Waw magazine

Waw magazine

Menu

Na werkzaamheden die meer dan twee jaar geduurd hebben, is het slagveld van Waterloo klaar om te blijven herinneren aan een gebeurtenis die het lot van Europa bepaald heeft. Er is een nieuw museum, ondergronds, zodat het landschap en het uitzicht op de Leeuwenheuvel beter tot hun recht komen. En in aansluiting op de tweehonderdste verjaardag laat Wallonië ook andere plekken tot hun recht komen die te maken hebben met de napoleontische veldtocht.

Amper enkele jaren na de slag al kwamen de eerste Engelse toeristen de site bezoeken. Toch was er niets anders te zien dan een vlakte vol verschrikkelijke herinneringen. Sinds 1826 is de leeuw dan op de heuvel gaan staan, om te vermijden dat de kanonskogel opnieuw over een al gekneusd Europa zou rollen. In 1912 werd het Panoramagebouw opgetrokken om plaats te bieden voor het 360-gradendoek van Louis Demoulin. In 2015 zijn deze getuigen van het verleden er nog altijd, maar ze komen niet meer aan de oppervlakte, want om het landschap van het slagveld te beschermen is het gebouw van het Memoriaal volledig ondergronds gebouwd. De muur langs de helling die toegang biedt tot de site wordt bedekt met een plantentapijt dat uit elf soorten bestaat, waaronder vijfbladige wingerd, clematis, klimhortensia en kamperfoelie. Dit project is een van de grootste toeristische investeringen ooit in de Waalse regio (40 miljoen euro) en werd in goede banen geleid door La Belle Alliance, een consortium van zeven ervaren bedrijven en partners. De wetenschappelijke begeleiding van alles wat in dit Memoriaal staat, werd toevertrouwd aan een comité van Napoleonkenners uit de vijf oorlogvoerende landen van toen.

Voor de bezoeker begint aan het parcours door 1.700 m² tentoonstellingsruimte, kiest hij een virtuele gids uit veertig personages van de slag bij Waterloo. Of het nu Fransen zijn, Engelsen, Pruisen of Nederlanders, al deze personages zijn reëel en hun notities en geschriften zijn bewaard gebleven. Om de verschillende legers die deelnamen te leren kennen, trekt de bezoeker langs een galerij waar geüniformeerde soldaten klaar staan om naar het front te trekken. Deze slag kan je maar begrijpen als je de geschiedkundige en politieke achtergrond hebt ontcijferd.

De wetenschappelijke begeleiding van alles wat in dit Memoriaal staat, werd toevertrouwd aan een comité van Napoleonkenners uit de vijf oorlogvoerende landen van toen.


Ten tijde van Napoleon, die als een outlaw werd beschouwd, was Europa ideologisch diep verscheurd. De militaire inzet hing vaak af van het type wapens waarover de soldaten in elk kamp beschikten en dat hun strategie bepaalde. Symbolische voorwerpen uit die tijd of kopieën ervan bakenen de route af. Er is een ereplaats voor de mooiste stukken uit de beroemde collectie Brassine (zoals we al bespraken in WAW nummer 25). Verschillende interactieve, viertalige schermen zorgen voor boeiende informatie, die niet langdradig is. ‘We stellen vier niveaus voor, die almaar gedetailleerder worden. De bezoeker heeft de keuze om er uit te pikken wat hem interesseert, eerder dan een overvloed aan onverteerbare informatie te moeten slikken die op het scherm verschijnt’, verduidelijkt Philippe Chiwi van het audiovisuele bedrijf Pinxi, dat de interactieve inhoud heeft ontwikkeld. Deze Brusselse firma, die 3D-films maakt voor ontspanning of voor de inrichting van musea, heeft een stevige reputatie opgebouwd bij een groot publiek in België en in het buitenland. Zo heeft Pinxi voor het Bagacum van Bavay in Frankrijk een interactief archeologisch verhaal gemaakt, voor het olympisch museum in Lausanne interactieve modules rond de bestaande collectie, maar ook de virtuele multimedia-omgeving van de tentoonstelling Golden Sixties in Luik.

Een kwartier lang de ervaring meemaken van de veldslag is ongetwijfeld een van de hoogtepunten van het bezoek. Om de toevloed van bezoekers in de hand te houden is er een wachtzone. Die heeft de vorm van een bivak bij een stormachtige nacht. In de projectieruimte zorgt een scherm van 25 meter lang bij 4,5 meter hoog voor een meeslepende en originele ervaring. Met zijn panoramische 3D-camera zuigt regisseur Gérard Corbiau de 90 bezoekers meteen mee in het heetst van de strijd. Legers vallen aan, mannen en paarden sneuvelen, kogels vliegen rond, bloed vloeit. Na al dat tumult moet je proberen om weer bij je zinnen te komen, terwijl je het resultaat aanschouwt van wat een bloedbad echt was. Een tijdlijn maakt de bezoekers bewust van de impact die Waterloo had op het lot van de verschillende oorlogvoerende landen. Via zijn persoonlijke audiogids laat de bezoeker langs het parcours dat hij koos digitale ‘kiezelsteentjes’ achter, waarmee hij op het einde van zijn bezoek een multimediamozaïek kan samenstellen – een blijk van ‘zijn’ bezoek die hij een paar dagen later in zijn mailbox ontvangt.

Een kwartier lang de ervaring meemaken van de veldslag is ongetwijfeld een van de hoogtepunten van het bezoek. Om de toevloed van bezoekers in de hand te houden is er een wachtzone. Die heeft de vorm van een bivak bij een stormachtige nacht.


Het Memoriaal 1815 is ontworpen om jaarlijks zowat 700.000 à 800.000 bezoekers te ontvangen. Voor het ondergrondse museum van Waterloo rekent men op een gemiddelde van 500.000, waardoor het niet lang verborgen zal blijven en geen enkele moeite zal hebben om de aandacht te vestigen op deze erfgoedplaats, die de belangrijkste Europese site is geworden voor herdenkingstoerisme.

Een paar honderd meter verder wordt ook het Hôtel du Musée grondig gerenoveerd. De hongerige en dorstige bezoekers kunnen terecht in restaurant Wellington (90 couverts) of brasserie Le Bivouac de l’Empereur (138 couverts), die allebei weer over alle elementen beschikken om te kunnen fungeren als historisch decor.

Ook de boerderij van Hougoumont, de laatste authentieke getuige van de strijd, wordt gerestaureerd. Hier worden de cruciale momenten van de slag uitgebeeld. Dit wordt een plaats voor bezinning en verzoening. Het hoofdgebouw, ook wel ‘huis van de tuinman’ genoemd, heeft op de eerste verdieping een gîte met twee kamers. Ondanks het verschrikkelijke bloedbad waarop dit gebouw twee eeuwen geleden uitkeek, is het hier rustig slapen.

www.waterloo1815.be

DE MOOIE AFTOCHT

Op 19 juni 1815 vernam maarschalk Grouchy de nederlaag van de keizer toen hij met zijn 35.000 manschappen van het derde en vierde leger Waver verliet. Het was warm die dag. De mannen waren vuil en uitgeput. Ze hadden dorst en ze hadden vier dagen lang nauwelijks geslapen toen ze zich vechtend terugtrokken langs de weg naar Namen, achtervolgd door het leger van Blücher. Vandaag is het aangenamer om de Route de l’Armée Grouchy te nemen, de toeristische weg die Wallonië doorkruist van Waver via Namen tot Givet. ‘We hebben de Route Napoleon die door het Waals Gewest werd ontwikkeld, als voorbeeld genomen’, legt Josette Champt uit, directrice van de Toeristische dienst voor de Brabantse Ardennen. ‘Met dezelfde bedoeling, Erfgoed dus het napoleontische spoor volgen om alle elementen te waarderen die te maken hebben met de Belgische campagne.’ Natuurlijk zijn het grondgebied en de straten niet meer dezelfde als in 1815, maar helemaal onherkenbaar zijn ze niet geworden. De deelnemende gemeenten hebben geprobeerd om een route uit te stippelen die zo trouw mogelijk blijft aan de historische feiten. Het eerste gedeelte van de route, van Waver naar Namen, stelt twee mogelijkheden voor die elk overeenkomen met de weg die een colonne volgde om het terugtrekken zo vlot mogelijk te laten verlopen. De eerste loopt langs Gembloux, de andere langs Grand-Leez. Tegenwoordig zie je geen karren meer die voortgetrokken worden door uitgehongerde paarden en over aarden wegen hobbelen. De Route de l’Armée Grouchy heeft zich aangepast aan de moderne transportmiddelen en biedt over de hele lengte een traject dat je met de wagen kunt afleggen, en een andere route voor de zwakkere weggebruikers. Sommigen willen zo snel mogelijk de opmerkelijke plekken bezoeken, terwijl anderen de reis belangrijker vinden dan de bestemming. Zij willen genieten van de landschappen, te voet of met de fiets.

