Waw magazine

Waw magazine

Menu

De kunst van het verbouwen van een boerderij

Terwijl we luisteren naar Françoise en Pierre Misonne die het natuurschoon en de rijkdommen van de valleien van de Lesse en van La Semois beschrijven, zouden we gaan denken dat ze allebei zijn opgegroeid in de Ardennen. Fout: het betreft hier een Antwerps koppel! Francofonen zijn het zeker, maar toch ook Antwerpenaren. Ze hebben vijftig jaar in de havenstad gewoond, voordat ze hun oude droom verwezenlijkten: emigreren naar het zuiden van het land en leven in het midden van de prachtige flora en fauna. “Ik ken deze regio erg goed, want mijn grootouders hadden een landgoed dichtbij Bouillon waar ik wel eens mijn vakantie doorbracht, legt Françoise uit. Mijn man en onze kinderen zijn hier vaak geweest terwijl we de droom hadden om ons hier definitief te vestigen als onze kinderen groot zouden zijn. Dat is wat we gedaan hebben!”

Na vele jaren van onderzoek en verre reizen, hebben ze uiteindelijk besloten om in Maissin, één kilometer van Lesse, hun anker uit te gooien, nu negen jaar geleden. Op een oude boerderij waar al sinds een lange tijd geen landbouwactiviteiten meer worden uitgevoerd en waar alleen het corps de logis van in stand was gebleven in een redelijke staat. “Toen we besloten om de twee veestallen en de schuur helemaal te verbouwen om hier de gastenkamers in te richten, wisten we niet waar we aan begonnen”, vertelt Pierre, wiens voornaam je doet vermoeden dat hij enige ervaring zou hebben in de bouw. Helaas! Deze man heeft in de banksector leren jongleren met stenen.

Vier jaren van inspanning

Vier jaar! Het is verleden tijd voor het koppel dat ze met vakmannen en architecten in de weer waren en dat ze afwisselend hoop en twijfels hadden tussen de draagbalken en stenen, tussen betonbekistingen die nog gedemonteerd moesten worden en tussen dragende elementen die ramen moesten ondersteunen en doorboren. “Uiteindelijk, vijf jaar geleden, zijn we aan het einde gekomen van onze lange reis, dankzij onze buurman die ondernemer is en die heel goed begrepen heeft wat wij wilden behouden van het oude karakter van het gebouw, legt Françoise uit. Ik wilde vooral de grote ruimte behouden waar de boeren het hooi kwamen lossen. We hebben de ruimte verbouwd in een receptiehal met een ontvangstruimte en een open haard. In een van de delen hebben we een tussenverdieping gebouwd die dienst doet als de tweede ontvangstruimte en die toegang geeft tot drie kamers die eenvoudig en comfortabel zijn ingericht. In het plafond hebben we een groot raam gemaakt waardoor u zittend vanuit een fauteuil kunt kijken naar het oude dak van de schuur dat ondersteund wordt door de originele hooiklem.”

“De vloeren en de massieve deuren van lokaal hout zijn op maat gemaakt door een timmerman uit Bertrix, voegt haar man eraan toe. In feite hebben we het werk aan meerdere vakmannen uit de regio overgelaten, waardoor we nu goed geïntegreerd zijn in de gemeente en het goed kunnen vinden met iedereen hier!”

Een vakantiewoning in een smederij

Aan de drie tweepersoons gastenkamers in dit deel - allemaal ingericht met een badkamer met een eigen toilet, bad of douche - is een familiesuite toegevoegd, ingericht in het oude corps de logis en sinds het begin van de werkzaamheden bewoond. Deze suite is ideaal voor een koppel met kinderen, omdat deze kamer gescheiden is van de andere kamers. In totaal biedt “L’Ail des Ours” dus vier aantrekkelijke kamers aan waarvan één familiesuite die geschikt is voor tien personen. “Maar we kunnen nog drie of vier andere gasten in de vakantiewoning onderbrengen die we hebben ingericht in het kleine gebouw van steen dat zich dicht bij de weg bevindt, leggen de eigenaren uit. Het gaat om een oude smederij uit 1805. Waarschijnlijk het oudste huis van het dorp...”

De tafels van Françoise

Het koppel kan nog meer mensen verwelkomen dankzij de gastentafels die Françoise aanbiedt van maandag tot en met zaterdag. De gastvrouw is in feite een bekwame keukenmeid die haar passie in de keuken heeft gevonden op haar veertigste. “Ik heb me ingeschreven op de hotelschool, daarna ben ik begonnen met koken als hobby, daarna om kennis op te doen en nu veertig jaar later ben ik in de maatschappij terechtgekomen – L’Aïoli – in horecakwaliteit. Ik ben hier in Paliseul verder gegaan met koken na een van de tussenverdiepingen ingericht te hebben als een grote professionele keuken. Met de hulp van mijn man, maak ik ook gerechten op reservering voor onze gasten. Dit is de reden waarom hier niet alleen loungeruimtes zijn ingericht, maar ook een eetzaal waar iedereen gezamenlijk kan dineren. Dat is veel leuker en zo kunnen mensen elkaar leren kennen.”

Nou... Ardense Françoise bereidt haar gerechten met prioriteit voor lokale producten – waaronder appels uit haar boomgaard – en door het respecteren van de seizoenen. Voor de liefhebbers organiseert ze ook culinaire workshops op aanvraag. Zo kan ze u bijvoorbeeld gerechten leren koken op basis van groenten uit haar moestuin. Daarnaast kan ze u ook leren om geur aan een gerecht te geven met een plant die men in het bos vindt in de buurt van Bouillon: daslook.“Het blad kan gebruikt worden om soepen en pesto van te maken en de bloem kan gebruikt worden om geur te geven aan de azijn.”

