Waw magazine

Waw magazine

Menu

Het was al zo vaak aangekondigd, al zo dikwijls uitgesteld, maar de renovatie van de merkwaardige zeventiende-eeuwse Omaliushoeve schiet eindelijk uit de startblokken. Tot grote vreugde van de meerderheid binnen het gemeentebestuur, die al zowat vijftien jaar achter dit project staat.

De werken zouden moeten aanvangen eind 2014. Dit is het laatste hoofdstuk van een verhaal vol verwikkelingen. De verbouwing van de boerderij heeft de gemoederen binnen de gemeenteraad geregeld hoog doen oplaaien. “Er blijven er niet veel meer over die alle stadia van dit dossier hebben meegemaakt,” lacht Francis Hourant, schepen van openbare werken. Het gebouw uit de 17de eeuw, dat bijna helemaal beschermd is, werd in 1999 aangekocht door het Instituut voor het Waalse Erfgoed. Vanaf 2016 zullen de nieuwe gemeentediensten worden ondergebracht in een van de vleugels. In de drie andere komen luxewoningen. De vernieuwde boerderij zal dan grenzen aan een ander gerestaureerd gebouw, de boerderij Saint-Laurent, waarin al 19 sociale woningen zijn ondergebracht.

“We proberen nu al meer dan vijftien jaar die Omaliushoeve nieuw leven in te blazen. Een gezondheidswandeling is het zeker niet geweest, maar we zien nu toch licht aan het einde van de tunnel”, zucht de schepen. Door de omvang van de werken stonden de investeerders niet meteen te springen om zo’n project aan te pakken. In het begin van deze eeuw waren er plannen om hier gîtes, een restaurant en winkels te maken, maar de bouwpromotor kon daarvoor niet genoeg geld bijeen krijgen. Uiteindelijk werd het een publiek-private samenwerking, gesteund door subsidies van de Waalse overheid, die de renovatie tot een goed einde moet brengen. Het prijskaartje wordt geschat op meer dan € 10 miljoen. “We werken met het architectenbureau Garcia en met het bouwbedrijf Thomas & Pirron voor het woongedeelte, dat nieuwe bewoners moet aantrekken en zo mee kan zorgen voor een heropleving van het dorpscentrum. Na het kasteel van de Avouerie en de boerderij Saint-Laurent maakt de restauratie van Omalius deel uit van de opwaardering van ons erfgoed.” Een uniek dossier dus, waarbij de gemeentediensten uit hun uitgewoonde, te krappe lokalen verhuizen naar een authentiekere bestemming. De oppositie wou een nieuw gebouw optrekken om er de werknemers van de gemeente onder te brengen, met het argument dat het goedkoper zou zijn voor de gemeentekas. “Op papier is deze renovatie inderdaad duurder, maar soms moet je wat verder durven te kijken”, argumenteert Francis Hourant. “Met deze aanpassing van een bestaand gebouw restaureren we een uitzonderlijke plek, wat een bijkomend toeristisch argument is. Maar daarenboven zorgen we op termijn voor extra inkomsten op gebied van onroerende voorheffing en personenbelasting. En door nieuwe bewoners aan te trekken zal de economische activiteit in deze wijk ook opnieuw opleven.” Nieuwe winkels, een kindercrèche en een groot saneringsproject met de focus op biodiversiteit zijn het onmiddellijke gevolg van dit omvangrijke project. Anthisnes ligt midden in de Condroz en vleit zich tegen de oevers van de Ourthe aan.

 

“We proberen nu al meer dan vijftien jaar die Omaliushoeve nieuw leven in te blazen. Een gezondheidswandeling is het zeker niet geweest, maar we zien nu toch licht aan het einde van de tunnel.”


Het dankt zijn faam aan de ontginning van steen en graniet, vanaf de middeleeuwen tot het hoogtepunt aan het begin van de 20ste eeuw. De zuilen van de Fragnéebrug en het grote postgebouw in Luik, en zelfs de triomfboog van het Jubelpark in Brussel zijn opgetrokken in steen van Anthisnes. Maar de steennijverheid is in verval geraakt en er zijn nu maar drie groeves meer open. Anthisnes, met meer dan 4.000 inwoners, wil geen slaapstad zijn, weggedrukt in zijn verleden. Men wil hier nieuwe mensen aantrekken, waarbij ingezet wordt op zijn erfgoed, maar vooral op zijn verenigingsleven, zijn scholen, zijn identiteit. “Je mag dit project niet zien als een zoveelste renovatie van een rijk erfgoed. Het achterliggende idee is veeleer een stap naar een duurzame en sociale ontwikkeling, waarbij jong en oud samenleven, waar de sociale cohesie versterkt wordt en waar op die manier nieuw leven wordt ingeblazen in het gevoelige punt van de gemeente”, besluit Francis Hourant.  

Een splinternieuw politiekantoor, een uitbreiding van Charleroi Danses, een museum voor schone kunsten onder de stenen gewelven en een brasserie: samen een architecturale clash, ontsproten uit het brein van toparchitect Jean Nouvel.

“Mijn uitdaging was de politie van Charleroi aan het dansen te krijgen.” Een uitspraak van Vincent Thirion, artistiek directeur van Charleroi Danses, die duidelijk in zijn hum is met de uitbreidingsplannen die zijn instelling koppelt aan het nieuwe politiekantoor. De bouwplaats is in handen van de Ateliers Jean Nouvel en het Brusselse bureau MDW Architecture. Het uiteindelijke resultaat van de werken, die deze zomer worden opgeleverd, lokt bewondering en optimisme uit. Misschien is het dat onverwachte samengaan van politiediensten en de wereld van de dans? Of het mediterraanse blauw van de toren? Of het vooruitzicht om na een dansvoorstelling in hetzelfde gebouw nog een lekker streekgerecht voorgeschoteld te krijgen? Of het fantastische uitzicht op dit deel van de boulevard Mayence? Wat er ook van zij, in deze stad die zo gekenmerkt wordt door de littekens die de zware industrie er heeft achtergelaten, overheerst nu het gevoel van een geslaagd architecturaal project. Dat was niet altijd het geval, zeker niet in het begin, toen een aantal mensen ontevreden was over van de afbraak van het kazerneportaal en omdat ze het eigenlijk een aanstellerig project vonden.

Het geheim

De politie van Charleroi heeft met ongeduld op haar nieuwe onderkomen gewacht. Maar nooit hadden ze gedacht dat ze in zo’n gebouw zouden intrekken. In de toren die ontworpen werd door Jean Nouvel. Denk overigens niet dat de naam van deze toparchitect de selectie van de jury heeft beïnvloed. Bij de wedstrijd om het project toe te kennen was elke offerte anoniem en tot op het laatst werd de samenwerking tussen de Ateliers Jean Nouvel en hun Brusselse partner MDW Architecture geheim gehouden. Marie Moignot, architect bij MDW Architecture: In dit dossier was het grootste probleem de financiering. We hebben een ondernemer gevonden (de groep CFE) die enerzijds de werken gefinancierd heeft en anderzijds zal instaan voor het onderhoud van het gebouw tot het is afbetaald. Bij de voorlopige oplevering heeft het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (FEDER) € 14 miljoen gestort en de stad Charleroi 1 miljoen. De stad zal 25 jaar afbetalen om volledig eigenaar te worden.” Zodra de wedstrijd gewonnen was, werd Jean Nouvel door zijn Belgische partner bestookt met allerlei informatie: over het belfort, het renovatieproject Vauban, de mijnwerkers, de staalindustrie, de art nouveau, de glasindustrie, kortom een samenvatting van de geschiedenis van Charleroi. Voor Jean Nouvel was het liefde op het eerste gezicht voor deze groene stad met in de verte die indrukwekkende terrils. Zijn het dan die heuvels die hem inspireerden om het nieuwe gebouw als een toren te ontwerpen? Toch niet. De hoge, ronde vorm is te wijten aan de ruimte die beschikbaar was op de site. En de maximale hoogte werd bepaald door de Alberttoren en het belfort. “We wilden niet hoger gaan dan de 75 meter van het belfort.” Opvallend is dat, als alles klaar zal zijn, er zich een spontane dialoog schijnt af te spelen tussen het politiekantoor en hoogoven 4 van Carsid, die nu definitief is stilgelegd. Misschien een argument om dit overblijfsel van de staalindustrie toch te redden?

