Waw magazine

Waw magazine

Menu

Musée de la Photographie

  • ,
  • ,

Een tentoonstelling om te zien tot 15 mei 2022

Michel Vanden Eeckhoudt

Samen met een activiteit als geëngageerde journalist, Michel Vanden Eeckhoudt (1947-2015) was geïnteresseerd in dierentuinen die hij zowel in Europa als in de Verenigde Staten gefotografeerd heeft. Hij is gefascineerd door het theatrale aspect van die plaatsen: zij die kijken, zij die bekeken worden, allemaal bekeken door de fotograaf.

Tijdens zijn carrière als fotograaf realiseert hij talrijke tentoonstellingen en voert hij, alleen of samen met anderen, fotografieopdrachten uit in Tunesië, Nepal, Israël, Marokko of Egypte. Michel Vanden Eeckhoudt heeft eveneens gewerkt voor Libération, waarbij hij zijn blik en zijn objectief, waar hij ook is, richt op de wereld van de arbeid.


Michel Vanden Eeckhoudt
Bruxelles, 1979

 

IN MARIEMONT

Het Museum van Mariemont brengt de wereld van de Merovingers weer tot leven! Die dynastie, waarop vooral Clovis zijn stempel drukte, heerste drie eeuwen lang over het westen van Europa, van de val van het Romeinse rijk tot aan de kroning van Karel de Grote. Die periode is veel interessanter dan gedacht.



Childeric I, koning der Franken en der Gallo-Romeinen
Op zijn zegelring staat de Merovingische koning afgebeeld met lang gevlochten haar en met een schoudermantel. Beide zijn tekenen van macht: het eerste bij de Germanen en de tweede in het Romeinse rijk. Met een eenvoudige afbeelding van een postzegel groot slaagt Childeric er zo in aan die twee cultureel zo verschillende gemeenschappen te zeggen: “Ik ben uw aller koning”!

Laten we eerlijk zijn : behalve het verhaal van de vaas van Soissons (dat Clovis zelf zich lang zou herinneren), de broek van koning Dagobert en de vadsige koningen, weten we zo goed als niets over de Merovingers, die nochtans van de 5e tot de 8e eeuw heersten over een zeer groot deel van het huidige Frankrijk en België, alsook over een deel van Duitsland, Zwitserland en Nederland. Gelukkig is er nog tot 13 juni de tentoonstelling “De Wereld van Clovis”, die door het Museum van Mariemont wordt georganiseerd en die ons een intieme en culturele ontmoeting met de Franken aanbiedt. Dankzij de vele necropolen die werden blootgelegd in onze streken, leerden we de zeden en gewoonten van dat volk beter kennen en konden we hun blazoen weer wat opblinken, zoals ons werd uitgelegd door Marie Demelenne die, samen met archeoloog Olivier Vrielynck, medecommissaris van de tentoonstelling is.


Marie Demelenne medecommissaris van de tentoonstelling “De Wereld van Clovis”.

Marie Demelenne, hoe kijkt u naar de Franken en de Merovingers ?

De Franken zijn een van die Germaanse volkeren die, in de eerste eeuwen van onze tijdrekening, Gallië dikwijls binnenvielen en er zich uiteindelijk gingen vestigen en samenwerken met de Romeinen. In de 5e eeuw sloten ze zelfs een verdrag met deze laatsten en werden een bondgenoot. Voor zover ze, hoofdzakelijk op militair gebied, bijdroegen aan de Staat, konden ze hun instellingen, godsdienst en rechtssysteem behouden. Ze werden steeds belangrijker en slaagden er uiteindelijk in hun heerschappij op te leggen en heel het grondgebied te besturen. De Merovingische koningen heersten drie eeuwen lang, tot ze werden afgezet door de hofmeiers, onder wie de Pippiniden, een geslacht waarvan de bekendste afstammelingen Pepijn de Korte en Karel de Grote zijn. Met hen begon de Karolingische dynastie.

Waren de Merovingers vadsige koningen ?

Het waren de Karolingers die, om hun machtsgreep te wettigen, hun versie van de geschiedenis vertelden en het beeld schiepen van een periode van stagnatie, barbaarse krijgers en vadsige koningen die zich futloos lieten rondrijden met ossenwagens. Dat kwam doordat ze geen hoofdstad en geen vast paleis hadden en ze voortdurend van de ene streek naar de andere trokken om zich te tonen en recht te spreken. Dat verhaal bleef in de geschiedschrijving overeind omdat hun geschriften bewaard bleven, in tegenstelling tot die van de Merovingers, die de tand des tijds niet doorstonden. Maar de werkelijkheid was heel wat veelzijdiger en genuanceerder.

Wil de tentoonstelling die koningen leren kennen om ze te rehabiliteren ?

We hebben ook willen aantonen dat de overgang tussen de Franken en de Gallo-Romeinen heel wat subtieler en geleidelijker verliep. Er waren immers geen grote rooftochten en evenmin ontreddering en een brutale ineenstorting. Hoewel er wel degelijk geweld werd gepleegd, toch zijn beide volkeren het later eens geworden over de organisatie van het grondgebied en werden er huwelijken gesloten tussen de vooraanstaande families uit beide kampen. De Merovingische tijd getuigt van een verregaande integratie, met overblijfselen uit de Romeinse tijd en met Germaanse inbreng. Het was een mengsel van traditie en creativiteit.

De Merovingische tijd getuigt van een verregaande integratie, met overblijfselen uit de Romeinse tijd en met Germaanse inbreng. Het was een mengsel van traditie en creativiteit.

 

Hoe hebt u de tentoonstelling opgevat ?

Het originele ervan is, dat we zijn vertrokken vanuit het dagelijks leven van de bewoners. Om te kunnen spreken over de woonvorm, het voedsel, de wapens, de versieringen, de geloofsovertuigingen, de reizen, de geschriften…, creëerden en toonden we zes profielen van fictieve maar realistische personen – een prinses, een meisje, een jongen, een reus, een kloosterlinge en een pottenbakker. Op die manier kunt u mannen en vrouwen van 1500 jaar geleden ontmoeten ! Daarnaast hebben we met behulp van archeologische vondsten uit talrijke necropolen willen aantonen dat er onder die dynastie wereldwijde handelsrelaties bestonden. Zo stelden we vast dat de stenen in fibula’s – of grote sluitspelden – uit India en Sri Lanka ingevoerde granaatstenen zijn. En als mensen en goederen zo ver konden reizen, dan konden ideeën dat ook doen. Dit schept dus een heel ander beeld dan dat van op zichzelf teruggeplooide vroege middeleeuwen die achterliepen bij de Romeinse beschaving.

 

 

Franken die werden gekleed te Zinnik
Edith, de Saksische prinses uit Doornik, en Odon, de pottenbakker uit Quévy : het zijn twee van de zes fictieve personen die hun persoonlijk verhaal “vertellen” aan de bezoekers. De Brusselse illustrator heeft ze getekend op basis van een zeer nauwkeurige documentatie die werd bezorgd door archeologen en het waren de leerlingen van de naadafdeling van het ‘Institut Provincial des Arts et Métiers du Centre’ (IPAMC), op de campus van Zinnik, die de kostuums hebben gemaakt.

Een mini-Louvre

Als wetenschappelijke instelling van de Federatie Brussel-Wallonië, bewaart, bestudeert en benut het Koninklijk Museum van Mariemont de verzamelingen die de beroemde industrieel en grote reiziger Raoul Warocqué bij zijn overlijden in 1917 aan de Belgische Staat legateerde. Zijn belangstelling voor kunst was even immens als zijn fortuin. Die verzamelingen bevatten allerlei schatten die zowel voortkomen van de grootste beschavingen (Egypte, Griekenland, het oude Rome, het oude China …) als van bevolkingen die in onze streken hebben gewoond, vanaf de Kelten, over de Gallo-Romeinen tot de Merovingers. Alles wat, vanaf de 16e eeuw, de geschiedenis van het domein van Mariemont betreft, heeft er ook een mooie plaats in, net zoals Doorniks porselein. Het museum, dat een soort mini-Louvre is, vormt dus een voortzetting van Waroqué zijn passies.

Raoul Warocqué liet zijn verzamelingen, alsook het 19e eeuwse kasteel en het park na, op voorwaarde dat het toegankelijk zou zijn voor het publiek”, benadrukt Marie Demelenne. “Zo wil het museum die collecties tot hun recht doen komen door het organiseren van tentoonstellingen over onderwerpen die hem dierbaar waren, zoals onlangs nog Koptische weefsels en de geneeskunde in het oude Rome, en wil het die verrijken door een aankoopbeleid dat door dezelfde interesses wordt beïnvloedt.

Interesses die Raoul Warocqué deelde met de inwoners van Morlanwelz. Toen het kasteel in december 1960 afbrandde, schoten die inwoners massaal te hulp om de beroemde verzamelingen uit de vlammen te redden, wat voor 95 % ervan lukte. Het huidige museum is op dezelfde plaats gebouwd en werd ingewijd in 1975.