 

Pierre & Françoise Misonne-Meert

Rue Commandant Henri Calvez, 3

B-6852 Maissin (Paliseul)

+32 (0) 61 50 12 42 - +32 (0) 486 02 45 86

[email protected]

www.aioli.be

 

TE ZIEN EN TE DOEN

De natuur vanzelfsprekend

De landbouwbeurs van Libramont (van 24 t/m 27 juli), het boekendorp Redu, het Euro Space Center in Transinne, het Domein van de Grotten van Han, of de abdij van Orval en de burcht van Bouillon…er zijn genoeg toeristische bezienswaardigheden te vinden rondom Paliseul. De meeste koppels die bij de Missonnes verblijven, zowel de Belgische als de buitenlandse gasten, geven echter de voorkeur aan de rust en het plezier van wandel- en fietspaden.

“Ik heb een opleiding tot natuurgids gevolgd in Libramont, vertelt Pierre. Ik kan dus, op aanvraag, themawandelingen voorbereiden en de gasten rondleiden in het bos. In de herfst bijvoorbeeld stel ik vaak voor om onze huurders mee te nemen naar het bos om paddestoelen te plukken.Vervolgens laat mijn vrouw in de keuken zien hoe ze moeten worden bereid...”

 

Met de steun van het Algemeen Commissariaat voor Toerisme

Venster op het platteland en Waterloo

We zijn op het Waals-Brabantse platteland, ergens tussen Waterloo, Nijvel en Louvain-la-Neuve, op de weg naar de abdijruïnes van Villers-la-Ville. Als je even rondkijkt, valt het meteen op dat Genappe een regio van kastelen, boerderijen, kapellen en golfterreinen is. Maar is het ook de streek van Godfried van Bouillon? Fransen en Belgen zijn bereid om opnieuw een kruistocht te voeren opdat voor de eersten Boulogne-sur-Mer, en voor de tweeden Baisy-Thy erkend zou worden als geboorteplaats van de bekende hertog. Niemand betwist echter dat er op 16 juni 1815, aan de vooravond van de Slag bij Waterloo, een hevig treffen plaatsvond tussen de Franse troepen van maarschalk Ney en een deel van het geallieerde leger onder aanvoering van de Hertog van Wellington – dat gebeurde in het gehucht ‘Les Quatre Bras’, aan een kruising van wegen in Baisy-Thy. Maar geen angst. Dankzij de installatie van verkeerslichten is het hier vandaag veel minder gevaarlijk om het kruispunt over te steken!

Maar terug naar ons verhaal. Dat speelt zich af in dat eeuwenoude dorp met zijn fraaie kerk, die opgesmukt is met een opmerkelijke klokvormige toren en een koor voorzien van een gedenksteen voor de voornoemde Godfried. Op circa 500 m van het centrum lieten Joël en Isabelle Tumerelle ongeveer vijftien jaar geleden een complex van drie aan elkaar grenzende gebouwen optrekken. Sinds twee jaar biedt één van die panden onderdak aan een vakantiewoning, ondertussen erkend door de ‘Fédération des Gîtes de Wallonie’ (3 sleutels).


Sinds twee jaar een modern vakantiehuisje

De familie van mijn man is afkomstig uit Baisy-Thy,” legt de vrouw des huizes uit. “Ze heeft zich overal in het dorp gevestigd en toen we het perceel wilden aankopen, kwamen we tot de vaststelling dat zijn grootouders het bezaten!” Dat gaf de architecten de moed om er stevig in te vliegen. Het huis werd voltooid in 2000 en een tijdje later kwam er aan de overkant een gelijkaardige constructie voor het architectenbureau. Vervolgens werd de derde, haakse vleugel ontworpen. Hij paalt aan de eerste twee en deed dienst als kleine feestzaal en tweede kantoor, al kreeg hij op de verdieping ook nog eens een gastenkamer. “Pas toen kwamen we op het idee om een vakantiewoning te openen. We hadden al een slaapkamer, een badkamer en een piekfijn uitgeruste keuken. Het enige wat we nog moesten doen, was een woonkamer inrichten en de inrichting wat bijschaven.

Die inrichting is modern, eenvoudig en functioneel. Er is één kamer met toilet en douchehoek, en die is bedoeld voor twee personen, maar de bank in de salon kan snel worden omgevormd tot een tweepersoonsbed. “Perfect geschikt voor een gezin met kinderen”, voegt Isabelle eraan toe. Zelf ging ze met veel plezier snuffelen in tweedehandszaken om de salon een rustieke toets te geven met houten meubelen (een tafel, een commode, een oude koffer…). Haar echtgenoot is dan weer een hevige fan van tekeningen en strips, wat hem ertoe bracht om enkele schetsen van de te vroeg gestorven tekenaar Philippe Delaby op te hangen. Samen met de scenarist Jean Dufaux maakte die de stripreeks De Klaagzang van de Verloren Gewesten. Misschien een knipoog naar het platteland dat zich hier schijnbaar eindeloos uitstrekt ...

Werkende gasten!

Maar ook al loont het de moeite om deze serene regio te ontdekken, de gasten komen hier zelden om toeristische redenen logeren. Wellicht uit bewondering voor Alfred Hitchcock gaven de eigenaars hun vakantiewoning de naam ‘Fenêtres sur cour’, dat is de Franse naam voor ‘Rear Window’. Want gewoonlijk wordt het pand gebruikt als optrekje voor Belgen die in het buitenland wonen en gedurende een paar weken op bezoek komen bij hun familie. Of het wordt verhuurd aan mensen die een korte periode in de regio komen werken. “Zo kregen we twee Duitse ingenieurs over de vloer die hier enkele maanden verbleven om een opdracht bij Glaxo SmithKline, in Rixensart, uit te voeren. En een andere keer was het de beurt aan een Franse stagiair landbouwkunde. Om maar te zeggen dat we onze vakantiewoning zelden verhuren voor één nacht. Vreemd genoeg kregen we nog geen enkele aanvraag in het kader van de feestelijkheden rond Waterloo 2015.

