentrum naar de terrils zal worden ingestapt. Een zwart en punky wandelpad, een experimentele en hedendaagse vorm van toerisme!

 

www.asphalte-charleroi.be


 Een facelift voor het stadscentrum

 

We moeten toegeven dat Charleroi, dat eerst een zeer begeerde vesting was en later een bloeiende industriestad, nooit ontworpen werd als een woonstad. Terwijl het aantal inwoners tussen 1966 en 2001 van 244.000 naar 200.000 daalde, begint de demografische curve nu langzaam maar zeker opnieuw te stijgen. Tegenwoordig zijn er bijna 100.000 woningen in Charleroi. Volgens de ramingen zouden er 12.000 woningen, of 400 per jaar, moeten worden bijgebouwd tegen 2045. Dat is een grote uitdaging, die enig denkwerk vergt. “Charleroi moet zo soepel zijn als een metropool, met zijn tijd meegaan en oplossingen vinden voor de belangrijkste stadsproblemen, namelijk mobiliteit, aantrekkelijkheid van de openbare ruimte, nabijheid van de groenzones, geschikte woningtypes voor het stadsleven en op zijn grondgebied de belangrijke grootstedelijke functies organiseren en juiste en sterke landschappen maken”, legt Georgios Maillis uit. De architect en Bouwmeester van Charleroi heeft het niet over gewone bouwwerken. Het masterplan voor de renovatie van het stadscentrum, dat door de Feder-fondsen en door Waalse subsidies wordt gesteund, is het derde belangrijkste uit de geschiedenis van de gemeente, na het groot stedenbouwkundig plan van 1870 en de infrastructuurwerken en woningbouw uit 1950-1970.

De eerste fase, het Fenix-project (2007-2013), nadert zijn voltooiing in de Benedenstad (Ville Basse). Althans voor wat de overheidsfonden betreft (€ 58.000.000). Want terwijl het handelscentrum Rive Gauche waarschijnlijk zal afgewerkt zijn in februari aanstaande, zal het nog tot 2025 duren eer het Left Side Business Park (zakenpark aan de westzijde) en de River Towers (twee woontorens aan de oostzijde) klaar zullen zijn. Het zijn twee projecten aan de oever van de Samber, die in handen van de privésector zijn.

Creatief District Charleroi

Nu staat het bovenste deel van het stadscentrum en meer bepaald het noordwestelijke kwadrant ervan, in het licht van de schijnwerpers. Deze tweede stedelijke herkwalificeringsfase (programmatie 2014-2020 van de Feder-fondsen) beschikt over een budget van € 142.000.000 en is bekend onder de naam Creatief District Charleroi. Ze wordt gestuurd door de Stad, door Charleroi Bouwmeester en door Igretec. Charleroi DC heeft twee polen: een evenementenpool en een uitmuntendheidspool voor vorming, onderwijs en onderzoek. De eerste omvat de renovaties aan het Tentoonstellingspaleis en aan het Paleis voor Schone Kunsten (uit 1957), alsmede de bouw van een energiezuinig Congressenpaleis (€ 25.000.000 – 6400 m2) op de esplanade van het Paleis voor Schone Kunsten. Met die drie paleizen zal de stad over hoogwaardige infrastructuur voor belangrijke evenementen beschikken. Meer naar het noorden zal de site van de Université du Travail worden gerenoveerd en uitgebreid om de “campus voor wetenschap, kunst en techniek” te worden. Die campus zal bestaan uit een universitair centrum in het Zenobe Grammegebouw, uit een deskundigheidscentrum voor “design en innovatie” en uit een technische wijk. In de buurt van die twee polen heeft het Brusselse kantoor Bas Smets voor de openbare ruimte een echt heroplevingsplan ontworpen, dat gericht is op de Place Charles II, de Place du Manège en het voorplein van het toekomstige Congressenpaleis.

Ten slotte blijft de noordoostelijke zone van de Bovenstad (Ville Haute) niet achter, aangezien het huizenblok Zoé Drion sociale bestemmingen zal krijgen, het Mambourgstadion zal worden gerenoveerd en het Gerechtshof vergroot.

 

©MSA Asymetrie
 

Bronnen:
« Charleroi Métropole, Un schéma stratégique 2015-2025 » (édition 2015) en « Charleroi, de la ville fortifiée à la ville de demain » (Espace Environnement).