 

Glazen zonder voet gingen van hand tot hand !
Deze voetloze beker is uitzonderlijk door zijn netwerkversiering. In de tijd van de Merovingers werden er grote banketten gehouden, waardoor de vorst en de vooraanstaanden hun onderlinge banden konden verstevigen, meer bepaald door uit dezelfde beker te drinken. Aangezien die niet kon staan, moest men hem van hand tot hand doorgeven of hem in één teug leegdrinken !

Van waar komt het getoonde archeologisch materiaal?

Een deel komt natuurlijk uit onze collecties. Maar een twintigtal andere, hoofdzakelijk Waalse instellingen, hebben ons ook voorwerpen uitgeleend, zoals de archeologische musea van Namen en Doornik, maar vooral het Waals Erfgoedagentschap, dat onze voornaamste uitlener is. Er komen ook kostbare voorwerpen uit het archeologisch museum van Saint-Germain-en-Laye, nabij Parijs, en uit het Rijksmuseum van Leiden, in Nederland. Dankzij die verscheidenheid hebben we een kijk op volkeren met verschillende kenmerken. Wanneer je voorwerpen ziet uit een necropool in Broechem, bij Antwerpen, dan merk je aanzienlijke verschillen tussen de Franken uit het Waalse gebied en die uit het Vlaamse, dicht bij de zee.

Buitengewone schaatsers
In Hoei werden er ook... ijsschaatsen opgegraven. Ze waren gemaakt van een gezaagd, bijgesneden en gepolijst runderbot en werden vervolgens met touw rond lederen schoeisel bevestigd. Dat stukje huisvlijt toont aan dat de Merovingische samenleving kringloopeconomie kende : alle delen van een dier hadden hun nut. Op dezelfde site werden er ook resten van een slede gevonden.

Een « escape roo»voor gezinnen

Na het museumbezoek is het tijd voor plezier, namelijk voor een familieactiviteit in een bubbel van maximum zes personen. De deelnemers worden “opgesloten” in een ruimte en moeten raadsels oplossen om er uit te ontsnappen. De pitch ? Er doen zich in het museum rare dingen voor ten tijde van de laatste Warocqué! Wat is het geheim, of is het een vloek ? ...

Info en boekingen : www.charleroom.be

 

Het grafmeubilair van koningin Aregonde
De directie van het Museum van Mariemont heeft met alle middelen – maar vruchteloos – getracht om de schat van Childeric I in leen te krijgen. Diens graf werd in 1653 ontdekt en een deel ervan wordt bewaard in de afdeling Munten, medailles en oudheden van de Nationale Bibliotheek van Frankrijk. “De Fransen vreesden te zeer dat er iets zou misgaan met de kostbare relieken van degene die ze beschouwen als de eerste koning van Frankrijk”, vertelt Marie Demelenne. “Maar na jarenlang onderhandelen hebben we van het nationaal Museum voor Archeologie van Saint-Germain-en-Laye de grafschat in leen kunnen krijgen van koningin Aregonde, echtgenote van Chlotarius I en moeder van Chilperic I, die heersten in de 6e eeuw. Ze heeft zich laten begraven met haar koninklijke juwelen: haar ring met het monogram waardoor ze kon worden geïdentificeerd en een reeks persoonlijke juwelen (fibula’s, oorbellen, een grote speld, een gordel garnituur…), in totaal slechts een twaalftal unieke stukken. Het gaat echter om het grafmeubilair dat volledig is, in tegenstelling tot de schat van Childeric, die in de 19e eeuw werd geplunderd. Daarom vinden we die van de koningin kostbaarder.

Jaartallen

• 342 De Salische Franken vestigen zich als bondgenoten binnen het Romeinse rijk, in het noorden van Gallië.
• 476 De Germanen zetten de laatste West-Romeinse keizer af. Dit betekent het einde van de oudheid en het begin van de middeleeuwen.
• 457-458 Childeric, de eerste (erkende) koning van de Merovingische dynastie.
• 508 (?) Clovis, zoon van Childeric en eerste koning van alle Franken, wordt gedoopt te Reims. Begin van de band tussen de Gallo-Romeinse clerus en de Frankische monarchie.
• 511 Dood van Clovis en verdeling van het Frankische koninkrijk tussen zijn vier zonen.
• 613 tot 639 Chlotarius II en daarna Dagobert I zijn koning van heel het Frankische rijk.
• 732 Onder de leiding van Karel Martel verslaan de Franken de Arabieren te Poitiers. Die overwinning is een belangrijke stap in de vestiging van de Karolingische dynastie.
• 751 Afzetting van de laatste Merovingische koning, Childeric III, door de hofmeiers. In 754 wordt Pepijn de Korte de eerste Karolingische koning.
• 800 Karel de Grote, zoon van Pepijn de Korte en koning van de Franken, wordt tot keizer gekroond. Zijn rijk zal zich uitstrekken van West- tot Midden-Europa.
• 924 Einde van het Karolingische rijk.

 
Musée royal de Mariemont
Chaussée de Mariemont 100
B-7140 Morlanwelz

+32 (0) 64 27 37 41

[email protected]
www.musee-mariemont.be

 

EEN STICHTELIJK VERHAAL !

Het Provinciaal Paleis van Aarlen werd gebouwd tussen 1845 en 1849. Het is een iconisch gebouw van de hoofdstad van de provincie Luxemburg. Het bouwen ervan, dat verband hield met het verdelen van het grondgebied tussen België en Luxemburg, getuigt van de buitengewone ontwikkeling van de stad in de 19e eeuw.

 


© Mireille Neuberg

Indien u al eens op de Place Léopold in Aarlen bent geweest, hebt u zeker het Provinciaal Paleis gezien, dat een volledige kant van dat plein in beslag neemt. De beschermde gevel ervan is immers heel indrukwekkend. Het biedt tegenwoordig al het nodige comfort voor de woning van de gouverneur en voor de kantoren van de leden van zijn kabinet, maar dat was niet altijd het geval. “Enkele jaren na de daadwerkelijke splitsing van Luxemburg, besloot men in 1839 een nieuw plein en vervolgens een echt provinciepaleis te bouwen”, vertelt Jean-Marie Triffaux, een Aarlense historicus. “In 1843, naar aanleiding van het eerste bezoek van koning Leopold I, werd het naar hem genoemde plein aangelegd. Dat ligt buiten de historische stadskern, die nog wordt omringd door de vroegere vestingen. Dankzij de steun van Jean-Baptiste Nothomb, een uit Aarlen afkomstige volksvertegenwoordiger, werd het provinciepaleis tussen 1845 en 1849 langs de Place Léopold gebouwd. Voordien beschikte het provinciebestuur over tamelijk ongeschikte ruimtes in een gebouw tegenover het huidige stadhuis.

Al die gebouwen werden nauwelijks beschadigd sinds het optrekken ervan. Er ontstond enkel een dakbrand tijdens de Eerste Wereldoorlog.


Een kamer voor de koning

Het provinciepaleis van Aarlen werd ontworpen door de Bergense architect Albert Jean-Baptiste Jamot die, na zijn opleiding aan de Koninklijk School voor Schone Kunsten van Parijs, stadsarchitect van Aarlen was geworden. Het paleis in neoklassieke stijl werd gebouwd met materiaal uit Luxemburg (steen uit Eischen) en uit België (zand uit Mussy en Latour, leisteen uit Herbeumont en La Géripont). Op het gelijkvloers zijn er twee rijkelijk versierde salons en een feestzaal voor ontvangsten. Op de verdieping treft men de kantoren van het bestuur en die van de gouverneur aan, alsook de privévertrekken van deze laatste. In het paleis staat er ook een kamer ter beschikking van de koning, wanneer die in de streek is. “Leopold I heeft er minstens drie keer overnacht”, zegt Jean-Marie Triffaux. “Maar door de ontwikkeling van het vervoer werd die kamer in de loop der jaren steeds minder gebruikt …

Verder heeft het paleis nog een aantal bijgebouwen. Er werden stallen, een garage en een conciërgewoning toegevoegd, alsmede een gebouw waar de Provincieraad zetelt. Al die gebouwen werden nauwelijks beschadigd sinds het optrekken ervan. “Er ontstond enkel een dakbrand tijdens de Eerste Wereldoorlog. Voor het overige is er aan het gebouw niets veranderd, behalve enkele renovaties, meer bepaald die van de Provincieraad, een twintigtal jaar geleden, legt de historicus uit.