Op 15 april begint de Campagne 2015 met verschillende evenementen in Waver en in Namen rond de plaatsen die gelinkt zijn aan de napoleontische veldtocht. Naast de herdenkingen van het tweehonderdste jaarfeest zal de route vereeuwigd worden door de toeristen voor te stellen om gedurende enkele uren de streek te ontdekken en te proeven van het erfgoed en de landschappen, om even geraakt te worden door de geschiedenis en dan weer verder te gaan.

Vanaf april 2015:
napoleon-grouchy-1815.com

 

ZO DICHT MOGELIJK BIJ DE STRIJD

‘Als ik in Ligny op het slagveld wandel, dan weet ik waar welk regiment stond opgesteld, ik weet vanwaar de kanonnen schoten en als ik naar de molen van Naveau kijk, dan kan ik bijna Napoleon zien die naar me kijkt’. Als kind droomde Léon Bernard ervan om archeoloog te worden, of politieman. Hij werd politieman en commissaris bij de gerechtelijke politie. Toen hij 35 was, is hij een verzameling begonnen van objecten en souvenirs in verband met de doortocht van Napoleon in België. Hij noemt zichzelf veldhistoricus en is de onbetwiste specialist van de slag bij Ligny, de laatste overwinning van de keizer. Hij kent de hele topografie van dit slagveld, dat twee keer zo groot is als dat van Waterloo en dat hij in alle seizoenen onderzocht heeft. Nu hij geniet van een welverdiend pensioen heeft hij meer tijd om zich te wijden aan het kleine privémuseum waar hij een deel van zijn schatten tentoonstelt. Kanonskogels langs de muur, kisten boordevol kogels, scherven van obussen, granaten die opgegraven werden op het slagveld. In de uitstalkasten staan loden soldaatjes naast knopen, zwaarden, pistolen, stukken van een pijp, vingerhoedjes, of een brief in gezwollen taal die gericht was aan meneer Février, keizerlijk notaris in Sombreffe.

‘Wat mij interesseert is hoe de mensen toen leefden en wat er gebeurd is in dat kleine stukje België, toen 160.000 soldaten hier neerstreken met hun wapens en kanonnen. Hoe wil men het heden begrijpen, als men het verleden niet kent?’ Léon Bernard heeft in eigen beheer een geschiedenis van de veldslag in vijf boekdelen uitgegeven en begeleidt op aanvraag bezoeken aan de sites van Ligny en Fleurus.

Léon Bernard
+32 (0)476 73 67 12

De jaren van leegstand zijn voorbij. Een historische en architecturale parel, het kasteel van Faing, gunt zichzelf een nieuw leven.

De eindeloze kilometers die ik door de Luxemburgse bossen rijd, worden uiteindelijk beloond. Opeens rijst de kolos op voor mijn verblufte ogen. Het is een spektakel waar ik versteld van sta. Zelfs in de Belgische regen lijkt de zon te weerkaatsen op het gebouw met okerkleurig pleisterwerk en grijze natuursteen. De U-vormige neogotische constructie wordt in de hoeken geflankeerd door vier ronde torens, waarvan de blikvanger, de toren in het zuidoosten, wordt gekroond met een vuurtoren die ‘s nachts het dorp verlicht.

Het huidige kasteel is een exacte reconstructie uit de 19de eeuw. In de middeleeuwen woonde hier de familie du Faing, heren van Jamoigne. De heerlijkheid du Faing ontleent haar naam aan de modderige (fangeux) terreinen op de oevers van de Semois, waar het gebouw werd opgetrokken. ‘Le Faing’ is ook een gehucht van Jamoigne geworden, en dat is te begrijpen. Het oorspronkelijke kasteel werd de prooi van de tijd en werd niet bewaard. In 1872 bouwden graaf Fernand de Loen d’Enschedé en de architect Pierre Van Kerkhoven het monument weer op volgens de plannen van zijn voorganger.

De trots van het volk

Het kasteel overleeft de twee Wereldoorlogen. Het doet een tijd dienst als opvanghuis voor kinderen, en in 1976 verkopen de Zusters van Barmhartigheid van Besançon het voor een symbolische frank aan de gemeente Chiny. Het gebouw en zijn omgeving worden dan eigendom van de gemeente en er wordt een rusthuis in ondergebracht dat door het OCMW wordt beheerd. Die instelling bouwt 15 kleine bungalows in het park van het kasteel. Geen gekke plek om te wonen, lijkt ons. In februari 1997 zet het Institut du Patrimoine wallon (IPW – Instituut voor het Waals erfgoed) het kasteel op de lijst van beschermde gebouwen. Maar het geld dat nodig is voor de sanering van het centrum blijft achterwege en in 2011 is de sluiting onafwendbaar. ‘Zo’n dossier krijg je maar één keer in je carrière op je bureau,’ lacht Sébastian Pirlot, de gedeputeerde-burgemeester van Chiny. Toen hij in 2006 zijn functie opnam, was het kasteel nog maar een schaduw van wat het eens geweest was: het was een buitengewoon erfgoed dat al vijf jaar leegstond. Toen er een nieuwe meerderheid kwam, ging de stad Chiny over tot de complete renovatie van de site, met de steun van het gewest. In 2009 werden de subsidieaanvragen ingediend en werd er een proefproject opgestart. Alle gemeentelijke diensten zullen worden samengevoegd in deze ruimte van meer dan 800 m². In totaal is er 6 miljoen euro nodig voor de verbouwing. Het Waalse Gewest schenkt 3,5 miljoen subsidies. De gemeente Chiny engageert zich voor de resterende 2,5 miljoen euro. Na twee jaar verbouwingen, zowel binnen als buiten, was het kasteel van Faing op zondag 9 september laatstleden (ter gelegenheid van de 24de Erfgoeddagen) klaar voor zijn inauguratie, die door het IPW (Instituut voor Waals patrimonium) erkend werd als een ‘uitzonderlijke activiteit’. De inwoners van Chiny (her)ontdekten een nieuwe versie van dit erfgoed dat te lang in de vergetelheid was geraakt.

Na twee jaar verbouwingen is het kasteel van Faing klaar voor zijn nieuwe bestemming, na de inauguratie ter gelegenheid van de recente Erfgoeddagen.


Renovatie

Zoals in het proefproject was beschreven, zal het kasteel voortaan de gemeenteadministratie herbergen in de rechtervleugel, en het OCMW in de linkervleugel. De andere gemeentediensten worden ondergebracht in de drie bijgebouwen. Het eerste, de ‘Grange (schuur) du Faing’ heeft een ruimte waar plaatselijke kunstenaars tegen geringe prijs hun werken kunnen exposeren. In het tweede bijgebouw zijn de bibliotheek en een polyvalente zaal ondergebracht. Het derde bijgebouw wordt verdeeld onder het plaatselijke tewerkstellingsbureau, de administratie van de dienstencheques en de politie. De moderne meubels contrasteren met de neogotische buitenkant.

Na twee jaar verbouwingen is het kasteel van Faing klaar voor zijn nieuwe bestemming, na de inauguratie ter gelegenheid van de recente Erfgoeddagen.