 

Rue Longchamps 12

B-1470 Baisy-Thy (Genappe)

+32 (0) 470 58 67 50

[email protected]

 

WAT IS ER TE ZIEN EN TE DOEN ?

Wandeltochten en streekproducten

De Abdij van Villers-la-Ville of de site van de Slag bij Waterloo? Isabelle Tumerelle weigert te kiezen uit de twee bezienswaardigheden die jaar na jaar horden toeristen lokken. De eigenares van ‘Fenêtres sur cour’ geeft zelf de voorkeur aan rustige excursies door het omliggende platteland. “Het Toerismebureau heeft een kaart van de omgeving gepubliceerd met daarop een reeks bewegwijzerde wandelroutes,” legt ze uit. “Mijn lievelingswandeling gaat voorbij de kapel Le Try-au-Chêne, het hoogste punt van de gemeente in Bousval, en biedt een grote verscheidenheid aan landschappen en opmerkelijke monumenten, zoals de Ēglise Saint-Barthélemy en het kasteel van Bousval. Men kan ze combineren met een stukje van de RAVeL tussen Nijvel en Court-Saint-Etienne...” Verder telt de gemeente ook nogal wat ambachtslui die maar al te graag hun streekproducten aanprijzen. Daarmee kun je aan de slag in de goed uitgeruste keuken van de vakantiewoning. Enkele lekkernijen zijn de kazen van de Ferme de la Baillerie in Bousval, de hartige taarten van de Ferme de la Tourelle in Ways, het brood van de Ferme du Hameau du Roy in Vieux Genappe en de biogroenten van de Ferme du Passavant in Vieux Genappe. Vóór de ingang van laatstgenoemde boerderij staat er trouwens een aardappelautomaat!

 

Met de steun van het Algemeen Commissariaat voor Toerisme

Aan de slag met : 

Het was relatief eenvoudig om de teelt van voedingsmiddelen met behulp van hydroponie in vivo te presenteren op de site van de expo, maar op het gebied van de entomofagie waren de zaken veel ingewikkelder. Er bestaan namelijk strenge hygiënevoorschriften en dan zijn er ook nog de voor de hand liggende problemen rond de aanwezigheid van levende insecten op de site… Op Milano 2015 krijgen we dus geen meelwormen, larven en sprinkhanen te zien, maar dat belet ons niet om ze te serveren als maaltijd…

STUKJE BIJ BEETJE VEROVERT DE ENTOMOFAGIE HAAR PLAATSJE

Green Kow, gevestigd in Lasne, is de eerste Europese onderneming die voedingsmiddelen op basis van insecten op de markt brengt. Hun spreads met tomaat en wortel bevatten 5 en 10 % meelworm en worden in natuurvoedingswinkels verkocht.

Naar het schijnt zijn er op de planeet aarde 2,5 miljard mensen die insecten eten. Het wekt geen verbazing dat het merendeel onder hen Aziaten zijn. In Europa, waar de bevolking nog altijd meer vlees eet dan nodig, hebben libellen nog mooie vlieguren in het vooruitzicht. Hoewel. Ook al maken varkens- en rundsvlees nog altijd het leeuwendeel uit van de markt van de eiwitten, toch beginnen insecten beetje bij beetje op ons bord te belanden. En dat niet alleen in Aziatische of Mexicaanse restaurants waar wormen worden klaargemaakt met look, olijfolie en wat zout. In Kopenhagen zet een sterrenchef een rupsenmousse op het menu, gevolgd door een soepje van krekels en als beloning voor zijn overmoedige klanten een ijsje met bijenwas. Genoeg om vleugels te geven aan een andere rijzende ster, van de Belgische gastronomie deze keer. Hangt de entomofagie in de lucht? In zijn restaurant L’Air du Temps in Liernu gebruikt Sang-Hoon Degeimbre insecten in zijn recepten voor spreads op basis van tomaten of wortelen. Al heeft hij niet uit eigen beweging gehandeld. Het was Damien Huysmans, werkzaam op gebied van marketing en communicatie, die hem suggereerde zich over die kleine, bij ons miskende wereld te buigen met het doel insecten opnieuw in de westerse voeding in te voeren.

‘Entomofagie kan een oplossing zijn voor de snel toenemende bevolking’, legt deze Brusselaar uit die zijn hele jeugd in Waals-Brabant doorbracht. ‘Ik denk dat iedereen vandaag de voedingswaarde van insecten erkent, ze zijn niet alleen rijk aan eiwitten maar bevatten ook veel lipiden. Hun ecologische voetafdruk is aanzienlijk kleiner dan die van vee, dat onze natuurlijke hulpbronnen opschrokt. Voor de productie van een kilogram vlees is minstens vier keer zoveel graan nodig en worden er 10 tot 100 keer meer broeikasgassen uitgestoten als voor de productie van een kilo insecten. En dan houden we nog geen rekening met het feit dat gedurende de hele cyclus (besproeien van gewassen, schoonmaken van stallen, enz.) duizenden liters water worden gebruikt.’