© Mireille Neuberg

Een mijlpaal in de ontwikkeling van Aarlen

Het Provinciaal Paleis, met zijn boomrijk park aan de achterzijde, is slechts één van de gebouwen die tijdens heel de 19e eeuw werden opgetrokken om de nieuwe provinciehoofdstad te voorzien van de bij haar status passende infrastructuur. “In 1839 vestigen alle besturen zich van de ene dag op de andere in Aarlen: scholen, leger, provincieambtenaren ... Al die mensen moesten een geschikte werkomgeving krijgen. Het is dan ook in die periode dat de stad de grootste stedenbouwkundige werken ooit kende”, aldus Jean-Marie Triffaux.

Tot die andere gebouwen behoorde het Gerechtshof, dat vanaf 1864 aan de Place Léopold werd gebouwd, alsook privé-eigendommen die heel dat plein zouden omringen, zoals het gebouw van de Nationale Bank van België (1881) en het postgebouw (1892). Voor het opvangen van de vele reizigers die per trein aankwamen, werd er in 1884 een nieuw station gebouwd.

Die stedenbouwkundige ontwikkelingen deed Aarlen groeien en de stad met de grootste bevolking in de provincie Luxemburg worden. Vandaag telt ze immers vijfmaal meer inwoners dan in 1830.

DE HEIKELE AFSCHEURING VAN HET GROOTHERTOGDOM LUXEMBURG

Hoewel het provinciepaleis deel uitmaakt van onze omgeving, ligt dat vandaag toch niet zo voor de hand dat het in Aarlen werd gebouwd. Er zijn immers centraler gelegen plaatsen die in de eerste jaren van het koninkrijk België de titel van hoofdstad van de provincie Luxemburg hadden kunnen opeisen.

Om te begrijpen waarom Aarlen als hoofdplaats werd gekozen, moeten we even de geschiedenis induiken. In 1815 had Willem van Oranje, de koning van Nederland, het Groothertogdom Luxemburg gekregen als compensatie voor het verlies van zijn privé-eigendommen aan Pruisen. In die tijd omvatte het Groothertogdom ook de huidige provincie Luxemburg. Na de Belgische onafhankelijkheidsstrijd werd er in 1831 een conferentie georganiseerd in Londen. Daar namen de toenmalige grootmachten aan deel (Rusland, Pruisen, Oostenrijk, Frankrijk en Groot-Brittannië), om de grenzen van de Belgische Staat vast te leggen. Na zijn onafhankelijkheid omvatte België ook heel het Groothertogdom Luxemburg en een deel van Nederlands Limburg. Maar Willem van Oranje wilde dat bij wijze van compensatie verkregen Groothertogdom natuurlijk niet verliezen.


© Collection Jean-Marie Triffaux 

Walen aan de ene kant, Germanen aan de andere

Na lange onderhandelingen werd er uiteindelijk besloten aan Willem van Oranje een goed derde van het Groothertogdom (met de stad Luxemburg) te laten, en het overige deel toe te wijzen aan de Belgische Staat. De splitsing gebeurde op taalkundige grond : de ‘Waalse’ gebieden, waar men Frans spreekt, gingen naar België, en de Germaanstalige delen gingen naar Luxemburg. Onder druk van Frankrijk, dat geen goed oog had in een Germaanse enclave ten noorden van Longwy, werd Aarlen ten slotte toegewezen aan België, hoewel het Luxemburgs daar de meerderheidstaal was. In ruil daarvoor zou er aan de Nederlandse vorst een deel van Limburg worden gegeven. Het Verdrag der XXIV Artikelen, of Verdrag van Londen, maakt die beslissing officieel. Het zal echter pas in 1839 worden ondertekend door Willem van Oranje, die zeer lang aarzelde om een deel van zijn privébezit af te staan.


In 1831 wordt Aarlen echter gekozen als hoofdstad van die ‘grote’ provincie Luxemburg, en niet de stad Luxemburg.


Aarlen werd provinciehoofdstad uit voorzichtigheid

In afwachting van die handtekening, was het dus statu quo : het Groothertogdom Luxemburg, met inbegrip van de gelijknamige Belgische provincie, maakte deel uit van België. In 1831 wordt Aarlen echter gekozen als hoofdstad van die ‘grote’ provincie Luxemburg, en niet de stad Luxemburg. Waarom ? “Ondanks het teruggeven van het Groothertogdom aan Willem van Oranje, bleef er een Pruisisch garnizoen in Luxemburg-stad gekazerneerd, aangezien het Groothertogdom deel uitmaakte van de Duitse Statenbond. Bovendien was de gouverneur van de stad een orangist. Om alle gevaar te vermijden, werd de hoofdstad dus vanaf het begin verplaatst naar de tweede grootste stad van het Groothertogdom, namelijk Aarlen. Die aanvankelijk voorlopige beslissing werd in 1839 definitief met de afsplitsing van het Groothertogdom”, legt Jean-Marie Triffaux uit.

  • /
  • /

Monumentaal werk van Roger Jacob komt weer tot leven in Luik dankzij CMI

Roger Jacob werd in 1924 geboren in Aarlen en volgde een opleiding aan de Brusselse Academie voor Schone Kunsten. Hij droomde ervan dat de kunst de ateliers zou verlaten om op straat te komen en bezit te nemen van fabrieken en openbare gebouwen. Zo sieren zijn waterspuwers de fonteinen op de Kunstberg in Brussel en was een van zijn monumentale werken in cortenstaal tot voor kort te zien bij de ingang van de zinkfabriek Prayon in Engis. We gebruiken bewust de onvoltooid verleden tijd, daar het beeld, dat dateert van 1972, zwaar was geërodeerd onder invloed van de tand des tijds. Er diende dus kordate actie te worden ondernomen. De onderneming schonk het werk aan de stad Luik die, in het kader van een cultuurbeleid dat oog heeft voor stadskunst, besliste, in samenwerking met de stichting “Les amis de Roger Jacob”, om het werk te verplaatsen, te renoveren en opnieuw op te stellen langs de boulevard Frère Orban, aan de voet van de nieuwe voetgangers- en fietsbrug. In het kader van zijn 200ste verjaardag was de groep CMI, die in Seraing is gevestigd op de historische site van de fabriek John Cockerill, bereid de renovatie en het vervoer voor zijn rekening te nemen en te financieren; de groep deed daarbij een beroep op verschillende ondernemingen in de regio (het Bureau Greisch, de firma Renory, MB Transports, Somef en de Ateliers Melens-Dejardin). Het werk van Roger Jacob, die in het begin van de jaren zeventig van de vorige eeuw naar de streek rond Luik verhuisde, werd opnieuw ingehuldigd op dinsdag 24 oktober in het bijzijn van de Luikse overheden en ook van Bernard Serin, gedelegeerd bestuurder van de Groupe CMI, en leden van de stichting Roger Jacob .

FIETSROUTE

Deze route van bijna 500 kilometer verbindt de belangrijkste plaatsen van Wallonië, die op de Unesco-lijst staan, met elkaar en biedt u de gelegenheid om vele bezienswaardigheden te ontdekken. De route wordt in elf etappes voorgesteld.


Eeuwenoude belforten, grandioze kathedralen, liften op het Centrumkanaal, grote mijnsites, de archeologische site van Spiennes, het geopark Famenne-Ardenne, het carnaval van Binche … Verschillende van die Waalse juweeltjes staan op de Unesco-werelderfgoedlijst en zo kreeg Wallonië-België Toerisme het idee om een fietsroute uit te stippelen die deze plekken van west naar oost met elkaar verbindt, van Doornik tot het Land van Herve, door de vlakten van Henegouwen, de oevers van de Samber en de Maas, de heuvels van de Condroz, de geheime valleien van de Ardennen en de Hoge Venen. Om iedereen de kans te geven in zijn eigen tempo te kunnen fietsen en de tijd te nemen om het erfgoed en de bezienswaardigheden langs deze route te ontdekken, worden er elf etappes met verschillende afstanden en moeilijkheidsgraden voorgesteld. Moeten we er nog bij zeggen dat de etablissementen met het label "Bienvenue Vélo" deel uitmaken van het landschap ?

1. Doornik – Bergen (68 km – gemakkelijk)


© WBT - JP Remy

Een eerste lange etappe tussen de twee grote steden van Henegouwen, waarbij u de knooppunten en trajecten van de RAVeL volgt.
Unesco-erfgoed : de Onze-Lieve-Vrouwekathedraal van Doornik, de belforten van Doornik en Bergen, de site van de Grand Hornu en de Ducasse van Bergen (museum Doudou).
Onderweg : de moerassen van Harchies, het kasteel van Boussu, de Grote Markt van Bergen en de kapittelkerk van Sainte-Waudru.

2. Bergen – Binche (39 km – gemakkelijk)


© Bruno D_Alimonte

Deze korte etappe verbindt de Doudou met de beroemde gilles. De route volgt een tijdje het Centrumkanaal voordat u de RAVeL naar Binche volgt.
Unesco-erfgoed : de Silex’s Mons (de neolitische mijnen van Spiennes), de hydraulische liften van het Centrumkanaal, de mijnsite van Bois-du-Luc, het carnaval en het belfort van Binche.
Onderweg : de militaire begraafplaats van Saint-Symphorien, het kasteel van Havré, de kabelspoorbaan van Strépy-Thieu, de stadswallen van Binche.