De gevels, daken, ringmuren en verschillende zalen van de gelijkvloerse verdieping zijn voortaan beschermde monumenten. Voor de burgers en toeristen die langskomen, heeft de vzw Territoires de la Mémoire een didactisch parcours uitgewerkt dat de geschiedenis van het kasteel en zijn invloed in de loop van de eeuwen oproept. In de nabije toekomst komen er ook nog andere activiteiten: concerten, lekker eten, een speelplein of een tuinfestival in het kasteelpark, dat nu nog wordt aangelegd. Bezoekers kunnen nu al genieten van dit openbare park van meer dan zes hectare, dat alle dagen toegankelijk is, zowel voor mensen uit Chiny als van elders.

 

informatie

Gemeentelijke administratie van Chiny
Rue du Faing
B-6810 Jamoigne (Chiny)
[email protected]
www.chiny.be

 

Referenties

In het begin is de geschiedenis van het geslacht nogal onduidelijk. In de 16de eeuw komt er meer klaarheid in. We weten dat Jean de Tassigny, een voorvader van de familie du Faing, in het gehucht met dezelfde naam woont. Hugues, de zoon van Jean de Tassigny, neemt de naam van het domein over en komt door zijn huwelijk in de adelstand terecht. Henry du Faing, zoon van Hugues du Faing, verleent het geslacht meer aanzien door zijn huwelijk met Agnes de Tassigny, de dochter van Jean de Tassigny. Van hun tien kinderen zijn er maar twee die zonen krijgen die het geslacht voortzetten. Volgens de legende zou Nostradamus ten tijde van Henry du Faing de streek bezocht hebben. Helaas is er geen enkel document dat dat bevestigt.

In de 17de eeuw is Gilles du Faing zonder enige twijfel de beroemdste telg van alle takken van de familie. Filip IV, de koning van Spanje, verleent het geslacht van Jamoigne de rang van baron, ten voordele van Gilles du Faing. Hij heeft heel wat gunsten… geërfd.

De smeltoven van Faing

Tijdens de industriële revolutie wordt in Jamoigne een staalfabriek opgericht. Eerst wordt ze ‘forge du Faing’ genoemd, en later ‘fourneau de la Hailleule’. De oven dooft in 1838 uit en wordt vervangen door een molen en een olieperserij. In 1872 gaat het kasteel van Faing, waar alleen nog maar wat ruïnes van overblijven, over in andere handen. Graaf Fernand de Loen d’Enschedé en architect Pierre Van Kerkhoven bouwen het kasteel weer op volgens het plan van zijn voorganger. In 1885 verkoopt Fernand de Loen het kasteel, dat nog steeds niet is afgewerkt, aan de familie Louppe. Na een hevige brand laten die in 1903 het gebouw, de bijgebouwen en het terrein over aan de Zusters van Barmhartigheid van Besançon.

 

Het kasteel van de rechtvaardigen

Eeuw na eeuw volgen de heerlijkheden er elkaar op en allemaal drukken ze hun stempel op de geschiedenis en de architectuur van de plek. De 20ste eeuw betekent een keerpunt, wanneer in 1903 de Zusters van Barmhartigheid van Besançon, een congregatie die onderwijs en verpleging biedt, het kasteel, de bijgebouwen en het terrein koopt. De zusters en hun kostgangers houden vooral van de rust in de streek. In 1933 koopt de vzw ‘Maison de Repos’ (Rusthuis) het eigendom. In de Tweede Wereldoorlog wordt het kasteel het ‘Home Reine Élisabeth’. In het begin werden er kinderen van Belgische gevangen militairen ondergebracht, maar ook onder andere 87 joodse Belgische kinderen, die onder een pseudoniem werden ingeschreven en ingelijfd bij de verkenners. Door die nieuwe identiteit ontkomen ze aan de deportatie, maar ze krijgen tegelijkertijd ook een zuurstofkuur, omdat ze in openlucht met andere kinderen van hun leeftijd kunnen spelen, lachen en geheimen uitwisselen. In 1988 ontvangen verschillende opvoeders van het tehuis het Israëlische ereteken ‘Juste parmi les Nations’ voor hun moed en volharding. Eén van die ‘rechtvaardigen’ is Jean-Marie Fox, leraar en scoutsleider van 1943 tot 1945.

Dominique Zachary, een journalist uit de Gaume, vertelt in La Patrouille des enfants juifs uit 1994 het buitengewone verhaal van Michel Goldberg, een van de kinderen die hier werden verstopt. In 2005 maakt Vincent Penelle er een toneelbewerking van, die in Brussel wordt opgevoerd. De gemeente Chiny heeft beslist een hedendaags standbeeld van 4 m hoog te plaatsen op het binnenplein van het kasteel, ter nagedachtenis van de Rechtvaardigen en de joodse kinderen die in Jamoigne waren ondergedoken.

 

Sleutelmomenten

• 1933 : de vzw ‘Maison de Repos’ (Rusthuis) koopt het domein van Faing.
• 1940-1945 : het ‘Home Reine Élisabeth’ vangt kinderen van militairen op en verstopt 87 joodse kinderen. 
• 1976 : de gemeentelijke administratie koopt het kasteel en de omgeving. In het gebouw komt een OCMW-rusthuis.
• 2001 : bij gebrek aan geld wordt de site verwaarloosd.
• 2006 : er komt een renovatieproject: alle gemeentelijke diensten zullen er worden ondergebracht.

Iedereen kent Karel de Grote, maar wie kent Begga, zijn betovergrootmoeder? Ze stond nochtans aan de wieg van Andenne.

De hoofdingang van de collegiale Sint-Beggakerk in Andenne wordt versperd door een metalen hek, zeer tot spijt van Jean Sacré. Hij is historicus en conservator van het religieuze gebouw en zijn kerkschat. Hij vindt het jammer dat de restauratiecampagne in 1984 niet voldoende was en dat maatregelen om het gebouw te beschermen en te renoveren op zich laten wachten. Nochtans staat de kerk sinds 2009 op de lijst van het uitzonderlijk erfgoed van Wallonië. Zwart grindzand ligt als een gesmolten terril op de toegangstrap. Het verhindert dat loskomende stenen wegspringen als ze de grond raken. Als de inwoners van Andenne hun geschiedenis beter kenden, zouden ze nooit aanvaarden dat hun kerk er zo verwaarloosd bij ligt. Op de place du Chapitre onstond in de 7de eeuw de stad Andenne door de vrome wens van een vrouw met een Keltische voornaam, Begga, dochter van Pepijn van Landen, eerste in het illustere geslacht der Karolingers.

Op de place du Chapitre onstond in de 7de eeuw de stad Andenne door de vrome wens van een vrouw met een Keltische voornaam, Begga, dochter van Pepijn van Landen, eerste in het illustere geslacht der Karolingers.


Andenne-met-de-zeven-kerken

Omstreeks 692 sticht Begga op de rechteroever van de Maas een dubbelklooster waar vrouwen de overhand hebben. Ook in het begin van de 12de eeuw, wanneer de secularisatie intreedt, blijven de vrouwen in de meerderheid. De kloosterzusters worden kanunnikessen en zijn nog steeds heel wat talrijker dan het tiental kannunniken dat aanwezig is om de liturgische dienst te leiden, fysiek zwaar werk uit te voeren of de gemeenschap te beschermen.

Archeologen kunnen de bouwdatum niet exact bepalen, maar een handvest uit de 12de eeuw vermeldt het bestaan van zeven kerken rond het oorspronkelijke klooster – een unicum in de religieuze geschiedenis. De zeven gebouwen bleven bewaard tot de 18de eeuw, toen ze werden gesloopt om plaats te ruimen voor de huidige collegiale kerk.

