Het is dikwijls in het verleden dat men bronnen van creativiteit vindt, wanneer de verbeeldingskracht de innovatiefase overslaat en direct naar pure uitvinding gaat. Wedijver is slechts mogelijk in een omgeving die tegelijk vrij en stimulerend is, alsook optimistisch en begeesterend. Allemaal argumenten die men tot hun recht moet doen komen om de uitdagingen van de toekomst aan te gaan.

Luik, waar al in de middeleeuwen de wieg van de metaalindustrie stond, was in de 18e eeuw een centrum van verfijnde uurwerkmechaniek. De productie van vuurwapens van allerlei kaliber, van de kleinste handwapens tot het grootste artilleriestuk, was een van de verworvenheden van de eeuwenoude metaalbewerking. Juweliers leefden logischerwijze samen met de makers van wereldberoemde precieze meetinstrumenten. Uurwerkmakers behoorden tot die Luikse experten, die konden wedijveren met Parijs en Genève. Het was in die bloeiende nijverheid dat Hubert Sarton op 3 november 1748 in Luik geboren werd. Zijn opleiding tot uurwerkmaker had hij de danken aan zijn oom, Dieudonné Sarton. In 1768 ging Sarton naar Parijs om er zijn vorming te voltooien. Daarna werkte hij voor Pierre Le Roy, de oudste zoon van Julien Le Roy, de leverancier van uurwerken aan het hof van Lodewijk Louis XVI. Nadat hij op 24-jarige leeftijd de titel van meester-uurwerkmaker had behaald, keerde hij in 1772 terug naar Luik, waar hij zich vestigde. Zoals blijkt uit een brevet dat op 23 december 1778 werd ingediend en geregistreerd bij de Franse Academie voor Wetenschappen, vond hij het automatische uurwerk met rotor uit.
Een gedenkplaat siert de gevel van het huis dat Hubert Sarton bewoonde op de hoek van de place de la République française en de rue de la Wache. Maar er is in Luik geen ‘rue Hubert Sarton’ ter herinnering aan deze uitvinder, die een reeks memo’s en verhandelingen naliet over het bouwen van machines voor steenkoolwinning en over windmolens en hydraulische toestellen voor het droogmalen van Hollandse polders. Rennequin Sualem (1645-1708), een andere ontwerper, is niet veraf.
Van metaalbewerking naar kunstambachten
Luik, dat op de grens van de Romaanse en de Germaanse wereld ligt, heeft aan zijn bewogen geschiedenis een op zijn minst “rendabele” industrie overgehouden, namelijk de wapenproductie. Dat verklaart waarom de Maasstad uitpuilde van wapenwerkplaatsen maar die na de pacificatie van het oude continent één na één gaan verdwijnen. Aan het begin van de 20e eeuw telde de streek van Luik 200 wapenfabrikanten. De in 1865 opgericht firma Lebeau-Courally komt direct uit die erfenis voort. Dat kunstatelier is een van de allerlaatste dat wereldwijd toonaangevend is voor jachtwapens. Het wortelt in de eeuwenoude traditie van metaalbewerkers die juweliers werden. En waarom niet, eigenlijk? De kwaliteit en de afwerking van die Luikse luxewapens met hun etsen op staal doen de grote huizen aan de place Vendôme verbleken.
Die uitzonderlijke kunst wordt nog onderwezen aan de wapenschool Léon Mignon, die generaties van wereldwijd befaamde etsers en technici aflevert. Zelfs de grootste juweliers zouden niet graag zien dat die Luikse ambachtslieden zich aan de productie van luxejuwelen zouden wagen.
Verantwoording
In de zomer van 2013 publiceerde WAW-magazine een dossier van 16 bladzijden over het erfgoed van de middeleeuwse kunstsmeden in de Maasstreek uit de 12e en 13e eeuw. Dit was zeker historisch verantwoord. En wanneer men vanuit dat erfgoed de lijn doortrekt naar de tijd van Hubert Sarton en de uitmuntendheid van de ambachtelijke wapenmakers, komen we terecht bij de verzameling uurwerken van Lebeau-Courally.
In 2010 is dat merk immers luxe-uurwerken en verfijnde koffers en tassen gaan maken. De uurwerken van Lebeau-Courally worden echter niet in Luik gemonteerd, maar in Le Locle, in de Zwitserse Jura, te midden van de beroemdste uurwerkmakers ter wereld. Maar elk uurwerk draagt onmiskenbaar een Luikse toets met enkele kenmerkende details. Het sierelement op 9 uur, dat het reeksnummer van het uurwerk bevat, verwijst duidelijk naar de geweersleutel of veiligheidspal. Op de wijzerplaat ziet men ook het typische raster dat men terugvindt op de kolf van elk geweer van Lebeau-Courally.
De verzameling
De naam van elk uurwerkmodel is die van een jachtgeweer uit de verzameling van Lebeau-Courally – de baron, de graaf, de markies, de kroonprins, de aartshertog… – en er bestaan zeer geraffineerde technische varianten van. De commerciële evolutie die de Zwitserse uurwerkmakers de voorbije 50 jaar doormaakten, heeft die industrie gedwongen tot technische en esthetische prestaties waaraan vervalsers en namakers niet kunnen tippen. Imitatiehorloges zijn belachelijk geworden. Enkel technische en esthetische creativiteit maakt het verschil. Dat geldt trouwens ook voor de meeste van onze industriële activiteiten.
LièGenève
Die poëtische legering zou een geslaagde evocatie kunnen zijn van die twee sterk verschillende steden, die toch met elkaar verbonden zijn door uitzonderlijke kunstambachten. Het Luikse email uit de rue Lulay des Febvres zou prachtig kunnen worden ingelegd in een uurwerkenverzameling als aandenken aan de middeleeuwse kunstenaars uit de Maasstreek en op die manier aan Luik een dankbaar en flatterend internationaal imago schenken. De band met de schatten die men tussen Wezet en Doornik vindt, zou dat erfgoed een plaats geven tussen de internationale pronkstukken uit de kunstgeschiedenis. Dat is al bijna het geval voor het reliekschrijn van de heilige Maurus dat voor de abdij van Florennes werd ontworpen, maar dat zich nu in Tsjechië bevindt, en voor de triptiek van Stavelot in de Morgan Library in New York. Het “Institut du Patrimoine wallon” (Waals Erfgoedinstituut) zou dan over ongezien en flatterende promotiematerieel kunnen beschikken.