3. Binche – Thuin (34 km – gemakkelijk)


© WBT - David Samyn

Een rustige etappe op de RAVeL. Eerst van Binche naar de Samber, dan langs het jaagpad en de sluizen naar het stadje Thuin.
Unesco-erfgoed : het belfort van Thuin en de Stoeten van Tussen-Samber-en-Maas.
Onderweg : de abdij Notre-Dame De Bonne Espérance in Estinnes, het kasteel van Solre-sur-Sambre, de kapittelkerk Saint-Ursmer in Lobbes en de hangende tuinen van Thuin.

4. Thuin – Charleroi (24 km – gemakkelijk)


© WBT - Christophe Vandercam

De route, die de RAVeL volgt, laat u van de sfeer van het platteland van Thuin naar de industriële landschappen van het Zwarte Land gaan !
Unesco-erfgoed : het belfort van Charleroi en de mijnsite Le Bois du Cazier (vlakbij).
Onderweg : de abdij van Aulne.

5. Charleroi - Dinant (63 km - gemiddeld)


© WBT - JL Flemal

De Samber tot Tamines, dan de RAVeL vanuit Fosses-la-Ville. Een route om de prachtige vallei van de Molignée tot aan de Maas te ontdekken.
Onderweg : het meer van Bambois, de abdijen van Maredsous en Maredret, de draisines, de ruïnes van het fort van Montaigle, de citadel van Dinant.

6. Dinant – Ciney (18 km – gemiddeld)


© Leffe.com

Perfect om de fabelachtige landschappen van de vallei van de fonds de Leffe te ontdekken ! Een rustige streek die bekend staat om zijn bieren en zijn zachte reliëf.
Erfgoed : De productie en het genot van bier maken deel uit van het door de Unesco erkende Belgische levende erfgoed.
Onderweg : de abdij van Leffe.

7. Ciney – Durbuy (41 km – gemiddeld)


© WBT - JP Remy

Een schitterende tocht door de romantische en afwisselende landschappen van de Condroz. Van de RAVel tot het stadje Durbuy, met haar charmante steegjes en het Vormsnoeipark.
Unesco : het Geopark Famenne-Ardenne

8. Durbuy – Spa (63 km – moeilijk)


© WBT - Joseph Jeanmart

Voor echte sportlui ! Volgt de Ourthe tot Comblain-au-Pont, overbrugt Remouchamps (vanaf de top van de côte de La Redoute), gaat dan door de bossen tot aan de poorten van de Ardennen en het kuuroord van Spa.
Onderweg : het domein van Palogne, het dierenpark Monde sauvage in Aywaille.

9. Spa – Waimes (40 km – gemiddeld)


© WBT - David Samyn

Deze etappe gaat over de Hoge Venen en verbindt, zonder de RAVeL te verlaten, Spa met Waimes via Stavelot en Malmedy.
Erfgoed : het natuurpark van de Hoge Venen-Eifel.
Onderweg : het circuit van Spa-Francorchamps, de abdij van Stavelot.

10. Waimes – Raeren (56 km – gemakkelijk)


© Töpfereimuseum Raeren - Christian Charlier, XACT

De route volgt de Vennbahn, de aangelegde voormalige spoorlijn die door Oost-België loopt. Vanuit Waismes loopt ze tussen de meren van Robertville en Butgenbach, om dan in de Hoge Venen uit te monden in Raeren.
Onderweg : Monschau en haar historisch centrum, het kasteel van Raeren.

11. Raeren – Blegny (47 km – gemiddeld)


© SPW-Patrimoine - Guy Focant

Deze laatste etappe loopt door de Duitstalige gemeenten Raeren en Kelmis, doorkruist de zinkmijnen van Plombières alvorens de RAVeL te volgen tot Froidthier en via landelijke wegen het Land van Herve te doorkruisen.
Unesco : de voormalige kolenmijn van Blegny-Mine.
Onderweg : het viaduct van Moresnet en de abdij van Val-Dieu. 

950 jaar geleden begon de geschiedenis van een van de meest emblematische abdijen van België, namelijk die van Orval. De cisterciënzerabdij die in Villers-devant-Orval, een weelderige vallei, is gelegen, is niet enkel wereldwijd gekend voor haar heerlijk bier, maar heeft ook een rijk verleden. Een kijk op bijna tien eeuwen geschiedenis.


Men moet tot het jaar 1070 teruggaan om de eerste sporen van de abdij van Orval te vinden in een akte die bewaard wordt in het Staatsarchief. Dat document zegt dat graaf Arnould van Chiny gronden schonk aan een groepje benedictijnermonniken die uit het Italiaanse Calabrië kwamen. Die monniken bouwden toen een kerk en een priorij. Toen de Italiaanse monniken vier decennia later besloten om zich terug te trekken, werden ze door Othon, de zoon van Arnould, vervangen door een kleine gemeenschap van kanunniken, die de door haar voorgangers aangevatte bouwwerken tot een goed einde kon brengen. Zo ontstond de abdij van Orval 
in 1124.

Vijf eeuwen van discreet bestaan

De kanunnikengemeenschap, die het economisch moeilijk had, wilde zich al vlug aansluiten bij de in volle expansie verkerende Orde van Cîteaux. Zeven cisterciënzermonniken van de abdij van Trois-Fontaines, in Champagne, kwamen toen aan onder de leiding van Constantin. Bijna vijf eeuwen lang en ondanks een brand die in 1252 een groot deel van de gebouwen verwoestte, konden veel monniken er een tamelijk discreet leven leiden.

De 17e eeuw was een voorspoedige tijd voor de abdij, die in 1605 een nieuwe abt kreeg in de persoon van Bernard de Montgaillard. De communiteit stond eerst nogal weigerachtig tegenover de nieuwe sterke man, maar bezweek al vlug voor de charme van een abt onder wie Orval zijn mooiste tijd zou kunnen beleven. Hij herstelde de economie van het klooster, won opnieuw het vertrouwen van de mensen uit de streek en gaf de gemeenschap een uitstekende faam. Zo telde de abdij 43 monniken in 1619 en een eeuw later 130. De communiteit is dan de ‘grootste van heel het Keizerrijk’.

De verwoestingen van de Franse Revolutie

De volgende jaren zullen jammer genoeg gekenmerkt worden door grote drama’s voor de abdij. Nadat het jansenisme verscheidene monniken de gemeenschap had doen verlaten, sloeg de Franse Revolutie met volle kracht op het klooster toe. Op 23 juni 1793 plunderen de revolutionaire troepen de abdij en steken ze in brand. Er blijft niets van over. De communiteit wordt uiteengedreven en enkel de zwartgeblakerde muren en bouwvallen kunnen nog getuigen van de vroegere glorie.

HET BIER VAN ORVAL IS DE VEDETTE VAN DE ABDIJ

Haar populariteit heeft de abdij meer bepaald te danken aan haar voedselproducten en vooral aan haar bier. De Orval is één van de elf trappistenbieren, wat wil zeggen dat de drank wordt gebrouwen in een abdij en onder toezicht van de trappistenmonniken. Het amberkleurige Orval-bier in de zeer speciale fles wordt bijzonder op prijs gesteld door bierliefhebbers. De kaas, die ook wordt gemaakt in de abdij en onder toezicht van de monniken, geniet eveneens een uitstekende faam. Die halfharde kaas met zijn oranje korst wordt, net zoals het bier, in de vier windstreken verkocht.


De wederopstanding in de 20
e eeuw

Er zal meer dan een eeuw voorbijgaan eer het monnikenleven er wordt hervat. In 1926 schenkt de familie de Harenne de ruïnes van Orval aan de Orde van Cîteaux, die een groep monniken aanspoort om daar een nieuwe communiteit te vormen. Het reusachtige werk voor de wederopbouw wordt aangevat door Dom Marie-Albert van der Cruyssen, een monnik van de trappistenabdij van Onze-Lieve-Vrouw (tussen Parijs en Normandië). Dankzij de inkomsten van een brouwerij en een kaasmakerij die in het klooster werden opgericht, verrijst er op de funderingen van de

18e eeuwse ruïne vlug een nieuwe abdij, die werd gebouwd volgens de plannen van architect Henry Vaes. Op 8 september 1948 wordt de kerk plechtig ingewijd en verrijst de abdij, zoals we die nu kennen, uit haar assen.

Tegenwoordig is de abdij van Orval een van de populairste van het land geworden. Ondanks tien eeuwen geschiedenis, is het cisterciënzerklooster bestand gebleken tegen de slagen van het noodlot en biedt het een aangrijpend schouwspel aan de duizenden personen die het elk jaar bezoeken.