“Over de vorm van de toren is al veel gezegd,” vertelt Jean-Louis Delaet, directeur van Le Bois du Cazier. Voor mij heeft hij een symbolische vorm: het is de weergave van een mijnwerkerslamp.”


Meer blauw op straat

In dit project was niets eenvoudig. De geschiedenis van de locatie moest worden gerespecteerd, er moest rekening gehouden worden met de hoge eisen van de politie, de uitbreiding van Charleroi Danses moest worden geïntegreerd en dat allemaal samen moest ook nog esthetisch verantwoord en gezellig zijn. Vroeger was hier een rijkswachtkazerne, gebouwd op het einde van de 19de eeuw, in de turbulente tijden van sociale strijd. In de gebouwen was zelfs plaats voor een cavaleriecorps. Om sporen van die geschiedenis te bewaren, werd een aantal bijgebouwen afgebroken (de officiersmess en de schietstand) om zo de geglazuurde bakstenen te recupereren die gebruikt worden voor de twee vleugels aan de boulevard Tirou en de Ring. Om het plein open te stellen en zo het beeld te creëren van een transparante politie moest het oude kazerneportaal worden afgebroken. Datwas de meest betwiste beslissing van het project omdat nogal wat inwoners van Charleroi gehecht waren aan de militaire architectuur van die tijd. Toch bleef de ruimte beperkt die overbleef tussen de twee bewaarde vleugels en de oude manege waar Charleroi Danses intrekt. Dus zou het nieuwe politiekantoor een toren worden. Een blauwe toren, blauw als de vlam van het politielogo. Beneden ellipsvormig, naar boven toe cilindervormig. De geglazuurde bakstenen zijn door begenadigde vaklui lichtjes schuin aangebracht, niet verticaal. Het politiekantoor is de eerste passieve kantoortoren in België. De grote, op maat gemaakte ramen verdelen de toren. Hun aantal en formaat verschillen naargelang van waar ze zich bevinden. Weinig of smalle ramen aan de zuidelijke kant, grotere en meer aan de noordkant. ’s Nachts dimmen de lichten van de bovenste verdieping van de politietoren en neemt Charleroi Danses discreet het roer over.

 

Men moest de geschiedenis van de locatie respecteren, rekening houden met de hoge eisen van de politie en de uitbreiding van Charleroi Danses integreren. En dat allemaal samen moest ook nog esthetisch verantwoord en gezellig zijn.


Nomadendorp

Dankzij de werken aan het politiekantoor kan Charleroi Danses eindelijk werk maken van een infrastructuur die een internationaal gerenommeerde instelling waardig is, door komaf te maken met het plaatsgebrek en het probleem van toegankelijkheid.  Nu worden er drie dansstudio’s ingericht, een atrium om het publiek te ontvangen, een nieuwe foyer en zes logeerruimtes voor artiesten die hier langer verblijven. De indrukwekkende inkomhal van de architecten Lhoas & Lhoas blijft behouden, maar is vanaf nu ook toegankelijk voor gehandicapten dankzij een sterk hellend vlak. “Charleroi Danses had ons gevraagd om de dorpssfeer te bewaren, die deel uitmaakt van hun DNA. Op elk moment van de werkzaamheden hebben we daar rekening mee gehouden. Zo zijn de twee dansstudio’s die achteraan zijn ingericht kleine onafhankelijke huisjes waarrond animatie en doorloop altijd mogelijk zijn. De centrale foyer is op een estrade geplaatst, net als een nomadentent die symbool staat voor het leven van een kunstenaar of de bijna gewichtloosheid van de dansers.”

CHARLEROI BEWEEGT, CHARLEROI MAAKT ZICH OP EN WORDT WEER MOOI.

De stedenbouwkundige projecten zijn ambitieus. Om die te coördineren, heeft Charleroi een nieuw hulpmiddel: Charleroi Bouwmeester (CB). Een gesprek met Georgios Maillis, Bouwmeester van Charleroi.

Waarom heeft u Charleroi Bouwmeester opgericht?
De Bouwmeester en zijn team zijn aan het werk sinds december 2013 om de creatieve energie van deze stad te kanaliseren en om de eenheid van de stadsontwikkeling te garanderen.

Wiens idee was dat?
Dat was een idee van het gemeentebestuur, onder leiding van burgemeester Paul Magnette.

Komt uw dienst bovenop de stedenbouwkundige diensten of zijn jullie aanvullend?  
Aanvullend. De Bouwmeester is onafhankelijk en werkt samen met Stedenbouw en andere afdelingen van de diensten die zich bezighouden met de inrichting van het grondgebied en de openbare ruimte. We werken op dezelfde manier samen met de betrokken schepenen of met het studiebureau van de stad.

Wat zijn jullie belangrijkste opdrachten?
Het team CB heeft verschillende opdrachten om de verschillende facetten van stadsontwikkeling aan te pakken:

1.Coördinatie van grote projecten om de stad van morgen te structureren en kwaliteitsvolle openbare ruimtes te bieden aan inwoners en bezoekers. 
2. Begeleiding van openbare en privégroepen die willen investeren en ervoor zorgen dat hun projecten naadloos samengaan met het project van de stad Charleroi.
3. Bepalen hoe het straatmeubilair, de gevels en uithangborden eruit moeten zien, om zo de openbare ruimtes, het patrimonium en de gevels op te waarderen. 
4. De opwaardering van de unieke en sterke landschappen van Charleroi door middel van een samenhangende landschapsvisie.
5.  De organisatie van culturele activiteiten die te maken hebben met stad en architectuur.

Zijn jullie adviezen afdwingbaar?
De adviezen zijn juridisch niet afdwingbaar. De Bouwmeester werkt in een geest van samenwerking. Ons sterkste instrument is onze overredingskracht, dankzij sterke argumenten die in één lijn liggen met het stadsproject.

Wat is jullie visie op het patrimonium: bewaren of platgooien?
In een recent verleden is er in Charleroi veel kapotgemaakt en soms was dat heel ongelukkig. We moeten dus voorzichtiger zijn in de toekomst, maar toch zonder enig taboe. Elk geval vraagt om een individueel antwoord. Patrimonium platgooien zonder pardon heeft geen zin, maar alles behouden heeft dat ook niet. Een stad is een levend organisme dat moet bewegen, en dynamisch en waarneembaar moet groeien in harmonie met de tijdsgeest.

Hoe moeten we omgaan met het industrieel patrimonium dat ingebed is in de stad?
We moeten tussen de parken verbindingswegen aanleggen. De brede, met bomen omzoomde lanen in het centrum en in de buitenwijken, het industriële braakland, de terrils en de RAVeL zijn stuk voor stuk elementen die uitermate geschikt zijn voor fantastische wandelingen door dit unieke landschap met een sterke eigen identiteit. Het is dus de bedoeling om een soort laag aan te brengen over heel deze streek die elk nieuw project integreert en bindt aan deze architecturale en ecologische smeltkroes met geweldige ruimtelijke mogelijkheden.