De eeuwenoude ruïnes van de abdij van Villers-la-Ville kregen onlangs een nieuw bezoekerscentrum en een nieuwe toegang tot de site, waardoor men heel de grootsheid van deze gotische parel in zijn natuurlijk schrijn kan ontdekken.

 

Deze ruïnes behoren ongetwijfeld tot de mooiste van de christelijke wereld en vormen de volledigste cisterciënzersite van Europa. De abdij van Villers, die Victor Hugo fascineerde, kwam aan het einde van de 19de eeuw opnieuw onder de aandacht dankzij de romantische belangstelling voor ruïnes. Deze ruïnes, die zo ambivalent zijn als de ijdelheid, getuigen evenzeer van de verwoestende tand des tijds als van de weerstand daartegen.

Onder impuls van de heilige Bernardus van Clairvaux beginnen de cisterciënzermonniken in 1146 een romaanse abdij te bouwen in de Thylevallei. De pragmatische pijdragers beslissen zich boven de waterloop te vestigen, in plaats van op een van de oevers ervan, zodat de abdij het stromend water kan gebruiken voor haar huishoudelijke behoeften en haar werkplaatsen. In de 13de eeuw beleeft de abdij een eerste bloeitijd, op het hoogtepunt van de gotische pracht. In de 18de eeuw worden de middeleeuwse gebouwen in neoklassieke stijl gerenoveerd en worden het abtenhuis en de tuinen eraan toegevoegd. De abdij, die toen door 100 monniken en 300 lekenbroeders werd bewoond, beleefde een nieuw hoogtepunt, dat echter bruusk werd afgebroken door de Franse Revolutie. In 1796 werd het domein in drie kavels verkocht. De eerste kavel bevat de resten van de abdij, de tweede de bijgebouwen met de molen en de vijver, en de derde de heuvel en de hoeve. Die splitsing gaat duren tot in de moderne tijd, waarin de ruïnes nog steeds eigendom zijn van de federale staat, terwijl de andere kavels toebehoren aan het Waals Gewest. Een typisch Belgische toestand, die het beheer van de hele site gelukkig niet te veel bemoeilijkt.

 

 

Anders denken

Een van de voornaamste problemen van de site is de lange asfaltweg die er van het ene uiteinde naar het andere doorheen slingert. Die nog uit de tijd van de Franse Revolutie daterende weg doet afbreuk aan het homogene karakter van het geheel en is een element van onveiligheid voor de bezoekers. “Er wordt al twintig jaar gesproken over het omleggen van de weg, maar dat bleek niet doenbaar om budgettaire redenen en wegens de vele onteigeningen die daarvoor nodig zouden zijn. Daardoor zijn we op den duur anders gaan denken”, zegt Corinne Roger, Directrice van de dienst Vastgoedopdrachten van het Waalse Erfgoedinstituut. Beetje bij beetje werd duidelijk dat het bouwen van een loopbrug over de weg om de verschillende delen met elkaar te verbinden, de beste manier zou zijn om de site op te waarderen en om de zichtbaarheid ervan en de veiligheid van het publiek te verbeteren.

Voortaan is de site toegankelijk via een nieuw Bezoekerscentrum dat werd ondergebracht in de oude molen, een gebouw dat in de loop der eeuwen veel veranderingen onderging, maar sinds de 13de eeuw altijd in gebruik is gebleven. Daarin bevinden zich nu de kantoren van de vzw Abdij van Villers-la-Ville, twee didactische zalen en de onthaalboetiek.

Toen men afkwam met het voorstel voor een loopbrug, stond ik een beetje weigerachtig tegenover het idee om zo'n breuk te maken in een oud gebouw. Maar het is waar dat de molen in de tijd van de monniken veel kleiner was en dat hij pas later grondig werd verbouwd. Die loopbrug vertrekt vanuit een verdieping die niet bestond in de tijd van de abdij. Ze maakt de verbinding met de heuvel en biedt een weergaloos uitzicht op de site”, vernemen we van Michel Dubuisson, historicus en adjunct-directeur van de vzw.