DE LEGENDE VAN MATHILDE VAN TOSCANE

Volgens een legende is het ontstaan van de abdij van Orval te danken aan Mathilde van Toscane. Toen deze gravin op doorreis was in de streek, stak ze haar hand in een opwellende bron en verloor daardoor haar trouwring. Ze smeekte God haar die terug te bezorgen, wat gebeurde met de hulp van een uit het water opspringende forel die de kostbare ring in zijn bek hield. Mathilde van Toscane riep toen : “Dit is echt een Gouden Dal (Val d’Or) ! ” Uit erkentelijkheid besloot ze toen een klooster te stichten op die gezegende plaats. De gelijknamige fontein in het centrum van de abdij, de vele verwijzingen op het kunstsmeedwerk van het klooster en de abdijproducten, alsook het beroemde glas-in-loodraam van Jean Huet, hebben die legende de eeuwen doen trotseren.


www.orval.be

OF DE VUURSTEENREVOLUTIE

In het op 6 kilometer van Bergen gelegen Spiennes bevindt zich een groot netwerk van mijngangen die door mensen uit het Neolithicum werden gegraven voor het ontginnen van silex of vuursteen. Die uitzonderlijke site van het Waalse erfgoed, die dit jaar het feit viert dat ze twee decennia geleden werd erkend door de Unesco, werd verrijkt met een interpretatiecentrum.

 


© AWaP-SPW

Tijdens het Neolithicum werd de vuursteenmijn van Spiennes bijna tweeduizend jaar lang ontgonnen, namelijk tussen 4350 en 2300 vóór onze tijdrekening. Een tijdschaal die ons doet duizelen in een periode waarin alles zo snel verandert. Eeuw na eeuw zijn mannen in verticale putten van soms zestien meter diep afgedaald om er de kostbare rots uit te halen met houwelen en gereedschap van silex. In die tijd was er wegens de permanente vestiging en de ontwikkeling van de landbouw nieuw gereedschap nodig, zoals hakwerktuigen van gepolijste silex om het terrein van struikgewas te ontdoen en om bomen te vellen. Silex, die overvloedig aanwezig is in de streek, biedt het voordeel dat hij gemakkelijk kan worden gespleten en dan harde en scherpe ribben vertoont. Het gebruik ervan vormt een grote stap vooruit in de culturele en technologische evolutie van de voorhistorische mens.

Het gebruik van Silex betekent een grote stap vooruit in de culturele en technologische evolutie van de voorhistorische mens.


10.000 tot 40.000 putten

De resten van de mijnen van Spiennes, die in de 19e eeuw opnieuw werden ontdekt en in december 2000 op de werelderfgoedlijst van de Unesco werden geplaatst, bestrijken een honderdtal hectare over twee zones, Camp-à-Cayaux en Petit Spiennes, die aan weerszijden van het Trouille-dal liggen. Op 140 jaar konden slechts een vijftiental putten worden onderzocht, terwijl er volgens de ramingen 10.000 tot 40.000 dergelijke putten op de site liggen. Zelfs verscheidene generaties van archeologen zullen dat werk nooit kunnen afmaken. Het Waalse Erfgoedagentschap wil dus vooral de resten van die mijnbouw beschermen en bestuderen.

Spiennes maakt deel uit van een niet-doorlopend geheel dat zich over heel Europa uitstrekt en bijna 200 sites telt. Spiennes is echter uitzonderlijk omdat het zo uitgestrekt is en soms twee silexbanken bevat, waarvoor er bredere gangen nodig waren, waarin de huidige bezoekers rechtop kunnen staan. “Het is een belangrijke site voor het onderzoek naar silex”, zegt Hélène Collet, archeologe bij het Waalse Erfgoedagentschap. “De site is ook een unieke getuige van het begin van de mijnontginning. Er zijn niet veel archeologische sites en nog minder prehistorische die op de erfgoedlijst van de Unesco staan.

Op 140 jaar konden slechts een vijftiental putten worden onderzocht, terwijl er volgens de ramingen 10.000 tot 40.000 dergelijke putten op de site liggen.

 


© AWaP-SPW

Het Silex’s-interpretatiecentrum

In tegenstelling tot de latere periodes, is prehistorische archeologie zelden spectaculair. Ze moet in het juiste perspectief worden geplaatst en er is heel wat uitleg voor nodig. Het is in die optiek dat het in 2015 ingewijde Silex’s-interpretatiecentrum werd opgevat. Het door architect Etienne Holoffe ontworpen gebouw werd als een kroon op de opgravingssite geplaatst en omvat zowel didactische elementen als producten van de opgravingen. Vitrines en didactische panelen geven toelichting bij het Neolithicum in China, Amerika, het Nabije Oosten en Europa; pas daarna besteden ze aandacht aan Spiennes. De opgegraven stukken geven ons een beter inzicht in de technieken die voor het ontginnen van silex werden gebruikt, alsook een kijk op het dagelijks leven van de bewoners van 6000 jaar geleden.

Bezoek van de mijngangen

Langs een loopbrug krijgen we toegang tot de putten en de gangen van de mijn. Het bezoek verloopt in speciale omstandigheden en wie aan claustrofobie lijdt, blijft er beter weg. Het bezoek gebeurt in kleine groepjes en enkel op afspraak. De bezoekers krijgen een veiligheidsharnas en een helm. Dan dalen ze langs een metalen ladder af tot in de gangen, die een tiental meter diep liggen en waar een ruimte van 100 m2 werd vrijgemaakt. Daar worden de bezoekers niet aan zichzelf overgelaten, want op die uitzonderlijke plaats kunnen zich in elke wand sporen uit een ver verleden bevinden: nu eens zitten er werktuigen of gebeenten aan de oppervlakte van de rots, dan weer fossielen van dieren die leefden in de zeeën die 70 miljoen jaar geleden de streek overdekten.


© SRPH

De resten van de mijnen van Spiennes bestrijken een honderdtal hectare over twee zones, Camp-à-Cayaux en Petit Spiennes, die aan weerszijden van het Trouille-dal liggen.


Een opgegraven dorp

Tijdens de opgravingswerken hebben de archeologen de resten blootgelegd van een dorp dat tussen 4000 en 3500 vóór onze tijdrekening werd gebouwd door de gemeenschappen die de mijn ontgonnen. Ze hebben ook werkruimten voor het hakken van silex blootgelegd, want dat gebeurde meestal op de ontginningsplaats zelf, terwijl het polijsten, dat meer tijd en geduld vergde, ook op andere plekken kon worden uitgevoerd. In die werkplaatsen werd de opgegraven silex in stukken verdeeld. Men trof er ook ‘mislukte’ silexstenen aan, die verkeerd gehakt of gebroken waren tijdens het bewerken of het hakken.

Dankzij de opgravingen die twintig jaar lang werden uitgevoerd door het Waals Erfgoedagentschap en de Maatschappij voor Prehistorisch Onderzoek in Henegouwen, kon er enorm veel vooruitgang worden geboekt betreffende het kennen en begrijpen van het leven van de mijnwerkersgemeenschappen uit het Neolithicum. Soms werden er heel onverwachte en opzienbarende ontdekkingen gedaan, zoals die van de haast volledige gebeenten van een volwassen man en van een zuigeling, die werden aangetroffen in een van de putten die ongetwijfeld als begraafplaats werden gebruikt.

Maar de interessantste ontdekkingen hebben dikwijls betrekking op het ontginnen van een materiaal dat in de 19e eeuw zou worden verwaarloosd”, benadrukt de archeologe. Bij het fijnzeven van aarde en rotsresten, vindt men graankorrels en beenderfragmenten die veel te vertellen hebben …

Twintig jaar opgravingswerk leverde bijzonder veel ontdekkingen op. En er valt nog heel wat te onderzoeken.


Twintig jaar ontdekkingen

Dankzij tarwekorrels en pollen, bijvoorbeeld, kon men een reconstructie maken van het omliggende landschap, dat werd gekenmerkt door de aanwezigheid van een lindewoud met veel hazelaars en meidoorns. Ze leren ons ook iets over het voedsel van die gemeenschappen, dat onder meer bestond uit emerkoren, de eerste tarwe die door de mens werd geteeld, uit peulgewassen (erwten of wikkes) en hazelnoten.

Archeologen doen veel meer dan het verzamelen van voorwerpen en sporen uit het verre verleden”, legt Hélène Collet uit.Er is ook een prospectieve aanpak, die begint met het ontleden en interpreteren van zelfs de kleinste vondsten. Gebeenten en karkassen van foetussen bewijzen bijvoorbeeld dat die bewoners zwijnen en runderen voor consumptie kweekten. Met onkruid vermengde tarwe doet vermoeden dat er velden waren.

