Waw magazine

Waw magazine

Menu

Het is dikwijls in het verleden dat men bronnen van creativiteit vindt, wanneer de verbeeldingskracht de innovatiefase overslaat en direct naar pure uitvinding gaat. Wedijver is slechts mogelijk in een omgeving die tegelijk vrij en stimulerend is, alsook optimistisch en begeesterend. Allemaal argumenten die men tot hun recht moet doen komen  om de uitdagingen van de toekomst aan te gaan. 


Luik, waar al in de middeleeuwen de wieg van de metaalindustrie stond, was in de 18e eeuw een centrum van verfijnde uurwerkmechaniek. De productie van vuurwapens van allerlei kaliber, van de kleinste handwapens tot het grootste artilleriestuk, was een van de verworvenheden van de eeuwenoude metaalbewerking. Juweliers leefden logischerwijze samen met de makers van wereldberoemde precieze meetinstrumenten. Uurwerkmakers behoorden tot die Luikse experten, die konden wedijveren met Parijs en Genève. Het was in die bloeiende nijverheid dat Hubert Sarton op 3 november 1748 in Luik geboren werd. Zijn opleiding tot uurwerkmaker had hij de danken aan zijn oom, Dieudonné Sarton. In 1768 ging Sarton naar Parijs om er zijn vorming te voltooien. Daarna werkte hij voor Pierre Le Roy, de oudste zoon van Julien Le Roy, de leverancier van uurwerken aan het hof van Lodewijk Louis XVI. Nadat hij op 24-jarige leeftijd de titel van meester-uurwerkmaker had behaald, keerde hij in 1772 terug naar Luik, waar hij zich vestigde. Zoals blijkt uit een brevet dat op 23 december 1778 werd ingediend en geregistreerd bij de Franse Academie voor Wetenschappen, vond hij het automatische uurwerk met rotor uit.

Een gedenkplaat siert de gevel van het huis dat Hubert Sarton bewoonde op de hoek van de place de la République française en de rue de la Wache. Maar er is in Luik geen ‘rue Hubert Sarton’ ter herinnering aan deze uitvinder, die een reeks memo’s en verhandelingen naliet over het bouwen van machines voor steenkoolwinning en over windmolens en hydraulische toestellen voor het droogmalen van Hollandse polders. Rennequin Sualem (1645-1708), een andere ontwerper, is niet veraf. 

Van metaalbewerking naar kunstambachten 

Luik, dat op de grens van de Romaanse en de Germaanse wereld ligt, heeft aan zijn bewogen geschiedenis een op zijn minst “rendabele” industrie overgehouden, namelijk de wapenproductie. Dat verklaart waarom de Maasstad uitpuilde van wapenwerkplaatsen maar die na de pacificatie van het oude continent één na één gaan verdwijnen. Aan het begin van de 20e eeuw telde de streek van Luik 200 wapenfabrikanten. De in 1865 opgericht firma Lebeau-Courally komt direct uit die erfenis voort. Dat kunstatelier is een van de allerlaatste dat wereldwijd toonaangevend is voor jachtwapens. Het wortelt in de eeuwenoude traditie van metaalbewerkers die juweliers werden. En waarom niet, eigenlijk? De kwaliteit en de afwerking van die Luikse luxewapens met hun etsen op staal doen de grote huizen aan de place Vendôme verbleken.

Die uitzonderlijke kunst wordt nog onderwezen aan de wapenschool Léon Mignon, die generaties van wereldwijd befaamde etsers en technici aflevert. Zelfs de grootste juweliers zouden niet graag zien dat die Luikse ambachtslieden zich aan de productie van luxejuwelen zouden wagen.

Verantwoording

In de zomer van 2013 publiceerde WAW-magazine een dossier van 16 bladzijden over het erfgoed van de middeleeuwse kunstsmeden in de Maasstreek uit de 12e en 13e eeuw. Dit was zeker historisch verantwoord. En wanneer men vanuit dat erfgoed de lijn doortrekt naar de tijd van Hubert Sarton en de uitmuntendheid van de ambachtelijke wapenmakers, komen we terecht bij de verzameling uurwerken van Lebeau-Courally.

In 2010 is dat merk immers luxe-uurwerken en verfijnde koffers en tassen gaan maken. De uurwerken van Lebeau-Courally worden echter niet in Luik gemonteerd, maar in Le Locle, in de Zwitserse Jura, te midden van de beroemdste uurwerkmakers ter wereld. Maar elk uurwerk draagt onmiskenbaar een Luikse toets met enkele kenmerkende details. Het sierelement op 9 uur, dat het reeksnummer van het uurwerk bevat, verwijst duidelijk naar de geweersleutel of veiligheidspal. Op de wijzerplaat ziet men ook het typische raster dat men terugvindt op de kolf van elk geweer van Lebeau-Courally.

De verzameling

De naam van elk uurwerkmodel is die van een jachtgeweer uit de verzameling van Lebeau-Courally – de baron, de graaf, de markies, de kroonprins, de aartshertog… – en er bestaan zeer geraffineerde technische varianten van. De commerciële evolutie die de Zwitserse uurwerkmakers de voorbije 50 jaar doormaakten, heeft die industrie gedwongen tot technische en esthetische prestaties waaraan vervalsers en namakers niet kunnen tippen. Imitatiehorloges zijn belachelijk geworden. Enkel technische en esthetische creativiteit maakt het verschil. Dat geldt trouwens ook voor de meeste van onze industriële activiteiten. 

LièGenève

Die poëtische legering zou een geslaagde evocatie kunnen zijn van die twee sterk verschillende steden, die toch met elkaar verbonden zijn door uitzonderlijke kunstambachten. Het Luikse email uit de rue Lulay des Febvres zou prachtig kunnen worden ingelegd in een uurwerkenverzameling als aandenken aan de middeleeuwse kunstenaars uit de Maasstreek en op die manier aan Luik een dankbaar en flatterend internationaal imago schenken. De band met de schatten die men tussen Wezet en Doornik vindt, zou dat erfgoed een plaats geven tussen de internationale pronkstukken uit de kunstgeschiedenis. Dat is al bijna het geval voor het reliekschrijn van de heilige Maurus dat voor de abdij van Florennes werd ontworpen, maar dat zich nu in Tsjechië bevindt, en voor de triptiek van Stavelot in de Morgan Library in New York. Het “Institut du Patrimoine wallon” (Waals Erfgoedinstituut) zou dan over ongezien en flatterende promotiematerieel kunnen beschikken.

In 2008 werd het huis Lebeau-Courally overgenomen door Joris Ide, een belangrijke Vlaamse industrieel. Maar het is Anne-Marie Moeremans die in Luik het atelier leidt en instaat voor de externe contacten. De eigenaars van Lebeau-Courally verwierven eind 2014 de prestigieuze uurwerk- en mechanismefabriek IMH in Le Locle. Die maakt tegenwoordig de meest luxueuze Zwitserse uurwerken en biedt onderdak aan 40 verschillende traditionele ambachten.

De uurwerk- en wapenfirma Lebeau-Courally Genève NV is gevestigd aan de rue de la Corraterie in Genève en haar zusteronderneming bevindt zich aan de rue Saint-Gilles, op de hoogten van Luik. Door die diversifiëring kan men de erfenis van de metaalbewerking in de Maasstreek zorgvuldig bewaren en ook andere producten van die zin voor uitmuntendheid doen profiteren.

De zaak is in kannen en kruiken

Een lederwarenlijn van Lebeau-Courally wordt gefabriceerd door de oude lederwarenfabriek Guene, in Vauxsous-Aubigny in de Haute-Marne. Die fabriek van hoogwaardige handtassen werd door Joris Ide overgenomen onder de naam Dijon Maroquinerie. Door die eigenheid te behouden, wordt de band gelegd tussen de wapenfirma Lebeau-Courally in Luik, de Zwitserse firma IMH in Le Locle en de lijn van esthetische merklederwaren die de geest van de Luikse metaalbewerkingskunst uitstraalt.

De kerk van Gesves, die uitsteekt boven het Samsondal, heeft een orgel dat tot buiten onze grenzen beroemd is. De verantwoordelijken voor het Waalse Erfgoed beseffen de uitzonderlijke kwaliteiten ervan en hebben het in april jongstleden als beschermd monument geregistreerd. Die onderscheiding beloont de inspanningen die enkele mensen zich hebben getroost voor het behoud van dat prestigieuze instrument.