Groen licht van het FAVV

Allemaal overwegingen die Damien Huysmans in 2012 aanzetten tot de oprichting van Green Kow – aanvankelijk dacht hij aan ‘Green Cow, wat ‘groene koe’ betekent. Meteen denkt hij erover met Sang-Hoon Degeimbre in zee te gaan, die zit er immers nooit om verlegen een nieuw smaakje aan streekproducten te geven. Degeimbre stemt ermee in verschillende recepten voor tapenades te ontwikkelen. De productie ervan wordt toegekend aan een erkende Brusselse producent. In oktober 2013, kort na de verkoop van de eerste potjes op de markt, vraagt het Federaal Agentschap voor de veiligheid van de voedselketen om uitleg. Gilbert Houins, destijds algemeen directeur, geeft echter al snel groen licht op voorwaarde dat het bedrijf bij het FAVV wordt geregistreerd en dat de producten onder de vereiste hygiënische omstandigheden worden geproduceerd.

‘Ik denk dat iedereen vandaag de voedingswaarde van insecten erkent. Ze zijn niet alleen rijk aan eiwitten, maar bevatten ook veel lipiden. Hun ecologische voetafdruk is ook aanzienlijk kleiner dan die van vee.’


‘Zo werd Green Kow de eerste Europese onderneming die voedingsmiddelen op basis van insecten op de markt bracht’
, legt de manager uit. ‘Ik heb het dan niet over bereide gerechten met insecten in hun geheel die uit Azië worden ingevoerd, noch over lolly’s of vergelijkbare gadgets, maar over de echte bereiding van dagelijkse voedingsmiddelen. Dankzij het dynamisme van het FAVV is België in feite het eerste westerse land dat officieel toestemming geeft voor de consumptie van insecten.’ Van de lijst met door het FAVV toegestane insecten* koos Daniel Huysmans de meelworm om aan de verovering van de Belgische markt te beginnen. De wormen worden gekweekt in Nederland en komen diepgevroren aan bij de producent, die ze eerst bakt alvorens ze met tomaten of wortelen te mixen. ‘Ik heb voor meelwormen, of meeltorren, gekozen omdat ze erg gemakkelijk kunnen worden gekweekt, wat onze kostprijs drukt. Vervolgens worden de producten in natuurvoedingswinkels verdeeld. Niet omdat ze volledig bio zijn – in feite zijn alleen de insecten niet biologisch – maar omdat de kans groter is dat klanten van die winkels geïnteresseerd zijn in dit soort ecologisch verantwoorde voeding. Overigens hebben we net onder de naam “Green Bugs” een niet-biologische variant ontwikkeld voor een grote Belgische distributeur.’

* Naar aanleiding van een discussie in de Europese Commissie in 2001 stelde het FAVV een lijst van tien insectensoorten op die in de handel mogen worden gebracht op voorwaarde d a t de voorschr i f ten met bet rekking tot de voedselveiligheid worden nageleefd. Het betreft de huiskrekel, de bandkrekel, de Afrikaanse treksprinkhaan, de Amerikaanse woestijnsprinkhaan, de meelworm, de morioworm, de buff aloworm, de wasmotrups, de rupsen van de kleine wasmot en van de zijdevlinder.

Laatste obstakel: de vooroordelen

Nu moet de consument nog worden overtuigd de stap te zetten. Ook al zetten sommigen met smaak hun tanden in wormen en andere krekels in bepaalde restaurants – zijn garnalen ten slotte geen insecten uit de zee? – toch zijn de meesten slechts geneigd zich hieraan te wagen als de beestjes geplet zijn of tot poeder verwerkt, zoals bijvoorbeeld in koekjes of deegwaren. Een ‘gemakkelijkere’ manier om zich aan de entomofagie over te geven. Nu de Europeanen stilaan beslissen van insecten te willen proeven, dromen de Aziaten die naar Europa komen eigenaardig genoeg vaak alleen maar van een goed stuk vlees. ‘Insecten’, zo zeggen ze, ‘dat was goed in de middeleeuwen!’ Conclusie: de geschiedenis serveert dezelfde gerechten, maar niet op dezelfde plaatsen…

 

DE GOFFARD SISTERS, ZUSJES VAN ÉÉN DEEG

In januari zijn Géraldine en Sophie Goffard begonnen met het in de handel brengen van verse deegwaren op basis van insectenmeel via coöperatieven en gespecialiseerde verkooppunten. Bijna twee jaar lang heeft de ontwikkeling van hun product ‘Aldento’ de aandacht van deze twee Luikse dames volledig opgeeist. Van de ontdekking van eetbare insecten als alternatief voor vlees tot het reglementair in de handel brengen ervan als voedingsmiddel zijn er inderdaad obstakels die zelfs een vlo niet met één sprong zou overbruggen.

‘Eerst moesten we een voedingsmiddel of bereiding vinden waarin de aanwezigheid van insecten geen aanstoot zou geven’, vertelt Sophie. ‘Toen bedachten we dat deegwaren de oplossing zouden zijn om consumenten te helpen hun vooroordelen te overstijgen, aangezien pasta’s ook met groenten en saus kunnen worden geserveerd. Als insectensoort hebben we voor de meelworm gekozen. We hebben een biologische boerderij in het zuiden van Spanje gevonden die onze leverancier is geworden. De wormen worden tot poeder vermalen dat in een verhouding van 10 % onder het meel wordt gemengd. Zo krijg je met een lekkere pastaschotel zonder vlees toch dierlijke eiwitten en goede omega 3-vetzuren binnen.’

Uitgevlogen

Voor de haalbaarheidsstudie van hun project en de oprichting van hun onderneming kregen de twee zussen ondersteuning van Nest’Up, het start-up acceleratorprogramma van Creative Wallonia. Gedurende elf intensieve weken werden ze begeleid en gecoacht in een daartoe voorziene ruimte in Luik. Wanneer men een dergelijke onderneming wil opzetten, is een gebrek aan middelen vaak het grootste probleem. Daarom vatten de twee jonge vrouwen het plan op hun toevlucht te nemen tot crowdfunding, een financieringswijze waarbij het geld bijeen wordt gebracht door internetgebruikers die in het project geloven. Kassa, kassa! In plaats van de 11.000 euro die Géraldine en Sophie vroegen, kregen ze 13.000 euro. ‘Om ons product in de vereiste omstandigheden te maken, kregen we hulp van de Naamse chef-kok Olivier Bourguignon wiens productie-eenheid we mochten gebruiken. Het volstond echter niet een recept te ontwikkelen, we moesten het ook laten goedkeuren en het in een laboratorium laten analyseren om de voedingswaarde en de uiterste verbruiksdatum te laten bepalen.’