Twintig jaar opgravingswerk leverde bijzonder veel ontdekkingen op. En er valt nog heel wat te onderzoeken. “We weten weinig over mijnbouw in de prehistorie. Het is een werk dat veel geld kost, maar gelukkig worden we al twintig jaar gesteund door het Waalse Erfgoedagentschap. Het is een boeiende en belangrijke opdracht, die ons voortdurend met onze menselijkheid confronteert. Wanneer we gehakte of gepolijste silex vinden, is dat niet zomaar een stuk rots, maar het gereedschap van een mijnwerker van 6000 jaar geleden. Gereedschap dat ontelbare op te lossen vragen doet rijzen.

Naar aanleiding van de Erfgoeddagen 2020, vinden er rondleidingen plaats op 12 en 23 september.

www.minesdespiennes.org

www.silexs.mons.be


© AWaP-SPW

VUURSTENEN VOOR GEWEREN

Silex werd niet enkel in het Neolithicum ontgonnen in Spiennes, maar later ook nog een beetje in de 19e eeuw. Die, zoals dikwijls toevallige, ontdekking gebeurde bij preventieve opgravingen in de lente van 2017. Een ondernemer die een wijngaard wilde aanleggen op de zuidelijke helling van de hoogvlakte van ‘Petit-Spiennes’ in Nouvelles, nam contact op met het Waals Erfgoedagentschap, dat archeologische sleuven groef waardoor er interessante sporen van silexontginning werden ontdekt, alsmede een zone voor het maken van vuurstenen, die volgens schriftelijke bronnen bestond tussen 1819 en 1833.

Sinds de uitvinding van de haakbus werden de patronen ontstoken door middel van een silexplaatje. Zolang onze streken door Frankrijk werden overheerst, werden de vuurstenen aangevoerd vanuit het departement Loir-et-Cher. Onder de Nederlandse overheersing begon de plaatselijke bevolking op de site van Spiennes een bescheiden ontginning om in haar behoeften te voorzien. Lang heeft die niet geduurd, door de opkomst, in de helft van de 19e eeuw, van slagplaatjes en slaghoedjes met fulminaat werd de vroegere techniek immers voorbijgestreefd.

Om die kwetsbare resten te beveiligen, werd er één hectare van het wijngaardproject afgezonderd en beschermd als archeologisch erfgoed.

 

In Wallonië heeft ze tienduizenden ‘patiënten’, waarvan de oudste een goede honderd jaar zijn. Murielle Eyletters,
bio-ingenieur en doctor in de landbouwwetenschappen van de ULB, geeft medische zorgen aan bomen, meestal in de stad.

 

Ze ausculteert ze zoals een huisarts dat doet, betast voorzichtig hun schors, onderzoekt hun wonden en littekens, stelt de diagnose van hun ziekten … Murielle Eyletters is een van de zeldzame, zoniet de enige deskundige op dat gebied, die van die bomen houdt en ze zo goed kent. Ze heeft ze negen jaar lang bestudeerd en besteedt er nu al haar werktijd aan via haar spin-off Aliwen uit Charleroi. Daar voerde ze in 2003 haar eerste opdracht uit, aan de boulevard Audent, waar kastanjebomen verkommerden. Ze stelt al vlug vast dat die ten prooi vielen aan een dodelijke schimmel. Ze moesten worden gerooid en vervangen door andere bomen van dezelfde soort. Toen kende men de “pseudomonas syringae” nog niet, een ziekteverwekker die kort vóór 2010 verscheen en die kastanjelaren uitroeit.

Bomen behoren tot de beste vrienden van de mens, maar ook in Wallonië worden ze in steden dikwijls slecht behandeld”, zegt ze. Bomen staan in de frontlijn tegen de klimaatopwarming en ze verfraaien het landschap. Parken, tuinen, pleinen en lanen met bomen bieden mooie ontspannende wandelingen aan gezinnen, terwijl ze ook het oefenterrein vormen voor sportbeoefenaars en speelgenoten zijn voor kinderen. “In bomen schuilt een mysterie dat er levende wezens van maakt, die tegelijk vertrouwd en onbekend zijn, tot het dagelijkse leven behoren en er tegelijk ver van verwijderd zijn”, vervolgt de wetenschapster haar uitleg. Al sinds haar kinderjaren is ze dol op bomen. “In steden, waar we ze dikwijls als vulgair stadsmeubilair beschouwen, hebben ze een gunstige invloed op het psychische, op ontspanning en op de gezondheid. Bovendien spelen ze een belangrijke rol in het micro- klimaat en op de verbetering van de luchtkwaliteit.” Die natuurlijke CO2 -vaten vormen ook doelmatige geluidsschermen.

Bomen die kapstokken worden

Murielle Eyletters benadrukt dat het vooral tijdens een hittegolf is, dat we de weldoende invloed van bomen ondervinden: ze zorgen voor schaduw en koelte en bevorderen bovendien de biodiversiteit. Maar het is ook in dergelijke periodes dat ze het meest lijden. Tijdens elke hittegolf worden ze blootgesteld aan drie soorten stress, die elkaar versterken: het watertekort is schadelijk voor sommige soorten zoals gewone sparren en thuja, de hitte kan de bomstammen letterlijk “verbranden” en de overvloed aan licht stuurt de fotosynthese in de war.

We moeten de grootst mogelijke aandacht besteden aan de keuze van de omgeving en aan het onderhoud van de bomen, want daardoor worden ze beter bestand tegen warmtepieken. Ik leg daar de nadruk op, want tijdens mijn expertises in stedelijke omgevingen stel ik veel verkeerde dingen vast: architecten die ontoereikende plantkuilen voorzien, zeer droogtegevoelige soorten die in een ongeschikte omgeving worden geplaatst (nvdr: zoals een parking of in het midden van een openbaar plein), bomen die te dicht op elkaar worden geplant en zich dus niet kunnen ontwikkelen ... In steden worden bomen ook echt verminkt: hun wortels worden afgekapt om een sleuf te graven, ze worden verstikt onder het asfalt van een fietspad of sommigen maken er een soort kapstok van, om hun bladeren niet meer te moeten opkuisen. Bomen planten doe je voor honderd jaar. Ik ben helemaal niet gewonnen voor het concept van decoratieve wegwerpbomen!

Ze ausculteert ze zoals een huisarts dat doet, betast voorzichtig hun schors, onderzoekt hun wonden en littekens, stelt de diagnose van hun ziekten ...


De juiste boom op de juiste plaats zetten

Opdat een boom lang zou leven, moet hij verzorgd worden. Ze mogen bijvoorbeeld niet radicaal worden gesnoeid, wat betekent dat ze niet mogen worden getopt en dat er geen dikke takken mogen worden verwijderd. Een ondoordringbaar geworden bodem maakt bomen kwetsbaar; het verdient aanbeveling materiaallagen te gebruiken waar het water kan in doorsijpelen, zoals verhakseld takkenhout, een niet-gecomposteerd mengsel van versnipperde resten van kleine takken. Maar vooral moet men de boomsoorten goed kennen en weten wat ze nodig hebben. “De juiste boom op de juiste plaats planten, is elementair om een boom lang te kunnen behouden!

Dikwijls hoeft de deskundige een boom maar even te bekijken om te weten of hij gezond of ziek is. Met behulp van toestellen zoals een fluorometer – de stethoscoop van de landbouwkundige – of een tomograaf, die het inwendige van het hout scant zoals een radiografie, kan zij haar diagnose verfijnen. In geval van twijfel, kan de “arts” monsters nemen en naar een laboratorium sturen. Er bestaan honderden ziekteverwekkers, zoals de cameraria – een zeer klein vlindertje – dat de bladeren aantast, en de spintkever, die de voorbije zomer de Waalse sparren teisterde. Soms zijn het ook schimmels zoals de honingzwam, die het wortelstelsel kan vernietigen.

Enkele ingrepen in Wallonië

In het Solvay-park in Couillet (Charleroi) wezen zwarte sporen op de stammen van een groep esdoorns op de aanwezigheid van een epidemie van roetdauw, waarvan de uiterst vluchtige fijne stofdeeltjes ademhalingsproblemen kunnen helpen versterken. Wegens die diagnose moesten de parktoegangen worden afgesloten om de honderden veroordeelde bomen te kunnen rooien.

In Namen was het noodzakelijk de acht kastanjelaren op de kade van de Grognon-site te verwijderen. “De buurtbewoners waren er heel erg aan gehecht”, herinnert ze zich. “Maar op basis van wetenschappelijke argumenten heb ik hun uitgelegd dat de bomen het niet zouden overleven en dat ze uiterlijk binnen drie jaar zouden omvallen. En, in overleg met burgemeester Maxime Prévot, die ik had moeten overtuigen, heb ik hun voorgesteld die kastanjebomen te vervangen door eiken.

In Nijvel en Chaudfontaine heeft Murielle een volledige inventaris opgesteld van het bomenbezit. Fytosanitaire toestand, populatie, dichtheid en ouderdom. “Dankzij die kadasters kunnen we de levensverwachting en het gevaar van de luifel van de bomen bepalen, maar ook de onderhoudsbeurten beter plannen.