Maar waarom zeven kerken? Een Andense geestelijke schreef drie eeuwen na Begga’s dood de legende die het bestaan van de zeven heiligdommen verklaart. Deze oude tekst vertelt dat God Begga aanwees waar ze haar klooster moest stichten aan de hand van bepaalde tekens, waaronder een aantal numerieke. Wanneer de varkenshouder van Begga een weggelopen zeug zoekt, hoort hij een goddelijke stem. Die zegt hem herhaaldelijk en steeds op dezelfde plek dat daar de wens van Begga volbracht moet worden. De derde dag vindt de varkenshouder op die plaats de verloren zeug met zeven biggetjes. Op hetzelfde moment is Pepijn, de zoon van Begga, aan het jagen en zijn honden brengen hem naar dezelfde plek, waar hij een kip en zeven kuikens ontdekt. In de war door de stem van de Heer en de herhaling van het getal zeven, vervult Begga Gods wil en sticht haar klooster op de aangeduide plek. Volgens een meer ‘wetenschappelijke’ verklaring liet Begga de zeven kerken bouwen als herinnering aan de zeven basilieken van Rome.

Een omweg waard

Het Oude Andenne ligt een eindje van het commerciële hart van de stad en kan bogen op een rijk erfgoed uit de 17de en 18de eeuw. Op de place du Chapitre is dit merkbaar aan de elegante huizen van de kanunnikessen. De ‘Grand Portail’ (nu ‘porte Saint-Etienne’) was vroeger een van de toegangspoorten tot de ‘encloîtres’ (kloosterwallen), de aristocratische buurt rond de kerk. De fontein ‘van de kuikentjes’ (nu Sint-Beggafontein) dateert volgens een ruitvormig wapenschild uit 1637. Er stroomt nog altijd bronwater uit zoals vroeger, toen vrouwen de vuile was kwamen schrobben op de kalkstenen van het tweede bekken, of zich kwamen opfrissen aan de waterspuwende leeuw. Dit cultureel erfgoed geniet onvoldoende bekendheid. ‘Dinant heeft qua patrimonium minder te bieden dan Andenne en ook onze stad is een “dochter van de Maas”,’ zegt Jean Sacré. Wie of wat treft schuld? Sacrés enthousiasme om de collegiale kerk, het museum en de kerkschat bekend te maken, werkt in elk geval aanstekelijk. Graag zou hij de scholen van de stad wat meer op bezoek zien komen. De conservator is op dreef, hij lijkt wel een levende encyclopedie als hij over de geschiedenis van Andenne spreekt. Ook over de kanunnikessen raakt hij niet uitgepraat.

Het kapittel van Sint-Begga was een wereld van voornamelijk vrouwen, die duizend jaar lang leefden volgens het koninklijk recht, op een gebied van vijf kilometer langs de Maas.


In de 18de eeuw telde het klooster 30 kanunnikessen die allemaal van hoge stand waren. In de nog te publiceren monografie vermeldt Sacré dat alle kandidates in het begin van de 18de eeuw twee adellijke kwartieren moesten hebben en vanaf 1769 zestien. Bastaards of kinderen uit een huwelijk met een niet-adellijke partner kwamen sowieso niet in aanmerking. Aangezien ze geen geloften hoefden af te leggen, konden de zusters als ze dat wilden terugkeren naar de gewone wereld en trouwen. Hun ervaring in het klooster vormde een belangrijke troef om snel een goede partij te vinden.

Vrouwelijke politici en renteniersters

Wie het kapittel verliet, verloor ook automatisch het recht op de prebende. Deze inkomsten uit kerkelijke goederen waren niet te versmaden! Ter vergelijking: in 1760 bedroeg een prebende zo’n 800 florijnen, terwijl een hooggeschoolde arbeider zoals een steenhouwer slechts 1 florijn per dag verdiende. Om te kunnen overleven had de religieuze gemeenschap sinds haar stichting heel wat grond nodig. Waarschijnlijk schonk Begga bij het ontstaan de ‘Ban d’Andenne’, een terrein op de rechteroever van de Maas. Met de tijd werden de bronnen van inkomsten diverser en talrijker (schenkingen, particuliere bijdragen, landbouwopbrengsten, inkomsten uit bosbouw, groeves, heffingen op het vervoer over de Maas en andere inningen…). Een gebrek aan inkomsten was er niet. De wijn voor de erediensten kwam van wijnbouwdomeinen een heel eind verderop, langs de Rijn. Tot het einde van het kapittel was de eerste prebende altijd bestemd voor ‘het heilige lichaam en de relikwieën van Mevrouw Sint-Begga’. Of deze elk jaar correct verdeeld werd in naam van de religie, is niet bekend. Het kapittel van Sint-Begga was een wereld van voornamelijk vrouwen, die duizend jaar lang leefden volgens het koninklijk recht, op een gebied van vijf kilometer langs de Maas.

Stijltwisten

In 1762 waren de zeven oorspronkelijke kerken vervallen. Het kapittel van Sint-Begga kreeg van keizerin Maria-Theresia van Oostenrijk de toestemming om ze te slopen en te vervangen door één enkele kerk. Uiteraard betreurt Jean Sacré deze beslissing. Als de vroegere kerken gerestaureerd waren in plaats van gesloopt, had Andenne zeker een plaatsje gekregen op de lijst van het Werelderfgoed. Een populaire architect uit die tijd, Laurent-Benoît Dewez, die in dienst was van landvoogd Karel van Lotharingen, werd uitgekozen om de plannen te tekenen voor een neoklassieke collegiale kerk. De eerste steen werd gelegd op 23 juli 1764. Al snel overschrijdt de architect echter het geraamde budget, met desastreuze gevolgen voor de schatkist. Bovendien leidt zijn voorliefde voor de neoklassieke stijl, die toen in de mode was, tot meningsverschillen met de barokliefhebbers, zoals de kanunnik en de graaf van Argenteau. Die laatste vindt de nieuwe trend maar niks en laat als een daad van protest twee overduidelijk barokke altaren bouwen, die nog steeds in de collegiale kerk staan. De werken slepen aan en in 1772 beveelt een koninklijk decreet om binnen het vastgelegde budget de kerk op te leveren. Op 19 september 1778 wordt het religieuze gebouw eindelijk ingewijd. De collegiale Sint-Beggakerk is ruim en licht, dankzij de vele ramen in de gewelven en de weerkaatsing van het licht op de witte muren. Jean Sacré citeert uit het hoofd een passage uit de roman van Umberto Eco, De naam van de roos: ‘Wat u hier ziet, is de erfenis van de vroomheid.’ De schat van de collegiale kerk is ook de rijkdom van het geloof.

De schat van de collegiale kerk is ook de rijkdom van het geloof. ‘Wat u hier ziet, is de erfenis van de vroomheid.’ Umberto Eco, De naam van de roos


Een levenswerk

De kerk herbergt nog een andere, meer tastbare schat in de bijgebouwen: prachtig geborduurde liturgische gewaden, kandelaars met een uitzonderlijk gehalte aan metaal en met de ‘zwanenstempel’ van Michel-Paul Dewez, broer van de architect, manuscripten, incunabels, antifonaria, schilderijen en zilverwerk zoals het juweel van de collectie, het schrijn van Sint-Begga. Hoe langer we tussen de stukken van de kerkschat rondlopen, hoe sterker de conservator zich opwindt. Er is nog zoveel boeiend onderzoek mogelijk naar de verschillende collectiestukken. Het reliekschrijn bijvoorbeeld, werd de laatste keer geopend in 1951 en er bestaat geen enkele foto van, alleen een verslagje van 15 regels. Waarom dat niet opnieuw openmaken en de overblijvende relikwieën ontdekken of de documenten lezen die misschien nog in de sarcofaag van het liggende beeld zitten? Het houten standbeeld van de Maagd uit de 16de eeuw kreeg in 2000 een foeilelijke schilderbeurt. Waarom het niet opnieuw schoonmaken? Opgravingen brachten fijn bewerkte grafstenen aan het licht, die als bouwmateriaal in de muur werden gebruikt. Waarom die opgravingen niet voortzetten?