Le chœur de l'église

De Sint-Maximuskerk staat op een rotsachtige berguitloper en werd driemaal op dezelfde plaats gebouwd. De eerste werd in de middeleeuwen gebouwd, was gewijd aan de heilige Lambertus en verdween; de tweede werd in 1707 ingezegend en, omdat ze te klein was, werd ze in 1845 gesloopt om plaats te maken voor de huidige kerk. Sommige grafstenen van de gesloopte kerk werden gerecupereerd en dienen nu als altaarstenen in de SintMaximuskerk. Men kan er nog de data en de namen van de lang geleden gestorvenen op lezen.

Vrijgevigheid en talent

De geschiedenis van dit merkwaardige orgel begint in 1871, dankzij de vrijgevigheid van graaf en gravin Limminghe-du Mortier, de eigenaars van het kasteel van Gesves. Toen betaamde het dat kasteelheren voorwerpen voor de eredienst gaven aan de parochiegemeenschap. Een orgel schenken paste dus perfect in die logica. Omdat ze het best mogelijke instrument wilden kopen, deden ze een beroep op Aristide Cavaillé-Coll, eenParijse orgelbouwer die samen met zijn vader en zijn broer werkte en die een bijzonder goede faam had. Met een groepje door hem opgeleide ambachtslieden bouwde Aristide Cavaillé-Coll in zijn drie Parijse werkplaatsen orgels van uitzonderlijke kwaliteit.  

Die instrumenten moesten daarna nog ter plaatse worden geïnstalleerd, wat een andere moeilijke fase was en zeer bekwaam personeel vergde. Er gaan geruchten dat de beroemde Parijse orgelbouwer persoonlijk toezicht kwam houden op het plaatsen van het orgel in Gesves... Hoe dan ook, het monumentale instrument werd op het doksaal boven de hoofdingang van de kerk gezet. Van daaruit kon het orgel zijn krachtig geluid over de biddende gelovigen ontplooien. 

 

IN JAARTALLEN

1845
Bouw van de kerk

1871
De heren van Gesves schenken een orgel aan de kerk

± 1950
Elektrische aandrijving van het blaaswerk

1991
Opname van de CD Meditaciones religiosas (Lefébure-Wély), geïnventariseerd in 1994

2017
Bescherming door het Waals Gewest

 

Voor de adellijke schenker en zijn tijdgenoten moesten orgels niet alleen dienen voor de kerk en de liturgische zang. Hij wilde aan zijn muziekminnende echtgenote bovendien een saIonorgel schenken, waarvan de zichtbare delen nog in het kasteel te vinden zijn. Men kan dus met trots zeggen dat er twee orgels van CavailléColl in Gesves werden geleverd. Die anekdote is niet zonder belang, aangezien men er kan van opkijken dat een van onze dorpen liefst twee exemplaren van die prestigieuze instrumenten bezat. Dat is ongetwijfeld een zeldzaam of zelfs uniek geval ter wereld! De verklaring schuilt waarschijnlijk in het feit dat een muziekliefhebster zoals gravin Limminghe-du Mortier heel goede contacten onderhield met Parijs. Zo kan men beter die uitstekende keuze begrijpen.

Is het orgel de koning der instrumenten? 

pédales de combinaisonsWanneer de allergrootsten het zeggen, zal het wel waar zijn... Of kent u een ander instrument dat op zijn eentje de rijkdom van een volledig orkest kan weergeven? Een orgel kan dat. Het vervangt een tiental instrumenten. Met zijn toetsen, registers en pedalen speelt het vrolijke stukken op feestdagen en treurmuziek bij begrafenissen. Desgewenst kan het stormachtig tekeergaan, maar evengoed rustige en zachte muziek voortbrengen op een fluistertoon. Het moet in alle geval worden bespeeld door een vaardige organist, die heel dat toestel soepel in bedwang kan houden. Want je moet iets van een tovenaar hebben om de ontelbare mogelijkheden er uit te halen. Kijk maar eens naar de organist terwijl hij speelt: heel dikwijls glimlacht hij, hij ziet er gelukkig uit en straalt van vreugde omdat hij zijn kunst ten gehore mag brengen.

Een orgel, dat ten onrechte dikwijls met een piano wordt vergeleken, is een blaasinstrument, terwijl een piano met snaren werkt. Een orgel is zeer ingewikkeld en heeft een lange geschiedenis. Er was immers al sprake van in 250 vóór Christus, toen de werktuigkundige Ctesibios een toestel uitvond dat alle kenmerken en de voornaamste mogelijkheden van de huidige orgels bezat. In oude archieven vindt men zelfs beschrijvingen van draagbare orgels... In de loop der eeuwen onderging het instrument een evolutie die geleid heeft tot de geweldige prestaties van onze hedendaagse orgels.

Het leven van het orgel van Gesves

Om iets te leren over de geschiedenis van het orgel van Gesves, is er niets beter dan ter plaatse gaan luisteren naar de in de streek geboren en getogen Grégory Léonard, die het verhaal van het orgel uit het hoofd kent. Het is waarschijnlijk uit overtuiging dat deze hartstochtelijke erfgoedliefhebber is gaan beseffen hoe belangrijk die weergaloze schat is. Ongelooflijk, immers, dat een tegelijk robuust en kwetsbaar muziekinstrument na 140 jaar nog steeds zijn oorspronkelijke kwaliteiten heeft. Zeker, er gebeurden vergissingen (bijvoorbeeld bij de verhuis van het doksaal naar het gelijkvloers) en men doorstond angsten (met een plan om er een barokorgel van te maken, waarvan gelukkig werd afgezien) en er dreigde ontmoediging, maar telkens bleef men toch met vertrouwen volharden. Momenteel staat het orgel in de rechterhoek van de kerk, in afwachting dat het zijn ideale en definitieve plek krijgt op de plaats van een van beide biechtstoelen, links in het schip. De erkenning vanwege het Waalse Erfgoed is een geweldige troef om dit dorp en zijn schatten tot hun recht te doen komen.

HOE ZIT EEN ORGEL INEEN?

Of het nu een groot of een klein orgel is, het bestaat altijd uit volgende onderdelen:

— De speeltafel is de plaats waar de organist tegenover de trapsgewijs aangebrachte manualen (2-3-4-5 naargelang de omvang van het instrument) en de pedalen zit. Aan de linker- en rechterzijde bevinden zich registerschuiven, die de muzikant kan gebruiken om klanken en effecten te verkrijgen naargelang de muziek die wordt gespeeld of de omstandigheden. — Het blaaswerk is het ademhalingssysteem en de krachtbron van het orgel. Vroeger werd het bediend door helpers – dikwijls koorknapen – maar tegenwoordig zorgt een elektrische aandrijving gelukkig voor een regelmatig en constant luchtdebiet. De geproduceerde lucht wordt dan naar de windlades gevoerd, die ze via verscheidene kanalen (of windbuizen) naar de orgelpijpen sturen.

— De orgelpijpen die men aan de buitenkant van het orgel ziet, krijgen lucht vanuit de windlades en zetten die om in klank. De pijpen hebben verschillende lengten: lange pijpen brengen doffe klanken voort en korte geven scherpe klanken. De diameter van de pijpen heeft dan weer invloed op de toonkleur (of het timbre).

— De orgelpijpen zijn onderverdeeld in verscheidene orgelspelgroepen, met als voornaamste: de achtergrondspeelgroepen (onder andere: diepe bassen, fluiten, principalen enz.) en de rietspeelgroepen (trompet, fagot, menselijke stem) waarbij de luchtstroom een rietje doet trillen.

In april jongstleden werd Montignies-sur-Roc tot “Mooiste dorp van Wallonië” verkozen, zodat het voortaan in de hoogste categorie meespeelt. Maar hoewel dit charmante dorp aan alle selectiecriteria voldoet, hebben we er toch nog een pluspuntje gevonden.


Kent u veel plaatsen waar men u begroet, ook wanneer men u niet kent? Dat is het geval in Montignies-sur-Roc, een groen en heuvelachtig dorp in de gemeente Honnelles. Is het omdat men de inwoners ervan “de bergbewoners” noemt, dat die 532 zielen zo beminnelijk zijn? Feit is alleszins dat degenen die wij tegenkwamen, zichtbaar trots waren op hun recente erkenning – je zou voor minder! Want om tot de club van de “Mooiste dorpen” toe te treden, moet men blijk geven van een authenticiteit en een erfgoed bezitten die, via die erkenning, onvermoede schatten volop tot hun recht doen komen.

