Waw magazine

Waw magazine

Menu

In het hart van de Ardennen staat een biologische fabriek die lekkere, harde biokazen produceert. Le Vieux Liège, l’Ardenner, le Campagnard, 1815 Waterloo… Het zijn maar enkele van de kwaliteitskazen die op traditionele wijze, maar via een modern productieproces bereid worden.

Roger Loicq is een van de grote namen uit de kaassector in België en Europa. In 1989 neemt hij de oude melkerij van Vielsalm over, een ideale plek om de opmars van bio een flinke duw in de rug te geven. Met de hulp van zoon Didier is de zaakvoerder van de biologische kaasmakerij van Vielsalm een van de pioniers in de productie van biokaas in België. Ondertussen zijn Didiers kinderen Thibault en Amaury Loicq mee in het avontuur gestapt. Ze bruisen van nieuwe ideeën, helemaal in lijn met de principes van hun vader en grootvader. ‘Een familiale aanpak, een ondernemende geest, maar ook een drang naar innovatie, creativiteit en kwaliteit… Die passie werd ons van generatie op generatie doorgegeven.’ Het bedrijf ligt op de grens van België met Luxemburg en Frankrijk, een groene streek met heuvels en bossen. Het strenge, vochtige klimaat en de omliggende weilanden vormen de perfecte omstandigheden om melk van hoge kwaliteit te produceren. ‘Op de weiden staan veel kruiden die een positief effect hebben op de kwaliteit van de melk. De biologische landbouw die we bedrijven, is niet onze enige troef. Ook de Ardennen zijn een voordeel, want de regio is nauwelijks ontwikkeld op industrieel gebied.’

Het bedrijf met biolabel wil kwaliteitsvolle streekproducten maken en kiest daarbij voor de korte keten en natuurlijke, traditionele productiemethodes. Smaak komt altijd op de eerste plaats. De kaas wordt geproduceerd op de plek van de oude melkerij. Die werd gerenoveerd met lokale steen en uitgerust met een moderne en efficiënte productieketen. Pasteuriseren, persen, gieten, zouten, coaten, rijpen… Alles gebeurt volgens de regels van de kunst – de perfecte combinatie van ambacht en technologie. Meester-kaasmaker Alain Vedrines en zijn team houden voortdurend een oogje in het zeil.

In 2014 produceerde de kaasmakerij zo’n 380 ton kaas, met namen als Ardenner, Vieux Liège, 1815 Waterloo, Waterloo en Le Campagnard. Naast producten gemaakt van koeienmelk wordt er ook geitenkaas gemaakt, onder de naam ChèvrArdennes.

 

 

Renseignements :

Fromagerie biologique de Vielsalm

Rencheux, rue du Vivier, 63

B-6690 Vielsalm

+32 (0)80 21 67 71 www.fromageriebio.be

 

1815 WATERLOO KAAS MET EEN GESCHIEDENIS

In juni van dit jaar herdenken we de tweehonderdste verjaardag van de Slag bij Waterloo. Geen reden om een kaas te maken? Dat had je maar gedacht. Ter ere van deze herdenking creëerde de biologische kaasmakerij van Vielsalm een biokaas met een onvergetelijke smaak, en een toepasselijke naam: 1815 Waterloo. Voor deze bijzondere kaas baseerde meesterkaasmaker Alain Vedrines zich op een traditioneel recept. Biomelk uit de streek van Vielsalm vormt de basis. Het gatenkaasje rijpt meer dan twee maanden in de korst, wat een nootachtige smaak en een unieke beleving voor de zintuigen oplevert. De 1815 Waterloo is een waar genot!

 

 

 BLADERDEEGGEBAKJE MET GEITENKAAS, PEER EN HONING

Een recept van Dimitri Delhaye

Peren zijn niet alleen lekker bij het dessert. Ook als voorgerecht kun je er veel kanten mee uit. Hier wordt peer gecombineerd met heerlijke geitenkaas en gember, ingepakt in een zacht bladerdeeggebakje. Bent u ook al ingepakt door dit recept met bladerdeeg, geitenkaas en peer? Het is eenvoudig te bereiden en overheerlijk.

Ingrediënten voor 4 personen

— 4 bladerdeegvierkantjes — 1 peer — 1 ChèvrArdennes natuur — honing — 30 gram boter — kaneelpoeder — gember — bakpapier

Bereiding

1. Verwarm de oven voor op 220 graden.

2. Schil de peer, snijd ze in vieren en daarna in blokjes. Snijd 4 schijfj es gember en snipper ze fi jn.

3. Smelt de boter in de pan. Laat de peer en de gember een paar minuten stoven en blijf roeren. Zet de pan van het vuur.

4. Leg het bladerdeegvierkantje op het bakpapier. Verkruimel de ChèvrArdenne. Leg de peer, gember en ChèvrArdenne in het midden van het vierkant. Bestrooi met kaneel en honing. Plooi de vier hoeken van het vierkant samen in het midden.

5. Laat zo’n vijftien minuten bakken.

6. Dien warm op.

 

Sinds de brouwerij van Bertinchamps in 2013 openging, kreeg ze er al heel wat fans bij, zowel in België als in het buitenland. In 2015 is bijna de helft van de productie bestemd voor de export.

Met haar strak etiket en moderne smaak heeft Bertinchamps alles van een jong en trendy merk. Dat is lang geen toeval. Eigenaar Benoît Humblet werkt al bijna 40 jaar als brouwer voor grote internationale groepen in alle uithoeken van de wereld: in Congo (het toenmalige Zaïre) en Kameroen, maar ook in Frankrijk voor Kronenbourg en in België. Hij creëerde het bier Val-Dieu voor de gelijknamige abdij in Aubel. In 2011 zegt hij de samenwerking met zijn vennoot op en gaat hij op zoek naar een nieuwe uitvalsbasis in België. Na enkele maanden zoeken, stoot hij op de oude vierkantshoeve van Bertinchamps, midden in de velden, niet ver van Gembloux. Hij koopt de hoeve, gaat er wonen met zijn gezin en begint er een nieuwe brouwerij. ‘Er zijn meer dan 135 brouwerijen in België’, vertelt hij. ‘Ik wou een origineel project opzetten, maar ook een familiezaak. Vader produceert het bier en de kinderen brengen het op de markt.’ Zijn plan? Een echt hoevebier creëren, eenvoudig en zonder kruiden, uitsluitend met water (ter plaatse geput), mout (uit Luttre) en hop uit Duitsland en Tsjechië. Het is geen echt biobier, maar elke schakel in het productieproces is wel bekend. Zijn materiaal vindt Humblet in Duitsland. In een maand tijd wordt de oude schuur omgevormd tot brouwerij en wordt de brouwzaal, met grote kuipen van roestvrij staal, volledig geautomatiseerd. ‘Op mijn leeftijd kan ik de zakken niet meer zelf dragen’, lacht hij. ‘Maar we hebben gekozen voor het beste materiaal. Over 100 jaar werkt dat nog.’

Van twee naar vier bieren

In 2013 worden er twee bieren gebrouwen met het label Bertinchamps. De Tripel, een rond, amberkleurig en tamelijk zacht bier met discrete karameltoets, en de lichtere Blonde, een echte Belgische pils naar aloude traditie. Er wordt drieduizend hectoliter geproduceerd. Alleen de verhouding hop verschilt van bier tot bier. Al snel wordt het aanbod uitgebreid met een bruin bier, dat lijkt op een Engelse stout. Bertinchamps is nagenoeg de enige Belgische brouwerij die flessen van 50 cl op de markt brengt (‘Het is toch leuker om een fles met twee te delen!’) en etiketten in drie kleuren: fletspaars voor de Tripel, beige voor de Blonde en oranje voor de Brune. Op iedere fles staat een grote B, van Bertinchamps natuurlijk, maar ook van Bier, België of Benoît. Alles wordt in het wit geprint op een gekleurde achtergrond en omkaderd met een vintage- randje, een knipoog naar oude fietsplaten. Daarnaast staat er een datum op: 1343. Die heeft niets te maken met de brouwerij zelf. Het is eenvoudigweg de datum waarop de hoeve deel werd van de gemeente Gembloux. In juli 2015 komt er een nieuwe bottellijn en als alles goed gaat, wordt het aanbod binnenkort uitgebreid met een witbier. ‘Op dit moment hebben we een capaciteit van 5000 hectoliter. Dat stelt de banken gerust en geeft ons de mogelijkheid om iets op te bouwen’, vertelt de meesterbrouwer.

In 2013 worden twee bieren met het label Bertinchamps gebrouwen. De Tripel, een rond, amberkleurig en tamelijk zacht bier met discrete karameltoets, en de lichtere Blonde, een echte Belgische pils naar aloude traditie. Er wordt drieduizend hectoliter geproduceerd. Alleen de verhouding hop verschilt van bier tot bier.

 

De toekomst lacht de brouwerij toe, want ze exporteert haar productie nu al naar een heleboel landen : Rusland (‘ondanks de val van de roebel’), China, Hongkong en Taiwan, maar ook Japan, Ierland, Tahiti en Frankrijk. Die landen zijn goed voor een vijfde van de productie in 2014 en waarschijnlijk voor de helft in 2015. ‘We hebben veel geleerd uit de tips van en de contacten met het AWEX (Waals Agentschap voor de Export). Zij bieden erg waardevolle ondersteuning voor de export van Waalse producten’, vertelt Humblet. ‘Wanneer de economische attachés naar België komen − zo’n twee keer per jaar − spreken we af met de attachés die werken in de landen die ons interesseren. Dankzij hen staan we ook op grote, internationale beurzen. Dat betekent enorm veel voor ons, want alleen is het behoorlijk ingewikkeld om zoiets te organiseren aan de andere kant van de wereld. In België verdelen we niet in de horeca. We nemen wel deel aan tal van lokale festiviteiten en we hebben al grote verdelers in Wallonië.’