“De eerste bomen doken 350 miljoen jaar geleden op en ze zullen ons ongetwijfeld overleven, maar zelf zullen wij in geen geval overleven zonder hen. We moeten ons dus inspannen om ze te beschermen tegen aanvallen en mishandeling!”

 
Verkeerd beheer

Er gebeuren fouten in de wijze waarop het beheer wordt uitgevoerd en er zou meer samenhang moeten zijn tussen de uitvoerders. Wat baat het te beloven dat er duizend bomen per jaar zullen worden geplant in Charleroi, als er tegelijk duizend andere zullen worden gerooid langs de autosnelwegen die de stad doorkruisen? Voor Murielle Eyletters is het compenseren van de koolstofbalans niet het enige dat we moeten nastreven. Een boom planten, dat vergt overleg in plaats van improvisatie. “Wij, burgers, hebben alle kaarten in handen, dankzij onze kennis, onze wil en onze visie voor de komende generaties. De eerste bomen doken 350 miljoen jaar geleden op en ze zullen ons ongetwijfeld overleven, maar zelf zullen wij in geen geval overleven zonder hen. We moeten ons dus inspannen om ze te beschermen tegen aanvallen en mishandeling!”

www.aliwen.com

Het kasteel van Bioul wordt al vermeld in sommige teksten uit de 10e eeuw. Tot in de 13e eeuw was het eigendom van de familie d’Orbais. Toen Berthe d’Orbais, de jongste dochter van de familie, in 1379 huwde met Gérard II de Jauche, kwam het in andere handen en kreeg het zijn eerste ringmuren. Slotgrachten, wachttoren, dikke muren, schietgaten, mezekouwen ... de familie liet alle in de middeleeuwen beschikbare verdedigingsmiddelen aanbrengen. En dat was maar goed ook, want zo bleek het kasteel in 1434 bestand tegen een aanval van Dinantse troepen, die dan maar de dorpskerk gingen plunderen.

Het kasteel van Bioul ligt tussen Namen en Dinant en is een van de oudste middeleeuwse burchten van de Maasvallei. Sinds 1904 is het eigendom van de familie Vaxelaire. Dankzij het 


De grond van Bioul bleef nog enige tijd in handen van de familie de Jauche en werd in 1522 verkocht aan Thierry II, baron van Brandenburg de Bolland, die toen luitenant-generaal van het graafschap Namen was. Deze laatste verbouwde het kasteel tot een buitenverblijf, waardoor het zijn verdedigingsfunctie verloor. De in 1523 opgetrokken Grimaud-toren werd het echte embleem van het kasteel en is er tot op heden het pronkstuk van.

In de loop van de 16e en 17e eeuw werd het kasteel dikwijls aangevallen en geplunderd, meer bepaald door de legers van Keizer Karel, die van de Franse koning Hendrik II en door de huurlingen van Lodewijk XIV. Europa was toen één groot slagveld.

In de persoon van Vanessa Vaxelaire, staat vandaag de vijfde generatie van de familie aan het hoofd van het domein van Bioul.


De moderne tijd

In 1708 kwam het domein in handen van Guillaume Bilquin, die de grond van Bioul legateerde aan zijn schoonzoon Guillaume-Nicolas de Moreau, wiens familie enkele verbouwingen uitvoerde (restauratie van het park, gemeenschappelijke molen en smidse) en die ter plaatse bleef tot in 1870.

Met het overlijden van ridder Félis de Moreau kwam er een einde aan die familietak en werden de bezittingen ervan overgemaakt aan René Moretus-Plantin die, naast de
322 hectare grond van Bioul met twee hoeven, een molen en een pers, ook de grond van Neffe (19 ha) en die van Salet (142 ha) kreeg. De familie bezat in de streek zeven kastelen, die haast allemaal voor de jacht dienden.

René Moretus stierf in 1895 en zijn weduwe verhuurde het kasteel aan François Vaxelaire die, samen met zijn echtgenote Jeanne-Josèphe Claes, in 1866 de “Au Bon Marché” in Brussel overnam en zo de basis legde van de latere groep GB-Inno-BM. Het echtpaar kocht het kasteel in 1904.

Bij het overlijden van René waren zijn zonen Raymond en Georges de erfgenamen, terwijl het in 1956 de beurt was aan de zoon van Raymond, baron François Vaxelaire, de toenmalige voorzitter van de groep, die grote renovatiewerken uitvoerde, meer bepaald aan het park, dat heraangelegd werd volgens de plannen van René Pechère.

In de persoon van Vanessa Vaxelaire, staat vandaag de vijfde generatie van de familie aan het hoofd van het domein van Bioul. Dankzij het aanleggen van een wijngaard van elf hectare, is het kasteel nu een landbouw en wijntoeristische onderneming. Er werden ook kamers en een restaurant geopend.

DE TAFELS VAN BIOUL

Elke vrijdag en zaterdag kunt u een stap in het verleden zetten en genieten van een gastronomische keuken met streekgerechten – ofwel in het grote salon van het kasteel of, naargelang het seizoen, in het café-restaurant of in de wijnmakerij van Bioul – met daarbij passende wijnen van het domein zelf of van andere grote buitenlandse domeinen. Een gastronomisch 5 gangenmenu voor € 69 per persoon.


Het nieuwe leven van het kasteel

Er is een bladzijde omgedraaid voor het kasteel, maar ook voor actrice Vanessa Vaxelaire en haar in de reclame werkende echtgenoot Andy Wyckmans, die in 2008 besloten hun leven te veranderen en een wijngaard aan te leggen. Ze kenden er nauwelijks iets van maar er was grond beschikbaar rond het kasteel. Ze vonden een onderkomen in de buurt, schreven hun kinderen in Arbre in en plantten eind april 2009 een eerste perceel van hun wijngaard.

Naar het voorbeeld van Philippe Grafé op het Chenoy-domein, koos het echtpaar voor ziektebestendige druivenrassen, voor een zo zuiver mogelijke wijnbouw. Sinds enkele maanden hebben elf hectare een bio-certificaat. Bovendien werd het beheer van het kasteel aan hen overgedragen door Catherine en Raymond Vaxelaire, die zich een beetje verder op het domein hebben gevestigd, waar ze een truffelboomgaard uitbaten.

Toen we het kasteel in 2017-18 overnamen, beseften we al vlug dat de wijngaard waaraan we al acht jaar werkten, te weinig opbracht om het kasteel te onderhouden, ook al bestuurt dat zich min of meer zelf”, legt Vanessa uit. “Naast het landbouwbedrijf hebben we dan een andere structuur opgezet, die verscheidene wijntoerismeformules aanbiedt: een ontdekkingsbezoek aan het kasteel, een restaurant tijdens het weekend en het openen van vier kamers. Maar veeleer voor groepen want wij hebben daar geen teams voor en we kunnen niemand aanwerven voor een kamer per maand. Hoewel beide eenheden elkaar steunen, moet elke eenheid haar verplichtingen nakomen.

Trouw aan de familiespreuk In Arduis Constans (volhardend bij tegenspoed), laat Vanessa Vaxelaire zich niet ontmoedigen door moeilijkheden, ook al is de werkelijkheid niet zoals ze die zich vijftien jaar geleden inbeeldde: “Mijn idee dat ik rustig op de buiten zou kunnen leven, bleek niet erg realistisch te zijn. Ik werk harder dan vroeger en zit veel aan de computer. Maar ik doe mijn werk dolgraag en zou voor niets ter wereld anders willen werken en leven.

MADE IN BIOUL WITH LOVE 

Van het eerste weekend van Pasen tot aan de druivenoogst nodigt het kasteel van Bioul liefhebbers uit voor het ontdekkingstraject “Made in Bioul”, een rondgang door het kasteel om de geschiedenis van dit laatste, van de groep GB-Inno-BM en, natuurlijk, van de kasteelwijnen en de daarvoor gebruikte methodes te leren kennen. Panelen met uitleg, voorwerpen, geuren, films ... onderwerpen zijn er genoeg! Aan de uitgang krijgen de bezoekers drie glazen wijn, met hapjes die werden bereid door chef-kok Nathalie Tihon, die ook de recepten voor het restaurant van het kasteel maakt.

 

WIJNBOUW MET MUZIEK 

Muziek heeft niet enkel invloed op planten, maar ook op wijn. Mélanie Chéreau, de Franse bio-ingenieur die vanaf het begin toezicht houdt op de wijnen van het Kasteel van Bioul, is daarvan overtuigd. Zoals ze geleerd heeft van professor Masuru Emoto, laat ze muziek afspelen in de wijnmakerij, want door de trillingen en de golven blijft de wijnmoer langer zweven in de kuipen en geeft hij rijkdom en volheid aan de wijnen. En het programma verandert naargelang de fasen van de wijnbereiding: grote klassieke ouvertures tijdens de gisting in oktober en november, “zen”-muziek tijdens het rijpingsproces op wijnmoer van oktober tot maart en klassieke muziek tijdens de klaring van december tot maart. Music, maestro!