In 2008 werd het huis Lebeau-Courally overgenomen door Joris Ide, een belangrijke Vlaamse industrieel. Maar het is Anne-Marie Moeremans die in Luik het atelier leidt en instaat voor de externe contacten. De eigenaars van Lebeau-Courally verwierven eind 2014 de prestigieuze uurwerk- en mechanismefabriek IMH in Le Locle. Die maakt tegenwoordig de meest luxueuze Zwitserse uurwerken en biedt onderdak aan 40 verschillende traditionele ambachten.
De uurwerk- en wapenfirma Lebeau-Courally Genève NV is gevestigd aan de rue de la Corraterie in Genève en haar zusteronderneming bevindt zich aan de rue Saint-Gilles, op de hoogten van Luik. Door die diversifiëring kan men de erfenis van de metaalbewerking in de Maasstreek zorgvuldig bewaren en ook andere producten van die zin voor uitmuntendheid doen profiteren.
De zaak is in kannen en kruiken
Een lederwarenlijn van Lebeau-Courally wordt gefabriceerd door de oude lederwarenfabriek Guene, in Vauxsous-Aubigny in de Haute-Marne. Die fabriek van hoogwaardige handtassen werd door Joris Ide overgenomen onder de naam Dijon Maroquinerie. Door die eigenheid te behouden, wordt de band gelegd tussen de wapenfirma Lebeau-Courally in Luik, de Zwitserse firma IMH in Le Locle en de lijn van esthetische merklederwaren die de geest van de Luikse metaalbewerkingskunst uitstraalt.




Wanneer de allergrootsten het zeggen, zal het wel waar zijn... Of kent u een ander instrument dat op zijn eentje de rijkdom van een volledig orkest kan weergeven? Een orgel kan dat. Het vervangt een tiental instrumenten. Met zijn toetsen, registers en pedalen speelt het vrolijke stukken op feestdagen en treurmuziek bij begrafenissen. Desgewenst kan het stormachtig tekeergaan, maar evengoed rustige en zachte muziek voortbrengen op een fluistertoon. Het moet in alle geval worden bespeeld door een vaardige organist, die heel dat toestel soepel in bedwang kan houden. Want je moet iets van een tovenaar hebben om de ontelbare mogelijkheden er uit te halen. Kijk maar eens naar de organist terwijl hij speelt: heel dikwijls glimlacht hij, hij ziet er gelukkig uit en straalt van vreugde omdat hij zijn kunst ten gehore mag brengen.
Kent u veel plaatsen waar men u begroet, ook wanneer men u niet kent? Dat is het geval in Montignies-sur-Roc, een groen en heuvelachtig dorp in de gemeente Honnelles. Is het omdat men de inwoners ervan “de bergbewoners” noemt, dat die 532 zielen zo beminnelijk zijn? Feit is alleszins dat degenen die wij tegenkwamen, zichtbaar trots waren op hun recente erkenning – je zou voor minder! Want om tot de club van de “Mooiste dorpen” toe te treden, moet men blijk geven van een authenticiteit en een erfgoed bezitten die, via die erkenning, onvermoede schatten volop tot hun recht doen komen.

LA BRASSERIE DES ROCS
Het andere verhaal is minder lyrisch. Tot slot van een vete tussen enerzijds koningin Fredegonde van Neustrië en haar familie en anderzijds koningin Brunhilde (Brunehault) van Austrasië, werd deze laatste in 613 tot een vreselijke dood veroordeeld. Ze zou met haar haardos aan de staart van een dol geworden paard zijn gehangen en gestorven zijn tijdens de eerste ogenblikken van een wilde galop die pas in Hollain eindigde. De “Brunehau(l) t”-steen werd opgericht op de plek waar het paard zou gestopt zijn met het in stukken gereten lichaam van de koningin.