Focus op de bezoekers

De hele familie werkt mee in het bedrijf: Jean-Philippe doet de verkoop, Marc-Edouard studeert binnenkort af maar lanceerde al karakterpils ‘1348’ in Louvain-la- Neuve, Anne-Claire ontvangt bezoekers en organiseert degustaties, en architecte Marie-Laure leidt de renovatie van het gebouw, waar het gezin zijn intrek heeft genomen met hond Maltus. Maar Bertinchamps is niet alleen een brouwerij. De hoeve van Bertinchamps ligt tussen Ottignies en Namen en is makkelijk bereikbaar. De eigenaars willen daarom ook graag de kaart van het toerisme trekken. De komende investeringen zijn dus gericht op het ontvangen van bezoekers. Zo werd er pas een nieuwe degustatieruimte gecreëerd, staan er restauratieplannen in de steigers en worden er kooklessen georganiseerd met Stefan Jacobs, een van de chefs van restaurant Va Doux Vent in Ukkel. Ideeën genoeg: misschien komt er een chambre d’hôtes of een samenwoonproject. ‘Maar alles zal afhangen van de verkoop – het is dus nog even afwachten.’ De familie weet duidelijk van aanpakken, maar ook sommige lokale handelaars springen mee op de trein. In Gembloux verkoopt slagerij Atelier Trefois-Deschryver al een paté en een worst die gemaakt zijn met bier van Bertinchamps en in de buurt van Gent zijn er plannen voor een kaas met Bertinchamps. En heet u toevallig Bertinchamps? Dan bent u binnenkort van harte welkom op een groot feest voor alle mensen met die naam. Op de site familienaam.be staan er 227 families met die familienaam in België. Dat wordt feesten geblazen!  

 

Inlichtingen :

Brasserie de Bertinchamps

rue de Bertinchamps 4

B-5030 Gembloux

+32 (0) 81 87 85 28 www.bertinchamps.be

Het kasteeldomein van de Prinsen van Croÿ ademt geschiedenis. Wat zich hier afspeelde, was groots en indrukwekkend, net als het gebouw zelf. Het kasteel ligt op een heuvel tussen de Zenne en de Hene, in de streek van de beroemde Abdij Saint-Feuillien, en behoort tot het belangrijkste erfgoed van Wallonië.

Alles begon zo’n zeshonderd jaar geleden, toen Jacqueline van Beieren, gravin van Henegouwen, het ingenieuze idee had om haar domein na te laten aan de opperkamerheer van Filips de Goede, Anton van Croÿ. Zo kwamen in 1433 “gronden, stad, gerecht, weides en aanhorigheden” in handen van de familie van de Prinsen van Croÿ. Dankzij de geografische ligging van het domein en het prestige van de Prinsen de Croÿ namen in de loop van de geschiedenis tal van bekende personages hun intrek in het kasteel. De beroemdste is waarschijnlijk Keizer Karel, zelf petekind van een van Croÿ, die bijeenkomsten hield in de inkomhal. Om het familie-erfgoed te bewaren, is er sinds 1542 niets veranderd aan de architectuur en de decoratie van de majestueuze raadszaal in de inkomhal, die het hart vormt van het kasteel. Daardoor is ook het karakter van de ruimte als oude wachterszaal bewaard gebleven. Het contrast met de gevel, die gerenoveerd werd tussen 1713 en 1760, is groot en geeft het geheel een bijzondere stijl. Wie goed kijkt, kan het devies van de familie ontwaren op de lange schoorsteenmantel: ‘Plus en sera de Croÿ’ (‘Er zit meer in van Croÿ’). Dat zegt genoeg. In het kleine voorportaal links, bij het buitengaan van de grote raadzaal, kun je de portretten bewonderen van de ridders van het Gulden Vlies, de dappere voorouders van de Prinsen van Croÿ. Van alle families zijn zij het best vertegenwoordigd bij de van Croÿs. En dat is niet het enige record. Het is ook het kasteeldomein dat het langst in handen van één familie bleef, doorheen de geschiedenis, met alle oorlogen en veranderingen die daarbij horen. Onder de uitgelezen gasten: Maria de Medici en de Hertogen van Bourgondië, Filips de Goede en Karel de Stoute. Prins van Oranje Willem II van de Nederlanden en de Hertog van Wellington hielden er een krijgsraad enkele dagen voor de Slag bij Waterloo.

Een brug tussen verleden en heden

Tussen 1963 en 1981 werd het volledige kasteel beschermd als erfgoed. Sinds 2009 staat het als een van de opmerkelijke monumenten op de lijst van onroerend erfgoed van het Waalse Gewest. De familie van de Prinsen van Croÿ-Roeulx woont er nog steeds. Ze organiseren regelmatig grootse culturele evenementen en stellen het kasteeldomein daarbij open voor het publiek. In 2004 werd er een tentoonstelling rond Salvador Dali gehouden ter gelegenheid van de honderdste verjaardag van de Spaanse kunstenaar. Vanaf 21 mei wordt het prachtige domein opnieuw opengesteld voor de overzichtstentoonstelling rond het thema ‘Clouds’. Die toonaangevende socioculturele activiteiten zijn niet zomaar een vitrine voor erfgoed en kunst. De Stichting Croÿ- Roeulx wil hiermee de menselijke waardigheid behouden door de bescherming van milieu, fauna en flora. Ook wil ze de streek en het hele land promoten, over de grenzen heen. “Mijn vrouw en ik zijn actief bezig het kasteeldomein te beschermen, in te richten en te onderhouden. We willen er de bruisende plek van maken die het domein toentertijd was. Voor ons betekent dat traditie en erfgoed bewaren, maar dat ook laten samengaan met de wereld van vandaag. Open staan voor het grote publiek, dat is wat ons echt interesseert”, vertrouwt de Prins van Croÿ- Roeulx ons toe.

 

Inlichtingen :

Château du Roeulx

Place du Château, 21

B-7070 Le Roeulx

www.leroeulxtourisme.be

 

EEN KASTEEL IN DE WOLKEN

Een machine die wolken maakt, Chinese meditatiestenen, ronddwalende schapen, een stalen bol die de hemel en zijn charmante bewoners weerspiegelt… Dat alles vindt u op de tentoonstelling Clouds, waar de poëzie van wolken centraal staat, op het schitterende domein van het Kasteel van Roeulx. Clouds ontstond in samenwerking met Mons 2015 en onder leiding van wetenschappelijk commissaris Michèle Moutashar, ere-hoofdconservator van het Erfgoed van Franse Musea. De tentoonstelling wordt gecoördineerd door Sophie Chartier, zaakvoerder van SoChart International. Het is een uitvloeisel van de expo die werd gecreëerd in het kader van Marseille Provence 2013 ‘Culturele Hoofdstad van Europa’. Verspreid over het domein zijn nieuwe voorwerpen, werk van moderne kunstenaars uit heel België en creaties van wereldwijd bekende hedendaagse kunstenaars of van grote namen uit de 20ste-eeuwse kunst te bewonderen. Ze zetten de bezoekers aan tot dromen, praten met de hemel, aandachtig kijken. Via schilderijen, video’s, foto’s, beeldhouwwerken en installaties nemen zo’n dertig kunstenaars − van Magritte tot Michel François, van Charlotte Charbonnel tot Meret Oppenheim en van Marina Abramovic tot Javier Perez – bezit van de verschillende ruimtes en gaan ze een dialoog aan met de specifi eke kenmerken ervan. Bezoekers kunnen rondwandelen in de oranjerie, de stallen en het centrale park en de kunstwerken tot zich laten spreken. De tentoonstelling reikt verder dan het thema wolken. Hij vormt het “hart van een ontmoeting tussen twee werelden, het kasteel en hedendaagse kunst, twee culturen die samenkomen op deze tentoonstelling”, vertelt de Prins van Croÿ-Roeulx. “Wolken zijn soms gewoon wolken, maar ze kunnen ook een fi guurlijke betekenis hebben. Het is een grote, aparte tentoonstelling, met een verrassend thema en kunstenaars uit de hele wereld.” De tentoonstelling is verspreid over het hele domein, in de parken en tuinen, en in de oranjerie. U kunt er werk van Jan Arp, Man Ray, Bob Verschueren of Not Vital bewonderen, maar maak zeker ook van de gelegenheid gebruik om de natuurpracht van het domein te ontdekken, de bijzondere bomen, de rust en de elegantie. Als afsluiter kunt u voor een welverdiende pauze terecht in het Clouds-café.

www.expo-clouds.com

Sinds 2012 is er een nieuwe rustgevende plek voor de bezoeker die de Abdij van Villers binnengaat. In een tuin van 700 m2 staan niet minder dan 100 geneeskrachtige planten, geselecteerd op basis van de werken van Hildegard van Bingen.

Eerst wandel je tussen de indrukwekkende overblijfselen van de cisterciënzerkerk en de gebouwen (dormitoria, refectoria, auditorium…) waarin de monniken vanaf de 13de eeuw dag in dag uit vertoefden, en daarna kun je voortaan een medicinale tuin ontdekken zoals die in middeleeuwse kloosters werd aangelegd, naast moestuinen en boomgaarden. ‘Normaal werd dit soort tuin in de buurt van de ziekenzaal van de monniken aangelegd, maar dat kon niet omdat daar nu een spoorlijn doorheen loopt’, legt Geneviève Claes uit, pr-medewerker van de dienst promotie van de abdij. ‘Daarom hebben de bestuurders van de vzw die de site beheert hun oog laten vallen op een locatie buiten het normale bezoekcircuit. De plek leent er zich uitstekend toe, want het is er zonnig en de plaats is omringd door muren, beschermd tegen wind en voorzien van bronwater.’ In 2001 kwam de vzw Abbaye de Villers-la-Ville met het plan om opnieuw een tuin aan te leggen in de ruïnes, nadat in 1997 een soortgelijke tuin in de buurt van de Porte de Bruxelles (westkant van de abdij) werd gesloten voor archeologische opgravingen. Toch was het wachten tot 2005 voor het plan vorm kon krijgen dankzij de Stichting Yves Rocher - Institut de France, die niet alleen haar expertise op het gebied van middeleeuwse tuinen aanbood, maar ook bijdroeg tot de concrete realisatie ervan. De tuin van 700 m2 die nu kan worden bewonderd en die het hele jaar open is, is evenwel geen identieke reconstructie, maar eerder een evocatie van hoe een medicinale abdijtuin er in de middeleeuwen uitzag.