Eerst komt men langs het onthaal en de bijbehorende boetiek, die uitpuilt van artikelen en producten die in cisterciënzer‑ en andere abdijen werden gemaakt. Van daaruit gaat men naar de twee zalen op de hogere verdiepingen. Deze vleugel van het gebouw was buiten gebruik sinds 1858, maar onderging aan het einde van de 19de eeuw een eerste reeks conservatiewerken, waarbij architect Charles Licot al van plan was er een museum in onder te brengen! De renovatie met haar verfijnde lijnen doet de panelen van cortenstaal, het natuurlijke hout en de eerbiedwaardige muren van afgebikte baksteen, heel sober op elkaar aansluiten. In de eerste zaal krijgt men een inleiding tot de cisterciënzerwereld. Zo ziet men er de ligging van de abdijen in Europa, het plan en het organogram voor de werking ervan, alsook het verbazend ingewikkelde uurrooster dat het leven van de monniken naargelang de jaargetijden regelde. Met behulp van een reeks aanraakschermen kan men die informatie verder uitdiepen. De tweede zaal wordt bijna helemaal in beslag genomen door een groot leistenen schaalmodel van de abdij in haar glorietijd. Het materiaal verwijst natuurlijk naar de steen waaruit de abdij voor 95 % werd opgetrokken en die gewonnen werd in twee nabijgelegen steengroeven. Vóór de herinrichting van de oude molen werden er verscheidene restauratie‑, uitrustings‑ en landschapswerken uitgevoerd, waarbij in 2010 de deur van de hoeve en de schuur met de huidige technische werkplaatsen werden gerestaureerd, en in 2011-2012 de wasserij waarin nu een ambachtelijke microbrouwerij is ondergebracht.

 

 

Alles sober houden

Vóór ze het eens werden over de definitieve inrichting van het bezoekerscentrum, hebben Michel Dubuisson en andere leden van de vzw enkele van de 200 Europese cisterciënzersites bezocht om er ideeën op te doen. Een van de markantste was de abdij van Fountains in Yorkshire. “Na die bezoeken waren we vastbesloten alles sober te houden en ons niet te bezondigen aan een overdreven scenografie. De inleiding mocht niet belangrijker worden dan het bezoek. Wat telt, is dat de bezoekers alle sleutels in handen hebben wanneer ze op de site zelf rondgaan.

De heuvel bestaat uit een soort natuurlijke opeenvolging van terrassen. Van daaruit heeft men uitzicht op het hele domein en beseft men dat de monniken de site echt in de diepte van het dal hebben gebouwd. “Men ziet veel beter heel de natuurlijke omgeving en veel mensen hebben me al gezegd dat ze bij het doorlopen van de ruïnes niet beseften hoe groot de site eigenlijk is.” Sinds 1146 is de heuvel altijd een levendig landbouwgebied geweest. Ook vandaag nog ziet men er schapen en paarden grazen in de weiden die tot aan de top reiken, wat past in de conserveringsprogramma’s die perfect aansluiten op het erfgoedkarakter van de site. In de eveneens gerestaureerde hoeve bevindt zich nu een integratie- vzw en een natuurcentrum. De beheerders van de site hebben ook geprofiteerd van de aanleg van het nieuwe parcours en van de inrichting van het bezoekerscentrum om de bewegwijzering en de weinige informatiepanelen langs het parcours op te frissen en te harmoniseren. Nadat men de ruïnes vanuit de hoogte heeft gezien, is men nog gevoeliger voor de verheven schoonheid ervan. Hier en daar zijn er enkele discrete moderne ingrepen zichtbaar: een muurtje, een betonnen koker met daarin een lift voor personen met beperkte mobiliteit. De altijd even indrukwekkende middenbeuk doet de mensen omhoog kijken. Ze getuigt van de restauratiewerken van Charles Licot, die aan het einde van de 19de eeuw zonder aarzelen trouw bleef aan de gotische stijl. Hier staat een zuil om een stuk muur te ondersteunen; daar zien we boven ons twee van de drie gewelven die niet van monastieke oorsprong zijn.