Tussen Houdeng-Aimeries en Trivières, schetst de mijnsite van Bois-du-Luc, erkend als cultureel werelderfgoed van UNESCO, een beeld van de kennis en het industriële erfgoed van Wallonië. Het Ecomuseum koestert die geschiedenis.

Aan de rand van La Louvière, die dochter van de industriële revolutie, draait de cité van Bois-du-Luc in het begin van de 20ste eeuw volledig op eigen houtje. De huisjes vormen samen vier aaneengesloten blokken, gescheiden door wegen die elkaar loodrecht kruisen. Aan het uiteinde van een van die assen ligt, wat hoger dan de rest, het kasteel van directeur-stichter Omar Degueldre. Degueldre, zowel een beschermende vaderfiguur als een baas met een ijzeren vuist, overschouwt van hieruit de arbeiderscité. De hoofdstraat, het café, de kruidenier en de 166 huisjes, elk met hun eigen groentetuintje, het opvangtehuis en het ziekenhuis. Links liggen de mijnschacht en de afvoerschacht. Rechts, de bureaus, werkplaatsen en hangars. Af en toe herinnert hij zich de opstand van 1893 en gaat hij even gluren aan het inkomhek, bijgenaamd de guillotinepoort, om zich ervan te vergewissen dat er geen ongure elementen proberen binnen te geraken. In de verte kondigt de schoolbel het begin van de speeltijd aan. Elke zondag roepen de klokken van de Sint-Barbarakerk de gelovigen naar de misviering. De kinderen kijken al uit naar het vieruurtje dat ze straks krijgen in de feestzaal. Je ruikt de warme chocolademelk al...

Al drie generaties en zelfs meer wonen de arbeiders hier. Ze werken, leren en ontspannen zich in een gemeenschap die in hun ogen wellicht een grote familie voorstelt 1. De mijnsite zelf geeft blijk van voorspoed. De schachtbok torent uit boven de putten van de SintEmmanuelmijnschacht. Op het ritme van de mijnwagentjes op de rails heeft de mijn alle industriële revoluties meegemaakt, van stoom tot elektriciteit. Vandaag is het een van de meest opmerkelijke sites van het industriële tijdperk van deze regio, van Wallonië en zelfs van Europa. De geschiedenis van deze mijn is die van de hele regio die gedurende bijna 300 jaar leeft rond kolen en metaal. Dit centrale steenkoolbekken omvat een van de drie Henegouwse bakermatten samen met die van Mons en Charleroi van het verhaal van de steenkool van het gebied Haine-Samber-Maas dat zich uitstrekt tot aan de Ruhrvallei in Duitsland. Alles begon in 1685 toen de eerste mijnmeesters, handelaars en burgers de handen in elkaar sloegen en de Société du Grand Conduit et du Charbonnage de Houdeng stichtten.

Het eerste voorbeeld van een kapitalistische structuur

Dit is het eerste voorbeeld van een kapitalistische structuur in Europa”, legt Daisy Vansteene uit. Zij is directrice van het Ecomuseum van Bois-du-Luc – het eerste in België – dat sinds 1983 gevestigd is in de vroegere bureaus van de mijn en als opdracht heeft de industriële cultuur op een andere manier begrijpbaar te maken en op een speelse manier te promoten 2. “De mijnwerkers kwamen naar hier met hun kennis en de fondsenverstrekkers met kapitaal. Ze hadden elkaar nodig. Bijvoorbeeld om de problemen van de overstromingen in de mijnschachten op te lossen. Er moest dus voor afwatering gezorgd worden via schachten met de hulp van reeksen uitgeholde boomstammen. Vandaar de naam van de maatschappij: le Grand Conduit, de Grote Leiding. Je kunt daar trouwens nog steeds een stuk van zien in de vroegere zaal waar de aandeelhouders werden uitbetaald. Dat is in het gebouw waar de bureaus van de maatschappij zich bevinden. Later werden de pomptechnieken natuurlijk gemoderniseerd.” Deze zaal is ook het vertrekpunt van een anderhalf uur durend bezoek. Tijdens dat bezoek kan het publiek alle stappen van de mijnontginning volgen, van het strenge bureau van de directeur tot de plek waar de mijnwerkers weer naar boven kwamen. Je vindt er ook schilderijen, foto’s en maquettes van de meest welvarende mijnen (Bois-du-Luc, Le Quesnoy, Havré, Beaulieu) van de ongeveer dertig die de maatschappij uitbaatte in het Centrumbekken in de 19de eeuw. Maar het bezoek wordt helemaal anders als je de Sint-Emmanuelmijnschacht binnengaat. De mijnontginning zelf is al gestopt in 1959, als gevolg van een beslissing van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal, maar de gebouwen en verschillende machines werden bewaard. Aan de ene kant zie je de mijnschachten, de schachtbok, dat is die metalen constructie met grote raderen – het belfort van de mijnsites – en de liftkooi. Aan de andere kant zie je de afwateringsputten en de pompen, de ventilatiezaal, het elektrische verdeelstation – die voor het hele dorp diende – en de douches voor de vrouwen. Tussen die twee gebouwen in bevinden zich de lampenkamer, de douches voor de mannen en de zaal van de ploegbazen, waar die hun ploegen samenstelden. Hier zie je op een originele manier hoe een mijnwerker leefde, uur na uur, dag na dag. De patronale gedachte in het hart van de cité De mijnsite van Bois-du-Luc, tegenwoordig eigendom van het Waalse Gewest, maakt sinds 2012 deel uit van het cultureel werelderfgoed van UNESCO, net als Grand-Hornu, Bois du Cazier en de mijn van Blégny. Dat is zo omdat het een opmerkelijk voorbeeld is van een architecturaal geheel, dat een betekenisvolle periode illustreert uit de geschiedenis van de mensheid. Toen de Société des Charbonnages du Bois-du-Luc in 1973 de pijp aan Maarten gaf, had de hele site kunnen ontmanteld of afgebroken worden. Maar dankzij een aantal gezamenlijke initiatieven kon de mijnsite gelukkig in zijn geheel bewaard blijven. Het centrale gedeelte, het dorp van de arbeiders, met zijn huisjes die niet in een lang lint gebouwd zijn, zoals de mijnwerkershuisjes van Grand-Hornu of Nord-Pas-de-Calais, maar gesloten, in een trapeziumvorm, zijn een levendig voorbeeld van dit menselijke avontuur in het hart van een steenkoolmijn. Een avontuur waar de drievuldigheid ‘baas-cité-fabriek’ de kern van uitmaakte 1.

Kort voor de opening van de Sint-Emmanuelmijnschacht in 1846 ontstond het idee om een arbeidersdorp te bouwen in het gehucht ‘Le Bosquet’, aan de oevers van de Thiriau du Luc”, vertelt directrice Daisy Vansteene. ‘De directie bouwde die huisjes om mijnwerkers aan te trekken, te zorgen dat ze er konden wonen en dat ze er bleven door hen een aantal faciliteiten aan te bieden. Het tekort aan handenarbeid in die tijd werkte verlammend voor de ontwikkeling van bedrijven. De nieuwe cité wou mijnwerkers aantrekken naar het voorbeeld van Grand-Hornu. Ze kregen een dak boven het hoofd en later kregen ze extra infrastructuur ter beschikking: opvangtehuis, school, kerk, feestzaal, ziekenhuis, kruidenier, café... Ze kregen welvaart in ruil voor hun gehoorzaamheid. Zo is, na verloop van tijd, die patronale gedachte gegroeid.”