Het nuttige aan het aangename paren

‘De monniken wilden in hun eigen onderhoud voorzien en hebben er dus altijd naar gestreefd om alles te produceren wat ze nodig hadden voor hun verbruik’, vertelt abdijgids Dominique Sartiaux. ‘Door die planten te kweken, hadden ze voedingsmiddelen binnen handbereik die ook als basisgeneesmiddel konden dienen. Medicinale kloostertuinen waren niet alleen nuttig, maar hadden ook een symbolische en meditatieve functie, aangezien ze aanzetten om de geest te verheffen en het evenwicht en welzijn terug te vinden.’ De tuin bestaat uit twee delen: de vierkante tuin en de wilde tuin. Het eerste stuk is rechtlijning en omvat acht vierkante perken, afgezet met vlechtwerk uit kastanjehout. In het midden troont een fontein in blauwe steen, gemaakt door de steenhouwers van de steengroeve van Sclayn (Andenne). Ze heeft vier stralen die de vier rivieren van het Paradijs moeten voorstellen. Voor de monniken was de tuin immers de weerspiegeling van het Paradijs en moest alles naar de goddelijke perfectie en schoonheid verwijzen. Het tweede stuk, met veel rondingen, verwijst naar de wilde natuur. Je vindt er bomen, struiken, een vijvertje en… een insectenhotel. De planten in de tuin van Villers-la-Ville zijn voornamelijk uitgekozen op basis van het werk van Hildegard van Bingen, een abdis uit de 12de eeuw die in de Rijnstreek leefde en in 2012 door Paus Benedictus XVI heilig werd verklaard. ‘Aangezien deze abdis uit de Rijnvallei afkomstig was, beschrijft ze in haar medische werken planten die ook geschikt zijn voor onze streken’, legt de gids uit. ‘Bovendien heeft ze regelmatig brieven geschreven naar de monniken van de Abdij van Villers. Die hebben haar niet minder dan 38 filosofische en religieuze vragen gesteld.’

Hildegard en de leer van de lichaamssappen

Hildegard van Bingen was een geleerde vrouw aan wie we naast wetenschappelijke werken ook gebeden en liederen te danken hebben. Ze geloofde in de leer van de lichaamssappen, die op de geschriften van Hippocrates was gebaseerd en waarop de hele geneeskunde tot de 17de eeuw steunde. Volgens deze leer, die Baudelaire inspireerde tot het schrijven van Les Fleurs du mal (De bloemen van het kwaad), werd het gedrag van de mens gekenmerkt door vier lichaamssappen die overeenkwamen met de vier elementen: gele gal en vuur (warm en droog), bloed en lucht (warm en vochtig), zwarte gal en aarde (koud en droog), en slijm en water (koud en vochtig). ‘Een onbalans tussen die “humores” veroorzaakte ziekte’, licht Dominique Sartiaux toe. ‘Het evenwicht kon worden hersteld door een aangepast dieet en bereidingen met planten die het teveel of het tekort aan een bepaald lichaamssap herstelden.’ Zo werden de eerste zes vierkanten van de abdijtuin – in de laatste twee staan planten bedoeld om textiel te vervaardigen en te kleuren – ingedeeld volgens de mate van warmte en vochtigheid. In het vierkant ‘warme en droge planten’ vind je bijvoorbeeld stinkend nieskruid, dat Hildegard gebruikte om koorts, jicht, maagzuur en geelzucht te behandelen. In de categorie ‘koude en vochtige planten’ adviseert de abdis dan weer longkruid gekookt in wijn ‘wanneer men gezwollen longen heeft en het gevoel heeft te zullen stikken en men moeite heeft met ademhalen.’ Nu kun je denken dat we met zo’n eenvoudige remedies toch geen artsen meer nodig hebben, maar probeer dat maar eens te verkopen aan Argan, de malade imaginaire van Molière. Deze zomer zal hij komen zeuren in de abdij. Wanneer hem wordt gezegd dat hem niks mankeert, wordt hij razend. ‘Wie neigt tot kwaadheid, neme een roos en een iets mindere hoeveelheid salie en male deze tot poeder. Wanneer de kwaadheid opwelt, houde men het poeder voor de neusgaten’, beveelt Hildegard van Bingen aan. Ze weet duidelijk op alles het antwoord.

 

Inlichtingen:


Abdij van Villers

Rue de l’Abbaye 55

B-1495 Villers-la-Ville

+32 (0)71 88 09 80 [email protected] www.villers.be

 

WELZIJNSTUIN

Sinds drie jaar biedt de Abdij van Villers-la-Ville tal van ‘natuur en welzijn’-activiteiten aan in haar middeleeuws geïnspireerde tuin: natuurwandelingen, rondleidingen en kruidenworkshops (zie www.villers.be voor het programma). In 2015 is het hoogtepunt van de zomeractiviteiten gepland in het weekend van 26 en 27 september. Gedurende dat weekend zal de site veranderen in een ‘welzijnstuin’ waar van alles te ontdekken valt. In het centrum van de abdij komen stands over natuurlijk welzijn (etherische oliën, cosmetica, voetreflexologie, coaching, gezond koken,…). In een andere ruimte zal er plaats zijn voor tuinaanleg en de inrichting van groene ruimten, terwijl herboristen en producenten van aromatische planten workshops, proeverijen en gratis initiaties zullen aanbieden. En dan zijn er ook nog eens wandelingen om aromatische kruiden te leren kennen en kookworkshops. Zonder de markt met streekproducten te vergeten…

 

900 JAAR GESCHIEDENIS

De Abdij van Villers is een oude cisterciënzerabdij op het grondgebied van de gemeente Villers-la-Ville in Waals-Brabant. Ze werd onder impuls van Bernardus van Clairvaux gesticht in 1146 door een abt en monniken die van Clairvaux (Champagne) kwamen. De site had verschillende voordelen (de vallei lag voldoende afgelegen, er was voldoende water – de Thyle – en er was constructiemateriaal binnen handbereik). Toch werd de abdij in de 13de eeuw, ten tijde van haar spiritueel en wereldlijk hoogtepunt, volledig herbouwd. Ze telde toen een honderdtal monniken en nog eens drie keer zoveel lekenbroeders. Het domein stond onder de bescherming van de machtige hertogen van Brabant en bezat enkele tienduizenden hectaren, verspreid in het gebied tussen Antwerpen en Namen. Van de 16de tot het einde van de 17de eeuw kende de abdij afwisselend rustige en bewogen perioden, waarin de monniken het oord tot negen keer toe moesten verlaten om veiligheidsredenen.

In de 18de eeuw daarentegen beleefde de abdij haar tweede bloei. Nadat ze in 1789 door het Oostenrijkse leger en in 1794 door het Franse leger was geplunderd, werd ze in 1814 door de plaatselijke bevolking leeggeroofd. In de 19de eeuw verviel de abdij, wat romantici als Victor Hugo aantrok. In 1892 werd ze eigendom van de Belgische staat, die snel met de restauratie startte. In 1972 werden de ruïnes beschermd als site en historisch monument. In 1985 begonnen omvangrijke instandhoudingswerkzaamheden, gevolgd door opwaarderings- en herenigingswerkzaamheden in 2010. Vandaag behoren de ruïnes tot het uitzonderlijke erfgoed van het Waalse Gewest.

 

 

De Naamse ‘hotelcampus’, die momenteel een opknapbeurt krijgt, zet werkelijk alle middelen in. De leerlingen beschikken er namelijk over een unieke leeromgeving, bestaande uit een prestigieus hotel en een gastronomisch restaurant.

Op 8 juli 1891 ondertekent koning Leopold II het arrest dat de Citadel als vesting declasseert en haar officieel aan de stad Namen overdraagt. De Citadel (met uitzondering van de Médiane en Terra Nova) heeft haar strategisch belang helemaal verloren en wordt gedemilitariseerd. De koning ziet reeds het toeristische potentieel van deze historische site. In 1893 stelt een Brusselse aannemer voor er een hotel met hydrotherapie te bouwen en tuinen aan te leggen. Het plaatje wordt vervolledigd door een kabelbaan en een tram die het hotel moet verbinden met enerzijds de voet van de vesting (aan de kant van de Maas) en anderzijds het station van Namen. De stad wordt belast met het aanleggen van rijwegen (Route Merveilleuse en Route des Panoramas), die elk een helling van de heuvel opklimmen. Er wordt een naamloze vennootschap opgericht, Namur Citadelle, belast met de uitvoering van de werkzaamheden en het beheer van het toeristische complex. Op 21 mei 1899 opent het Grand Hôtel de la Citadelle zijn deuren, ook al is het nog niet afgewerkt. De ‘Guide du Touriste et du Cycliste’ van die tijd schrijft : ‘Op de heuvels van de Citadel vind je een comfortabele kamer zonder al te veel luxe die veel kost maar niets toevoegt, met koud en warm water op elke verdieping en voortdurend liften…’ De middelen geraken evenwel uitgeput en de uitbater, die zich in een precaire situatie bevindt, vraagt aan de stad de concessie over te nemen. Op 8 juli 1911 wordt de verkoopakte getekend. Het hotel wordt vernieuwd en opent op 8 april 1914 opnieuw de deuren. In dat jaar luiden de doodsklokken. Op 23 augustus wordt het Grand Hôtel gebombardeerd, het zal gedurende twee volle dagen smeulen. Gedaan met het hotel, dat een van de eerste was om de Citadel in te nemen.