Nootjessmaak?

Nadat de fase ‘onderzoek en ontwikkeling’ achter de rug was, konden de deuren van de markt eindelijk opengaan voor de ‘Goffard Sisters’ – de naam die ze aan hun bedrijf hebben gegeven. De eerste deegwaren Aldento vonden afnemers tijdens de kerstmarkten. Vandaag worden ze verkocht in gespecialiseerde winkels, zoals de coöperatieve Ardente in Luik, de winkel ‘D’ici’ in Naninne en de boerderij Nos Pilifs in Neder-Over-Heembeek.

De vraag die evenwel op ieders lippen ligt, is die van de smaak. ‘Sommigen vinden dat ze een beetje naar nootjes smaken, maar het is moeilijk te zeggen. Het lijkt wat op volkorenpasta, maar een ding is zeker, ze zijn rijker’, verduidelijkt Sophie. Ze benadrukt dat het er hen niet om te doen is vlees volledig uit te bannen, maar dat ze een alternatief willen bieden om het verbruik ervan te beperken.

www.goff ardsisters.com

 

‘CUISINE SAUVAGE’, EEN VZW DIE U WANDELEN STUURT

‘Er is meer dan brandnetels en paardenbloemen alleen. 96 % van de flora van de planeet is eetbaar. Dit betekent dat wanneer u verdwaalt in een bos en u uw hand uitstrekt, de kans bijzonder groot is dat u iets eetbaars vasthebt.’

Lionel Raway uit Namen is de coördinator van ‘Cuisine sauvage’, een vzw die erkend is als natuureducatief centrum dat het gebruik van eetbare wilde planten in de voeding promoot. De belangrijkste activiteiten van het centrum zijn de organisatie van kookworkshops en wandelingen volgens het seizoen of à la carte in de provisiekast van de natuur, maar nu is het met medewerking van wetenschappelijke instellingen, zoals Gembloux Agro Bio Tech, bezig met het creëren van een website waarop de kennis ter zake wordt gebundeld, een soort ‘wikipedia’ of ‘marmiton’ over wilde planten. In de hoop bezoekers warm te maken voor dit alternatief zal in Milaan een vrij grote ruimte van het Belgische paviljoen worden overwoekerd door deze ‘wilde’ voedingsmiddelen die niet meer werk vragen dan in toom te worden gehouden.

‘De link met het thema van de wereldtentoonstelling ligt voor de hand’, legt deze milieuadviseur uit die ervaring opdeed aan de Vijver van Virelles in Chimay. ‘Om te trachten de voedselproblemen van morgen op te lossen, zijn er technologische oplossingen, zoals hydroponie of aquaponie, kunnen we insecten eten (entomofagie), maar hebben we ook de mogelijkheid onze voedingsbronnen te diversifiëren. Biologische voedingsmiddelen en stadslandbouw zijn twee voorbeelden van nieuwe richtingen, eetbare wilde planten in de keuken is nog een andere.’

Vogelmuur, nagelkruid, alsem…

De website van de vzw wemelt van plantennamen en recepten die ter beschikking van internetgebruikers worden gesteld. Het is helemaal niet nodig op avontuur te trekken naar een natuurreservaat om er uw boodschappen te doen, alles begint in uw eigen tuin. Naast de eerder vermelde brandnetel en paardenbloem kent iedereen zuring, madeliefjes, bramen, vlier, hondsdraf… Vogelmuur smaakt naar rauwe maïs en vormt een lekkere, zachte salade; de wortels van het nagelkruid kunnen in room worden geweekt; de aromatische eigenschappen van alsem maken het geschikt om met kikkererwten en teentjes look in humus te verwerken, enz.

‘Nagelkruid smaakt naar kruidnagel en andoorn naar champignon, maar berenklauw, waarvan de stengel de basis kan zijn voor een saus die perfect bij een pasta met mosselen past, smaakt gewoon naar berenklauw… Dat is het voordeel dat de natuur ons biedt: ze stelt ons niet alleen gratis gezonde voedingsmiddelen ter beschikking, maar laat ons ook nieuwe smaken ontdekken en draagt bij tot de diversificatie van onze voeding. Onder onze klanten tellen we niet alleen privépersonen, ondernemingen en OCMW’s, maar ook traiteurs of chefkoks die in onze workshops andere voedingsmiddelen willen ontdekken en nieuwe recepten ontwikkelen. We zeggen niet dat mensen alleen maar planten moeten eten, maar wel dat het goed is om voor ogen te houden dat er alternatieven bestaan.’

cuisinesauvage.be

‘Wat? Wanneer ik quinoa teel op die grote granieten tegel door de plant met de voeten in het water te zetten doe ik aan hydroponie? Ik doe dus al meer dan veertig jaar aan hydroponie zonder dat ik het weet! Ik ben u erg dankbaar dat u me dit vertelt…’

Ook zonder de pathos van meneer Jourdain, het bourgeois heertje dat door Molière belachelijk werd gemaakt, zou de Inca van Machu Picchu net zo verbaasd zijn geweest als hem werd verteld dat hij over kennis van een cultuur beschikte die wetenschappers van de 21ste eeuw weer van de zolder zouden halen en trots aan hun tijdsgenoten zouden voorleggen. Of we nu teruggaan naar lang vervlogen tijden of naar de hangende tuinen van Babylon, we kunnen niet anders dan erkennen dat de mens altijd manieren heeft gevonden om zijn methodes aan te passen aan zijn omgeving en de materialen waarover hij beschikte.