Gastvrijheid en feestelijkheid

Je wordt onmiddellijk getroffen door de pracht van de place Fulgence Masson, die de naam draagt van een minister van justitie en advocaat uit Bergen. Uit liefde voor zijn dorp en voor de natuur schonk hij de prachtige lindebomen en platanen die dat dorpsplein sieren. Hun perfecte uitlijning vormt een elegant scherm voor de huizen, die meestal in de 18e eeuw werden gebouwd. Bij mooi weer worden de banken en het gazon verlicht door de gedempte zonnestralen. Op sommige plaatsen zorgt het felle licht dan weer voor een prachtig visueel contrast. Niets komt de aldaar heersende rust verstoren. Toch is dit rustige dorp ook heel gastvrij. Elk jaar vinden er lokale evenementen plaats, die telkens veel uiteenlopende nieuwsgierigen lokken. Om te beginnen is er het toneel: 700 toeschouwers woonden begin augustus 2017 de opvoering van het stuk “Le prénom” (De Voornaam) bij, dat in openlucht werd gespeeld in het park van het kasteel. Een wedstrijd voor trekpaarden, markten voor ambachtelijke producten, sportevenementen en prestigieuze manifestaties (zoals een oldtimer-tentoonstelling voor de liefhebbers van prachtige oude auto’s) maken deel uit van het activiteitenprogramma. Die vele ontmoetingsdagen doen het dorp baden in een vrolijke feeststemming en benadrukken vooral de levenskunst en de gastvrijheid van de dorpelingen. Ze bewijzen ook dat landelijkheid en cultuur prima kunnen samengaan.

Het kasteel 

Dikwijls vertellen kastelen de geschiedenis van de opeenvolgende bewoners. Het kasteel van Montigniessur-Roc vormt daarop geen uitzondering. We kunnen in alle geval bevestigen dat de huidige heerlijkheid sinds 1811 door huwelijk in handen is van de familie la Motte Baraffe, een oud geslacht dat uit Artesië afkomstig is. In de loop der eeuwen onderging het kasteel veel veranderingen, meer bepaald de verbouwing tot “folie”, zoals men luxueuze buitenverblijven toen noemde. De in de 17e eeuw opgetrokken L-vormige bijgebouwen dienen tegenwoordig als opslagplaatsen en stallen. De gunstig gelegen dreef naar het op zijn Frans aangelegde park bevat enkele prachtige boomsoorten. Waren de in vijfhoek geplante haagbeuken getuigen van geheime afspraakjes? Of boden de op die manier ontworpen tuinen veeleer uitzicht op het kasteel?  

In de ruimte binnen de muren vindt men ook een boomgaard, een moestuin en zelfs een vroegere ijskelder, waarvan later een grot werd gemaakt. Doordat het eigendom laag in het dorp ligt, heeft het ook een vijver en een waterbevoorrading vanuit de Petite Honnelle. 

Omdat er in het verleden nogal wat laakbare daden werden gepleegd, kan het kasteel nu niet meer worden bezocht. Dat neemt echter niet weg dat, zoals we hierboven al hebben vermeld, de eigenaars de plaats bij gelegenheid ter beschikking stellen voor een opname of een tentoonstelling.

Enkele ontdekkingen 

Nieuwsgierigen vinden er hun gading en liefhebbers van wandelingen ook. Sportbeoefenaars kunnen maar best bottines aantrekken voor sommige uitstappen, want op sommige plaatsen zijn de paden naar de waterzones glibberig en tamelijk steil. Vanop het dorpsplein kun je verschillende richtingen uit. Langs de Kerkstraat bereik je het kasteel van la Motte en de kerk met een aan OnzeLieve-Vrouw gewijde grot. Het witte herenhuis is ook de moeite waard. Met zijn op muurtjes geplaatste traliewerk ziet het er heel elegant uit. Aan de andere kant bevindt zich op enkele steenworpen van het centrum de Belgisch-Franse grenspost met zijn wachthuisje dat eertijds als douanekantoor dienst deed en op de officiële scheidingslijn tussen beide buurlanden staat. Maar douaniers en controles zijn er niet meer: de weg is vrij en het landschap verandert nauwelijks!

Het dorp heeft nog een andere bijzonderheid, namelijk de Romeinse heerweg die (in rechte lijn) van Bavay (Henegouwen) naar Keulen (Duitsland) loopt, via Tongeren (Belgisch-Limburg) en die het grondgebied van de gemeente kruist.

Misschien verwondert het u dat u hier een Jeanne de Bellevillestraat aantreft. Dat was een heldin uit de oorlog van 14-18. Ze werd in Brussel geboren en ging bij het verzet om hulp te bieden aan de Engelsen die na de gespierde doortocht van de Duitsers in het dorp vastzaten. Samen met Gabrielle Petit, een andere heldin uit de Eerste Wereldoorlog, werd ze gearresteerd en tot dwangarbeid veroordeeld.

INLICHTINGEN 
« Les Plus Beaux Villages de Wallonie »
Rue Haute 7
B-5332 Crupet
+32 83 65 72 40 / [email protected]
www.beauxvillages.be


LA BRASSERIE DES ROCS

Deze brouwerij is een bloeiende plaatselijke onderneming die heel het jaar door bier van uitstekende kwaliteit produceert. U kunt kiezen tussen licht bier, bruin bier, amberkleurig bier en wit bier. Bovendien is er de Triple impériale, een bier dat uitsluitend tegen het einde van het jaar wordt gebrouwen om naar de Verenigde Staten te worden geëxporteerd. Momenteel worden er verbouwingswerken uitgevoerd aan de brouwerij. Daaruit blijkt hoe dynamisch het beheer van de onderneming is.

Brouwerij « L’Abbaye des Rocs »
Chaussée Brunehault 37
B-7387 Montignies-sur-Roc
+32 65 75 99 76 ou +32 476 25 23 68
www.abbaye-des-rocs.com

De nationale weg 507 verlaat Doornik naar het zuiden in de richting van  Saint-Amand-les-Eaux. Enkele kilometer vóór de Franse grens, na het dorp Hollain, is er ietwat afgezonderd een bosje populieren dat een stenen monoliet omringt waarvan het mysterie uitstraalt over de Henegouwse vlakte. 

 

De site bevindt zich op 150 m van de befaamde Romeinse heerweg Bavay-Doornik, op een hoogte die een breed uitzicht biedt op de streek. Die monumentale menhir is van landeniaanse zandsteen en komt uit een Noord-Franse groeve. Die megaliet dateert van het neolithicum, zo’n 3500 jaar geleden. Hij weegt 23 ton. Rekening houdende met het deel onder het grondoppervlak, is hij 4,25 m hoog, 3 m breed en 55 tot 60 cm dik. De andere kant is bezaaid met gaatjes en heeft enkele grote groeven, wat doet vermoeden dat hij ooit als polijststeen werd gebruikt. Het ondergrondse deel meet ongeveer 2 m, wat de totale lengte op ongeveer 5,90 m brengt. Zijn naam dankt hij wellicht aan zijn (bruine) kleur en zijn hoogte: “la Pierre Brune Haut” of “de Hoge Bruine Steen”.

Hoewel de “Pierre Brunehault” sinds 15 maart 1934 beschermd is, weet men er weinig over. In de 18e eeuw begon het monument, net zoals de toren van Pisa, scheef te zakken. In 1819 werd het weer recht gezet met de hulp van 1000 personen.

Het mysterie

Zeker is, dat de steen niet uit de Keltische tijd stamt. Pas lang na de oprichting ervan kwamen de Kelten immers in onze streken. Misschien heeft de megaliet als richtpunt (paal) gediend voor het opstellen van communicatiemiddelen. Het zou ook kunnen dat de mysterieuze steen een ontmoetingspunt vormde of een plaats voor godsdienstige vieringen. Onze “Brunehault”-steen zou dus een eerbiedwaardige ouderdom hebben. 

Verhalen en legenden

Er bestaan twee verhalen over de geschiedenis van de “Brunehault”-steen. Het eerste is religieus van aard en het tweede historisch. In het meest wonderlijke verhaal stond Onze-Lieve-Vrouw centraal.

Toen ze vernam dat Doornik een aan haar toegewijde kathedraal ging bouwen, wilde ze de eerste steen ervoor leveren. Wanneer ze merkte dat de funderingen al boven de grond uitstaken, liet ze teleurgesteld de steen vallen, die ze in haar voorschoot droeg. Die kwam in de grond vast te zitten in Hollain. Toen ze zich afdrukte om weer naar de hemel op te stijgen, steunde de heilige Maagd met haar voet op halve hoogte aan de westelijke kant van de steen en liet er haar voetafdruk achter, de voetafdruk van OnzeLieve-Vrouw... Omdat de steen op die manier een gewijde steen werd, kun je er maar beter je mes niet op slijpen. Je zou het verliezen of het zou zich tegen je keren... Er zijn in de steen verscheidene barsten die doen vermoeden dat de schenders van de steen werden gestraft...