Hotelcampus

Pas in het jaar 1930 wordt gestart met nieuwe werkzaamheden op de plaats van het verwoeste hotel: ze luiden het begin in van wat het Château de Namur zal worden. De eigenaar van wat dan hotel Amigo heet, is beperkt in zijn uitbreidingsplannen door de architectuur van het gebouw (een onbruikbare immense overdekte ruimte) en stelt aan de enkele meters lager gelegen hotelschool voor om de ruimte te beheren. Het is de gelegenheid voor de school om een prestigieus hotel-restaurant aan de school te verbinden. Tegelijk kan Namen een goed afstaan (erfpacht) aan de provincie dat de stad veel kost. Zo ontwikkelt er zich sinds 1978 op de top van de Citadel een ‘hotelcampus’ die uniek is voor de Waalse Gemeenschap: een middelbare school met beroepsopleiding, een hogeschool voor hotelmanagement (bachelor) en een praktijkschool waar enkel stage wordt gelopen. Er is nog geen master, maar daar wordt over nagedacht. ‘Een hotelcampus die even volledig is als de onze bestaat nergens anders’, zegt de bescheiden en tegelijk trotse Cédric Vandervaeren, directeur van Château de Namur, docent in de bacheloropleiding Hotelmanagement en ex-leerling van de campus, net als Pierre Résimont van L’Eau vive in Arbre of Lionel Rigolet en Laurence Wynants van Comme chez soi in Brussel. Het zijn referenties die kunnen tellen. Alle afgestudeerden hebben tijdens hun opleiding verplicht stage gelopen in het Château de Namur. Daar houden beroepsmensen uit de horeca er een pedagogische aanpak op na die hen helpt de stagiairs op te leiden en op een coherente en optimale manier te beoordelen. ‘In het Kasteel laten we de studenten proeven van het vak. In de horeca geven veel gediplomeerden het in het eerste jaar van hun beroepsleven op. De schok is te groot. Een praktijkschool is er om dat te vermijden.’ Nog een andere troef van de praktijkschool: de kennismaking met echte klanten. ‘Château de Namur is niet het restaurant van de school. Het is een echt viersterrenhotel met een gastronomisch restaurant. We kunnen ons geen fouten veroorloven of iets opdienen dat slecht is bereid.’ De boodschap lijkt over te komen, als we de toewijding zien van de jonge mensen met witte bloes en zwarte vlinderdas. De maître d’hôtel is nooit ver weg en houdt discreet een oogje in ’t zeil.

Voor wie zijn moed wil testen

Tijdens de bacheloropleiding staat de technische vorming centraal. De vakken bedrijfsbeheer, marketing, financieel beheer en informaticasoftware voor het hotelwezen vormen de basis van de opleiding, naast personeelsmanagement en het leren van vreemde talen. Dienstverlening en menselijke contacten staan immers voorop in dit beroep. ‘Ik zet de studenten aan om creatief te zijn. In het kasteel bevonden zich ongebruikte kelders die ik zonder kosten rendabel wilde maken. Tijdens de lessen hebben we samen nagedacht en de winnende oplossing gevonden: we hebben een “deal” gesloten met een Brussels bedrijf dat gespecialiseerd is in teambuilding. Zij hebben er een infrastructuur genre Fort Boyard ingericht, Fort Bayard genoemd (we zitten dan ook in Namen).’ Alles is aanwezig: tokkelbaan, spelleiders, spinnenweb, rook… Sinds de opening is het een gigantisch succes. Maar aangezien geniale ideeën een kort leven beschoren is, breken de docent en zijn studenten zich al het hoofd over het vervolg. ‘Ik vraag me af hoe een hogeschool die niet over onze uitrusting beschikt, leerlingen in contact brengt met de realiteit. Alleen maar via boeken?’ Goede vraag!

 

Château de Namur

Avenue de l’Ermitage 1

B-5000 Namur 

+32 (0)81.72 99 00

[email protected] www.chateaudenamur.com

Aan de samenloop van Samber en Maas ligt de Citadel van Namen. Ze lijkt wel een schip in een droogdok. Haar ‘boeg’ domineert de Grognon, een zandbank vol geschiedenis. De kanonnen spuwen geen vuur meer, de rust is hersteld en de Citadel verheugt zich over de inspanningen die tegenwoordig worden gedaan om haar in stand te houden.

‘Toen ik in 2009 in dienst kwam van de Dienst Citadel was het al even geleden dat de vestingmuren nog werden gerestaureerd’, vertelt Jean-Sébastien Misson, historicus en hoofd van de Dienst Citadel. ‘Hun erbarmelijke staat was niemand ontgaan. Om een aanvraag tot tegemoetkoming van het Waalse Gewest te onderbouwen, bestelden we in 2010 bij een Parijs architectenbureau dat gespecialiseerd is in militaire architectuur een gedetailleerde studie over de staat van de muren.’ Die studie bracht 50.000 m2 muren in kaart, waarbij voor elke vestingmuur een beschrijving werd opgesteld met de maatregelen die moesten genomen worden en een kostenraming. Een fameus prijskaartje! De restauratie van een enkel stuk muur werd op 24 miljoen euro geraamd. ‘Door die diagnose kon niet alleen worden aangetoond dat de muren dringend aan herstelling toe waren, maar werd ook een algemeen renovatieprogramma voor 10 jaar vastgelegd.’ Vanaf 2011 startten omvangrijke werken, de belangrijkste sinds de Citadel als site werd beschermd (afgerond in november 2012): 5000 m2 vestingmuren werden in één keer gerestaureerd. Een tweede golf werkzaamheden van archeologische waarde volgde (afgerond in 2014) en leidde tot de restauratie van de Porte de Médiane. Een specifiek restauratieproject ontsluierde een intact gebleven deel van de burcht van de graven van Namen en maakte dat stuk ook gedeeltelijk toegankelijk: een middeleeuwse toren uit de 14de eeuw. Tijdens die werkzaamheden werden de ovens van een ondergrondse bakkerij, ingericht ten tijde van de Hollanders, ontdekt en gerestaureerd. Die bakkerij is vandaag toegankelijk bij bepaalde gelegenheden, zoals het proeven van wijnen uit Namen of door Naamse wijnbouwers gemaakt. In samenwerking met de Brasserie du Bocq wordt in een oude bunker van de Citadel een gelijksoortige activiteit georganiseerd rond bieren, waaronder het troebele witbier van Namen.

Die werkzaamheden waren het startschot om de restauratie van de Citadel nieuw leven in te blazen, een opleving die wordt geruggensteund door een raamovereenkomst van € 10.000.000. De beslissing werd eind 2013 door de Waalse regering genomen en in de lente van 2014 werd de overeenkomst getekend. Maxime Prévot, de nieuwe minister van Erfgoed en zelf afkomstig van Namen, kon niet anders dan hierop ingaan. Sindsdien volgen de werkzaamheden elkaar op, stellingen worden opgebouwd en afgebroken voor een grondige opknapbeurt van de vestingmuren en –werken van de Citadel. In 2018 zouden de werken klaar moeten zijn.

Ondergrondse gangen

Voor de goede zaak zullen de ‘Grands souterrains’, de onderaardse gangen waarvan ongeveer 600 meter kan worden bezocht, eind dit jaar worden gesloten. Er zullen noodzakelijke herstellingswerkzaamheden worden uitgevoerd voor de duurzaamheid van het monument en de veiligheid van de bezoekers. Daarbij zal ook het probleem van insijpelend water, kenmerkend voor dergelijk ondergronds netwerk, worden aangepakt. Het grootste deel van de stukken die worden bezocht, stamt uit de Nederlandse periode, maar sommige zones getuigen nog van de tijd van Vauban. Bovendien heeft het Belgische leger de ondergrondse ruimten in de periode tussen de twee wereldoorlogen getransformeerd door zones in te richten die bestand moesten zijn tegen aanvallen met irriterende gassen (zoals mosterdgas), beducht als men was voor de gevolgen ervan. De wanden van bepaalde zones werden dus gegunniteerd en er werden zelfs nieuwe ondergrondse ruimten gegraven, waarvan de muren eveneens werden gegunniteerd om ze ondoor dringbaar te maken. De resten van het ventilatiesysteem (luchtdrukregeling) bedoeld om vervuilde lucht te vervangen door verse en de gassen naar buiten af te voeren, zijn nog steeds zichtbaar. Op het einde van de restauratiewerkzaamheden van de ‘Grands souterrains’ zal een mise-en-scène worden gecreëerd, die in 2017 klaar zal zijn. Onder leiding van een gids zal de bezoeker er verschillende taferelen ontdekken die hem zullen terugvoeren naar het verleden van ‘Europa’s mierennest’ zoals Napoleon de Citadel noemde.

Reis naar het hart van 2000 jaar Naamse geschiedenis

Op 26 juni, voor de ondergrondse gangen weer bezocht kunnen worden, zal een langverwachte ruimte de deuren openen: het nieuwe bezoekerscentrum van de Citadel van Namen. Aan de hand van een ludieke, moderne enscenering zal het centrum een beeld schetsen van de totstandkoming van de site en van het Naamse landschap, evenals van 2000 jaar Naamse geschiedenis, van de Romeinse periode tot de dag van vandaag. Ook de uitdagingen op gebied van erfgoed en urbanisatie van de Citadel en de stad zullen aan bod komen. Zo’n informatiecentrum ontbrak deerlijk, sinds de site voor het publiek werd geopend.