Ik geloof dat Villers uniek is om drie redenen”, gaat Michel Dubuisson verder. “Vooreerst heeft de abdij de suggestieve kracht van een romantische ruïne. Vervolgens heeft ze een wateropvangsysteem dat in die tijd uniek was. Ten slotte en vooral treft men heel zelden op één en dezelfde site sporen aan van de plaatsen waar de monniken leefden en werkten rond het kloostervierkant.

www.villers.be


Mikken op 60.000 bezoekers

Een nieuw parcours, een nieuwe dynamiek, nieuwe ambities! Tegenwoordig trekt de site van Villers 35.000 tot 40.000 bezoekers per jaar aan. Wanneer men daar nog evenementen bij optelt, zoals de zomervoorstellingen, de Koornacht en de Circusnachten, komt men aan 100.000. “We willen ons niet vastpinnen op becijferde doelstellingen, maar we denken toch dat we 60.000 bezoekers per jaar kunnen halen”, voert Michel Dubuisson aan. “Daarvoor moeten we geregeld de belangstelling weer opwekken door nieuwe dingen aan te bieden.” Gesloten zones werden weer geopend, zoals het netwerk van kelders dat uit de 18de eeuw stamt en zich uitstrekt onder het abtenpaleis. Begin 2017 zullen de bezoekers gebruik kunnen maken van een videogids met een reconstructie van de abdij in aangevulde werkelijkheid.


Mirakel in de kapel

Op de hoogten van de Garenneheuvel, die achter de bogen van de spoorweg oprijst, staat de kapel van Onze-Lieve-Vrouw van Scherpenheuvel. Naar aanleiding van de 400ste verjaardag van de wijding ervan, komt een tentoonstelling terug op enkele buitengewone gebeurtenissen. In 1614 werd Robert Henrion, de 48ste abt van Villers, naar de “abbaye du Verger” in de buurt van Douai geroepen om er voorzitter te zijn van een heksenproces waarbij zes ongelukkige monialen op de brandstapel eindigden. De voortvarende leiding van de abt werd achteraf bekritiseerd. Gelukkig voor hem werd, na zijn terugkeer in Villers, de Scherpenheuvelkapel het toneel van verscheidene mirakels, zoals een klok die uit zichzelf begon te luiden om middernacht. Een teken van God? Men zou van minder staan te kijken, te meer daar er 400 jaar later een ogenschijnlijk gezonde boom vlak naast de kapel uit zichzelf omviel…

“Mirakels en toverij in de Abdij…”

tot 30 december 2016 in de tuinen van de abt


Herfst in de Abdij
 
24 en 25.09
Festival van de microbrouwerijen “Carrément Bières”
 
09.10
Planten‑ en Gezondheidsworkshop
U leert er volgens recepten van de middeleeuwse geneeskunde een siroop, een zalf en een alcoholisch plantenaftreksel maken.
 
29.10
Gezongen wandeling
Zangeres Marie Fripiat neemt u met middeleeuwse a‑capellaliederen mee op een wandeling vanuit het kerkkoor naar de Scherpenheuvelkapel.
 
05.12.16 > 31.03.17
Tentoonstelling over de kindertijd in de middeleeuwen
 
22, 26, 27 en 30.12
Het ongelooflijke ballet van Mijnheer Peppernote
Een paardenopvoering door de “Compagnie Tempo d’Éole”

 

Zonder te verloochenen of te vergeten dat ze een gedenkplaats is, opent de Bois du Cazier-mijn een nieuwe cyclus, waarin ditmaal het lot van de mijnwerkers uit de hele wereld centraal zal staan, gaande van de veiligheid op het werk in het algemeen tot het leven van de huidige gastarbeiders. De fouten die tot de ramp hebben geleid, en de lessen die de overheden uit het drama hebben getrokken, zetten aan tot bezinning over en observatie van wat er zich elders in de wereld afspeelt.

 

De Bois du Cazier blijft eerst en vooral een gedenkplaats. Na de herdenkingen van de catastrofe van 8 augustus 1956, die 262 mijnwerkers in bijzonder dramatische omstandigheden het leven kostte, wordt er vandaag een nieuwe bladzijde geschreven in de geschiedenis van de Bois du Cazier. Het noodzakelijke herinneringswerk is voltooid met de redding van de mijnsite in 2006. Een tweede bladzijde werd geschreven met de renovatie ervan en de omvorming tot herdenkingsplaats en levend museum. De derde fase werd in 2016 voltooid met de opening van een nieuwe ruimte voor de redders en de evenementen die gepaard gingen met de zestigste verjaardag van de ramp.