In 1994 begon het Waalse Gewest met de renovatiewerken en de modernisering van de huisjes. Op een huisje na: rue du Midi nummer 9. Daar werd het interieur van een arbeiderswoning uit de eerste helft van de 20ste eeuw in zijn oorspronkelijke staat hersteld. Als je de deur van dat stulpje openduwt, duik je in een gat in de tijd. In krochten waar hele gezinnen samenwoonden in een ruimte van nauwelijks een zakdoek groot, met heel eenvoudige meubels en amper comfort. “Aanvankelijk had elk huisje twee kamers op de gelijkvloerse verdieping, een kelder en een zolder. Op het einde van de 19de eeuw bouwde de maatschappij twee kamers bij op de eerste verdieping. Begin 20ste eeuw kwamen er nog eens twee nieuwe kamers bij aan de achterkant, waarvan een bedoeld was om als wasplaats te dienen. Zo verbeterden de levensomstandigheden langzaam maar zeker. Vandaag is het beheer van die huizen in handen van een maatschappij voor sociale huisvesting.

Uitkijkend over de mijnsite vanaf het huis van de directeur doet deze verzameling gele huisjes die daar bij de mijn samengebracht zijn voor goede en slechte tijden, ons het hoofd breken en een berg vragen stellen. Vragen over de toekomst van de ontginning van grondstoffen, de ecologische gevolgen van de industrialisering, de hiërarchische verhoudingen, het paternalisme, de plaats van arbeid in onze maatschappij... Allemaal brandende vragen, die we ons misschien niet zouden stellen als het Ecomuseum en zijn team van wetenschappers, in samenwerking met partners zoals het Instituut voor Waals Erfgoed die de site moet bewaren en onderhouden, niet onophoudelijk zouden gewerkt hebben aan een overtuigend eerherstel van deze plaatsen en de redding van meer dan 1.500 meter archieven. Zoveel is zeker: de site van Bois-du-Luc staat voor de kennis, maar ook voor het industrieel erfgoed en de geschiedenis van het centrale steenkoolbekken en van Wallonië.

HET ECOMUSEUM IS PARTNER VAN MONS 2015

Het Ecomuseum van Bois-du-Luc, dat samenwerkt met de brouwerij Saint-Feuillien, Le Bois du Cazier en het historische Centrumkanaal is een van de partners van Mons 2015. Van 1 mei tot 30 september opent het museum de deuren voor ‘Homo Faber, poëzie en techniek van de arbeid’. De tentoonstelling laat zich inspireren door het verblijf van Van Gogh in de Borinage en onderzoekt de banden tussen kunst en industrie. Een reis van de 19de eeuw tot de dag van vandaag.

Écomusée du Bois-du-Luc

Rue Saint-Patrice, 2b

B-7110 La Louvière (Houdeng-Aimeries)

+32 (0) 64 28 20 00

[email protected]

www.ecomuseeboisduluc.be

Dertigduizend stukken uit vijf werelddelen. Het Internationaal Museum van het Carnaval en het Masker is een van de paradepaardjes in Binche.

In welke andere Waalse stad dan Binche zou een Museum van het carnaval en het masker kunnen ontstaan en groeien? Het carnaval van Binche duurt zeven weken, met Vastenavond als hoogte punt, maar eigenlijk zijn de inwoners een heel jaar bezig met de voorbereiding van hun kostuums. Als populair, menselijk en sociaal evenement is het carnaval van Binche buitengewoon. De bekendheid ervan reikt tot ver buiten de landsgrenzen. De centrale figuur van het feest is de trots van heel Binche, de Gille. ’s Morgens pronkt hij met zijn ramon (wilgentenen bezem) en zijn masker, ’s middags draagt hij een hoed met struisvogelveren en gooit hij sinaasappelen in het rond, en ’s avonds danst hij in het schijnsel van Bengaals vuur. Het carnaval van Binche stamt uit aloude folklore met een vage oorsprong (de Inca’s?), maar behoort sinds 2003 wel tot het cultureel werelderfgoed van de Unesco, net als het carnaval van Aalst. Ook vandaag nog kan niemand die dit kleine Henegouwse stadje met zijn 33.000 (vrolijke) inwoners bezoekt, voorbijgaan aan de innige band die Binche heeft met deze carnavalstraditie.

In 1975 wordt in het centrum van de stad een museum geopend dat gewijd is aan het carnaval van Binche. Het gebouw, dat er mooi uitziet, is een oud en statig herenhuis dat in de 18de eeuw werd omgevormd tot Augustijnercollege. Het is gelegen op een paar sinaasappelworpen van de Grote Markt, waar traditioneel de rondedansen plaatsvinden. De inhuldiging van het museum gebeurde toen zonder tromgeroffel (of trompetgeschal). De eerste conservator wou enkel stukken verzamelen die verwezen naar de plaatselijke folklore en die afkomstig waren van het archeologiemuseum in Binche, dat vlak na de Eerste Wereldoorlog was opgericht. Vervolgens werd de collectie uitgebreid dankzij giften en een breed aankoopbeleid met steun van de overheid. Hoewel het carnaval van Binche hier nog altijd een ereplaats heeft – men moest ervoor zorgen dat het museum zijn lokale en regionale wortels niet verloor – heeft het masker gaandeweg het leeuwendeel van het museum ingepalmd. Vandaag kun je het masker hier bekijken in al zijn vormen en functies. Op die manier krijgt het publiek in deze instelling – die inmiddels het Internationaal Museum van het Carnaval en het Masker (MUM) is geworden – een mooi overzicht van de manieren waarop maskers in de hele wereld worden gebruikt.

Het masker in alle staten

Het museum biedt een van de rijkste collecties van maskers en carnavalskostuums uit de hele wereld. Die diversiteit en dat universele karakter maakt het museum zo bijzonder en geeft het zoveel uitstraling”, vertelt Clémence Mathieu, wetenschappelijk medewerkster van het MUM. “We hebben een catalogus met meer dan 10.000 genummerde items, wat overeenkomt met bijna 30.000 voorwerpen (maskers, kostuums, marionetten, accessoires, muziekinstrumenten...). Tel daarbij nog alle affiches, foto’s, ansichtkaarten enz. Ze zijn afkomstig uit de vijf werelddelen en tonen het masker in al zijn vormen en functies. In Europa zie je het masker vooral tijdens carnaval of in optochten die gehouden worden bij de verandering van seizoenen, om de vruchtbaarheid van de vrouw en de aarde te vieren. In Afrika begeleiden maskers de overgangsriten naar de volwassenheid, naar een leven als koppel, naar de dood, enz. In Azië is er dan weer een band met het theater en grime. In Amerika is het masker eveneens verbonden met de specifieke overgangsgebruiken van de oorspronkelijke bewoners, maar heb je ook het erfgoedaspect van de tradities die Europese kolonisten hebben meegebracht. En dan is er nog Australië, waar je soms maskers vindt, al hebben de mensen daar een voorkeur voor bodypainting.

DE WERELD OP ZIJN KOP, VAN MARSEILLE TOT BINCHE

In het kader van Mons 2015 ontvangt het Internationaal Museum van het Carnaval en het Masker van 25 januari tot 28 juni een uitzonderlijke tentoonstelling met als titel ‘De wereld op zijn kop. Carnaval en maskerades uit Europa en het Middellandse Zeegebied’. De expo werd in Marseille ontwikkeld, in samenwerking met het MuCEm, Musée des Civilisations d’Europe et de la Méditerranée (Museum van de beschavingen van Europa en de Middellandse Zee) op basis van hun verzameling, maar ook met zowat 200 stukken uit de collectie van het MUM. De bezoeker krijgt er een nieuwe en unieke kijk op landelijke maskerades en stedelijke stoeten. Er zijn drie delen: wintermaskers of de cyclische herbronning van de wereld, de macht van maskers en ten slotte de hervorming van de sociale orde, een van de belangrijkste functies van carnaval.