Na de opening van deze ruimte kunnen bezoekers in de maand juli (op vrijdag-, zaterdag- en zondagavond) genieten van het klank- en lichtspel Waterloo, The day after. De show vertelt het verhaal van de terugtocht naar Frankrijk (via Namen) van de napoleontische troepen onder leiding van generaal Grouchy, na de nederlaag van Napoleon in Waterloo. Hadden we de Citadel toen kunnen zien, dan was dat een citadel in verval geweest. Na de beslissing van Jozef II in 1782 (bevestigd door Napoleon in 1801) om alle vestingsteden op zijn grondgebied te demilitariseren zodat kortere en minder dure veldslagen op open veld konden worden gevoerd in plaats van belegeringen voor hoge vestingmuren, was de Citadel van Namen immers een ruïne, een steengroeve in openlucht. Pas tijdens het Hollandse bewind (1815- 1830) werden de zaken weer aangepakt. Na de nederlaag van Napoleon bouwden de Hollanders, op basis van een door de Hertog van Wellington ingegeven plan, een verdedigingslinie op de zuidelijke grens van het nieuwe Koninkrijk der Nederlanden. Die moest Frankrijk elke expansionistische neiging ontraden. Overeenkomstig dit plan bouwden ze de Citadel weer op. De huidige Citadel is dus voor 90% een Hollandse bouwwerk uit de eerste helft van de 19de eeuw en dus helemaal geen vestingwerk van Vauban. Tot zover die mythe.

www.citadelle.namur.be

 

HISTORISCH OVERZICHT

3de eeuw Sinds de derde eeuw van onze tijdrekening al bevindt er zich een versterking op het rotsuitsteeksel dat boven de samenloop van Samber en Maas, en het Gallo-Romeinse dorpje uittorent. Van de 9de tot de 15de eeuw ontstaat er een indrukwekkende vesting, waar de graven van Namen hun hoofdverblijf maken.

15de eeuw In 1429 verwerft Filips de Goede, hertog van Bourgondië, het graafschap Namen. In 1477 trouwt Maria van Bourgondië met Maximiliaan van Oostenrijk. Als zij in 1482 sterft, behoort Namen tot het Huis Habsburg. De ontwikkelingen in de artillerie en de spanningen tussen het Habsburgse Rijk en de Franse koningen dragen verder bij tot de uitsluitend militaire bestemming van de site, die verandert in een indrukwekkende citadel.

16de eeuw Keizer Karel fi nanciert een eerste uitbreiding van de vesting tussen 1542 en 1559 (tegenwoordig de ‘Médiane’). Vanaf 1631 zetten de koningen van Spanje het werk voort met een nieuwe uitbreiding (Terra Nova). De Citadel breidt haar verdediging verder uit tijdens de confl icten tussen Lodewijk XIV en zijn buren. Ze bereikt dan haar maximale oppervlakte (80 ha).

18de eeuw In 1782 onder keizer Jozef II en in 1801 onder Napoleon geraakt de Citadel van Namen in onbruik. Na de nederlaag van Napoleon en het uitroepen van het Koninkrijk der Nederlanden in 1815 begint het Hollandse bewind een verdedigingslinie te bouwen om Frankrijk binnen zijn grenzen te houden.

19de eeuw Na de onafh ankelijkheid van België in 1831 worden die bouwwerken aangevuld met nieuwe militaire gebouwen (kazernement). In 1893, wanneer de Maasvallei zich als vakantiebestemming ontwikkelt, staat de Belgische staat de terreinen buiten de vestingstad af aan de stad Namen. Het Grand Hôtel vestigt zich op een deel ervan (zie artikel over het kasteel van Namen).

20ste eeuw In 1975 wordt na de aanpalende gronden ook de vesting (ongeveer 10 ha) door het Belgische leger aan de stad Namen overgedragen. In 1978 opent de vzw Comité Animation, die de vesting met weinig middelen beheert, voor het eerst de deuren voor het publiek. Het is wachten tot de Citadel eerst als site (1991) en vervolgens als monument (1996) wordt beschermd, en ten slotte op de lijst van uitzonderlijk onroerend erfgoed van het Waalse Gewest (1999) komt te staan, voor de stad Namen zich toelegt op de ontwikkeling ervan en een gemeentelijke dienst opricht die naast het Comité Animation Citadelle ASBL (animatie en exploitatie van de Citadel als toeristisch product) belast is met het beheer van de vesting qua materiële en fysieke aspecten − een welkome beslissing voor de oude bemoste stenen, die best wat renovatie konden gebruiken.  

Clichés bestrijden is een culturele plicht. Neen, Charleroi is niet alleen sociale miserie en troosteloosheid. Charleroi is een stad in volle reconversie, waar de culturele dynamiek nooit geleden heeft onder de teloorgang van de oude industrie. In Charleroi heeft cultuur zelfs een eigen paleis.

De eerste steen van het Paleis voor Schone Kunsten (PSK) werd gelegd in 1954, aan de Place du Manège in de Ville-Haute van Charleroi, de historische wijk die vroeger vooral een militaire functie had. Architect Joseph André (Marbaix 1885 – Charleroi 1969) was toen actief in de stad. Tussen de twee wereldoorlogen was er in Charleroi werk genoeg. Bij de moordende gevechten van augustus 1914, toen Charleroi door het Duitse leger in brand werd gestoken, werd de stad enorm beschadigd. Vanaf 1919 draagt Joseph André bij tot grote private en openbare werken, om Charleroi opnieuw op te bouwen en te herwaarderen. In 1936 neemt hij de bouw over van het stadhuis, dat hij verder afwerkt. Het wordt het meesterwerk van zijn carrière, een art-decogebouw waarvan het belfort geregistreerd is als Werelderfgoed van de Unesco. Tussen 1954 et 1957, terwijl hij het Tentoonstellingspaleis afwerkt, begint André aan de bouw van het Paleis voor Schone Kunsten en de uitbreiding van de Sint- Christoffelbasiliek. Om maar te zeggen dat architect Joseph André zijn stempel heeft gedrukt op de skyline van Charleroi.

De zwanenzang

De opdracht voor het PSK moet in zijn context geplaatst worden: Charleroi beleeft het toppunt van zijn glorie. ‘Maar het zijn de laatste pijlen van het Waalse economische vuurwerk. Een tijd waarin Wallonië meer belastingen betaalde dan Vlaanderen! Vanaf het scharnierjaar 1958, het jaar van de wereldtentoonstelling in Brussel, slaat alles om. De grootste industriële groepen geraken de ene na de andere hopeloos verouderd, te beginnen bij de steenkoolmijnen. De Waalse economie stort in elkaar’, verduidelijkt historicus André Lierneux. Joseph André profiteert nog even van de industriële rijkdom van Charleroi en droomt van een gebouw waarvan alleen al de omvang een ode is aan de levendige plaatselijke cultuur. ‘Charleroi wordt vandaag negatief bekeken als merk en op het vlak van veiligheid en cultuur. Toch is de culturele rijkdom heel zichtbaar en dat is nooit anders geweest.’ De keuze van de plek waar het PSK zou komen gebeurde onder een goed gesternte, want die locatie was al van cultuur doordrongen. Het Paleis werd immers gebouwd op de plaats van het vroegere Théâtre des Variétés. Tussen 1920 en 1940 staken twee architecturale stromingen de kop op in Charleroi: de art deco en het modernisme. Joseph André was een vrije, pragmatische architect en hij gebruikte elementen uit beide stromingen om het PSK te bouwen.

Een functionele en vernieuwende architectuur

Vanaf de buitenkant valt het PSK op door zijn soberheid, zijn heldere lijnen en zijn perfecte volume. De discrete metalen muzen van de Wit-Russische beeldhouwer Ossip Zadkine groeten de trappen voor je binnenkomt in de grote ruimte van de Erezaal, die voor niets anders dient dan om bezoekers blij te maken met afmetingen zo groot dat je nog eens kunt ademen. Het centrale bronzen beeld van Marino Marini, een verwarrende verstrengeling van mens en paard, en de gebeeldhouwde bas-reliëfs van André Hupet zijn de enige versieringen van die zaal. Dan volgt de Rotonde in lichtbruin en zwart marmer, een architecturale truc om te verbergen dat de Erezaal en de Spektakelzaal niet helemaal in elkaars verlengde liggen. Want je moet inderdaad een kleine bocht naar links nemen om plaats te nemen in het rode pluche. Maar het publiek neemt die bocht vlot, dankzij de gebogen lijnen van de Rotonde. De indrukwekkende Spektakelzaal wordt dan onthuld. Duizend achthonderd zitplaatsen en twee balkons, waarvan het eerste dertig meter breed is. Joseph André permitteerde zich hier technische hoogstandjes, eerder dan architecturaal lef. In 1998 werd de zaal vernieuwd, maar ze heeft nog altijd het originele opnamesysteem voor perifeer geluid waardoor de acteurs op de scène niet gebonden zijn aan een microfoon. De orkestbak en zijn gesofisticeerde machinekamer laten toe om opera’s te vertonen met overvloedige scènes en veelvuldige decorwisselingen. ‘Wij trekken volop de kaart van het eclecticisme’, vertelt Pierre Bolle, directeur van het PSK. ‘We hebben het geluk dat we kunnne beschikken over een volledige installatie, waaraan we onlangs nog de Hangar hebben toegevoegd, een ruimte voor hedendaags theater. Concerten, variété, circus, klassieke en moderne dans, theater, opera, alle soorten publiek lopen hier dooreen. In het PSK bestaan geen culturele getto’s’. De organisatie van Focus flamand – zeldzaam in Wallonië – maar ook het festival Charleroi Bis-Arts (voorstellingen van ongebruikelijke vormen op ongebruikelijke plaatsen – elk jaar op Allerheiligen) tonen hoe origineel de programmatie van het PSK wel is.