Een ernstig alternatief voor morgen

Natuurlijk zal vandaag niemand zo ver gaan te beweren dat hydroponie en zijn afgeleiden een van de zeven nieuwe wereldwonderen zullen zijn, niettemin zijn velen ervan overtuigd dat het een ernstig alternatief is om de mensheid te voeden. Een van hen is Eric Stöcklin. Hij was de eerste die met deze methode in Wallonië aan de slag ging (zie verder) en door zijn ervaring werd hij gevraagd om deze techniek in de kelder van het Belgische paviljoen in Milaan toe te passen. Deze landbouwingenieur van 59 jaar, eigenaar van een tuinbouwbedrijf in Eghezée, is al lang overtuigd van de voordelen van hydroponie. ‘Grondloze teelt is een oplossing voor de schaarste aan landbouwgrond’, zo gaat hij van start. ‘Hij veroorzaakt geen waterverspilling, vermindert de druk van ziekten en beperkt dus de noodzakelijke behandelingen. Bovendien maakt hij het mogelijk verschillende productiefactoren in de hand te houden. En dan hebben we het nog niet gehad over de sterk verbeterde ergonomie van bepaalde handelingen, wat de gezondheid van de landbouwers ten goede komt.’

Een toekomst in de stadslandbouw

Ook al heeft deze ingenieur uit Namen gekozen voor hydroponie in de openlucht, terwijl de methode in Vlaanderen en Nederland in serres wordt toegepast, toch zal hij in Milaan zijn techniek moeten aanpassen aan de omgeving, aangezien hij in de kelder zal moeten werken. ‘Mijn taak zal erin bestaan de ‘ futuristische’ hydrocultuurinstallaties ter plaatse te coördineren en toe te zien op hun goede werking’, legt hij uit. ‘Bezoekers zullen verschillende rekken met gootjes zien, evenals een systeem met draaiend wiel dat in verbinding zal staan met de kweek van vissen. De scenografie heeft tot doel de belangstelling van de bezoekers te wekken door hen te tonen dat die technologieën meer en meer zullen worden toegepast, onder andere in het kader van de stadslandbouw.’

Smaken voor het rapen in het water in Eghezée

Zijn wortels liggen in Zwitserland, maar zijn werk werd geïrrigeerd en gevoed door de jaren ervaring die hij opdeed in de teelt in de Verenigde Staten en Portugal. Beeldspraak die perfect past bij deze specialist inzake hydroponie. Maar hoe is Eric Stöcklin een van de pioniers van dit systeem in België geworden? Het verhaal begint in 1984. Deze landbouwingenieur, gespecialiseerd in de diversificatie van de teelt van gewassen, komt terug uit Florida en beslist zich in de streek van Namen te vestigen. In Leuze (Eghezée) begint hij met een kleinschalig tuinbouwbedrijf op drie hectaren. Zijn bedrijf NewFarm sprl kweekt er groenten en fruit die via de rechtstreekse verkoop op de boerderij en via de groothandel aan restaurants worden verdeeld. Beetje bij beetje produceert Eric Stö cklin steeds meer (andijvie, krulandijvie, botersla, ijsbergsla, eikenbladsla, Romeinse sla) en vindt hij afnemers in Frankrijk, België en Groot-Brittannië.

Zijn verlangen om het anders consumeren te delen en te promoten, evenals de wil om productiemethoden in de praktijk te brengen waarop hij het onderzoek naar landbouwtradities en zijn wetenschappelijke vorming kan toepassen, zullen hem er al gauw toe brengen zich op de hydroponie toe te leggen. Die methode had enkele jaren eerder al zijn belangstelling gewekt, zoals blijkt uit zijn eindwerk over hydroponisch witlof. Hij verdiepte zijn kennis door deel te nemen aan tal van gespecialiseerde congressen en via installateurs van serresystemen.

Een cultuur in de openlucht

‘Persoonlijk heb ik gekozen voor de openlucht’, verduidelijkt hij. ‘In tegenstelling tot de erg intensieve teelt in serres waar het de bedoeling is zo snel mogelijk zo veel mogelijk rendement te halen, streven wij naar de beste smaak van een plant die op zijn eigen ritme groeit volgens de omstandigheden van het seizoen. Zo kan het hele potentieel van de plant op natuurlijke wijze tot uiting worden gebracht.’

In 2011 installeert Eric Stöcklin een productiesysteem om tegemoet te komen aan de vraag van sommige klanten naar sla met wortels, met een levendige kleur en een stevige structuur, een soort die goed bewaard kan worden in de etalage en bij de consument. Als voorstander van het zelf plukken omdat dit het contact met de koper bevordert, bedenkt hij het concept ‘Saveurs à cueillir’ en nodigt hij de koper uit om tussen de gangpaden te wandelen en de groente te kiezen die hem bevalt. Versheid gegarandeerd. Het verschil met andere supermarkten in de openlucht is dat de sla in Leuze op een manshoge tafel groeit in een soort van hangende tuinen. De plant groeit niet in de volle grond, maar ontluikt dankzij de circulatie van een waterfilm die alle noodzakelijke voedingsstoffen aanvoert (het systeem van de ‘Nutrient film technic’).