Het andere verhaal is minder lyrisch. Tot slot van een vete tussen enerzijds koningin Fredegonde van Neustrië en haar familie en anderzijds koningin Brunhilde (Brunehault) van Austrasië, werd deze laatste in 613 tot een vreselijke dood veroordeeld. Ze zou met haar haardos aan de staart van een dol geworden paard zijn gehangen en gestorven zijn tijdens de eerste ogenblikken van een wilde galop die pas in Hollain eindigde. De “Brunehau(l) t”-steen werd opgericht op de plek waar het paard zou gestopt zijn met het in stukken gereten lichaam van de koningin.

 

Wie een historische verantwoording zoekt voor de bierbrouwkunst in Wallonië, hoeft slechts te gaan snuffelen in familiepapieren om sporen en schriftelijke bewijzen te vinden van de eeuwenoude continuïteit van die kunst, die vandaag een zaak van miljarden euro geworden is.


De kunst van het bierbrouwen ontstond in het Midden-Oosten, maar de historische continuïteit ervan ligt in drie regio’s die door drie middeleeuwse abdijen worden vertegenwoordigd. In de tijd van het Karolingische rijk spreekt de kroniek over bierproductie in 822 in de Abdij van Corbie in Picardië, ten oosten van Amiens, in 850 te Freising in Beieren, ten noorden van München en in 868 te Lobbes, op de oevers van de Samber, in Wallonië… Sindsdien hebben die streken de bierbrouwkunst behouden en verder ontwikkeld. 

Bijna duizend jaar lang beleed en verspreidde Lobbes zo het christelijk geloof. Volgens de toenmalige etsen, die de immense macht tonen die eeuwenlang werd opgestapeld, was Lobbes een van de beroemdste abdijen van het Westen en ze zou hetzelfde lot ondergaan als Jumièges, Cîteaux, Cluny, Molesme... Het was juist die economische en politieke macht die tot hun ondergang leidde. Er schiet niet veel over van haar stenen stanza’s, haar bloeiende tuinen en moestuinen. Het belastingsgeld en de aflatenhandel, de financiële feodaliteit… Het waren allemaal kiemen van de revolutie die de meest ostentatieve instellingen van het ancien régime vernietigden. Lobbes was een doelwit. Enkel de hoeve bleef bewaard en geeft door haar afmetingen weer hoe machtig die totaal vernielde abdij was.

Boven het abdijdomein steekt de vroegere collegiale Sint-Ursmaruskerk uit, die nu als parochiekerk dienstdoet. De funderingen ervan dateren uit de Karolingische tijd. Het romaanse gebouw is perfect gerestaureerd. Vanaf het voorplein van de kapittelkerk ziet men enkele hoogstammige bomen die de juiste ligging van de abdij tonen, die tijdens heel de 19e eeuw als steengroeve werd gebruikt.

Een project

De gemeente Lobbes heeft een klein deel van de site gekocht, namelijk 2,2 ha, waarop de gebouwen staan van de sinds de jaren ’60 buiten gebruik zijnde linnenopslagplaats van de abdij. Die aan de hoeve grenzende gebouwen zijn 800 m² groot, met daarbij een uitgestrekte loods van 700 m². Volgens de oude plannen bevond de brouwerij zich in een afzonderlijk en zuidelijker gelegen gebouw. Een privé-investeerder zou daarin een microbrouwerij willen onderbrengen. Zou dat kunnen zonder kennis van de recepten van de abdijbieren? Momenteel hebben de plaatselijke historici nog niet naar sporen van die oude schat gezocht.

De enige schat van de abdij die we nog hebben, is de Bijbel van Lobbes, die in het museum van het Seminarie van Doornik bewaard wordt. Dat document maakt deel uit van het Waalse erfgoed. In de middeleeuwen produceerde het scriptorium van Lobbes veel geschriften. De catalogi van de door de abdij gemaakte manuscripten die in de bibliotheek ervan werden bewaard, vormen daar het bewijs van en bevestigen dat Lobbes in de 11e eeuw een belangrijk cultureel centrum was. Die uit 276 folio’s bestaande Biblia Sacra zou eigenlijk een van de twee boekdelen zijn die werden opgezet en in 1084 voltooid door de kopiist Goderan, maar hij bevat slechts een stuk van het Oude Testament. Er ontbreekt een tweede deel met het vervolg van de oudtestamentische teksten die niet voorkomen in het eerste deel, alsook de teksten van het Nieuwe Testament. De verluchtingen zijn echte meesterwerken, die men via het internet kan bekijken op de site van het Seminarie van Doornik.

Dankzij de erfgoeddagen heeft het grote publiek kunnen kennismaken met een thematiek die even essentieel als tijdeloos is, namelijk verplaatsingen. Over het water, op de weg en met de trein. Het evenement is dan wel voorbij, maar het Erfgoed blijft bestaan en kan heel het jaar worden verkend. Hier vindt u een reeks adressen waar u in elk jaargetijde terechtkunt.

 

ARDENS WATER
Barrage du Ry de Rome (Petigny) — Namen

Rond het meer achter de Ry de Rome-stuwdam in de buurt van Couvin loopt een asfaltweg. Die is bijzonder goed geschikt voor wandelingen en fietstochten langs wat het grootste reservoir van drinkbaar water uit de streek is.

Het meer met een oppervlakte van 25 ha heeft de vorm van een drievingerige handschoen. Men merkt dat niet onmiddellijk op, want 25 jaar na het bouwen van de dam zijn de op de oevers geplante berkengroepen flink gegroeid. Langs een of andere doorkijk kan men echter wel het verlengde zien van de drie rivieren die in het meer uitmonden: de Ry de Rome, de Ry de l’Ermitage en de Ry des Serpents. Dit speciale meer, dat een dal in het midden van het Ardense woud vult, dankt zijn donkere kleur aan zijn rotsachtige bodem. Die geeft er een ietwat noords uitzicht aan, dat nog versterkt wordt door de omliggende naaldbossen.

Afgezien van een korte en lichte helling, is de weg altijd vlak. Hij ligt wat hoger dan de oever, die wordt beschermd door een beboste strook waarop alanten groeien. Wie goed kan luisteren en in stilte observeren, zal futen en ijsvogels zien, alsook – in september, met een beetje geluk – visarenden, indrukwekkende roofvogels die met gespreide vleugels boven de donkere waterspiegel zweven, tot ze plots naar beneden duiken om een vis te vangen. In de met bossen begroeide hellingen rond het meer kan men zwarte spechten zien (die de grootste spechtensoort vormen) en ook zwarte ooievaars, typische steltlopers uit bosrijke streken, die naar Wallonië beginnen terug te keren sinds het woud door een beredeneerd beheer weer aantrekkelijk werd. Van juli tot oktober wordt de droge en zure grond van de taluds bedekt door roze calluna of zomerheide. Tijdens het wandelen, zal men ook een of ander afdalend pad opmerken, waarlangs reeën en everzwijnen bij dageraad uit het woud komen om aan het meer hun dorst te lessen. Aan het einde van de wandeling staat men opnieuw en met een fris hoofd voor de stuwdam.

Inlichtingen
Barrage du Ry de Rome
B-5660 Petigny
+32 60 34 59 56 ou +32 60 34 01 40 / [email protected]
http://tourisme.couvin.com


TABAKSSMOKKEL
Bohan — Namur

Soms zou je gaan denken dat bepaalde stukken van de grens tussen Frankrijk en België door een grappenmaker werden getekend. Tussen een meander van de Semois en van de Sint-Jansbosbeek kan een wandelaar van het ene naar het andere land gaan, zonder dat die overgang ergens staat aangeduid. Van die toestand hebben de tabakssmokkelaars tussen beide landen vanaf de helft van de 19e eeuw tot aan het begin van de 20e maar al te graag gebruik gemaakt. De toenmalige Franse consumenten die in een stukje België aan de oever van de Semois gekweekte tabak kochten, konden zo ontsnappen aan de douanerechten en de accijnzen. De pakken tabak werden in de rivier geworpen en er enkele kilometer verder weer uitgevist en op barken geladen, die naar een van die “barakken” werden gesleept, waar men zijn voorraad tabak, chocolade, koffie en lucifers kon indoen. De inwoners van Bohan en omstreken kenden de bossen als hun broekzak en speelden kat en muis met de douaniers. Op het pad dat de vier verschillende barakken (of wat ervan overblijft) verbindt, worden nu rondleidingen gegeven. 