De indrukwekkende Spektakelzaal wordt dan onthuld. 1800 zitplaatsen en twee balkons, waarvan het eerste 30 m breed is. Joseph André permitteerde zich hier architecturale hoogstandjes.


De fee van Magritte

Op de eerste verdieping bevindt zich de Congreszaal. Daar kunnen minder mensen in, maar er kunnen wel andere dan culturele evenementen georganiseerd worden, of voor een kleinere doelgroep, zoals kamerconcerten. Natuurlijk licht doorheen de glasramen aan de kant van de Place du Manège en exotisch hout uit Congo geven een hedendaagse look aan het zaaltje, al is de inrichting wel oud. Als een zoete onrust u betovert, kijk dan naar boven: een onwetende fee heeft u behekst. Ze woont in de muurschildering die in 1957 werd gemaakt door René Magritte, die afkomstig was uit Henegouwen. Hoewel Magritte altijd zei dat je zijn werken niet moet proberen uit te leggen, zagen een paar exegeten in het landschap van het fresco toch een stukje vallei van de Samber, misschien in de buurt van Pironchamps. De twee huizen zouden bij Châtelet horen en het zouden zelfs de huizen zijn waar Magritte woonde toen hij nog jong was. De gespleten bol zou een belletje zijn, zoals dat wat vastgemaakt werd aan de paarden die een lijkwagen voorttrokken. Een tragische auditieve herinnering voor Magritte, wiens moeder Régina zelfmoord heeft gepleegd door van een brug te springen. Een dodelijke duik in de Samber.

 

informatie

Palais des Beaux-Arts
Place du Manège, 1
B-6000 Charleroi
+32 (0)71 31 12 12
www.pba.be

 

CAROLO BUS TOUR

Voor vele mensen is Charleroi een plek zonder verleden en alleen maar een industriestad die al haar glans verloren heeft. De erkenning dat hier erfgoed aanwezig is, kwam pas laat en traag op gang. Toch zijn daardoor enkele uitzonderlijke gebouwen ontdekt waarvan een aantal vandaag zelfs beschermd is. De Carolo Bus Tour is een initiatief van André en Béatrice Lierneux-Garny, twee historici die verliefd zijn op hun stad. De rondrit kent een sensationeel succes: elke trip is uitverkocht en voor de inschrijvingen zijn er wachtlijsten. De Carolo Bus Tour, die je negen uur lang onderdompelt in Charleroi, is een zoektocht naar een onvoorspelbare stad. ‘Een stad die door sommigen is uitgeroepen tot lelijkste stad ter wereld en een samenraapsel zou zijn van vervuilde wijken, waar de armoede en de misdaad vanaf druipen’, schreef André Lierneux. Maar voor wie beter weet, is Charleroi ook een ‘smeltkroes van ideeën voor sociologen, stads- en landschapsontwikkelaars en een inspiratiebron voor kunstenaars. Een stad waar de fabriek is doorgedrongen tot haar binnenste; een binnenste dat bestaat uit parken en bossen, uit terrils en boerderijen, uit mijnwerkershuisjes en residentiële wijken, uit opmerkelijke openbare gebouwen en scholen, uit klassieke en alternatieve cultuurplaatsen, rijk aan een duizendjarig religieus erfgoed, aan kapotte of gerestaureerde industriële overblijfselen, aan wijken die grondig aan het veranderen zijn.’


Carolo Bus Tour
+32 (0)71 86 14 14
maison.tourisme @charleroi.be

Crowdfunding steunt het Waals patrimonium

Als we het hebben over participatieve financiering, of crowdfunding, dan denken we meestal aan verschillende platforms op internet zoals KissKissBankBank, Kickstarter of Ulule. Die platforms zorgen ervoor dat zoveel mogelijk mensen een (vaak cultureel) project kunnen steunen zodat dat werkelijkheid kan worden. Het kan gaan om een gewone gift, vergelijkbaar met het mecenaat, ofwel om een financiering die een tegenprestatie vereist. In ieder geval laten die systemen toe om een idee te testen bij een groep internetgebruikers. De initiatiefnemer kan onmiddellijk zien of zijn initiatief leefbaar is en kan op de steun van een aantal mensen rekenen. Het verschil met klassieke subsidies, van de overheid of van privébedrijven, is dat deze vorm van financiering deel uitmaakt van een sociale logica waarbij de som van vele bescheiden giften toelaat om een project tot een goed einde te brengen, los van de vaak chaotische grillen van culturele financiering. Natuurlijk zijn de opgehaalde bedragen niet geweldig. De gemiddelde gift schommelt rond 50 euro en de opgehaalde bedragen gaan zelden hoger dan 5.000 euro. Toch raakt deze manier van ondersteuning stilaan ingeburgerd en overstijgt het de louter filantropische reflex (zoals de Amerikaanse site JustGiving) om een aantal sectoren te ondersteunen die geld nodig hebben. In Wallonië werd voor het eerst via deze methode een project gerealiseerd voor de renovatie van erfgoed.

In de buurt van Namen, op een boogscheut van de abdij van Maredsous, dankt het kasteel van Thozée zijn bekendheid aan zijn beroemdste gast, schilder en etser Félicien Rops. Rops heeft veel gereisd, maar dit landhuis raakte en inspireerde hem. Het is ook prominent aanwezig in zijn bijzonder uitgebreide briefwisseling. ‘Je kunt zeggen dat zijn wortels hier lagen en dat deze plaats veel voor hem betekende. Dit huis nieuw leven inblazen, bezoekers toelaten, is een manier om zijn werk, zijn erfenis te vereeuwigen’. Regisseur Thierry Zéno, ook directeur van de Academie voor tekenkunst en visuele kunst in Sint-Jans- Molenbeek, is een hevige bewonderaar van Félicien Rops. Hij heeft twee films aan de man gewijd, maar vooral heel veel tijd. ‘Sinds mijn jeugd ben ik gefascineerd door de weelderigheid en de complexiteit van zijn werk’, voegt hij eraan toe. In 1994 werd op initiatief van zijn kleindochter, Elisabeth Rops, een vzw opgericht: het Fonds Félicien Rops, dat moest waken over het familiale erfgoed. ‘Omdat ze geen kinderen had, was ze heel ongerust over de toekomst van het domein en ze wenste dat het zou dienen als ontmoetingsplaats voor de kunstwereld. We zagen snel in dat het zou kunnen dienen als verblijfplaats voor artiesten, creatieve jongeren, studenten, in een geest van schepping en vrijheid’.

Om die uitdaging tot een goed einde te brengen en het kasteel in zijn glorie te herstellen, heeft de vzw veel inspanningen geleverd, want het gebouw was in heel slechte staat. ‘Elisabeth Rops had de middelen niet meer om het gebouw te onderhouden dat bijna op instorten stond’. Het gebrek aan geld maar vooral de vernieling die de tijd met zich meebrengt zetten de toekomst van het domein op het spel. Het werd alleen gered door de onophoudelijke inzet van de leden van de vzw die koppig bleven aandringen op bescherming van het domein door het Waals Gewest. Daardoor kwam een subsidiebedrag vrij en dat was de redding. De gevels en de daken werden gerestaureerd en de eerste verdieping werd sober ingericht als verblijf voor kunstenaars. ‘Sinds bijna vijftien jaar is hier onophoudelijk gewerkt en is een belangrijk deel van het kasteel opnieuw tot leven gekomen. Maar niet alles is beschermd en dus is er voor bepaalde vleugels en kamers geen subsidie van het Instituut voor het Waals Patrimonium’.

Ontmoetingsplaats

Langzaam maar zeker herstelt Thozée zich en zijn beschermers organiseren hier verschillende activiteiten en tentoonstellingen, zoals Elisabeth Rops dat wou. ‘Er is nog veel werk’, tempert Thierry Zéno toch. ‘We wilden graag de kamers van de gelijkvloerse verdieping restaureren, om er een etsatelier van te maken en er de kunst van Rops te laten voortleven’. De kamers zijn in slechte staat en hebben erg geleden onder de bouwvalligheid en de vochtigheid, die dan ook weer nefast was voor het oude plamuursel en het houtwerk. Vervolgens werden verschillende financieringsmogelijkheden onderzocht en uiteindelijk is er op het platform My Major Company een initiatief gestart in samenwerking met het Instituut voor het Waals patrimonium. Sinds de herfst van 2014 heeft de campagne met enige moeite het bedrag van € 3.000 bijeengekregen dat nodig was voor de inrichting van het atelier. Een avontuur als crowdfunding is immers tijdrovend en moet de hele tijd worden opgevolgd. ‘De campagne heeft drie maanden geduurd, dat is veel en weinig. Je moet ervoor zorgen dat de boodschap goed overkomt en goed wordt begrepen’.

Wat je doet moet inderdaad gebaseerd zijn op een efficiënt communicatieplan en moet vooral aantrekkelijke tegenprestaties leveren. Op die manier voelen de schenkers zich meer betrokken bij het project. Want naast het financiële doel van de campagne is het ook de bedoeling om erkenning te krijgen voor dit beschermde erfgoed en ervoor te zorgen dat − eenmaal het geld binnen − het project blijft duren en aan zichtbaarheid wint. ‘Naast het financiële aspect gaat het ook om een manier om het publiek bewust te maken van de problemen van ons erfgoed. Beschikken over een beschermd goed, betekent dat er ook nog op menselijk vlak moet geïnvesteerd worden. Daar is heel veel vrijwilligerswerk voor nodig. Het is van het grootste belang dat we de verschillende plaatsen en monumenten die deel uitmaken van onze geschiedenis, onze cultuur en onze historische mijlpalen, bewaren, beschermen en onderhouden. Uiteindelijk moeten we verantwoording afleggen voor erfgoed dat niet ons toebehoort, maar de toekomstige generaties!’ Erfgoed dat opgewaardeerd is, zal ook en vooral publiek aantrekken, het plaatselijke leven stimuleren, mee zorgen voor werkgelegenheid en de economische dynamiek van de regio. Het hoofddoel van erfgoedbeheer heeft dus meteen een weerslag op de instandhouding van de plaatselijke economie.