Ziehier de hydroponische tafels

Eric Stöcklin en zijn team timmeren voort aan het pad van de innovatie en hebben hangende minituinen ontwikkeld – die ze niet zelf op de markt brengen – in de vorm van een tafel van ongeveer een vierkante meter die gemakkelijk thuis kan worden geïnstalleerd. Hiermee kunnen liefhebbers zelf zo’n 35 à 75 hydroponische planten voor eigen gebruik op professionele wijze kweken, zonder gebruik van pesticiden om zich te wapenen tegen slakken en zonder risico op spierpijn. Zo hoeven ze alvast niet meer te klagen dat ‘de grond toch zo laag is’.

 

BOERDERIJTORENS, EEN CONSTRUCTIEF IDEE

Omdat steden blijven uitbreiden en ze in 2050 7 miljard mensen (of 70 % van de bevolking) zullen huisvesten, omdat ze de middelen van het platteland uitputten, omdat een derde van de voedingswaren bederft tussen de plaats van productie en het bord van de consument, omdat dit systeem niet lang meer kan worden volgehouden en binnenkort dreigt ineen te storten, omdat het geen kwestie van principes maar van overleven is, om al die redenen blijft de stadslandbouw wetenschappers bezighouden. Ze overwegen ernstig ‘verticale boerderijen’ in de steden van morgen te bouwen. Het onderwerp kwam aan bod in een boeiende reportage die op 20 januari en 4 februari jongstleden werd uitgezonden op Arte. Het idee kwam begin jaren 2000 van Dickson Despommier, hoogleraar aan de Columbia University in New York. Sindsdien heeft het concept van de verticale boerderij veel navolging gekregen. Een nieuwe generatie urbanisten zwoegt tegenwoordig op futuristische projecten die het mogelijk moeten maken hydroponisch groenten te kweken in enorme boerderijtorens.

Maar ook al groeien er reeds verse groenten op de daken van New York en Montreal, en zagen kleine boerderijtorens reeds het licht in Singapore, een stadstaat waar de ruimte beperkt is, toch is er nog geen enkele groene wolkenkrabber uit de grond opgerezen. En niet zonder reden. Ook al konden de technische moeilijkheden uit de weg worden geruimd – het probleem van het licht in de winter werd opgelost door de komst van de nieuwste lichtgevende diodes (leds) – toch is de verticale boerderij op dit moment economisch niet levensvatbaar. Technologie heeft een prijs. Twaalf euro voor een kilo verse groenten. Wie kan zich zo’n luxe veroorloven, behalve dan enkele steden zoals Shanghai dat ervan droomt het New York van het derde millennium te worden? Het gigantische van die projecten draagt bovendien niet ieders goedkeuring weg. Sommigen vrezen ook de inhaligheid van de landbouw- en voedingsindustrie die de droom van Dickson Despommier zou kunnen doen ontsporen. Daarom streven jonge architecten ernaar zich de grondbeginselen van de verticale boerderijen eigen te maken om de steden van morgen te veranderen in zelfstandige ecosystemen die werkgelegenheid verschaff en. Kortom, de revolutie is bezig, maar de aardappel mag nog op beide oren slapen… in de aarde.

 

INTERESSANT OM TE WETEN

De verschillende soorten sla en kruiden die tijdens de expo worden gekweekt, zullen in de restaurants van het paviljoen worden gebruikt.

Thierry Coche uit Wépion is de wetenschapper die de uitdaging aanging om het project van de ‘Cave’ tot een goed einde te brengen. Hij is ervan overtuigd dat als we 9 miljard mensen willen kunnen voeden in 2050, we ons op alternatieve oplossingen moeten richten.

A priori wees niets erop dat Thierry Coche, doctor in de celbiologie aan de universiteit van Namen en hoofdonderzoeker naar therapeutische vaccins bij SmithKline Beecham, zich zou gaan toeleggen op de presentatie van de technologische vooruitgang op gebied van hydroponie en aquaponie in de schoot van het Belgische paviljoen. Niets, behalve dan dat hij twee jaar in de Verenigde Staten heeft gewerkt in het laboratorium van Herbert Boyer, de grondlegger van de genetische engineering, en dat hij wetenschappelijke ervaring en kennis heeft. Dat laatste, gekoppeld aan zijn persoonlijke belangstelling voor de uitdagingen van morgen op gebied van voeding, heeft van hem de ideale partner gemaakt om dit project te coördineren.

‘Dit project interesseerde me des te meer omdat ik me door mijn jeugd in Belgisch-Congo bewust was van het voedselprobleem’, legt hij uit. ‘Mijn vader, afgestudeerd als landbouwingenieur in Gembloux, was destijds een van de beste specialisten ter wereld op gebied van aquacultuur. In Afrika had hij bijzonder veel belangstelling voor de rizi-piscicultuur waarbij in een rijstveld vis en rijst samen worden geteeld. Als je weet dat hij heeft gewerkt voor de Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties (FAO), die tot doel had de honger uit de wereld te helpen, dan kun je niet anders dan denken dat het lot soms mooie verrassingen voor ons in petto heeft. Bovendien kwam ik op ongelofelijk toevallige wijze in contact met Benoît Gersdorff, verantwoordelijk voor de horeca in het Belgische paviljoen. Ik moet toegeven dat die samen met de architect het pad al grondig had geëffend. Hij zocht een wetenschapper, een dirigent, om van de fase van reflectie over te gaan tot de fase van realisatie. Onze wegen hebben zich op het juiste moment gekruist.’