 

  • /
  • /
  • /

Het Huis van de Patafonie in Dinant

 

Dit huis bevindt zich in een van de oudste gebouwen van Dinant, de geboortestad van Adolphe Sax, en is een eerbetoon aan de uitvinding van instrumenten. Het is een ruimte voor een geluidswandeling, voor het ontdekken van onvermoede klanken, een magische plek voor jong en oud. De bezoekers doorkruisen de verschillende provincies van Patafonië en maken achtereenvolgens kennis met het patatropische oerwoud, de aqualubieke rivier, de door Pierre Galet ontdekte grot, de Grote Sampler en – voor de geluksvogels – de Geluidsmuur. Het in zijn soort uniek instrumentarium, dat werd uitgedacht door Max Vandervorst en gemaakt door de firma Amalgamme, is in de loop van de tijd aanzienlijk uitgebreid en blijft voortdurend evolueren, dankzij de vindingrijkheid van de twee Patafoniërs die daar wonen. 

De champignonkwekerijen van het Jekerdal

 

In de vallei van de Jeker, een rivier die, via de gemeente Bassenge (Bitsingen), loom tussen Glons (Glaaien) en Eben-Emael stroomt, liggen enkele speciale plekken die het ontdekken waard zijn. Eén daarvan is het befaamde fort van Eben-Emael, dat de Duitsers in mei ’40 in een handomdraai konden innemen, de museumtoren van Eben-Ezer met de vier engelen van de Apocalyps, maar ook de champignonkwekerijen die schuilgaan in een labyrint van grotten van turfkrijtsteen en silex en waarin de bewoners tijdens de oorlogen konden schuilen. De al 30 jaar actieve Théo Jodogne is de laatste Waalse kweker van grotchampignons. Hij gebruikt nog steeds de traditionele methode, waarbij de zwamvlokken samen met paardenmest en tarwestro op een dunne laag grond worden gelegd. De grotten van de Montagne-Saint-Pierre (Sint-Pietersberg), in het natuurreservaat van de Heyoule, te Eben, bieden een dubbel voordeel, namelijk zomer en winter dezelfde temperatuur (13°) en vochtigheidsgraad (80%). Dat stabiele klimaat is goed voor de groei van de champignons, die hun omvang om de 20 uur verdubbelen. De “nachttuinier” plukt ze met hun voetjes, waardoor ze heel vers en lekker blijven! “Mijn vrouw en ik hebben heel het jaar door geen ander werk. We doen het pas kalmer aan in de lente, wanneer er minder vraag naar champignons is”, zegt Théo.

 Het dorpsplein van Limbourg

 

De charmante place Saint-Georges die tot het uitzonderlijke immobiliënerfgoed van Wallonië behoort, heeft veel bijgedragen tot het label “Mooiste dorp van Wallonië”, dat aan de vroegere hoofdstad van het hertogdom Limburg werd toegekend. Het trapeziumvormig plein met zijn mooie herenhuizen en zijn uit de Vesder afkomstige straatstenen, trekt de aandacht tot in Engeland. De voorbije maand maart kwam de BBC er immers opnamen maken voor de minireeks Les Misérables, een nieuwe bewerking van de roman van Victor Hugo. Jammer genoeg werd het plein erg beschadigd door opeenvolgende werken en dreigt men er voortdurend zijn voet te verzwikken. Daarom hebben de vroede vaderen besloten het plein te restaureren met alle respect voor de authenticiteit ervan. En daarom werd de campagne “Limbourg, ma place” gestart, die inwoners en sympathisanten 132 euro vraagt om 1m2 straatstenen te financieren. In ruil daarvoor wordt de naam van de koper in één van die stenen geëtst! “We gaan brouwerijen van speciaalbieren ook vragen om aan de actie deel te nemen”, zegt het hoofd van de vzw Jacques Lamotte. “Ze krijgen dan een steen met het blazoen van hun bier.”

Brouwerij Saint-Lazare in Bergen

 

Brouwerij Saint-Lazare verwijst naar de Faubourg Saint-Lazare, die ligt op een van de vijf Bergense heuvels die ook “Mont Saint-Lazare” of “Montagne des 7 frères” wordt genoemd. In 2006, na brouwerijwetenschappen en industriële bierproductie te hebben gestudeerd, zet Jean-Philippe Mottoul zich aan het brouwen omdat hij opnieuw een brouwerij aan het werk wil in de stad. Nadat hij zijn recepten heeft getest bij en verbeterd op advies van een kennerspubliek, richt hij, in het begin van 2015, samen met enkele enthousiaste medestanders de brouwerij “Saint-Lazare” op, die van plan is haar recepten dikwijls te veranderen en geregeld originele dranken te maken, soms voor een beperkte periode, en soms permanent. Ze stelt haar klanten voor hun product mee te helpen ontwikkelen, opdat ze zeker een authentiek bier zouden krijgen, dat bij hen past. Tot de bierpareltjes behoren een ‘Saison’, een ‘Blonde légère’, een amberkleurige ‘Pale Ale’, het luxebier ‘Belgium Owl’ dat op whiskyvaten wordt gelagerd en, sinds kort, een ‘Ambassadeurs’-bier!

De Glaskapel van Fauquez

 

Het gehucht Fauquez, dat als bijzonderheid heeft dat het balanceert op twee gemeenten (Ittre en ’s Gravenbrakel) en zich vastklampt aan twee provincies (Waals-Brabant en Henegouwen), dankt zijn roemrijk verleden aan de ‘Verreries Fauquez’, een glasfabriek die haar glorietijd beleefde in de eerste helft van de 20e eeuw en wel dankzij het genie van haar directeur, Arthur Brancart, de uitvinder van het ‘marbriet’, een ondoorzichtig gemaakte glassoort die in de Art Deco werd gebruikt en die al vlug een internationaal succes kende. Die directeur gedroeg zich als een echte vader voor zijn arbeiders, voor wie hij woningen, scholen, winkels, feestzalen liet bouwen, alsook een kapel, die bekend werd onder de naam van Glaskapel, want het marbriet was er alomtegenwoordig (de glasramen werden getekend door Anto Carte). De kapel werd van 1930 tot 1977 voor de eredienst gebruikt. Daarna werd ze aan haar lot overgelaten, tot in 1990 een zekere Michaël Bonnet, die heel bescheiden op een kleine rivierboot woonde, maar die gouden handen heeft, de kapel aankocht en ze begon te restaureren met materiaal uit de streek. Vandaag is de Glaskapel, die zich op het grondgebied van Ronquières bevindt, een juweeltje dat met duizend kleuren schittert en ook opvalt door haar originaliteit. “Ik heb ze in twee delen opgesplitst”, legt de restaurateur uit. “In het eerste deel heb ik een appartement over drie verdiepingen ingericht, waarvan de derde zich onder de klokkentoren bevindt. Momenteel woon ik daar, maar ik ben van plan het om te vormen tot een vakantieverblijf. Het tweede deel is een zaal voor opvoeringen en tentoonstellingen geworden. Ik organiseer er jazz‑ en toneelavonden, maar ik verhuur ze ook aan particulieren en aan ondernemingen die er evenementen willen laten plaatsvinden.”

De ‘cougnou’, de baby van Andenne

 

De inwoners van Andenne zijn formeel: de ‘cougnou’ (het mannetje) is in hun gemeente geboren. Daarover wordt niet gediscussieerd, want de kwestie is beslecht, het voor en tegen afgewogen, omzwachteld – zoals een baby – en van alle kanten getoond in de vitrine van de Toeristische Dienst. Wanneer liet het kindje voor het eerst van zich horen? De herinneringen omtrent de ‘cougnou’ zijn versnipperd. Waarschijnlijk in de 17e of de 18e eeuw. Het is trouwens in die tijd dat men de eerste sporen vindt van een kaartspel dat Trairies heet en dat onlosmakelijk is verbonden met de ‘cougnou’ van Andenne. Met Kerstmis gingen de inwoners na de middernachtmis immers naar de bakker om zich aan dat kansspel over te geven en te proberen de prijzen te winnen, namelijk de kerststronk en de vier ‘cougnous’ die de inzet vormden. “We zetten de tafels in onze werkplaats en de partijen volgen elkaar zeer snel op, aangezien het er enkel om gaat de hoogste kaart van de getrokken kleur te hebben”, vertelt Martine Dieudonné, die meent dat er op zulk een nacht wel 120 ‘trairies’ worden georganiseerd, waaraan dus 1200 spelers deelnemen. Blijft u sceptisch? Neem dan een ‘cougnou’ en kijk hem goed in de vier ogen: heeft dat kind soms geen twee hoofden (bêches), net zoals de figuren op de speelkaarten?

Your opinion counts