 

informatie

Fonds Félicien Rops ASBL
Rue de Thozée, 12
B-5640 Mettet
+32 (0)71 72 72 62
[email protected]
www.fondsrops.org

 

ROPS/FABRE - 14.03 › 30.08.2015

Een onuitgegeven ontmoeting tussen twee kunstenaars in hun eigen tijd, twee visies, twee oeuvres. Een postume uitnodiging van Félicien Rops aan Jan Fabre, die hij al mocht verwelkomen in zijn museum in Namen voor een gemeenschappelijke tentoonstelling die deel uitmaakt van het offi ciële programma van Mons 2015. Een onuitgegeven parcours in musea en ook erbuiten laat ons het gewaagde en uitdagende universum van deze twee Belgische kunstenaars ontdekken. Bezoekers kunnen vanaf 14 maart in het Museum Félicien Rops en in het Maison de la Culture de verwevenheid en de parallellen ontdekken tussen het werk van de twee kunstenaars, tussen levenskracht en doodsdrang. Naast die essentiële thema’s besteedt de tentoonstelling ook aandacht aan de plaats en de rol van de kunstenaar in de wereld rondom hem, het verband tussen het geschrevene en het boek, de moderniteit van hun tijd die ze onophoudelijk in twijfel trekken. Beelden vinden – in openlucht - een plaats in de citadel van Namen en in de stad zelf, terwijl in het Théâtre Royal Preparatio Mortis en De macht der theaterlijke dwaasheden, twee stukken van Fabre, worden opgevoerd. Een uitnodiging van de ene cultuurplek aan de andere om aan een gemeenschappelijk project te werken. Een uitnodiging om het verband tussen twee kunstenaars te ontdekken. Het universum van Rops en Fabre, dat mensen tot in lengte van dagen zal verstoren, dooreenschudden, ondervragen… Een uitnodiging om te beminnen, om te haten, om je betrokken te voelen of juist onverschillig.

In de 18de eeuw vormt Spa met zijn geneeskrachtige water een trekpleister voor de beau monde van heel Europa. Keizers, koningen, mensen van adel, schrijvers, acteurs en avonturiers stromen er toe. De familie Bourbon strijkt tijdens het kuren graag neer in een hotel dat vandaag haar naam draagt.

Het mooie, neoklassieke hotel Bourbon wordt gebouwd in 1774 , tijdens de eerste bloeitijd van stad Spa. Het hotel is ideaal gelegen, dicht bij de waterbron Pouhon Pierre-le-Grand, en leeft op het ritme van zijn kuurgasten. In 1807 ontsnapt het gebouw aan een brand, die talrijke gebouwen uit de 18de eeuw in de as legt. De gevel is sober en symmetrisch, opgetrokken uit bakstenen en kalksteen. Drie verdiepingen die afnemen in hoogte, een statige trap, een balkon met een leuning in siersmeedwerk en hoge ramen in de voorgevel doen een functioneel, elegant interieur vermoeden dat baadt in het licht. Maar dat is slechts een vermoeden, want er rest niets meer van het oorspronkelijke interieur: de schoorsteenmantels zijn verdwenen, de trap en de eiken meubels werden verkocht door de vorige eigenaar.

Nieuwe huurders

Sinds 1985 zijn de gevel en het dak van hotel Bourbon een beschermd monument. In 2000 koopt het Institut du Patrimoine wallon (Instituut voor het Waals Erfgoed) het hotel, dat toen al een hele tijd leeg stond. Alleen de kelders van het hotel staan nog bekend bij de inwoners van Spa voor de nachtclub die er ooit onderdak vond. ‘Het IPW zette dus een renovatieproject op, in samenwerking met de lokale huisvestingsmaatschappij, Logivesdre en de stad Spa’, vertelt Vanessa Krins, projectmanager bij de afdeling onroerend goed van het IPW. ‘Het gebouw is geschikt om bewoond te worden. Er werd dus beslist om het om te vormen tot zes sociale woningen. Er volgde een lange opstartprocedure: het aanstellen van een ontwerper, architectenbureau Lejeune-Giovanelli, het aanvragen van een patrimoniumsattest en een stedenbouwkundige vergunning, het verkrijgen van subsidies, het uitschrijven van aanbestedingen en de overdracht van goederen in erfpacht aan Logisvesdre. In augustus 2009 gaan de werkzaamheden eindelijk van start. Sinds 2012 is het hotel definitief gered van het verval en klaar om zijn nieuwe ‘reizigers’ te ontvangen.’

Zien en gezien worden

De reizigers die hier nu verblijven zijn in ieder geval discreter dan de ‘Bobelins’ in de 18de eeuw, zoals de inwoners van Spa de mondaine, buitenlandse kuurgasten noemden, en wat ‘zot’ of ‘onnozel’ kan betekenen. Of zou de term voor ‘goede drinkers’ staan? Aan het eind van de 18de eeuw vormt Spa een ‘een hart van plezier’, zoals Casanova schrijft in zijn Memoires. De stad staat bekend voor de heilzame werking van haar water, dat rijk is aan ijzer en minerale zouten. Spa is ook het ‘café van Europa’, waar toeristen samenkomen. ‘(...) Het water is voor de meesten slechts een voorwendsel. Mensen gaan er alleen naartoe voor de affaires, de intriges, om te spelen, de liefde te bedrijven en te spioneren (...)’, schrijft Casanova. Een dag in het leven van een kuurgast is inderdaad niet bepaald een straf. De gasten staan op om 6 uur ’s morgens. Ze beginnen de dag met een glas mineraalwater van de bron Pouhon Pierre-le-Grand op de nuchtere maag. Daarna maken ze samen met de andere gasten een tocht te voet of te paard langs de bronnen in de bossen boven de stad. Na een dag vol ijzerhoudend water drinken ze chocolademelk in de Waux-Hall en bezoeken ze kennissen die net als zij in de hotels van de stad logeren. Die kennissen zijn in de tweede helft van de 18de eeuw makkelijk op te sporen aan de hand van de ‘Lijsten van heren en dames’ waarop de naam, aankomstdatum en verblijfplaats van de bezoekers geregistreerd worden. ’s Avonds gaan de kuurgasten dansen in de Redoute, het casino in het centrum of ze gaan naar een concert. Spa kan bogen op een intens cultureel leven en het nodige vertier voor de vorstelijke en aristocratische families die er verblijven. De zaken draaien goed voor de kappers, stoffenhandelaars, kleermakers, hoedenmakers en hoteliers. De handel bloeit dankzij de beau monde, maar ook mensen met slechte bedoelingen profiteren van de concentratie aan rijkdom. ‘Spa brengt een hoge graad van ontwikkeling in het prinsbisdom Luik. De straten in de stad worden al snel geplaveid, de huizen zijn genummerd en een poststation zorgt voor een goede communicatie’, zegt Vanessa Krins.

Kuurtoerisme vindt zijn oorsprong in Spa. Halverwege de 16de eeuw ontvangt de stad al buitenlandse bezoekers, die afkomen op de befaamde waterbronnen. In dezelfde periode wordt het water van Spa voor het eerst verhandeld en uitgevoerd in Europa.


De ‘spa’ in Spa

Kuurtoerisme vindt zijn oorsprong in de stad Spa. Halverwege de 16de eeuw ontvangt de stad al buitenlandse bezoekers, die afkomen op de befaamde waterbronnen. In dezelfde periode wordt het water van Spa voor het eerst verhandeld en uitgevoerd in Europa. In het begin drinken de kuurgasten vooral grote hoeveelheden water van de fonteinen. Behandelingen met kuurbaden doen hun intrede pas in de tweede helft van de 19de eeuw. Verschillende talen gebruiken ondertussen de naam van de stad Spa om een kuuroord aan te duiden. In de tweede helft van de 19de eeuw kent het kuren in Spa opnieuw hoogdagen. De stad zet haar naam weer op de kaart, maar de internationale faam is getaand. ‘In die periode komt vooral de bourgeoisie uit Luik en Verviers er op vakantie. Het water wordt nog gedronken, maar nu wordt er voornamelijk gebaad. Het buitenleven en een gezonde levensstijl zijn in de mode. Vakantieverblijven waren er al. Daarnaast worden er moderne thermen gebouwd boven aan de stad, een renbaan, een vliegterrein, er worden sportwedstrijden georganiseerd (en niet alleen met auto’s) en het spoornetwerk wordt uitgebouwd. Spa herleeft. Klein probleem: Spa ligt in een bekken, is daardoor minder goed toegankelijk en beschikt niet over een schitterend klimaat. Heeft de stad daarom misschien minder succes dan steden als Vichy en Evian in Frankrijk of Baden in Duitsland?’ Spa blijft echter de voorloper van de thermale steden in Europa. De stad heeft dan ook samen met een aantal andere kuuroorden een aanvraag ingediend om erkend te worden als Unesco Werelderfgoed.

 

informatie

Toerismebureau van Spa
Rue du Marché, 1a
B-4900 Spa
+32 (0)87 79 53 53
[email protected]
www.spatourisme.be

 

HET GASTENBOEK VAN SPA

Antoine Fontaine maakte een schilderij van 9 m lang, waarop in niet-chronologische volgorde 91 personages afgebeeld staan die kwamen kuren in Spa. Enkele bekende namen: Montaigne (1580), Hendrik III van Frankrijk (1584), Descartes (1645), Karel II van Engeland (1664) en Victor Hugo (1865).