Naar aanleiding van de herdenkingen werd er een nieuwe ruimte geopend, de “reddings”-ruimte die conservator Alain Forti ons laat zien. “Ditmaal hebben we eer willen betonen aan de redders, die op gevaar voor hun eigen leven alles hebben gedaan om de overlevenden te vinden – als bij wonder hebben ze er drie aangetroffen – en vooral om de lijken van hun kameraden naar boven te brengen. Een uiterst langdurig en afmattend werk. Het laatste lichaam dat werd gevonden, zou pas in december worden geborgen. En waarmee kan men hun beter eer betuigen, dan met een van de vrachtwagens die daar op de dag van het drama waren? Die prachtige rode vrachtwagen heeft nog in een steenkoolmijn gediend tot in 1984 en werd daarna jarenlang gebruikt door de ‘Flambeurs’, een folkloristische groep uit Verviers. Ongelooflijk, maar waar! Hij werd van de sloop gered door een gulle verzamelaar, die hem ons cadeau deed. De grondig gerestaureerde vrachtwagen staat nu te midden van vele andere voorwerpen die de redders gebruikt hebben. Foto’s, getuigenissen en filmuittreksels tonen welke rol ze tijdens de catastrofe hebben gespeeld.

 

 
© Charlotte Jeuniaux
 
De mijnwerker in de huidige wereld

Meer dan ooit is de Bois du Cazier verankerd in de werkelijkheid van de moderne wereld en wil ze de jonge generaties tonen hoeveel weg er in het bedrijfsleven is afgelegd inzake arbeidsvoorwaarden en veiligheid. “We hebben willen zien wat er in de steenkoolmijnen in andere landen was veranderd sinds de ramp”, legt Alain Forti uit. “We merken dat er nog altijd dezelfde uitbuiting van mannen, vrouwen en kinderen is, hetzelfde gebrek aan veiligheid en hetzelfde misprijzen voor mensenlevens. Als voorbeeld namen we de ramp die zich in 2014 voordeed in Soma, Tunesië. We beseften dat de foto’s die op het Internet rondgingen, precies dezelfde waren als die van Marcinelle, maar dan in kleur! Toen hebben we gezegd dat we daarmee echt aan de slag moesten. We hebben onderzoek gedaan en op de tentoonstelling ziet men verscheidene mijnsites van overal ter wereld, met foto’s, video’s en uitspraken van mijnwerkers die juist hetzelfde zeggen als die uit 1956: we dalen in de mijn af om onze kinderen een toekomst te geven…” Het zijn dikwijls aangrijpende documenten, zoals die getuigenis van een mijnwerker uit de Andes, die met eenvoudige woorden vertelt hoe gruwelijk zijn dagelijks leven is, en die foto van een 7‑ of 8‑jarig meisje dat een enorme blok steenkool op haar hoofd draagt. Die zeer goed gedocumenteerde, zeer didactische en zeer goed opgezette tentoonstelling is op zichzelf al een omweg waard.

 
 © Jean-Claude Wicky (1987)
 
Een absolute must

Een andere tentoonstelling, “Le mineur, ce héros” – of de mijnwerker als held – is ook een bezoek waard. Het idee ontstond uit een discussie over foto’s en herinneringen en, vooral, over de waarden die mijnwerkers gemeen hebben met de superhelden uit stripverhalen: moed, kracht, solidariteit en zelfverloochening. Didier Ocula, die het boek “Charleroi, black country, white spirit” schreef, heeft de leerlingen van de Albert Jacquard-hogeschool en befaamde tekenaars, die meewerkten aan prestigieuze producties van Disney en Pixar of aan Star Wars, overtuigd om een twintigtal platen over dat onderwerp te maken, met als leidraad de rode halsdoek die in alle tekeningen opduikt. Een andere, ludieke en ontroerende kijk op de mijnwerkerswereld. Deze tentoonstelling loopt tot 11 december op de tweede verdieping van de losvloer, de centrale plaats van de mijn, waar alle gewonnen steenkool langskwam.