De Laurent-barak, waar de wandeling begint, is de enige die voor een groot deel bewaard bleef. Nadat het in streeksteen gebouwde huis met twee verdiepingen na het einde van de smokkelperiode verscheidene keren van eigenaar was veranderd, worden er al 25 jaar bosklassen in gegeven voor groepen minderbedeelde kinderen. Daar waar de Sint-Jansbosbeek in de Semois uitmondt, staan de overblijfselen van de Gérard-barak. Enkele begroeide stukken muur aan de rand van het bos. De olieslagerij waar men de olie voor de lampen maakte, verdween volledig bij de opkomst van de petroleum, omstreeks 1870. Meer dan een eeuw later, is de topografie grondig veranderd. De Gérard-barak kon men toen zien vanop de oevers van de rivier. In de loop der jaren verdwenen de resten beetje bij beetje en overwoekerde het woud opnieuw de stenen en de vervallen muren. Om naar de andere twee barakken te gaan, moet men zich diep in de bossen wagen. Waar nu hoogstammige naaldbomen langs de weg staan, bevonden zich in de tijd van de smokkelaars weiden die in het verlengde van de rivierbedding lagen.

Van de Cagneaux-barak schiet er niet veel meer over, tenzij een laag stenen gebouw waarin zich ongetwijfeld een wasplaats bevond. De in 1938 afgebrande barak werd vervangen door een stenen chalet, dat nu ook in puin gevallen is. Het gebruikte pad ligt iets hoger dan hetgeen dat oorspronkelijk werd gevolgd door de SintJansbosbeek, die in de loop van de tijd verscheidene keren van bedding veranderde.

Van de Léger-barak schieten alleen maar twee vloertegels over. Het waterdebiet werd ook aanzienlijk lager door het aanplanten van naaldbomen, die heel het dal hebben uitgedroogd. Op de zeer mooie site waar de Flexa- en de SintJansbosbeek samenvloeien, heeft men wat verbeeldingskracht nodig om de toenmalige kleurrijke activiteit weer tot leven te roepen. Maar misschien moet men alleen maar naar het landschap luisteren, dat ons nog heel wat te vertellen heeft.

Inlichtingen
Rue du Bois Jean 142 –
B-5550 Bohan
+32 61 29 28 27 / [email protected]


DE LAGEN VAN DE TIJD
Sclayn — Namur

De grot van Sclayn, in de buurt van Andenne, is een uitzonderlijke site. Die in 1971 ontdekte paleolithische plaats wordt sinds 1978 voorturend onderzocht aan de hand van de meest geavanceerde methodes van de moderne archeologie. 

De grot vormde gedurende meer dan 100.000 jaar een tussenstop en een hulponderkomen voor een reeks prehistorische bevolkingsgroepen. In de verschillende geologische lagen vindt men voorwerpen en mensen- en dierenresten uit verscheidene tijdperken. Er werden al heel wat ontdekkingen gedaan, waarvan de beroemdste en ongelooflijkste het Kind van Sclayn is, een neanderthalerkind van wie men de onderkaak en enkele tanden vond in een leemlaag. Met de meest geavanceerde technieken heeft men er zelfs de leeftijd van kunnen bepalen, namelijk 8 jaar en 17 dagen.

Wanneer de site naar aanleiding van de Erfgoeddagen wordt geopend, zullen we kunnen zien hoe belangrijk de waterwegen waren voor de prehistorische bevolkingsgroepen. Ze vormden niet enkel natuurlijke hinderpalen, maar konden ook de verplaatsingen vergemakkelijken van die nomadische jagers, die van hun expedities kostbare minerale, plantaardige of dierlijke materialen meebrachten. De geografische oorsprong van die verschillende grondstoffen maakt het a posteriori mogelijk het spoor van die onvermoeibare reizigers na te trekken. De site is zo rijk, dat er verscheidene decennia of zelfs generaties nodig zullen zijn om alle lagen en hoeken ervan te onderzoeken en te verkennen. De opgravingen gebeuren in een bepaalde volgorde en zone per zone. Natuurlijk moet men zich hoeden voor te snelle conclusies, want sporen die men op dezelfde hoogte vindt, kunnen best behoren tot periodes die verscheidene tienduizenden jaren uit elkaar liggen.

Het bezoek wordt geleid door de archeologen die de site beheren. Ze zullen uitleg geven over hun werkwijzen en over de evolutie van de kennis van de prehistorie. Ze zullen de bezoekers ook helpen bij het decoderen van de wanden van de uitgraving, waar men veel rots- en beenderfragmenten vindt, die haast onherkenbaar zijn voor leken. Het geoefende oog van de archeologen herkent nu eens een hoektand van een hyena, dan weer een silex, een snijtand van een holenbeer, een tand van een wolneushoorn of een stuk hertengewei. En die beelden komen op haast magische wijze voor de geest.


IN HET TEKEN VAN DE SCHELP
Nivelles — Waals-Brabant

Tot het einde van de 15e eeuw waren er zeker honderdduizenden pelgrims, en zelfs meer, die te voet op bedevaart gingen naar de Spaanse stad Santiago de Compostella. Ze hadden daarvoor uiteenlopende redenen, maar velen van hen wilden op die manier uiting geven aan hun verering voor de christelijke apostel en martelaar Jacobus.

Veel van die bedevaartswegen doorkruisten ons land en één ervan liep door Nijvel, dat in de middeleeuwen een belangrijke stad was. Nu de bedevaart naar Santiago in deze nieuwe eeuw duidelijk weer in de belangstelling komt, kunnen we ons eens buigen over de sporen die ze in de stad van de heilige Gertrudis naliet. Net zoals vroeger is de weg door de stad aangeduid. Hij begint in de Sint-Annawijk. Een banketbakker die Jacquet heette, verwijst naar de bijnaam die de bedevaarders op weg naar Santiago de Compostella kregen. Volgens plaatselijke bronnen ving The Pilgrim, die er vandaag met zijn roodgeschilderde gevel als een Ierse pub uitziet, sinds de 17e eeuw de bedevaarders op. Het standbeeld van de heilige Jacobus, dat in het gemeentelijke museum wordt bewaard, geeft een idee van de meest gebruikelijke bedevaardersuitrusting, namelijk het schoudermanteltje dat was versierd met “conchas” (schelpen) die men aantrof op de Gallicische stranden, een pelgrimstaf en kalebas. In de 12e eeuw was de “codex calixtinus” de eerste topografische reisgids voor Compostella. U kunt er enkele reproducties van zien. In de aan de heilige Gertrudis toegewijde kapittelkerk stelt een interessant hoogreliëf de heilige Jacobus en de heilige Gertrudis voor aan de voet van een kruisbeeld, wat eraan herinnert dat de bedevaart in die moeilijke tijden allesbehalve een pretje was. De weg eindigt in de Kleine Sint-Jacobswijk, de oudste van de stad, met haar huizen van rode baksteen, die veel sporen van de doorgang van de bedevaarders behielden. Teken dat de verering voor de heilige Jacobus er nog steeds leeft, is dat de buurtbewoners ze in de Sint-Gertrudistoren hebben opgenomen.

Inlichtingen
Avenue Albert et Elisabeth
B-1400 Nivelles
+32 472 94 17 90 / [email protected]
www.chirel-bw.be


LOCOMOTIEVEN VAN VROEGER
Saint-Ghislain — Henegouwen

De vroegere wagenwerkplaats van het station van Saint-Ghislain is al sinds enkele jaren de pleisterplaats van de enthousiaste leden van het TSP (Toerisme en Spoorpatrimonium). Het rollend materieel werd geduldig gerestaureerd dankzij de liefde voor en de knowhow die de leden hebben van treinen uit heel Europa. Het rollend materieel van gisteren en eergisteren staat er op de sporen voor fotografen en liefhebbers. Zelfs als ze stilstaan, verliezen die indrukwekkende machines niets van hun aantrekkingskracht. Ze van alle kanten bekijken en soms in de stuurhut ervan klauteren, roept herinneringen uit de kindertijd op. Sinds de oprichting ervan in 1989 heeft het TSP een steeds groter en gevarieerder wordende verzameling materieel aangelegd, die de voornaamste van het land is geworden, na die van de NMBS en van Trainworld.

De verdieping herbergt het rijk van de miniatuurtreinen, maar die spoorbanen zijn er niet minder indrukwekkend om. We tellen er vier, waaronder gelijkstroombanen met 2 rails en wisselstroombanen met 3 rails, naar Duits of Belgisch model. In de landschapsmodules zien kenners de trouwe weergave van de stations van Thulin, Blaton en Peruwelz. Een prestatie die geduld en enthousiasme vergt en die soms een levenswerk is.