De maskerade van Boe en Merdule (Ottana, Sardinië) Deze maskerade evoceert de domesticatie van koeien, met name aan de vooravond van Sint-Antonius en tijdens de Vette Week. De kostuums in schapenhuid van de twee personages lijken op elkaar, maar het masker van de ‘Boes’ heeft horens terwijl dat van de ‘Merdules’ zwart is en de geesten van de overledenen en de voorvaderen voorstelt. Bij het carnaval van Ottana achtervolgen de Merdules, gewapend met zwepen, stokken en een lang leren touw, de Boes, die ze proberen te vangen en te domesticeren. Nadat ze door het hele dorp zijn gelopen, worden de Boes gevangen en bezwijken ze onder de slagen van hun meesters. Daarna worden ze opnieuw geboren en nemen ze hun plaats in de maskerade weer in.

Educatief centrum

Het museum beschikt over een documentatiecentrum en een auditorium van 120 plaatsen en bestaat uit verschillende afdelingen. De gelijkvloerse verdieping en een deel van de eerste verdieping zijn gewijd aan tijdelijke tentoonstellingen, waarvan de volgende zal gaan over carnaval en maskerades in Europa en het Middellandse Zeegebied. Die gaat in januari van start, in het kader van het samenwerkingsverband met Mons 2015 (zie verder). Op de eerste verdieping bevinden zich de permanente tentoonstellingen: over het carnaval van Binche, de carnavals van Wallonië en de Europese maskers. De tweede verdieping dient voor de pedagogische opdracht van het museum, met workshops en spelactiviteiten. “Maar de tentoonstelling over de Europese maskers wordt even opgeborgen om plaats te maken voor onze nieuwe tijdelijke tentoonstelling”, legt Clémence Mathieu uit. “Wat onze tentoonstelling over het carnaval van Binche betreft, die dateert al van 1975. Volgende zomer wordt ze opgebroken en in 2016 komt er een educatief centrum in de plaats, dat gewijd zal zijn aan dit carnaval. Ook het auditorium wordt opnieuw ingericht.

Het Domein van Seneffe dompelt je onder in het tijdperk van de Verlichting. De tuinen doen je dromen en de collectie van edelsmeedkunst brengt elk deel van het kasteel weer tot leven.

Het park van het domein, met een oppervlakte van 22 hectare, maakt deel uit van het natuurlijk erfgoed van Wallonië. Toch is de entree gratis. Wandelaars kunnen vrij ronddwalen langs de paden van het ‘Park van de drie terrassen’ of zich neervlijen op het gras van het bloemperk, en zich in slaap laten wiegen door het gekabbel van het grote fonteinbekken. Ze zullen verrast worden, zowel door de zeer achttiende-eeuwse architectuur (dreven, rotondes...) als door de verscheidenheid van de tuinen die de gebouwen uit de tijd van de Verlichting (theater, oranjerie...) nog eens extra in de verf zetten. De buitengebouwen, de kapel, de vogelkooi, de vijver en het romantische eilandje verleiden de vele gezinnen die hier op bezoek komen, maar ook kunstenaars want het park is ook een ruimte voor openluchttentoonstellingen van hedendaagse kunst.

Een constructie van Laurent-Benoît Dewez

Dit monument van blauwe steen met zijn imposant hoofdgebouw en zijn twee laterale galerijen met Ionische zuilen die een voorplein van 80 meter lang omarmen, hebben we te danken aan de eerste architect van de Oostenrijkse Nederlanden, Laurent-Benoît Dewez. Dewez werkte ook mee aan de renovatie van verschillende abdijen in het land, zoals die van Orval, Gembloux en Hélécine. Zijn neoclassicistische stijl werd beïnvloed door het oude Rome, door de Italiaanse renaissancestijl en ook door Engeland en Frankrijk. De schitterende residentie werd tussen 1763 en 1768 gebouwd met het enorme fortuin van eigenaar Julien Depestre, zakenman, bankier en handelaar. Het geeft gestalte aan het nieuwe sociale leven van toen, dat gericht was op comfort, intimiteit, pracht en praal.

In de loop der jaren heeft het domein toebehoord aan verschillende families en zelfs aan een religieuze orde, voor het in handen viel van een bouwpromotor die er appartementen wou van maken”, legt directrice Marjolaine Hanssens uit. “Gelukkig flopte dat project, onder meer dankzij het doorzettingsvermogen van de Vrienden van het kasteel van Seneffe. Het domein werd dan beschermd en werd eigendom van de staat, vooraleer het uiteindelijk onder de paraplu van de Belgische Franse Gemeenschap terechtkwam. Met het kasteel van Terhulpen als voorbeeld wilde die er een seminaren congrescentrum van maken. Maar toen kreeg de Franse Gemeenschap via een erfenis de indrukwekkende collectie zilverwerk van de Belgische privéverzamelaar Claude d’Allemagne in handen. Zonder lang te aarzelen werd het kasteel voor die collectie ter beschikking gesteld als tentoonstellingsruimte. In 1995, terwijl de tuinen nog volop gerenoveerd werden, ging het museum van de edelsmeedkunst van start op de gelijkvloerse verdieping van het kasteel. Dankzij giften, legaten en aankopen van de Franse Gemeenschap is deze collectie vandaag de dag een van de belangrijkste van België.

Luister en intimiteit

In de 18de eeuw was de indeling van de ruimtes in grote gebouwen het onderwerp van talrijke teksten en studies, voornamelijk met het oog op meer comfort. Zo ontstonden er twee types van appartementen: de statige gezelschapsappartementen en de gerieflijker privéappartementen. De ruimtes bestonden uit verschillende kamers, die elk een eigen functie hadden. Door de vaste tentoonstelling ‘Luister en intimiteit’ te installeren in het kasteel, hebben de leidinggevenden van het museum een parcours en een originele scenografie uitgewerkt die elke kamer zijn rol van weleer teruggeven. Daardoor krijgt ieder object zijn gepaste plaats en komt het maximaal tot zijn recht. Alles is zo opgebouwd dat elke bezoeker tijdens zijn wandeling in het kasteel van Seneffe ondergedompeld wordt in een bepaald beeld van de 18de eeuw. Lampetkannen, waskommen, vliegendozen, spons-, tabaks-, snuifen chocoladedoosjes, theeen koffiekannen, koelers, kommen, champagneglazen, bekers, fakkels, blakers, kandelaars en kandelabers, religieuze voorwerpen... brengen het kasteel weer tot leven en werden in decors geplaatst die soms grappige namen kregen: ‘Wachtend op meneer’, ‘Het rariteitenkabinet’, ‘Het water stijgt’, ‘In aanwezigheid van een geestelijke’, ‘Het spel van de liefde en het toeval’...

Geuren, geluiden, films

Maar de tentoonstelling prikkelt ook de zintuigen. Snuif de geuren op van chocolade, tabak, bloemen, kruiden, maar ook van zweet. Je kan het water horen stromen, de vogels horen zingen. Je hoort het liedje ‘J’ai du bon tabac dans ma tabatière’. Je ziet, naast het edelsmeedwerk en de decors, scènes uit een paar kostuumfilms die zich in die tijd afspelen. Welke scène uit Barry Lyndon (Stanley Kubrick) zou het best geïllustreerd kunnen worden door ‘Het bad’? Welke beelden uit Amadeus (Milos Forman) passen bij ‘De mooie chocoladeketels’? En past ‘Biljarten in de namiddag’ bij Ridicule (Patrice Leconte)? Of gaat Liaisons dangereuses (Stephen Frears) samen met ‘Een fijn avondmaal’? Voor je de poorten van het Kasteel van Seneffe binnengaat, sla je er dus best eerst nog even je klassiekers op na.