 

informatie

Collégiale Sainte-Begge
Place du Chapitre
B-5300 Andenne
Thematische rondleidingen met gids op aanvraag
+32 (0) 471 56 95 04
[email protected]
www.andennetourisme.be/collegiale-st-begge/

 

Het Berencarnaval

Het Berencarnaval vindt plaats op de zondag van Laetare (4de zondag van de vasten). Aan de oorsprong ligt de legende waarnaar de Berenfontein in de rue d’Horseilles verwijst. Een inscriptie beweert dat Karel Martel, kleinzoon van Begga en grootvader van Karel de Grote, in zijn jeugd een beer doodde die de buurt terroriseerde. Sindsdien is het dier het symbool van de stad en elk jaar nemen de Beren de straten van de stad in, aangevoerd door de reuzen Fonzi en Martin. Een stoet van zo’n dertig praalwagens overlaadt het publiek met confetti, snoep, slingers en gadgets. De afsluiter volgt op de place des Tilleuls, waar de stoet een laatste rondje aflegt en er als geluksbrengers pluchen beertjes worden gegooid.

Op een steenworp van Binche, in een dorp met moerassige grond, staat de indrukwekkende 12de-eeuwse abdij van Bonne-Espérance. Tegenwoordig vormt de abdij een vredige haven voor de vele bezoekers. Een overzicht van het erfgoed door de eeuwen heen.

Op slechts een paar kilometer van Bergen, midden op het platteland, in het vredige dorp Vellereille-les- Brayeux, rijst een abdij als bij toverslag boven het landschap uit. Ze staat beter bekend als de Notre-Dame de Bonne- Espérance. Dit monument is negen eeuwen oud en staat stijf van de geschiedenis. In het begin bood de abdij onderdak aan een kloostergemeenschap die volledig zelfvoorzienend was, vervolgens werd ze gebruikt als seminarie en normaalschool in het begin van de 19de eeuw. De gebouwen van voor de 19de eeuw bezorgden deze architecturale parel de titel van uitzonderlijk erfgoed van Wallonië. Op dit moment doet de abdij dienst als lagere en middelbare school en als diocesaan onthaalen retraitecentrum voor gezinnen, jongeren of pelgrims. Het is ook een trekpleister voor toeristen en gezinnen, die er de boeiende geschiedenis van de abdij ontdekken. In het weekend kun je er genieten van kleinschalige animatie, streekproducten proeven onder een kastanjeboom of de voorzieningen bewonderen die ervoor gezorgd hebben dat dit domein van elf hectare nog steeds bestaat.

Van molen tot brouwerij…

Wie een bezoek brengt aan Bonne- Espérance, moet zeker de suikertaarten van bakker Christian eens proeven. Hij bakt ze met versgemalen bloem van molenaar Yves. Ook de overige verse producten die te koop zijn in het winkeltje van de abdij zijn zeker de moeite waard. ‘Het is een hele productieketen. De producten belanden van de molen bij de bakker en via de winkel rechtstreeks bij de klant. We denken er zelfs aan om grond te kopen om er tarwe en graan op te verbouwen,’ zegt Jean-Marc Garin, leraar wiskunde en trouwe vrijwilliger bij de abdij.

In 1972, op de vooravond van het Jaar van de Abdijen, besloten enkele oudgedienden om een vereniging op te richten, Les Compagnons de l’Abbaye de Bonne- Espérance. Door de abdij open te stellen voor het publiek wilden ze de restauratie en de opwaardering ervan promoten.


Het topproduct is echter het bier van Bonne-Espérance. Het bruine of blonde bier zal heel wat liefhebbers kunnen bekoren. Het artisanale brouwsel van mout en hop kwam in de jaren 70 op de markt onder de naam Bonne-Espérance. Die wordt ook gebruikt voor de bereiding van cervelaatworst, paté en kaas, die wordt geproduceerd op boerderij Le Bailli in Zinnik. Het bier wordt gebrouwen door de familie Lefebvre in Quenast. De Compagnons de l’Abbaye de Bonne- Espérance bedachten het als bron van inkomsten voor het onderhoud, de restauratie en de verfraaiing van het domein.

De vrienden van de abdij

Meer dan veertig vrijwilligers staan elke week beurtelings in voor de werking van de abdij. Ze worden de vrienden van de abdij genoemd. In 1972, op de vooravond van het Jaar van de Abdijen, besloten enkele oudgedienden om een vereniging op te richten, Les Compagnons de l’Abbaye de Bonne- Espérance. Door de abdij open te stellen voor het publiek wilden ze de restauratie en de opwaardering ervan promoten. Het initiatief kende veel bijval en vanaf het volgende jaar begonnen de Compagnons met de eerste restauratie, die van de bibliotheek. Sinds 1986 vormen ze een vzw.

De afgelopen jaren stonden er grote werken op het programma: de kloostergangen kregen nieuwe ramen en buiten werd het metselwerk volledig opgeknapt. De overheid nam daarbij een groot deel van de financiering op zich. Er staan nog heel wat andere projecten op stapel, zoals het restaureren van de gevel en het dak van het hoofdgebouw. Naast de bezoeken, de verkoop van streekproducten en de restauratieplannen heeft de abdij ook een goed gevulde culturele agenda. Activiteiten zoals het Oogstfeest, op het einde van de maand augustus, verlenen de abdij naam en faam.

Van watermolen tot huilebalk

Al veertig jaar lang blijft het werk van de Compagnons aan belang winnen. De oude watermolen uit de 18de eeuw werkt momenteel op elektriciteit. Binnenkort kan hij opnieuw zoals vroeger energie halen uit het water van de vijvers van het domein. Oorspronkelijk waren de vijvers vooral bedoeld om de moerassige grond in de buurt van de abdij te draineren. Maurice Servais, licentiaat geschiedenis, maar vooral een groot liefhebber van Bonne-Espérance, legt uit waar de Waalse uitdrukking ‘Brayeux’ vandaan komt, die nauw verbonden is met dit water. ‘De term “Brayeux” die we terugvinden in Vellereille-les-Brayeux betekent “moerassig” in het Oud-Frans. Mettertijd is het woord veranderd in “brayou”, zoals we nu iemand noemen die huilt.’ Het is een van de leuke anekdotes die de sportieve 69-jarige graag aan de bezoekers vertelt.

De abdij is vandaag een echte architecturale parel uit de 18de eeuw. Toch is ze niet erg bekend bij het grote publiek. Nochtans is het de enige abdijsite in Henegouwen die geen schade heeft geleden tijdens de Franse Revolutie.


De Kanunniken van Prémontré

De abdij is vandaag een echte architecturale parel uit de 18de eeuw. Toch is ze niet erg bekend bij het grote publiek. Nochtans is het de enige abdijsite in Henegouwen die geen schade heeft geleden tijdens de Franse Revolutie. ‘Dat is niet zonder reden. De bevolking probeerde de site te beschermen bij de aankomst van de soldaten. Net zoals de abdij van Floreffe, bleef ook die van Bonne- Espérance gespaard en werd ze gered door de inwoners van de streek,’ vertelt Maurice Servais.

De abdij heeft een rijke geschiedenis die de nodige bekendheid verdient. In 1130 stichtten kanunniken uit Prémontré het domein van de abdij met een donatie van de Heerlijkheid. De religieuze orde was verantwoordelijk voor zo’n twintig parochies, waaronder die van Erquelinnes. Zoals alle abdijen werd ook Bonne-Espérance openbaar verkocht. Zo kwam ze in 1829 in het bezit van de geestelijken en werd ze opgenomen in het groot bisschoppelijk seminarie van Doornik, dat een jaar later het klein seminarie van Bonne-Espérance oprichtte. Toekomstige priesters brachten er zes jaar door op internaat. Ze studeerden er twee jaar filosofie en vier jaar filosofie en ze leefden op het ritme van studies en gebed. In de huidige middelbare school is er nog maar één priester, en die is belast met de mis in de enorme neoklassieke kerk met gothische trekken.