Geen rechtgeaarde modelbouwer zal de ontmoeting op zaterdag willen missen. Te midden van het gerestaureerde spoorwegmaterieel wordt dan een ruilbeurs met een honderdtal exposanten gehouden.

Inlichtingen
Rue de la Fontaine
B-7330 Saint-Ghislain
+32 495 20 27 78 / [email protected]
www.retrotrain.be

  • /

Tumulus van Glimes
INCOURT

De tumulus van Glimes is 15 meter hoog en heeft een doorsnee van 52 meter. Het is een van de grootste en indrukwekkendste grafheuvels in België. In de loop der eeuwen is de geschiedenis van deze tumulus, die begon met een Gallo-Romeins graf, vele malen herschreven aan de hand van legendes en volkstradities. Van het graf zelf is niets meer over – het is vele malen geplunderd – maar de schoonheid en grootsheid van deze aardheuvel op het Brabantse vlakke land is ongeschonden gebleven. 

www.hesbayebrabanconne.be


Brouwerij Jandrain-Jeandrenouille
JAUCHE

De hoeve “La Féculerie” is een indrukwekkend vierhoekig complex dat tussen de 14de en de 18de eeuw is gebouwd. Sinds 2006 is hier een artisanale brouwerij gevestigd. Het eerste bier dat hier werd gemaakt, is het inmiddels befaamde IV Saison, een natuurlijk blond bier van 100% gerstemout. Ook worden hier twee bieren van de Broederschap van Jan van Nijvel gebrouwen: Djan d’Nivèle, een licht, op fles gegist blond bier, en Archiduc, een op fles hergiste niet-gepasteuriseerde variant met subtiele toetsen van specerijen die perfect bij de taart Al Djote past. 

www.brasseriedejandrainjandrenouille.com


Musée de La Boverie
LUIK

Het nieuwe museum in het Parc de la Boverie vormt een geslaagde combinatie van erfgoed en innovatie. Het voormalig paleis voor de schone kunsten, een getuige van de Wereldtentoonstelling van 1905, heeft er een uiterst 21ste-eeuwse glazen vleugel bij gekregen die uitkijkt op de Maas. In deze cultuurtempel is zowel hedendaags werk als historische kunst te vinden. Ter gelegenheid van de 200ste geboortedag van John Cockerill wordt een tentoonstelling aan hem gewijd. Een museum dat het verleden en de toekomst met elkaar verbindt en waar volop technische en visuele objecten te ontdekken vallen, elk met een eigen verhaal. 

www.laboverie.com


De kerk van Herve met haar gedraaide klokkentoren
HERVE

Deze dorpskerk is gewijd aan Maria en Johannes de Doper. De zware toren is in de 13de eeuw gebouwd; de kerk zelf dateert van de 17de eeuw. Opvallend is de gedraaide toren. Een constructiefout die al eeuwenlang heel wat nieuwsgierige bezoekers trekt. 

www.paysdeherve.be


Kasteel van Crawhez en kasteelhoeve l’Aguesse
CLERMONT SUR BERWINNE

Clermont is een van de mooiste dorpen van Wallonië. De huizen aan de Place de la Halle vormen een mooi voorbeeld van de Luikse Lodewijk XIII-, XIV- en XV-stijl. Het dorp wordt omringd door het wallenlandschap van het Land van Herve en vormt een harmonieus geheel van bakstenen, wit stenen en leistenen gebouwen. De architectuur vertelt een vredige geschiedenis en nodigt uit tot een wandeling – tot aan het kasteel van Crawhez en de kasteelhoeve L’Aguesse bijvoorbeeld. 

www.beauxvillages.be


 

Sinds 2002 herdenkt de Omloop van de Ardennen om de drie jaar de allereerste automobielrace op de weg op gesloten circuit, die in 1902 plaatsvond. Het is telkens weer een bijeenkomst van oudjes die er nog verbazend jong uitzien!

 

Er bestaat waarschijnlijk geen betere beschrijving van deze kleurrijke manifestatie dan de slogan: ”Het grootste panorama op wielen uit de geschiedenis van de automobiel!” De uitspraak komt uit de mond van een voormalig deelnemer en baas bij Volkswagen, die wist waarover hij sprak. ”Het ontstaan en de ontwikkeling van het gesloten circuit in 1902 zijn aan Wallonië te danken”, vertelt Jacques Deneef, een van de spilfiguren van de herdenking. “In die tijd was het de gewoonte van een stad naar een andere te rijden, bijvoorbeeld Parijs-Berlijn, maar over een dergelijke afstand was het moeilijk het hele traject te beveiligen. De bedenker van dit circuit was Baron Pierre de Crawhez. Hij was heel sportief en nam zelf deel aan de eerste editie, maar door een ongeval kon hij de race niet uitrijden. Hij nam evenwel revanche het jaar daarna!”

In 2000 besliste een groep liefhebbers, waaronder Jean-Pierre Van den Bergen, Jean-Pierre Alvin, Jacques Deneef en Philippe Casse, onder het voorzitterschap van Bernard Dewit een vzw op te richten om de eerste race van 1902 te herdenken. ”Maar we wilden geen race organiseren”, preciseert Jacques Deneef. “Het is wel degelijk een herdenking. Tegelijk is het ook een formidabel instrument om toeristische promotie te voeren voor de Provincie Luxemburg en onze Ardennen. Dit gesloten circuit wordt voortaan om de drie jaar georganiseerd, enerzijds om het publiek niet te verzadigen, maar ook omdat het helemaal op vrijwilligers draait. Tien van ons zijn hier het hele jaar door mee bezig en tijdens het evenement zijn we met zo’n vijftig medewerkers. Dit zal dus de zesde editie zijn.”

Uitzonderlijke oldtimers 

En spektakel zal er zijn, zoveel is zeker! Meer dan 500 auto’s en een vijftigtal moto’s komen twee dagen lang dit 100 km lange circuit rond Bastenaken veroveren. Zaterdag 8 juli 2017 is voorbehouden aan voertuigen van voor 1919, die vanuit Bastenaken vertrekken. Er wordt een uitzonderlijke serie van Bugatti’s aangekondigd! De volgende dag wordt het startschot in Libramont gegeven en is het de beurt aan voertuigen van 1919 tot 1970 (1926 tot 1960 voor de moto’s). ”Verder dan die datum willen we niet gaan, want we willen onze eigen ambities ook niet overschrijden”, aldus Jacques Deneef, tevens een van de beheerders van Autoworld in Brussel. Militaire of commerciële voertuigen worden niet toegelaten. Wie uit het buitenland komt, voornamelijk uit Nederland, Engeland, Duitsland en Zwitserland, mag behalve in het weekend ook op donderdag rijden.”

Dit voor onze contreien bijzondere evenement brengt altijd heel wat volk op de been, niemand wil dit missen. En in 2017 wordt het publiek verwend, want naast een mooie tentoonstelling, gewijd aan Audi, kan het in een kiosk op de place Général Mc Auliffe, in het centrum van Bastenaken, ook negen uitzonderlijke auto’s bewonderen, waaronder een DeDion uit 1903 (die dat jaar aan de race deelnam!), de FN-auto van Albert I of de eerste Germain, die bijna 60 jaar in een garage stilstond. Er staan dus enkele mooie ontdekkingen in het vooruitzicht!

www.circuit-ardennes.be


ZATERDAG 8 JULI

BASTOGNE (Place MacAuliffe) Vanaf 9u.: tentoonstelling en vertrek van de voertuigen vanaf de oertijd tot 1918 Om 10u.: vertrek van de voertuigencategorie Bugatti, Packard en andere merken
MARCHE Van 12 tot 14.30u.: doortocht en halte van de voertuigen op de parkings van stadhuis en Quartier Latin
BASTOGNE (Place MacAuliffe) Vanaf 16u.: aankomst en tentoonstelling van de voertuigen

ZONDAG 9 JULI

BASTOGNE (Place MacAuliffe) Vanaf 9u.: tentoonstelling van de merkenplatformen voor hun vertrek om 10u.
LIBRAMONT Vanaf 8u.: vertrek van de voertuigen 1919-1941 Vanaf 10u.: vertrek van de voertuigen 1942-1970
NEUFCHATEAU Doortocht van de voertuigen van 8.30 tot 11.20u.
HABAY Doortocht van de voertuigen van 9.50 tot 12.25u.
FLORENVILLE Doortocht van de voertuigen van 10.50 tot 14u.
BASTOGNE Vanaf 15u.: aankomst en tentoonstelling van de voertuigen