Domaine du Château de Seneffe et Musée de l’Orfèvrerie

Rue Lucien Plasman 7-9

B-7180 Seneffe

+32 (0)64 55 69 13

[email protected]

www.chateaudeseneffe.be

Zowat overal in de stad van Doudou wordt er oude gebouwen nieuw leven ingeblazen. Een gedaanteverandering met het oog op Mons 2015.

Grand Hornu in Boussu, en het Pass in Frameries gaven het goede voorbeeld. Ze hingen hun mijnwerkerskleren aan de kapstok en kozen voor een mooi pak dat beter aangepast is aan een reis door de 21ste eeuw. Sindsdien hebben ook andere locaties de bladzijde omgedraaid. Maar die locaties hebben het sociaaleconomische verleden dat door de aders van deze streek en haar inwoners vloeit niet helemaal afgezworen. Wel hebben ze begrepen dat je op het verleden kan steunen om zo een vlucht naar de toekomst te nemen. 

In 2015 neemt het centrum Keramis de aardewerkfabriek van Boch in La Louvière onder handen. B.P.S.22 in Charleroi maakt van een oud gebouw in glas en ijzer een ruimte voor hedendaagse creatie. En het Silex, het Centrum voor interpretatie van de neolithische vuursteenmijnen in Spiennes (Mons), stuurt de nieuwsgierigen onder de grond om hen te laten begrijpen wat er zich onder hen bevindt.

Yves Vasseur, algemeen curator van Mons 2015, blijft het herhalen: de gedaanteverandering van de stad is een centraal onderdeel van de programmatie van de feestelijkheden.

Tien plekken met een andere gedaante

We hebben er een tiental bezocht die we hier kort voorstellen. Een aantal vliegt al op eigen vleugels, andere wachten nog op het startsein van Mons 2015. In het verlengde van de aanpassingen van de site van de Slachthuizen van Mons en van het BAM (Beaux-Arts Mons) maakt de stad zich klaar om vijf nieuwe met elkaar verbonden musea in te huldigen. Vier ervan bevinden zich in het centrum van de stad: het Mons Memorial Museum, de Artothèque, het Museum van Doudou en het Belfort. Met twee nieuwe concertzalen, Arsonic en Alhambra, de uitbreiding van het Mundaneum, de aanpassing van de Carré des Arts en de renovatie van het Maison Losseau wordt de stad nog mooier en is ze klaar om honderden artistieke en culturele activiteiten te organiseren. De economische toekomst van de streek rust op het toekomstige congrescentrum MICX (Mons International Congress Xperience), dat vanaf volgende lente colloquia, seminars, personeelsfeesten en andere recepties kan ontvangen. Het is ontworpen door de Amerikaanse architect Daniel Libeskind, de man die het masterplan uittekende van de nieuwe WTC-site in New York, en zal recht tegenover het nieuwe station staan. Dat is een ander gebouw met een futuristisch design, dit keer van de hand van Santiago Calatrava. Grote vertragingen verhinderen dat het station zijn wagonnetje kan aanhangen aan Mons 2015, maar het zal voor de nalatenschap zorgen en zal dienen als een verbinding tussen de historische stad en de nieuwe stad met Mons Expo, het MICX en het winkelcentrum Les Grands Prés. “Wij beleven een verandering die uniek is in Europa”, legt Yves Vasseur uit. “Deze werven zullen de stad mooier maken, haar voorzien van een moderne, samenhangende en duurzame infrastructuur en ervoor zorgen dat bezoekers in de beste omstandigheden ontvangen worden. Uiteindelijk zullen alle inwoners van Mons trots zijn op de veranderingen in hun stad”.

« IN/OUT », ARCHITECTUUR ONTMOET FOTOGRAFIE

Musée de la Photographie de Charleroi

Sinds 2012 trekken fotografen Maud Faivre, Pierre Liebaert en Zoé Van der Haegen, samen met videokunstenaar Rino Noviello, onder leiding van architect Marc Mawet, rond langs de werven in Mons. Op die manier willen ze verslag uitbrengen van de urbanistische, landschappelijke en architecturale veranderingen in de stad.

Expo van 23 mei tot 6 december 2015

 

MONS MÉMORIAL MUSEUM

Boulevard Dolez

Het Centrum voor Beleving en Militaire Geschiedenis komt op de gerenoveerde site van de oude Watermachine die rond 1870 gebouwd werd om de stad van drinkwater te voorzien. Deze nieuwe museale ruimte van 3.000 m2 wil de hele geschiedenis vertellen en vertalen van Mons sinds de middeleeuwen. De Grote Oorlog krijgt er een belangrijke plaats in. Het wordt ook een plek waar verschillende generaties ervaringen en ideeën kunnen uitwisselen in het hart van een Herdenkingscentrum (Territoire de mémoire).

Inhuldiging op 4 en 5 april 2015

 

MUSEUM VAN DOUDOU

Jardin du Mayeur, Grand’Place

In het gebouw van de Berg van Barmhartigheid, dat in 1625 werd gebouwd en stevig verankerd is in de tuin van de burgemeester, is sinds 1932 het Musée du Cinquantenaire gevestigd. Grote renovatiewerken zullen het omvormen tot een interpretatiecentrum voor folklore van Mons of het Museum van Doudou. Een prachtig uitstalraam voor de Ducasse, het plaatselijk folkloristisch feest dat deel uitmaakt van het cultureel werelderfgoed van UNESCO.

Opening op 4 en 5 april 2015

 

L’ARTOTHÈQUE

Rue Claude de Bettignies, 3

Dit is de kern van het museale platform. Ingericht in de oude kapel van het Ursulinenklooster zal dit museum plaats bieden aan het gemeentelijk patrimonium van Mons. Het wordt zowel een opslagplaats als een centrum voor onderzoek, restauratie en studie van het erfgoed. Hier worden de collecties bewaard die niet permanent tentoongesteld worden in de andere musea. De collecties kunnen digitaal geconsulteerd worden.

Inhuldiging op 4 en 5 april 2015

 

ARSONIC

Rue de Nimy, 138

Binnen de oude brandweerkazerne is de droom uitgekomen van cellist en componist Jean-Paul Dessy, artistiek directeur van het ensemble Musiques Nouvelles. Dit centrum van Europese deskundigheid wordt een 2.500 m2 groot geluidshuis, een plaats van wonderbaarlijke klankrijkdom, waar men concerten kan geven, hoogtechnologische opnames maken, een plaats voor buitengewone workshops, een repetitieruimte, een tentoonstellingszaal en ook bureaus.

Inhuldiging op 3 april 2015

 

MANEGE VAN SURY

Rue des Droits de l’Homme, 4

De Civiele Bescherming was in deze oude militaire manege uit 1850 gevestigd tot 1995. In 2013 werd het gekocht door de Intercommunale voor Economische Ontwikkeling en Ruimtelijke Ordening (IDEA) die er een bedrijvencentrum van maakte voor jonge ondernemingen. In het kader van Mons 2015 wordt de locatie tijdelijk ingericht als tentoonstellingsruimte voor hedendaagse kunst (‘Atopolis, gemengde stad, ideale stad’). Daarna neemt het opnieuw zijn economische rol op.

 

Het MUNDANEUM

Rue des Passages, 15

Centrum voor de archieven van de Federatie Wallonië-Brussel (ook wel ‘papieren Google’ genoemd) en tijdelijke tentoonstellingsruimte. Dit art-decogebouw, dat in de jaren 1930 werd ontworpen, was een van de eerste grote warenhuizen van België. Het werd door de Franse Gemeenschap gekocht en bevat sinds 1993 de collecties van het Mundaneum die sinds het eind van de 19de eeuw in Brussel waren opgeslagen en samengesteld door de stichters Paul Otlet en Henri La Fontaine. In 1998 werd alles vernieuwd op basis van plannen van François Schuiten en Benoît Peeters.