Van het hoofdplein tot de basiliek…

Wie door de kloostergangen en de eetzaal wandelt, ziet hoe verschillende periodes en stijlen hun stempel hebben gedrukt op de gebouwen. Op de binnenplaats kun je ronddwalen in een botanische tuin, die vroeger werd gebruikt om groenten te kweken. Eerst kom je echter bij de kapel van Lodewijk XI, genoemd naar de koning die er op bedevaart kwam. Ze lijkt wel te zweven voor het portaal uit de 17de eeuw. Het lange plein wordt aan beide zijden omgeven door twee vleugels. Daarna kom je bij de hoofdgevel en de eretrap, stille getuigen van de 18de eeuw. ‘Je ziet dat het oude gebouwen zijn, maar ze zijn bewaard gebleven dankzij de scholen,’ vertelt Maurice. Het stichtend lid van de Compagnons voegt eraan toe: ‘Er wordt ook nu nog in geleefd, waardoor de abdij goed onderhouden blijft.’

De eindeloze kloostergangen baden in een kille, maar tegelijk verrassend warme sfeer. De spitsbogen uit de 13de eeuw en de cul-delampes uit de 16de eeuw tonen aan dat het klooster verschillende eeuwen en artistieke strekkingen overleefd heeft. In de 18de eeuw leek de gotische stijl streng en barbaars. Hij moest dus plaats ruimen voor de architectuur van die tijd, met zijn Grieks-Romeins geïnspireerde vormen op basis van driehoeken, rechthoeken en ronde figuren. ‘Van spitsbogen was geen sprake meer,’ vertelt Maurice. Die vind je nog wel terug in de abdijkerk en in de toren uit de 15de eeuw. Laurent-Benoît Dewez gaf een volledig nieuwe invulling aan de basiliek, een echt historisch meesterwerk. Ze werd gesloopt en weer opgebouwd en bezit ook nu nog het standbeeld van de Notre-Dame de Bonne- Espérance, een prachtig staaltje van iconisch beeldhouwwerk. Ondanks een woelige geschiedenis, godsdienstoorlogen en de Franse Revolutie is het standbeeld relatief goed bewaard gebleven. De gepensioneerde Maurice is zichtbaar ontroerd door het beeld. ‘Het icoon beeldt een gelukkige en serene moeder uit, die haar naakte kind de borst geeft. Het is een zeldzaam en opmerkelijk werk,’ zegt hij.

Een hoofd vol plannen

Hoewel de buitengevel van de basiliek volledig gerenoveerd en opnieuw gevoegd is, zijn er binnen nog steeds vochtplekken zichtbaar. De Compagnons de l’Abbaye de Bonne- Espérance geven het echter niet zomaar op. Met de hulp van het Waalse Gewest blijven ze geloven in hun plannen voor de restauratie van de basiliek en de sacristie. Ze denken er zelfs aan om een museum voor religieuze kunst op te richten om zo meer bezoekers aan te trekken en de intellectuele, sociale en religieuze tradities van de abdij van Bonne- Espérance beter bekend te maken.

 

informatie

Abbaye de Bonne-Espérance
Rue Grégoire Jurion, 22
B-7120 Vellereille-les-Brayeux
+32(0) 64 31 08 08
www.bonne-espérance.be

 

Stenen, mensen… en een abdij

Van 7 tot 9 september 2012 vindt de 24ste editie plaats van de Waalse Erfgoeddagen (Journées du Patrimoine). De Waalse minister van Onroerend Erfgoed, Carlo di Antonio, zet daarbij de prachtige abdij van Bonne-Espérance in de bloemetjes. De oude abdij van Bonne-Espérance, die tegenwoordig fungeert als school, is omgetoverd tot een plek die bruist van het leven. De site staat op de lijst van uitzonderlijk erfgoed van Wallonië en draagt een lange geschiedenis met zich mee. Talloze mannen en vrouwen hebben zich ingezet om dit patrimonium op te bouwen, te verfraaien, te restaureren, te bewaren en te herwaarderen. Tijdens de Erfgoeddagen zullen ook de architecten Laurent-Benoît Dewez en Nicolas de Brissy in de schijnwerpers staan, die respectievelijk de abdijkerk en de hoofdvleugel van het voorplein ontwierpen. Het thema van de Erfgoeddagen is dit jaar immers ‘Van stenen en mensen’, ter ere van alle mensen die gestreden hebben voor het behoud van deze monumentale parel en die vorm hebben gegeven aan dit patrimonium.

www.journeesdupatrimoine.be


Te lezen

Les Cahiers nouveaux, nr 83. Grandes figures de Wallonie. Mardaga uitgeverij, september 2012, 104 pagina’s, € 14.

Rond de stad Chiny ligt een bos van zo’n 3.500 hectare groot, waar wandelaars en toeristen honderden kilometers afgebakende wandelwegen vinden. Het bosdomein van de graven van Chiny, ‘Het grote woud van Chiny’, strekt zich uit van de Semois, ten westen van het kasteel van Épioux, tot La Civanne in het oosten.

De slibvlakte van de Semois vormt de grens in het zuiden, en in het noorden loopt het domein tot de stadsgrens van Chiny, iets ten noorden van Suxy en het kruispunt van de Notre-Dame. De Semois heeft de leisteengrond diep uitgegraven, waardoor er mooie panorama’s zijn ontstaan op de plekken waar de Semois het bos ontmoet. Zo bijvoorbeeld op de ‘Rocher de Hat’, waar je een prachtig uitzicht hebt op de vallei en de beboste heuvels eromheen.

Soorten wegen

Ze zijn goed begaanbaar en er zijn geen grote niveauverschillen. Over het hele traject vind je borden, vooral gele liggende ruiten en gele rechthoeken met een zwarte 8 erop, die je door het bos leiden. De routebeschrijving verwijst ernaar als het nuttig is. Buiten het bos word je gegidst door de straatnaamborden. Let op, het traject is niet toegankelijk voor kinderwagens en rolstoelen.

 

Parkeerplaats

Een beperkt aantal auto’s kan parkeren tussen de gevel van de neoklassieke kerk uit 1829 en het Toerismebureau.

 

informatie

Maison du Tourisme du Pays de la Semois entre Ardenne et Gaume
Place Albert Ier
6820 Florenville
+32 (0)61 31 12 29
[email protected]
[email protected]

De keuken van Jean-Charles Derval staat voor gastronomie zonder tierelantijntjes. Het restaurant dat veel weg heeft van een bouchon lyonnais werkt met topwijnen en kwaliteitsproducten voor een karaktervolle tafel. We wensen u een aangenaam verblijf in de Beau Séjour in Binche!

Terwijl Jean-Charles Derval de groenten laat dansen en zich uitleeft aan het fornuis, walst zijn echtgenote door de zaal. Zijn broer Pierre-Henri adviseert met veel plezier de gasten over de ongeveer 250 wijnen in de kelder. Op zijn beurt weet vader Dany echte streekproducten op de kop te tikken. Sinds kort is hij distributeur van Franse en Engelse producten van de wereldmarkt in Rungis. Allemaal samen stellen ze om de zes weken de menukaart samen.

De ‘Beau Séjour’ is een echte familiezaak die aanvankelijk – tien jaar geleden – een dorpsbistro was. Geleidelijk aan kreeg de keuken een belangrijker plaats en in januari 2010 werd het etablissement wat het vandaag is, namelijk een restaurant met een verfijnde gastronomische keuken. De sporen van het verleden zijn evenwel vandaag nog steeds zichtbaar: wie de drempel overschrijdt, treedt binnen in een Parijse brasserie in art-decostijl.

Frans geïnspireerde keuken en wijnen

‘Mijn vader ontwierp de interieurinrichting en heeft samen met mijn grootvader de meeste grote werken voor zijn rekening genomen. Deze Parijse stijl past uitstekend bij onze Frans geïnspireerde keuken’, legt Jean- Charles uit. Deze bijna-dertigjarige, gepassioneerde kok heeft gestudeerd aan de hotelschool van Namen en behaalde een diploma aan de École d’hôtellerie Saint-Joseph van La Louvière. Tussen die twee opleidingen door ging hij ook in de leer bij een van de beste patissiers van Frankrijk en hij vervolmaakte zijn opleiding door stages te lopen van Lyon tot Londen. Vandaag probeert hij met medewerking van de sommelier, zijn twee jaar jongere broer, ‘het werk van ambachtelijke producenten rechtstreeks op het bord te brengen, zonder afbreuk te doen aan de smaak van het product’.