DE ABDIJTOCHT  


Een nieuw jaar, een nieuwe inkleding voor de Stars Rally Télévie, die op 15 oktober 2017 zijn 10de verjaardag zal vieren. De organisatoren bieden u de kans om de mooiste Waalse wegen te verkennen aan boord van een oldtimer of supercar, in het gezelschap van een beroemdheid uit de sportwereld of de showbiz… Bedoeling is uiteraard om zo veel mogelijk geld in te zamelen voor Télévie, de Waalse tegenhanger van Levenslijn, en zo het onderzoek naar kanker en leukemie te steunen… Dit concept, bedacht door voormalig racepiloot Willy Braillard en Allan Sport, past in de “autopool” van de Challenge Allan Sport, die verder ook golf, tennis en jogging omvat. De organisatoren van de Stars Rally Télévie weten elk jaar een ander thema en verschillende parcours te bedenken. Dit jaar nemen ze de deelnemers mee naar de prachtige Ferme de l’Abbaye de la Ramée, en onderweg doorkruisen ze Waals-Brabant en stoppen ze nog in een andere abdij, die van Villers-la-Ville. Vertrek- en aankomstplaats is het Autoworld-museum in Brussel, dat voor de gelegenheid al vanaf vrijdagnamiddag een aantal supercars tentoon zal stellen. Er zijn twee parcours ingericht: een voor de oldtimers, het andere voor de moderne GT’s. Zo vermijdt men problemen op de kleine landwegen, aangezien beide soorten wagens er toch een verschillende rijstijl op nahouden!

www.starsrallyetelevie.be

 

Our, onlangs nog uitgeroepen tot mooiste dorp van Wallonië, biedt tal van troeven: zijn architecturale erfgoed, de beschermde kerk, zijn gastronomie, prachtige wandelingen… Niemand die eraan kan weerstaan!


Dit kleine dorpje nestelt zich diep in de Ardennen, in het hart van de gemeente Paliseul. Het ligt in een vallei, die in de loop der eeuwen door de Our werd uitgediept. De waterloop gaf zijn naam aan dit kleine plaatsje dat zopas werd bekroond met de titel van “mooiste dorp van Wallonië”. Our sluit zich dus aan bij de zeven andere dorpen in de provincie Luxemburg en de 22 andere dorpen in heel Wallonië die reeds deze erkenning te beurt viel.

Natuurlijke schoonheid

Echte schoonheid is natuurlijk. Om te worden uitgeroepen tot mooiste dorp van Wallonië, heeft het geen zin zich op te dirken. De charme komt vanzelf, zonder poespas of gedoe. Net zoals de andere bekroonde dorpen onderscheidt Our zich door zijn eigenheid, zijn karakter, zijn gastvrije onthaal…  Men zou het bestaan van het dorpje Our gemakkelijk over het hoofd kunnen zien – zo goed is het immers verstopt in de vallei van de gelijknamige rivier, omringd door bossen en een weelderige natuur. Je vindt maar zelden een meer bucolisch kader terug dan hier. En nochtans doorkruisen velen deze streek zonder ook maar even te stoppen om te kijken wat ze te bieden heeft. Jammer, want veel mooier dan hier wordt het niet.  

Het is een typisch Ardeens dorpje, met tal van huizen in natuursteen. Zijn vorm doet soms denken aan een versterkte burcht: omringd door de rivier, met de kerk die erbovenuit torent. Niets daarvan! Iedereen is welkom: steek gewoon een van de fraaie stenen bruggen met hun drie bogen en halvemaanvormige reling over!


Tijdloos 

Welkom in Our. Het dorp telt een negentigtal zielen. Men leeft er op het ritme van het water en het woud; de beslommeringen van de buitenwereld lijken ver weg. De Ardennen, die nochtans gekend staan als ruw, lijken hier bijna goedaardig. De tijd lijkt geen vat te hebben op het gehucht, dat zijn schoonheid in de eerste plaats te danken heeft aan zijn architecturale erfgoed. De lage stenen huizen, met dak in leisteen, verlenen hun karakter aan het handvol straten. De goed bewaarde en onderhouden dorpskern is mijlenver verwijderd van de moderne verkavelingen die elders het landschap overheersen. Een bezoek aan Our, dat is alsof u teruggaat in de tijd, in het hart van ons Waalse erfgoed.

Het is dan ook verrassend om amper een paar honderd meter verderop, aan de top van een van de flanken van de vallei, Thomas & Piron terug te vinden, een van de grootste moderne bouwbedrijven in Wallonië. Een groene barrière schermt het dorp echter af van het industrieterrein. Bovendien wordt overwogen om een ringweg aan te leggen zodat de rust in het dorp bewaard blijft. De baas van het bedrijf, Louis Marie Piron, werkt ook op zijn manier aan het behoud van dit unieke erfgoed. Hij heeft met name meerdere panden gerenoveerd met respect voor de lokale architecturale tradities, waarin nu horecazaken gevestigd zijn.

Genieten van de gastronomie én de natuur 

Maar Sint-Laurentius, die in 258 stierf als martelaar op een rooster in Rome, is niet enkel de genezer van brandwonden; het is ook de patroonheilige van koks en banketbakkers. Dat verklaart misschien de aanwezigheid in dit piepkleine dorp met amper 90 inwoners van meerdere uitstekende eetgelegenheden, waaronder een met een sterrenchef (zie elders). Niets wijst op een rechtstreeks oorzakelijk verband. Maar de vele toeristen in de streek zullen het beamen: de gastronomie in het dorp is een van zijn vele troeven. Daarnaast zijn er ook tal van wandel- en fietstochten die men vanuit Our kan ondernemen. Ze doorkruisen de vallei en de omliggende bossen. Our biedt u de gelegenheid om onaangetaste bossen te verkennen, die zelfs al tijdens een korte wandeling van een paar kilometer hun schoonheid prijsgeven. 


EEN BESCHERMDE KERK


Het hele dorp mag dan al Ardeense charme uitstralen, de kleine kerk met aanpalend kerkhof, die op een natuurstenen platform boven het dorp uitsteekt, is echt wel bijzonder. Ze is bereikbaar via een kleine stenen trap. Het is het meest opmerkelijke gebouw van het gehucht, en is sinds 1983 een beschermd monument. Het is noch door haar omvang noch door haar stijl dat ze indruk maakt. Deze bescheiden kerk is gewoon bijzonder charmant, ook voor de vele artiesten die ze geschilderd hebben. Het gebouw kent een eeuwenlange geschiedenis. Een eerste kapel zou zijn opgericht in 1500, door de heer de Boulin. De huidige configuratie van de kerk, met één naaf en drie traveeën, werd gebouwd vanaf 1680. De gegraveerde datum is nog altijd zichtbaar op het binnenportaal. De bouw liep door tot het begin van de 18de eeuw. In 1819 ging de kerk in vlammen op, maar ze werd het jaar daarop al herbouwd. Erfgoedliefhebbers zullen de klokkentoren met vier verdiepingen weten te appreciëren, met een vierkante basis, vervolgens een rechte verdieping met daarbovenop een achthoekige pijl in een dubbele kegel. Het is tot de dag van vandaag een bedevaartsoord. Mensen komen er met name met hun kinderen om aan de patroonheilige van het dorp bescherming te vragen tegen wat men in de Ardennen kent als “de klokjes van Sint-Laurentius”, of huiduitslag of blaren door verbranding.  

 

De donjon van Crupet, die sinds iets meer dan anderhalf jaar gerestaureerd wordt, staat in het centrum van de belangstelling. De nieuwe eigenaars willen hem een complete lifting geven. Ze doen daarvoor een beroep op het vakmanschap van een team ervaren deskundigen.

 

Een geklasseerd gebouw kopen, is dat een uitdaging? Ja, want er komen een heleboel verschillende stappen en formaliteiten bij kijken. Het veronderstelt een strenge regelgeving. En neen, want je doet niet zomaar eender wat, des te meer omdat er duidelijk vastgelegde verplichtingen verbonden zijn aan de financiële tegemoetkomingen (het Gewest, de gemeente). Het maakt allemaal niet uit! Gedreven door de passie voor het avontuur schrikt de familie de Bever niet terug voor de verplichtingen. In tegendeel, ze is een goede leerling en werkt bewust samen met de specialisten die historisch en archeologisch onderzoek doen. De talrijke werfvergaderingen geven blijk van de wil om de mysteries van dit oude gebouw te onderzoeken en te begrijpen. De nieuwe eigenaars schikken zich dus graag naar de geldende regels. Het gaat hier immers om het
werk van een team dat de authenticiteit van het goed wil bewaren.