De vernieuwde tentoonstellingsruimte gaat opnieuw open op 11 juni 2015

 

LA MAISON LOSSEAU

Rue de Nimy, 37

Het gebouw in de neoklassieke stijl van de 18de eeuw werd gekocht door de plaatselijke advocaat Léon Losseau en gerestaureerd in de stijl van Horta door architect Paul Saintenoy. Het is nu een parel van de art nouveau. Eind 2011 ontwikkelde de provincie Henegouwen een ambitieus programma om het huis nummer 37, maar ook nummers 39 en 40 te restaureren om op die manier van die drie huizen samen een literair centrum te maken voor de stad Mons. De gerenoveerde gebouwen zullen dienen als ateliers, ontmoetingsen tentoonstellingsruimtes, maar ook als platform voor de oude collecties van het Maison Losseau en van het Henegouwse literaire leven.

Vanaf de openingsdag op 23 april 2015 wordt de tuin van nummer 37 omgevormd tot literaire kroeg

 

LE CARRÉ DES ARTS

Rue des Sœurs Noires, 4a

In de oude kazerne Majoor Sabbe uit de 19de eeuw zijn nu de Kunsthogeschool van de Federatie Wallonië-Brussel, Arts2, Télévision Mons Borinage (Télé MB) en de administratie van theater Le Manège gevestigd. De binnenkoer werd helemaal aangepast. Het meest opvallende is het enorme zeil dat aan de muren werd vastgemaakt en dat het dak zal vormen voor het Festival du Carré.

 

ALHAMBRACADABRA !

Vlak bij het beroemde aapje van Mons herrijst discotheek Alhambra uit zijn as om een duurzame plaats in te nemen in het Waalse muzieklandschap.

Hoewel Wallonië over een rijke en gevarieerde rockscene beschikt, heb je hier vreemd genoeg weinig middelgrote concertzalen die het hele jaar open zijn. In een moeilijke markt en met de concurrentie van talloze festivals over het hele land zijn er niet veel durvers die zich wagen aan het avontuur om een nieuwe concertzaal te openen. Toch heeft Alhambra, op wandelafstand van de Grote Markt van Mons, de ambitie om de uitdaging aan te gaan en permanent deel te gaan uitmaken van het Waalse rock/ pop/electrolandschap. Met zijn discrete gevel tussen de aanpalende huizen van de rue du Miroir zou je niet meteen denken dat achter de grote poorten een smaakvolle concertzaal schuilgaat die plaats biedt aan ongeveer 350 man.

In het begin van de jaren 1920 was hier een bioscoopzaal. Dat zie je nu nog aan de fameuze balkons. In de loop der jaren is de zaal veranderd. Er was hier zowel een bowling als een discotheek, waar de clubbers uit Mons jarenlang hun hart konden ophalen. Rond de eeuwwisseling verliest de nachtclub beetje bij beetje zijn aantrekkingskracht en zijn cliënteel, dat andere horizonten gaat opzoeken. Vervolgens wordt Alhambra een zaal waar heel af en toe een concert of een andere voorstelling wordt georganiseerd, maar in 2012 moet het de deuren sluiten. Voorgoed, zo denkt men.

Maar wanneer Mons de titel krijgt van Europese cultuurstad 2015 stelt men vast dat er eigenlijk geen zaal is, die naam waardig, in het hart van de stad van Doudou. “Er was geen enkele plaats die op permanente basis artiesten, groepen of bands van de pop-, rockof electroscene kon ontvangen. Mons 2015 was een gelegenheid om dat gebrek op te vangen”, vertelt Pascal Goosens, programmator en bestuurder van Alhambra.

Mons op de kaart zetten

De locatie is ideaal gelegen, met veel parkeerplaats en veel winkels in de buurt. Het idee slaat meteen aan en de werkzaamheden nemen een aanvang in juli 2013. De zaal ondergaat een gedaanteverwisseling met de hulp van Vincent Glowinski, een artiest die afkomstig is uit de street art, die de ruimte letterlijk overstroomt met een monumentale muurschildering, van de vloer tot aan het plafond. Boven is er zelfs een rookruimte om overlast voor de deur van het gebouw te vermijden. In april 2013 openen de eerste evenementen het nieuwe Alhambra. “We kozen ervoor al voor 2015 open te gaan, om aan te tonen dat we geen tijdelijk initiatief zijn maar een plaats die wil blijven bestaan in het culturele landschap van Mons.” Pascal Goossens is zich bewust van de moeilijkheden en alles wat er op het spel staat bij een onderneming als deze, maar hij blijft vol vertrouwen. “Nu de eerste maanden achter de rug zijn, voelen we al dat er enig enthousiasme gegroeid is voor deze plek, die het accent legt op een alternatievere pop/rock/ electroscene. Het komt er nu op aan ervoor te zorgen dat het publiek dat onze programmatie goed vindt, blijft terugkomen. Maar de mond-tot-mondreclame werkt al en trekt volk aan, ook als niet meteen de allergrootste namen op de affiche staan.

Deze mensen willen duidelijk wat anders dan alleen maar ‘een slag slaan’ door een grote vedette in huis te halen. Alhambra wil een zekere erkenning krijgen door het hele jaar lang kwaliteit te programmeren. Je moet hier naartoe kunnen komen met gesloten ogen of liever oren en toch opgetogen terug naar huis keren. “We gaan natuurlijk onze eigen weg, maar als ik een voorbeeld zou moeten noemen, dan zou het de Botanique zijn in Brussel, waar ze erin slagen om een publiek rond hun project te verzamelen. Op dat gebied is dat een echte referentie geworden.” Een dergelijke reputatie verwerf je uiteraard pas na verloop van tijd en hopelijk krijgt Alhambra tijd genoeg.

Onder andere Puggy, Girls in Hawaii, Suarez of Poni Hoax hebben zich al op het podium gestort van deze nieuwe nachttempel, die zich ook openstelt voor lokale groepen. “Ik krijg veel aanvragen van beginnende jonge groepen of zelfs van gasten met naam die willen doorbreken en in het eerste of tweede deel van een avond willen spelen. Er hebben hier redelijk wat bands opgetreden en we willen graag op dat elan verder gaan.” Alhambra maakt deel uit van de Club PlaSMA (Plateforme des Scènes de Musiques Actuelles), het netwerk van onafhankelijke zalen en concertorganisatoren van de Federatie Wallonië-Brussel en wil daarom ruimte bieden aan de ‘kleintjes’ die nog niet kunnen genieten van voldoende media-aandacht. Gemiddeld kost een entreekaartje € 10 en een pintje kost net zo veel als in de cafés in de buurt. Het publiek komt dus heus niet alleen voor de intimiteit van de zaal.

Voor de festiviteiten rond Mons 2015 blijft de filosofie dezelfde, met een breed maar tegelijk hoogstaand programma. Op 1 februari komt Jean-Louis Murat langs in Alhambra om zijn nieuwste album, Babel, voor te stellen. Dat wil toch wat zeggen, want de populaire Franse singer-songwriter die niet veel reist, heeft in zijn tournee maar twee concerten in België gepland.

L’Alhambra

Rue du Miroir, 4

B-7000 Mons

www.alhambramons.com

2015 is een belangrijk jaar. In het kader van Mons, culturele hoofdstad van Europa, krijgt La Louvière een kunstencentrum dat aan keramiek is gewijd.

Het kunstencentrum Keramis heeft alles in zich om een belangrijke culturele en symbolische baken te worden in La Louvière. Het is zijn ambitie te getuigen over de oude aardewerkfabriek Boch, hedendaagse plastische kunstenaars te steunen door hun werken tentoon te stellen, maar ook de ervaring door te geven aan volgende generaties.