De broers Derval dragen er zorg voor om met gepassioneerde, ambachtelijke producenten en kwaliteitsproducten te werken, en daarom bezoeken ze regelmatig kleine kwekerijen, slachthuizen of wijngaarden ‘om zo goed mogelijk te weten waar producenten mee bezig zijn’.


De broers Derval dragen er zorg voor om met gepassioneerde, ambachtelijke producenten en kwaliteitsproducten te werken, en daarom bezoeken ze regelmatig kleine kwekerijen, slachthuizen of wijngaarden ‘om zo goed mogelijk te weten waar producenten mee bezig zijn’. Ze werken samen met grote Franse namen als Hugo Desnoyer, ‘de slager van de sterren’, lacht Jean-Charles, of bijvoorbeeld ook Alex Croquet, een bakker met faam in het wereldje. De broers betreuren evenwel dat ze in België de traditie van artisanale producten volgens de Franse filosofie niet terugvinden. ‘Het probleem bij ons is dat er enorm veel normen zijn die producenten verplichten veel van hun laatste centen te investeren om overal aan te beantwoorden. In Frankrijk beschermen de A.O.C.’s (Appellation d’origine controlée) het artisanale product, maar bij ons heb je dat niet.’

Herfst en winter in het teken van de zee

Nochtans staan er wel wat Belgische producten op de kaart van de ‘Beau Séjour’. Bijvoorbeeld Ardense ham uit Oignies, duif uit Duinkerke, witte asperges uit Mechelen, hoeveboter uit Peissant, geuze 100% lambiek van brouwerij Cantillon en de méthode traditionnelle champenoise Ruffus. Maar of we nu over alcohol, wijn, eten of brood spreken, de woorden die het vaakst weerklinken in de ‘Beau Séjour’ zijn ‘verse en authentieke producten’. Om in harmonie te blijven met de seizoenen, zetten ze hier in de herfst niet alleen wild, maar ook schaaldieren op de kaart, een keer per maand, van september tot januari, om de versheid van schaaldieren zoals kreeften, krabben en langoustines te garanderen.

Op zoek naar het beste

Ondanks de steeds wisselende menu’s heeft de chef-kok met orgaanvlees - de vermaardste gerechten - toch een zekere constante op de kaart, samen met de entrecote die twintig dagen wordt gemarineerd. Op de wijnkaart prijken voortdurend nieuwe vondsten. ‘Aangezien wij jong zijn, hebben we gekozen voor fruitige, frisse wijnen. Een levendige wijn die onder vrienden wordt gedronken! ’ Waaraan Pierre-Henri toevoegt: ‘We zijn steeds op zoek naar nieuwe wijnen, sympathieke flessen die afwisseling brengen op de kaart. Maar elk jaar kopen we ook flessen van de domeinen Grange des Pères of Trévallon als bewaarwijn.’

Van de keuken waar Jean-Charles alles van a tot z bereidt, tot de wijnkelder die Pierre-Henri samenstelt, voortdurend zijn de gebroeders Derval op zoek naar het beste dat de markt te bieden heeft. Ze concentreren zich op het resultaat om op elk moment van het jaar verse en gezonde producten aan te bieden tegen de vrij redelijke prijs van 60 euro per persoon. Nu begrijpen we Gault Millau die de ‘Beau Séjour’ dit jaar 14/20 gaf!

 

Openingsuren
Elke dag, behalve op zondag, maandag en zaterdagmiddag

informatie

Le Beau Séjour
Route de Merbes, 408
B-7133 Binche
+32(0)64 22 32 42
[email protected]
www.beausejourrestaurant.be

Van de Merovingische drink- en wasplaats die je in het park kunt zien, tot de oude brouwerij Sint-Jozef waarvan de kuipen tijdens de Eerste Wereldoorlog door de Duitsers in beslag werden genomen, en langs de ruïnes van het feodale kasteel dat op de heuvel oprijst… Er is geen gebrek aan geesten uit het verleden op deze prachtige plek in de vallei van de Samson, op een twintigtal kilometer ten zuidoosten van Namen.

We zijn in het Manoir de Houte, het ‘kasteeltje van Gesves’, dat al in bronnen uit 1256 werd vermeld en heropgebouwd is in de 17de eeuw. Samen met de bijgebouwen en de belendende boerderij, de Molen van Houte, vormt deze antieke woning een geheel van harmonieuze gebouwen, in een park van twee hectaren dat omringd wordt door oude muren en een statig hek. Het geheel is omgebouwd tot een gastenverblijf voor veertien personen. Het kasteel beschikt vandaag over alle moderne voorzieningen en comfort, maar de aankleding van vroeger werd behouden. Het beekje dat het landgoed doorkruist, het zonnige terras, de boomgaard en zelfs de moestuin zorgen ervoor dat deze plek een oase van rust wordt. ‘Wanneer we voor het knetterende haardvuur zaten of in het prachtige park rondwandelden, leek het wel alsof we in een oud, Engels kasteel waren, in een film met Miss Marple, de heldin van Agatha Christie!’ zei een koppel Duitse gasten onlangs.

‘De mensen die hier komen logeren, geven vaak toe dat ze bijzondere indrukken ervaren’, bevestigt Alain Verkindere, de eigenaar. Hij vertelt graag dat de wapenschilden van de familie Houtardt – de baron woont vandaag in het ‘grote’ kasteel van Gesves – terug te vinden zijn op de blauwe steen in de voorgevel, en dat er tijdens de Tweede Wereldoorlog een geheime bergplaats werd gemaakt in de diamantkop op het dak, om er twee Joodse kinderen te verbergen.

Na het kasteeltje zal al snel de molen aan de beurt komen, die een onderkomen bood aan de brouwerij. ‘Ik ben van plan om de schuur en de kuiperij opnieuw in te richten om er een tweede gastenverblijf van te maken’, zegt Alain Verkindere. Hij hoopt ook kinderen een ritje door het dorp op een ezel te kunnen aanbieden.


informatie

Le Manoir de Houte
Rue de Houte
5340 Gesves
+32 (0) 473 308 217
[email protected]
www.manoirdehoute.be

 

Te zien, te doen

Het dorp Mozet

‘Het dorpje wordt beschermd als zone Natura 2000. Liefhebbers van wandeltochten kunnen met een natuurgids de fauna en flora gaan ontdekken’, stelt Alain Verkindere voor. Hij is helemaal weg van het naburige dorp Mozet op de weg naar Namen, een van de mooiste dorpen in Wallonië. ‘De huizen in steen uit de streek zijn leuk om te zien en goed verzorgd. Ik raad mijn gasten vooral aan om een kijkje te gaan nemen bij de Toren van Royer. Dat is een beschermd monument uit de 17de eeuw, maar nu is het een gezellig en goed uitgerust klein gastenverblijf.’

Andere bezienswaardigheden en activiteiten

De provinciale manege in Gesves, het museum Monopoli in Barsy-Flostoy, het regionale ambachtencentrum in Natoye, het kasteel van Haltinne, Namen en de citadel, het museum van de Keramiek in Andenne, het kasteel van Spontin…

‘Waarom het La Maraude, de Stroperij, heet? Omdat ik voor de renovatie op strooptocht ben geweest. Maar nu serieus. Tijdens de herstelling van het dak had een geschrokken uil zich binnen verstopt en is er gestorven, omdat hij niet meer naar buiten kon. Ik heb hem laten opzetten en hem een plaatsje gegeven in de salon. Maar ik heb er ook een tekening van gemaakt die overgenomen is in de blauwe steen op het plaveisel aan de ingang van het gastenverblijf.’