Behalve het gerestaureerde deel van de koolmijn heeft de site nog twee andere musea. Het glasmuseum bevindt zich in een nieuw, modern en uit glas en staal opgetrokken gebouw naast de lampenopslag‑ en ‑onderhoudsplaats. De verzamelingen nodigen de bezoeker uit om aan de hand van hedendaags werk terug te keren in de tijd om kennis te maken met de technieken en de evolutie van de materialen die de eerste gekende glasmakers gebruikten. Dan is er nog het industriemuseum, dat zich in de bad‑ en douchelokalen bevindt. Daar ziet men machines en verzamelingen uit de vroegere ‘Forges de la Providence’ van Marchienne-au-Pont. Verzamelingen die de geschiedenis van de industrie in Henegouwen schetsen. Men treft er een platwalsmachine uit het midden van de 19de eeuw aan, alsmede stoommachines, dynamo’s en een elektrische tram.

Er zijn ook modern uitgeruste smeed‑ en smeltateliers waarin ambachtslieden originele creaties maken. In een heel authentieke sfeer, die benadrukt wordt door het contrast tussen de zwarte machines en het vuur van de smeltovens, de scherpe steenkoolgeur en het geluid van de aambeelden, kan de bezoeker smeeddemonstraties bijwonen.

 

Veranderen om beter te bewaren

Maar om aantrekkelijk te blijven, moet een ruimte zoals deze voortdurend worden vernieuwd”, verklaart Jean Louis Delaet, de directeur van de site. “Daarom hebben we de recente technieken gebruikt om een film te bestellen bij Dirty Monitor, een jonge firma uit Charleroi. De film heet ‘De la Révolution industrielle au Patrimoine mondial’ (Van industriële revolutie tot werelderfgoed). De makers, die reeds de zeer gewaardeerde videomapping voor Bergen 2015 op hun actief hadden, hebben zich nu gebogen over de industriële evolutie van de streek. Het resultaat is een film van 15 minuten met intense en boeiende computeranimaties die de bezoeker van bij het betreden van het museum onderdompelen in de wereld van machines en werk.” En om het plaatje volledig te maken, is er een nieuwe animatie die special bestemd is voor schoolkinderen. “Met een oriënteringsanimatie hebben we de jeugd willen aansporen om meer te weten over de industriële wereld. De mijnsite beslaat 24 ha en bevat nog drie slakkenbergen. Die getuigen uit het verleden zijn in de loop van de tijd geëvolueerd. Ze bevatten nu een verrassend rijke fauna en flora.” Die animatie nodigt de leerlingen uit om “op koers te blijven”. Een kaart leren lezen, verborgen bakens vinden op de vloer van de vroegere mijn. Een belangrijke toeristische site in Wallonië moet zich geregeld vernieuwen om interessant te blijven voor het publiek en vooral voor de jeugd. En deze site trok verleden jaar 60.000 bezoekers. “We hebben nog een zeer mooi project in wording”, vertelt Jean-Louis Delaet. “Alle grote steden en alle belangrijke regio’s hebben een geschiedkundig museum. Behalve Charleroi, dat nochtans zijn 350-jarig bestaan viert. We hebben dus het plan opgevat om op onze site een geschiedkundig museum over de streek van Charleroi op te richten. Een rijke en verrassende geschiedenis, die moet worden verteld met de meest geavanceerde technologieën. Het project is goed op dreef en zal een belangrijk onderdeel toevoegen aan een al zeer rijk geheel.

Voor de directeur van de site zal de Bois du Cazier een plaats van bezinning worden, zoals het concentratiekamp van Theresiënstadt, de gevangenis van Nelson Mandela op het Robbeneiland, en het eiland Gorée, een doorgangsplaats voor de slaven die uit Afrika geroofd waren. De tragedie die zich hier heeft afgespeeld, toont hoe weinig het lot van een mens betekent voor economische belangen. En dat is nog altijd zo, overal ter wereld. “Wij moeten daarvan getuigen voor de jonge generaties. Het feit dat onze site, samen met drie andere Waalse mijnsites, in 2012 door de UNESCO werd erkend, geeft ons een opdracht en een zichtbaarheid om onze rol als getuige van het verleden te overstijgen, zonder hem ook maar in het minst te verloochenen. Er begint een nieuw leven voor de Bois du Cazier.

De Bois du Cazier: een gedenkplaats, maar ook en vooral een boeiende plek, waar verleden en heden elkaar ontmoeten en komaf maken met de heersende opvattingen over de wereld van de mijn, onze geschiedenis en onze waarden.

 

 
Bois du Cazier
Rue du Cazier, 80
B-6001 Marcinelle
+32 (0)71 88 08 56
 
Your opinion counts