Het idee bestaat al sinds de jaren 1990, maar werd pas concreet toen de historische ruimtes van de Boch-site in 2003 beschermd werden als monument. In dat jaar liet het Koninklijk Museum van Mariemont weten dat ze geïnteresseerd waren om mee te bouwen aan dat nieuwe centrum. Zes jaar later werd de vzw Keramis opgericht door private en publieke partners, zoals de stad La Louvière, de provincie Henegouwen, de Federatie Wallonië-Brussel en de Waalse regio. Bouwmeester werd het Waalse erfgoedinstituut.

BOCH, EEN BLOEIENDE INDUSTRIE

In 1841 vinden Jean-François Boch en zijn zoon Eugène een kleine aardewerkfabriek die te koop staat in het gehucht Saint- Vaast in Henegouwen. Goed gelegen, overigens: genoeg steenkool, en het kanaal Charleroi-Brussel en de spoorweg vlakbij. Boch Frères, dat later omgedoopt wordt tot Keramis, gaat in 1844 van start. Vanaf dan worden er vaatwerk, tegels en sanitair geprodu- ceerd in La Louvière. Werkten er in de aardewerkin- dustrie in 1858 nog maar 250 mensen, in 1896 waren er dat al bijna 1.000. In de jaren 1960 bereikte de productie jaarlijks bijna 9.000 ton en werd daarmee de grootste fabrikant van keramiek in België. Na anderhalve eeuw welvaart kwam dan de teloorgang van het hele Waalse nijverheids- bekken. Herstructureringen en afslankingen, steun van de staat en van de Waalse regio volgen elkaar op. Het gaat almaar slechter met het bedrijf. In 1985 gaat Boch failliet. In datzelfde jaar worden twee nieuwe bedrijven opgericht: Novoboch en MRL Boch. Novoboch komt in Neder- landse handen, maar moet in 1998 de deuren sluiten ondanks aanzienlijke investeringen. Ook MRL Boch overleeft niet en gaat in 1988 failliet ondanks de steun van het Waalse Gewest. De hele stock wordt verkocht en de drie ovens worden in 2003 overgenomen door het Instituut van het Waalse Erfgoed.

Daarna wordt er een gemeen- telijk bestemmingsplan uitgewerkt om de industriële site opnieuw in ere te herstellen. De opening van het kunstencentrum Keramis is voorzien in mei 2015. Het is trouwens hieraan te danken dat de aardewerkproducten van de Bochfabriek historisch erfgoed geworden zijn, getuigen van een luisterrijk industrieel verleden in de Borinage.

Als een feniks uit de asse van Boch

De opening van Keramis voor het grote publiek is voorzien op 9 mei 2015. Momenteel kan de bezoeker tussen de Grote Markt van La Louvière en het station een bouwwerf zien waaruit het indrukwekkende kunstencentrum zal oprijzen. De locatie van de vroegere aardewerkfabriek Boch wordt in ere hersteld door haar zestien hectaren om te bouwen tot een plaats voor cultuur maar ook tot een commercieel centrum.

Op de productiesite van de gebroeders Boch staat nu alleen nog maar een gebouw met daarin drie flesvormige ovens van acht meter diameter, de laatste van hun soort in België. Die werden vanuit twaalf haarden met kolen gestookt en konden tot 1300 graden heet worden. Vroeger waren er zo twaalf ovens, maar die werden afgebroken aan het eind van de jaren 1990. De drie huidige ovens worden volledig in hun originele staat hersteld.

Architectuur verbindt de vormen van keramiek

Op een van de gevels van het nieuwe gebouw kan men een effect zien van ware pottenbakkerskunst, een spel van textuur en pleister, van de hand van kunstenaar Jean Glibert. “De architectuur van Keramis roept in al zijn vormen de sfeer op van het aardewerk en van de barstjes in de keramiek. Er zijn lichtbuizen die de breuken in de klei weerspiegelen. De rondingen in de gebouwen zijn geïnspireerd door de keramiek. Dat herinnert ons aan de soepelheid van de materie”, legt Ludovic Recchia uit, artistiek directeur van het Keramisproject en conservator van de Europese keramieken in het Koninklijk Museum van Mariemont. “De eerste tentoonstelling ‘On Fire: kunst en symboliek van het vuur’ zal helemaal aan het vuur gewijd zijn, dat onmisbare element bij het vervaardigen van keramiek”.

Van wat binnenkort de ontvangsthal en de bookshop zullen zijn, ziet men onmiddellijk de zaal met de flesvormige ovens die gebruikt wordt als ‘forum en tijdloze getuige’. Via de andere kant van de zaal bereikt men de toekomstige scenografische zaal. De voorwerpen die daar te zien zullen zijn, worden in grote uitstalramen getoond met beelden die meer toelichting geven. Nog op de gelijkvloerse verdieping zijn er twee zalen van 70 en 400 m2 waar de bezoekers hedendaagse creaties en de collectie van de Federatie Wallonië-Brussel van na de Tweede Wereldoorlog kunnen bewonderen. “Deze collectie is samengesteld uit 450 stukken waarvan telkens een honderdtal tegelijk worden getoond. Dat is exclusief, die zijn nog nooit eerder tentoongesteld. Je zal bijvoorbeeld werk kunnen zien van Antonio Lampecco.”

Als we verder wandelen, komen we in de cafetaria waarvan de ramen uitgeven op een binnenkoer waar we het oude gebouw zien dat rond de ovens is gebouwd. Op deze binnenkoer zal overigens in het kader van Mons 2015 een werk getoond worden van keramist Émile Desmedt. Momenteel is het nog maar een metalen structuur in de vorm van een ei. Maar binnenkort wordt hier een kunstwerk uit het vuur geboren.

Oud en nieuw ontmoeten elkaar

Twee grote zalen zullen gewijd zijn aan hedendaagse tentoonstellingen en aan de collectie van de Boch aardewerkfabriek. Die bestaat uit niet minder dan 2.000 stukken die momenteel tijdelijk verblijven in het Centre Daily-Bul, een paar straten verder. 150 van die stukken worden aan het publiek getoond. De historische en unieke collectie, die bestaat uit vaatwerk en uit werken uit het kunstatelier van het oude bedrijf, brengt een eresaluut aan een paar grote namen van de keramiek, zoals Charles Catteau of Raymond Chevalier.

Verder zijn er boven ook administratieve gedeeltes met een geluidsdichte cursuszaal en een ruimte voor acht bureaus met daarbij een vergaderzaal. Ook is er in een opvoedkundige ruimte voorzien voor de kinderen en zelfs een plaats voor de allerkleinsten waar zij met klei kunnen leren werken.

Aan de andere kant bevindt zich ook een atelier voor als een kunstenaar zich hier even wil terugtrekken of enkele dagen in het centrum wil doorbrengen. Er is ook een kookruimte met een elektrische en een gasoven om eten te maken voor kinderen die een cursus komen volgen of voor andere bezoekers. Op de derde verdieping is er dan nog een klein appartement (40 m2) voor ambachtsmensen en sprekers. “Het is de bedoeling om de vaardigheden te bewaren en te waarderen van de mensen die nu nog met keramiek bezig zijn. We hebben nog altijd contact met vroegere werknemers van Boch, met Luigi Restaino bijvoorbeeld, de laatste vormgever van het bedrijf”, legt Ludovic Recchia uit. Hij bevestigt ook dat de productie van het nieuwe centrum meer experimenteel zal zijn, met unieke stukken en workshops “waar oud en nieuw elkaar zullen kunnen ontmoeten”.

Keramis / Centre de la Céramique

Place des Fours Bouteilles, 1

B-7100 La Louvière

+32 (0)64 27 37 75

[email protected]

www.keramis.be

Your opinion counts