Charles Boucher zou uren kunnen vertellen over zijn ‘Maraude’ die een eindje buiten het dorpje Daverdisse gelegen is. Hij heeft tien jaar van zijn leven opgeofferd aan de renovatie, voor hij het gebouw eind jaren negentig openstelde voor vakantiegangers. Hij zou u kunnen vertellen over de klok die hij in Tellin heeft gekocht of over het tuinhek dat hij zelf had ontworpen voor hij het lot ervan in de handen van een smid legde.

‘Ik heb altijd van de Ardennen gehouden’, zegt deze Brusselse tuinarchitect en tuinder van opleiding die ‘altijd al iets met zijn handen had willen doen’. Hij heeft zijn project gevonden toen hij dit oude boerderijtje tegenkwam, dat eigenlijk een huis was voor een seizoensarbeider of een dagloner. Het stond letterlijk op instorten. ‘Ik was op zoek naar een typische, sterke plek. Daverdisse sprak me meteen aan omdat het een echt eilandje is te midden van bossen. Ik heb dit huis voor een peulenschil gekocht en het zelf, kamer per kamer, helemaal opgeknapt. Ik heb met mijn kruiwagen de velden en bossen doorkruist om stenen te gaan halen, ik heb de plannen opgesteld voor al het ijzerwerk, ik heb mijn handen kapot gewerkt door de versieringen te tekenen op het pleisterwerk van de muren…’

Maar de grote trots van Charles Boucher is wel de prachtige Engelse tuin met uitzicht op de Lessevallei. Dankzij die tuin kreeg hij het label ‘Gîte au jardin’ (vakantiehuis met tuin). ‘Ik heb er typische streeksoorten aangeplant, zoals beukenbomen, haagbeuken, hazelaars, en ook verschillende fruitbomen en planten (rozenstruiken, egelantieren…), waarvan ik de namen op leistenen heb overgenomen. Ik noem het de ‘tuin van de stilte’. De mensen voelen zich er zo goed dat een huurder zich ooit – hij was nog maar net met zijn koffer aangekomen – op een stoel op het terras liet vallen en riep: “Ik kom volgend jaar terug!” Hij was zelfs nog niet binnen in huis geweest.’

Bent u er nog niet van overtuigd dat de renovatie van La Maraude het werk is van een man met een echte passie? Dan moet u beslist luisteren naar de oorsprong van het piepkleine, stenen huisje achter in de tuin. ‘Ik zocht iets om de ruimte af te sluiten. Ik heb het huisje gebouwd met dezelfde materialen als het vakantiehuis, zodat de mensen zouden denken dat het er altijd al heeft gestaan. Omdat het zo klein is, lijkt de tuin groter. Maar je kunt er wel verblijven, want ik heb voor water en elektriciteit gezorgd en een open haard gebouwd met een enorme schoorsteen. Het is mijn peperkoeken huisje, het huis van Hans en Grietje…’

Hebben jullie dat goed begrepen, kindjes? Als jullie op een dag (of een nacht) verdwaald zijn in het bos van Daverdisse, weten jullie waar je een schuilplaats kunt vinden!

 

Te zien, te doen

Wandeling langs de Lesse

‘Er zijn heel wat wandelingen mogelijk rond Daverdisse’, vertelt Charles Boucher, ‘maar ik stel u de wandeling langs de twee oevers van de Lesse voor. We lopen in de richting van de bron en vertrekken bijvoorbeeld bij de brug van de Barbouillons. Eerst lopen we voorbij een prachtige waterval, vervolgens langs de “Roche aux chevaux” (nvdr: een heuvelrug waar men vroeger de oude paarden naar beneden kwam gooien) en wandelen dan via een loopbrug naar de andere oever en zo terug naar het vertrekpunt. Het is geweldig!’

Andere bezienswaardigheden en activiteiten

Het boekendorp Redu, het Euro Space Center in Transinne, de basiliek, het ijzermuseum en het museum van het plattelandsleven in Saint-Hubert, het klokken- en beiaardmuseum in Tellin, de grotten en het natuurreservaat in Han-sur-Lesse.

 

informatie

La Maraude
Rue Ry de Dinnan 14
B-6929 Daverdisse
+32 (0) 2 411 14 65
[email protected]

Op loopafstand van het oude station van Bonne Espérance in Binche prijkt trots en imposant een prachtig herenhuis, verloren in het midden van de velden. Marie-Odile en Vincent Cortembos zijn de gelukkige eigenaars. Op ontdekking in de Bed & Breakfast Fleur de Lin!

Een heerlijke, geraffineerde geur dringt door de muren. Over de trap sluipt hij naar de tweede verdieping en dringt subtiel de gastenkamer binnen, kriebelt er de neus van de gasten en wekt hen smakelijk. Maar waar kan die zoete geur toch vandaan komen? Uit de keuken natuurlijk! Mooie brioches en lekkere broden, met zorg bereid door Marie-Odile, liggen zachtjes te bruinen in de oven. Want elke dag van de week – of toch bijna – schept de vrouw des huizes er plezier in voor haar gasten een rijkelijk ontbijt te bedenken… altijd samengesteld uit verse producten. Een aangename verandering van omgeving voor de toeristen die soms duizenden kilometers afleggen en op goed geluk onderdak vinden in dit charmante gastenverblijf met de lieflijke naam Fleur de Lin.

Trouw

Trots laat Marie-Odile haar gasten van haar huisgemaakte recepten proeven: yoghurt met de smaak van pistache en honing met paprikachutney, daar blijft niemand onbewogen bij. ‘Maar waar de gasten het meeste van houden en wat hen altijd verrast, zijn mijn crêpes salées of hartige pannenkoeken’, vertelt deze mama van twee adolescenten. Van het bed tot de tafel, en zelfs na hun verblijf,worden gasten in de watten gelegd: bij elke verjaardag krijgen ze een kleine attentie van Vincent en Marie-Odile. Wat hen trouwe klanten oplevert die regelmatig terugkomen.

Natuurlijk

Uit alles blijkt de wil van de Cortembossen om hun gasten zin te geven om terug te komen. In dit gebouw uit de 20ste eeuw is alles gebleven zoals het was, om de ziel van de woning te bewaren, van vloeren tot plafonds. Van de historische schoorsteenmantel tot het notarismeubel uit de 19de eeuw, van het opaalglas van Binche - getuige van de industriële activiteit van de streek – tot de oude kapel. Al die ouwe spullen dragen bij tot de sfeer in dit huis, dat doordrongen is van schoonheid. De benedenverdieping werd niet verbouwd, maar de oude zolder werd volledig vernieuwd en omgebouwd tot twee gastenkamers, weliswaar met respect voor de sfeer van de plek. ‘We hebben het karakter van de lambrisering en de balken bewaard en hebben dat gecombineerd met neutrale kleuren en een sobere decoratie die onze gasten niet overdondert’, legt Vincent, handelaar in aardolieproducten, uit. ‘Mijn lange reizen hebben me geleerd dat het belangrijkste in een kamer het comfort van het beddengoed en de badkamer is, net zoals de rust.’ En hier in Estinnes, in dit dorp met fantastische toeristische troeven, is alles aanwezig voor een verblijf in alle stilte.

Authentiek

In dit decor dat veel weg heeft van een brocante, waar de meeste voorwerpen na lang snuisteren op de kop werden getikt, ontdekken trouwe gasten gefascineerd de sporen van het verleden die door de vroegere eigenaar, een vlashandelaar, werden nagelaten. In dit drie hectaren grote privédomein, waar een 108 jaar oude Kaukasische zilverden alle aandacht trekt, werden zakken vlas afgezet die met het spoor werden aangevoerd en van het oude station rechtstreeks naar het pakhuis werden gebracht. Tegenwoordig wordt het grote bijgebouw gerestaureerd en omgevormd tot een industriële loft van 600 m², die volledig moduleerbaar is.

Dit ambitieuze project moet in januari 2014 klaar zijn om tijdens Mons 2015 gezinnen en koppels te kunnen ontvangen!

 

informatie

Fleur de lin
Rue du Cheneau, 2
B-7120 Vellereille-les-Brayeux
+32 (0)64 44 19 42
[email protected]
www.fleurdelin.be

Your opinion counts