Diep in het Ardense Massief in de provincie Luxemburg ligt de gemeente Saint-Hubert, welbekend bij alle jagers. Saint-Hubert wordt omringd door weelderige natuur, maar koestert tegelijk een soort levenskunst die zowel de smulpapen als de liefhebbers van kunst en erfgoed zal verleiden.

Saint-Hubert is de Europese hoofdstad van de jacht en de natuur. Je zal de reden daarvan beter begrijpen als je de duizenden hectaren bos doorkruist die deze kleine gemeente met amper 5.000 inwoners omringen. In de herfst betreden talloze jagers deze wouden, op jacht naar everzwijnen, herten en reeën. De jacht maakt immers integraal deel uit van de geschiedenis van deze gemeente. Volgens de legende zou de heilige Hubertus, zoon van Bertrand, hertog van Aquitanië en bisschop van Luik (665-727), zich tot het christendom hebben bekeerd toen hij tijdens een jachtpartij in de buurt van Saint-Hubert een groot wit hert zag met een kruis in het gewei. Sint-Hubertus is de patroonheilige van de jagers.

Natuur en erfgoed

Natuur en jacht zijn alomtegenwoordig in het hart van dit stadje. Wel ziet de natuur er iets anders uit als hij op de borden ligt van de restaurants en andere eetgelegenheden die Saint-Hubert rijk is. Hun namen alleen al doen watertanden. Le coin gourmand, Le cor de Chasse, La table des Champions… De jagers en natuurliefhebbers in het algemeen hebben het hier naar hun zin, want Saint-Hubert staat open voor allerlei soorten jacht. Lekkerbekken zijn hier welkom, maar ook toeristen die belangstelling hebben voor geschiedenis, erfgoed en kunst. Dat belet hen trouwens niet om ook te vallen voor de charmes van de ‘borquin’, een lokale specialiteit in de vorm van een varkensworst die naar een oud recept is gemaakt. Liefhebbers van schilderkunst wandelen binnen in het museum Pierre-Joseph Redouté, de aquarellist die in 1759 in Saint- Hubert werd geboren. Die plek is een eerbetoon aan de zogenaamde ‘Raphael van de bloemen’, wereldberoemd voor zijn rozen. Talloze originele werken uit de tijd van Redouté (litho’s), gravures en voorwerpen worden er tentoongesteld. Ook de moeite waard is de kerk van Saint-Gilles-au- Pré, die beschouwd wordt als de oudste parochiale kerk van België. Aan het grote Place de l’Abbaye bevindt zich het Abtenpaleis (Le Quartier), opmerkelijk door zijn fraaie architectuur en zijn roze kleur. Het paleis werd gebouwd in 1729, toen Célestin De Jong hier abt was. Het was een waardige verblijfplaats voor de hoge genodigden, bezoekers of prelaten die hier kwamen. Nu worden er archieven bewaard en zijn er tentoonstellingsruimten. Naast het Abtenpaleis bevindt zich de basiliek van Saint-Hubert, die jaarlijks duizenden bezoekers en bedevaarders trekt.

Een architecturaal palet

‘Duizenden toeristen, bedevaarders en studenten in kunst of architectuur’, onderstreept meteen een van de plaatselijke gidsen. ‘Merkwaardig zijn de verschillende architecturale stijlen van de basiliek, die zich in de loop der eeuwen hebben opgestapeld.’ Inderdaad, hier hebben verschillende, almaar grotere abdijkerken elkaar opgevolgd om plaats te bieden aan zowel kloosterlingen als godvruchtige bedevaarders. De oorsprong van de basiliek gaat terug tot de 7de eeuw, maar het huidige gebouw dateert voornamelijk uit de 16de eeuw (1525-1564) en is opgetrokken uit kalksteen van de nabijgelegen steengroeven. De basiliek is een geschiedenisles over de evolutie van de architectuur en gaat van romaans, via weelderige gotiek en renaissance, tot de barokke gevel uit het begin van de 18de eeuw. Het gebouw is architecturaal waardevol maar herbergt ook diverse objecten. Aan de ingang zien we de standbeelden van de vier evangelisten, de heiligen Johannes, Lucas, Mattheus en Marcus, meesterwerken van de barokkunst. Ze werden in de 18de eeuw gemaakt van lindehout, in de ateliers van Guillaume Evrard, en werden onlangs gerestaureerd. Ook niet te missen zijn de twee grote doeken die het leven van Sint-Hubertus uitbeelden. Eén ervan toont hem op jacht, de dag dat hij het hert met het kruis in zijn gewei ziet en zijn leven − maar ook dat van de gemeente Saint-Hubert, die tot dan Andage heette − helemaal omgegooid wordt. Je kunt er ook het praalgraf bezoeken dat geschonken werd door koning Leopold I, al ligt de heilige Hubertus er niet in. Zijn lichaam blijft tot op heden onvindbaar. Een heilige stola herinnert ook aan de traditionele ‘taille’ die bedevaarders massaal kwamen vragen, in de hoop dat de patroonheilige van de jagers hen zou genezen van hondsdolheid. ‘De “taille” was een sneetje dat gemaakt werd in het voorhoofd van de zieke. Die snee werd met een gouden draad aangeraakt, afkomstig uit de stola van de heilige. Tot het begin van de 20ste eeuw kwamen mensen nog naar hier om zich zo te laten verzorgen’, legt de gids uit voordat hij de bezoekers naar hogere sferen roept. Dat mag je letterlijk nemen, want als je gereserveerd hebt, kan je naar boven in de kerk, tot helemaal in de klokkentoren. Het is een hele tocht, die je de 23 klokken laat ontdekken die samen het klokkenspel vormen. Dat werd in 2011, na 214 jaar afwezigheid, opnieuw ingehuldigd. Maar er zijn ook de indrukwekkende raamwerken en het grote ‘eekhoornrad’, dat gebruikt werd om stenen en hout voor de bouw naar boven te halen.

Verschillende, almaar grotere abdijkerken hebben elkaar hier opgevolgd om plaats te bieden aan zowel kloosterlingen als godvruchtige bedevaarders. De oorsprong van de basiliek gaat terug tot de 7de eeuw, maar het huidige gebouw dateert voornamelijk uit de 16de eeuw (1525- 1564) en is opgetrokken uit kalksteen van de nabijgelegen steengroeven.


Twee grote volksfeesten

In de winter lijkt de basiliek ingeslapen, verkleumd door de koude die zijn stenen soms doet barsten. Maar als de mooie dagen eraan komen, warmt hij zich op en weerklinken de stemmen van de toeristen en de bedevaarders uit Frankrijk, Italië of Duitsland, die soms te voet naar hier komen om Sint-Hubertus te eren. De sfeer wordt nog warmer bij twee grote bijeenkomsten. Elk jaar tijdens het eerste weekend van september viert Saint-Hubert de Internationale Dagen van de Jacht en de natuur. Om 11 uur klinken de jachthoorns in de basiliek, die dan bomvol zit. Op 3 november dan is er een grote mis voor het feest van Sint-Hubertus. Tijdens de eredienst wordt het brood gewijd en vervolgens worden de dieren gezegend, aan de uitgang van de basiliek. Typisch voor de verering zijn de kleine broodjes die in zijn naam gewijd worden. ‘Deze rituelen tonen de bescherming die de heilige biedt aan de jagers maar ook aan de dieren. De hele dag is er ook een ambachtsmarkt in het centrum’, verduidelijkt de toeristische dienst van de gemeente. Gezelligheid. Natuur. Traditie. Tafelgenoegens. Je komt altijd terug…

Elk jaar tijdens het eerste weekend van september viert Saint-Hubert de Internationale Dagen van de Jacht en de natuur. Om 11 uur klinken de jachthoorns in de bomvolle basiliek.


www.saint-hubert-tourisme.be

 

te zien en te doen in SAINT-HUBERT

Het Museum van de Kelten
Dit museum ligt in Libramont en laat je het leven ontdekken van de Galliërs en de Kelten, en wat ze hebben nagelaten. Dat gebeurt aan de hand van maquettes, reconstructies, interactieve installaties en merkwaardige archeologische vondsten: vaatwerk, werktuigen, juwelen, wapens, …

Fourneau Saint-Michel
Dit is het museum van het landelijke leven in Wallonië. Het bestaat uit 50 oude woningen en werkplaatsen die samengebracht zijn in een opmerkelijk natuurlandschap.

Het wildpark
Dit park ligt op minder dan twee kilometer van het centrum van Saint-Hubert en wordt doorkruist door talloze wandelpaden. Het toont de bezoeker de verscheidenheid van het wild in de Ardennen, in de natuurlijke omgeving van een bos. Je kunt er ruim honderd diersoorten ontdekken in een halfopen omgeving.

Het Centre Marcassou
De charcuterie van Marcassou, salamiworst en Ardense ham gemaakt naar aloude recepten, is ontstaan aan de Barrière de Champlon. De vroegere productieruimte is nu het Centre Marcassou. Een bezoek leert je hoe Ardense worst en ham gemaakt worden. En je kan er ook proeven.

De Dendronauten, de boomreizigers
‘Een ongewone mysterieuze reis, op zoek naar de geheimen en de charmes van het bos.’ Dat is de belofte van de Dendronauten, de boomreizigers. Concreet wil dat zeggen dat je hier een dagactiviteit kunt volgen waarbij je leert hoe je in bomen klimt, je zintuigen ontwikkelt en alles te weten komt over de mythes en legenden van het bomenrijk. Je kan zelfs een nacht in de bomen slapen.

Your opinion counts