De financiële investering is gigantisch en we mogen blij zijn dat er mensen zijn die zo veel geld kunnen steken in dit soort projecten. Zo kan ons erfgoed, en in dit geval het erfgoed op de lijst ‘Erfgoed Exceptionnel de Wallonie’, bewaard blijven en voortbestaan. Respect voor de creaties van onze verre voorouders vormt dan ook een rode draad tijdens de uitvoering van de werken.

De donjon door de eeuwen heen

Jarenlang was het moeilijk om een precies jaartal te plakken op de constructie van de donjon van Crupet. Er bleven twijfels bestaan waardoor het onmogelijk was de eeuw waarin het kasteel werd gebouwd met zekerheid te bepalen. Het zijn de houten structuren (vloeren, vakwerk en constructies) – de beste aanwijzingen voor de bouwperiode – die de antwoorden op heel wat vragen hebben geleverd. In het kader van de opstart van de restauratie en dankzij een grondige dendrochronologische analyse heeft men de leeftijd van de bomen die gebruikt zijn voor de structuur van de donjon kunnen bepalen vóór er een jaar geleden van start werd gegaan met de werken. Op basis van de analyse van de jaarringen van het gebruikte hout kon men de periode van de oorspronkelijke constructie afleiden. De bouw van het versterkte huis wordt gedateerd tussen 1286 (jaartal twee keer vermeld voor het vellen van de bomen) en 1299. In combinatie met de bestaande historische bronnen levert dat voor de datering een tijdsvork tussen 1278 en 1304 op. Geen onbelangrijke informatie voor het vervolg van de werken.

Sinds de bouw ervan hebben verschillende eigenaars in de loop der tijd allerlei aanpassingen gedaan aan het kasteel. Ze hebben er allemaal hun afdruk nagelaten naargelang hun levenswijze, hun smaak of de noden die hun gezinssamenstelling met zich meebracht. We kunnen zeggen dat de bouwheer van het originele gebouw zijn werk goed gedaan heeft. In de 13de eeuw werd er groot en stevig gebouwd en de kasteelheer van Crupet heeft op dat vlak alles op alles gezet! Groot? De afmetingen van het rechthoekige gebouw zijn 13,10 op 9,80 meter met een hoogte van ongeveer 26 meter. Stevig? Afhankelijk van de verdieping schommelt de dikte van de muren tussen 1,70 meter op het gelijkvloers en 1,10 meter op de verdiepingen. Die dikke muren kunnen natuurlijk toegeschreven worden aan de onvermijdelijke zorgen rond veiligheid in bepaalde periodes van de geschiedenis. De vensters zijn zo vaak aangepast dat ze op zich al een volledig hoofdstuk waard zijn. Ze zijn dichtgetimmerd, verplaatst, toegevoegd. Men wil ze klein in het begin (veiligheid), met middenstijlen, openklappend, met korfbogen in halvemaanvorm bovenaan, er zijn er een aantal met spijlen op het gelijkvloers, en slechts een paar kleintjes op het kelderniveau. Op de bewoonbare verdiepingen zijn er nog een vijftiental vensters overgebleven. Sommige zijn dichtgemaakt, maar de ramen zijn teruggevonden en worden nu gerestaureerd. Wees gerust, die zullen allemaal terug op hun originele plaats belanden.  

In de loop der tijd is het domein in handen gekomen van verschillende families, meestal door erfenissen en huwelijken, door oorlogen als het (absoluut) noodzakelijk was, en anders – iets waar we beter bekend mee zijn – via een notariële akte. Behalve de initiatiefnemer van het project is er een koppel dat zich in de 16de eeuw bijzonder verdienstelijk heeft gemaakt. Door hun huwelijk in 1540 verkregen Guillaume de Carondelet en Jeanne de Brandebourg het domein, waar ze in 1568 hun intrek namen. Op hun initiatief werden er belangrijke verbeteringen uitgevoerd. We moeten ons ervan bewust zijn dat het gebouw heel wat soberder was voor de transformaties waar zij voor zorgden. Je moet je ook voorstellen dat de drie verdiepingen binnen enkel toegankelijk waren via molenaarstrappen, waardoor de bewoners en bezoekers zich door kleine gaten moesten wurmen om van het ene niveau naar het andere te gaan. Om dat ongemak te verhelpen, besloot het jonge koppel een cilindervormige toren aan het bestaande kasteel te bouwen met daarin een grote trap die naar elke verdieping leidde, waaronder die met de uitbouw met vakwerk die de eigenaars eveneens ontwierpen. De trap is nog bruikbaar, maar heeft een grondige restauratie nodig. Overigens is van buitenaf heel goed te zien hoe het oude gebouw en de trappentoren met elkaar verbonden zijn.

In die tijd kwam je niet vlotjes binnen in een donjon die noodgedwongen goed bewaakt was. Gasten mochten niet verdacht overkomen bij de wachters, die hen zagen naderen vanuit de prachtige portaaltoren, die toegang biedt tot de boerderij. Eerst kwam je door die toren waarop een zeer mooie pinakel stond met het blazoen van de Carondelets. In de top van de toren zijn nog steeds de wapenschilden te zien met de namen en leuzen van hun landsheren.

Nadat we de binnenplaats hebben overgestoken, komen we op een kleine brug met drie bogen waaronder de overblijfselen van twee oudere houten bruggen uit de 13de en de 16de eeuw zijn ontdekt. Zo komen we voor de oorspronkelijke toegangspoort. Rond de boog in gotische stijl is een rechthoekig kader afgetekend dat licht inspringt. Dat noemen we de feuillure, een precies afgemeten ruimte waardoor een ophaalbrug perfect past in de daarvoor uitgespaarde holte. Dat verhinderde aanvallers de toegang tot de donjon aangezien die zonder deurknop of -klink geen grip hadden op de poort.


Geen kasteel zonder boerderij

Naast de aanpassingen die het koppel CarondeletBrandebourg doorvoerde, beslisten zij ook om een boerderij die voordien uit vergankelijke materialen (hout, aarde, stro) was opgetrokken, te reconstrueren in steen. Naast de portaaltoren getuigen een schuur, een stal en het oude verblijf van de boer in de vorm van een kleine toren daar nog van. Aangezien het in die tijd niet zo gemakkelijk was als nu om de voorraden te beheren, dienden de producten van de boerderij, de graanoogst, het kweken van kippen, koeien en varkens, het fruit van de boomgaard en de groenten uit de moestuin, en het brouwen van bier allemaal om een steentje bij te dragen. Eigenaardig is dat er ook vis op het menu stond. De karpers aten het keukenafval en de gulzige vissen werden in het water van de slotgrachten van het kasteel gevangen en aan de tafel van de kasteelheren geserveerd. De boerderij, die perfect geïntegreerd is in het domein, maakt deel uit van het restauratieplan.

Korte leegstand

De 17de en 18de eeuw bestaat uit blanco bladzijden voor de donjon, die zijn rol beperkt ziet tot een tijdelijke verblijfplaats voor logees. De eigenaars komen er zelden. Het is pas in 1925 dat een gerenommeerde Brusselse architect, Adrien Blomme (1878-1940), besluit om het versterkte huis van Crupet te kopen wanneer hij op zoek is naar een vakantieverblijf voor zijn gezin. Hij doet er grondige aanpassingen om voor een zeker comfort te zorgen en de vertrekken aan te passen aan de tijdsgeest. De uitgevoerde werken gaan natuurlijk niet zo ver als die van de Carondelets, die (tot onze grote vreugde) hun hele leven al bouwend moeten hebben doorgebracht… De familie Blomme heeft jarenlang wel heel fijne momenten beleefd in Crupet. Het was de jongste dochter die het huis erfde. Zij woonde er met haar echtgenoot, die zelfs burgemeester van het dorp is geweest. Dat toont aan hoe harmonieus de relatie tussen de bewoners en het gezin was.

Tegenwoordig is de donjon in handen van de familie de Bever, die eveneens veel belang hecht aan nieuwe technologieën op het vlak van isolatie en thermische optimalisatie. Over een jaar zal het water van de Crupet en de Ry de Vesse opnieuw terugvloeien in de bedding van de slotgrachten aan de voet van de schitterende donjon. Het ziet ernaar uit dat het prachtige dorpje Crupet nog mooie tijden te wachten staan.

 


TOPDATUMS

1286-1299 : Bouw van de versterkte woning
1568 : Verwerving door het echtpaar Guillaume de Carondelet-Jeanne de Brandebourg
1925 : Verwerving door architect Adrien Blomme
2009 : Verwerving door de familie de Bever en restauratie
2018 : Einde van de werkzaamheden

Your opinion counts