Het meer met een oppervlakte van 25 ha heeft de vorm van een drievingerige handschoen. Men merkt dat niet onmiddellijk op, want 25 jaar na het bouwen van de dam zijn de op de oevers geplante berkengroepen flink gegroeid. Langs een of andere doorkijk kan men echter wel het verlengde zien van de drie rivieren die in het meer uitmonden: de Ry de Rome, de Ry de l’Ermitage en de Ry des Serpents. Dit speciale meer, dat een dal in het midden van het Ardense woud vult, dankt zijn donkere kleur aan zijn rotsachtige bodem. Die geeft er een ietwat noords uitzicht aan, dat nog versterkt wordt door de omliggende naaldbossen.
Soms zou je gaan denken dat bepaalde stukken van de grens tussen Frankrijk en België door een grappenmaker werden getekend. Tussen een meander van de Semois en van de Sint-Jansbosbeek kan een wandelaar van het ene naar het andere land gaan, zonder dat die overgang ergens staat aangeduid. Van die toestand hebben de tabakssmokkelaars tussen beide landen vanaf de helft van de 19e eeuw tot aan het begin van de 20e maar al te graag gebruik gemaakt. De toenmalige Franse consumenten die in een stukje België aan de oever van de Semois gekweekte tabak kochten, konden zo ontsnappen aan de douanerechten en de accijnzen. De pakken tabak werden in de rivier geworpen en er enkele kilometer verder weer uitgevist en op barken geladen, die naar een van die “barakken” werden gesleept, waar men zijn voorraad tabak, chocolade, koffie en lucifers kon indoen. De inwoners van Bohan en omstreken kenden de bossen als hun broekzak en speelden kat en muis met de douaniers. Op het pad dat de vier verschillende barakken (of wat ervan overblijft) verbindt, worden nu rondleidingen gegeven.
De Laurent-barak, waar de wandeling begint, is de enige die voor een groot deel bewaard bleef. Nadat het in streeksteen gebouwde huis met twee verdiepingen na het einde van de smokkelperiode verscheidene keren van eigenaar was veranderd, worden er al 25 jaar bosklassen in gegeven voor groepen minderbedeelde kinderen. Daar waar de Sint-Jansbosbeek in de Semois uitmondt, staan de overblijfselen van de Gérard-barak. Enkele begroeide stukken muur aan de rand van het bos. De olieslagerij waar men de olie voor de lampen maakte, verdween volledig bij de opkomst van de petroleum, omstreeks 1870. Meer dan een eeuw later, is de topografie grondig veranderd. De Gérard-barak kon men toen zien vanop de oevers van de rivier. In de loop der jaren verdwenen de resten beetje bij beetje en overwoekerde het woud opnieuw de stenen en de vervallen muren. Om naar de andere twee barakken te gaan, moet men zich diep in de bossen wagen. Waar nu hoogstammige naaldbomen langs de weg staan, bevonden zich in de tijd van de smokkelaars weiden die in het verlengde van de rivierbedding lagen.
Van de Cagneaux-barak schiet er niet veel meer over, tenzij een laag stenen gebouw waarin zich ongetwijfeld een wasplaats bevond. De in 1938 afgebrande barak werd vervangen door een stenen chalet, dat nu ook in puin gevallen is. Het gebruikte pad ligt iets hoger dan hetgeen dat oorspronkelijk werd gevolgd door de SintJansbosbeek, die in de loop van de tijd verscheidene keren van bedding veranderde.
De grot vormde gedurende meer dan 100.000 jaar een tussenstop en een hulponderkomen voor een reeks prehistorische bevolkingsgroepen. In de verschillende geologische lagen vindt men voorwerpen en mensen- en dierenresten uit verscheidene tijdperken. Er werden al heel wat ontdekkingen gedaan, waarvan de beroemdste en ongelooflijkste het Kind van Sclayn is, een neanderthalerkind van wie men de onderkaak en enkele tanden vond in een leemlaag. Met de meest geavanceerde technieken heeft men er zelfs de leeftijd van kunnen bepalen, namelijk 8 jaar en 17 dagen.




Tumulus van Glimes
Brouwerij Jandrain-Jeandrenouille
Musée de La Boverie
De kerk van Herve met haar gedraaide klokkentoren
Kasteel van Crawhez en kasteelhoeve l’Aguesse



De financiële investering is gigantisch en we mogen blij zijn dat er mensen zijn die zo veel geld kunnen steken in dit soort projecten. Zo kan ons erfgoed, en in dit geval het erfgoed op de lijst ‘Erfgoed Exceptionnel de Wallonie’, bewaard blijven en voortbestaan. Respect voor de creaties van onze verre voorouders vormt dan ook een rode draad tijdens de uitvoering van de werken.