De hydroponie, liggend en draaiend

Wegen die Thierry Coche ertoe hebben gebracht zich helemaal onder te dompelen in die nieuwe technologieën en met mogelijke partners stappen te zetten om ze aan het publiek te presenteren in de ‘kelder’ van het paviljoen. Zo realiseerde hij zich dat er interessante alternatieven bestaan. ‘Op gebied van entomofagie hebben we het heel eenvoudig moeten houden. Praktische problemen en de wetgeving inzake hygiëne deden ons al snel beseffen dat het ondenkbaar was dat we levende insecten op de site van de expo zouden houden en nog minder dat we ze zouden opeten. Dit eiwitrijke voedsel zal dus aan de hand van 3D-films worden uitgelegd. In de kelder zullen we daarentegen wel degelijk de hydroponie presenteren. Eric Stöcklin, een landbouwingenieur met heel wat ervaring ter zake die deze teeltmethode toepast in Eghezée, is belast met de coördinatie en de goede werking van de installaties. De planten die via deze methode zonder aarde worden geteeld, zullen op twee manieren worden gepresenteerd: liggend en in rijen of hangend in een wiel. In beide gevallen krijgen ze de nodige voedingsstoffen door het water dat via gootjes wordt aangevoerd.’

Wielen uit Canada en aquaria uit Barcelona

Hier zou de scenografie bedacht door ons land wel eens hoge ogen kunnen gooien. De bezoeker die de trap afdaalt en zich in het halfduister van dit vreemde laboratorium waagt, kan niet naast de drie grote lichtgevende wielen kijken, waarvan er drie in het midden van de zaal aan ringvormige aquaria gekoppeld zullen zijn. ‘Die wie-en komen uit Canada, een land dat voorloper is op dit gebied’, vertelt Thierry Coche die zelf ter plaatse is gaan kijken hoe het systeem werkt. ‘Het bedrijf dat ze heeft ontworpen, brengt ze onder de naam ‘Omega Garden’ op de markt, want het gaat wel degelijk om een kleine tuin. Voor een optimaal gebruik van het licht draaien de planten die aan de wand zijn bevestigd rond een led-verlichting. Het systeem kan dus in alle seizoenen worden gebruikt.’

Op die manier gepresenteerd vormen deze wielen met planten een hydroponiesysteem. In combinatie met de aquacultuurtechniek krijgen we aquaponie, een methode die erin bestaat planten te telen in symbiose met het kweken van vis (zie kader). Vandaar de aanwezigheid van drie ringvormige aquaria die in Barcelona werden geproduceerd en waarin zoetwatervissen zoals tilapia’s zullen zwemmen. ‘Aquaponie is een systeem dat zichzelf reguleert, waar alles wordt gebruikt en niets verloren gaat. Het water circuleert in lussen en wordt dus ook niet verspild. Het is echter niet gemakkelijk om die techniek in zo’n beperkte ruimte toe te passen. Daarom hebben we gekozen voor een vereenvoudigde demonstratie. Het belangrijkste is immers niet zozeer een operationele installatie in het laboratorium te presenteren dan wel een boodschap over te brengen.’

Hier zou de scenografie bedacht door ons land wel eens hoge ogen kunnen gooien. De bezoeker die de trap afdaalt en zich in het halfduister van dit vreemde laboratorium waagt, kan niet naast de drie grote lichtgevende wielen kijken, waarvan er drie in het midden van de zaal aan ringvormige aquaria gekoppeld zullen zijn.


Kiezen voor korte circuits

Met hetzelfde didactische doel voor ogen hebben de organisatoren in de kelder twee grote themamuren geinstalleerd. De ene zal betrekking hebben op aquaponie, die rijk is aan eiwitten en vitaminen, de andere op wilde planten in de keuken, een keuken gebaseerd op eetbare planten die in onze omgeving worden aangetroffen. Bij uitstek ecologische oplossingen.

‘De landbouw wordt meer en meer geconfronteerd met problemen van woestijnvorming en waterschaarste, maar ook met vervuiling’, legt Thierry Coche uit. ‘Tegelijk kost het veel geld om voedsel ver weg te gaan halen. Er moet voorrang worden gegeven aan korte circuits en het vertrouwen in de kwaliteit van ons voedsel moet worden hersteld. Stadslandbouw neemt erg weinig plaats in en maakt het mogelijk te eten wat dicht bij huis werd geproduceerd. Meer dan een denkspoor voor de voeding van morgen is het reeds een antwoord op die uitdaging. De methoden die in het Belgische paviljoen worden getoond, zijn daar het bewijs van.’

 

DE WINNENDE COMBINATIE: VISSEN - PLANTEN

Aquaponie werkt dankzij de symbiose tussen vissen, planten en bacteriën. Bij dit procedé dienen de uitwerpselen van de vissen als meststof voor de planten die in ruil hun water zuiveren. De bacteriën zorgen er immers voor dat de ammoniak in de ontlasting van de vissen wordt omgezet in nitraten die door de planten worden opgenomen en dienen als voedingsstoff en. De planten nemen de nitraten via hun wortels op en zuiveren zo het water, dat gereinigd terugvloeit naar de bak van de vissen.

In navolging van hun collega’s in Vlaanderen en Brussel werden Waalse bedrijven uitgenodigd om hun knowhow in Milaan tentoon te spreiden. Hieronder stellen we er vier voor die een belangrijk aandeel in de bouw van het Belgische paviljoen hebben gehad.

FAIRWIND, VOOR EEN TRENDY PAVILJOEN

Niet alleen de modules met zonnecellen geproduceerd door AGC en zijn partners zullen het Belgische paviljoen van stroom voorzien. Ook de windturbine van Fairwind, een piepjonge onderneming met zetel in Seneff e en productiesite in Fleurus, zal bijdragen tot de schittering van de Belgische en met name de Waalse technologie in Milaan.

‘Wij zijn gespecialiseerd in het ontwerp, de productie, het op de markt brengen en de installatie van verticale windturbines van 10 en 50 kW’, zegt Renaud Croughs, manager van de onderneming. ‘Onze klanten zijn voornamelijk landbouwers en kmo’s in Wallonië en Vlaanderen, maar ook in Saoedi-Arabië, die in bepaalde mate energie-onafh ankelijk willen zijn. Het toestel dat we zullen leveren voor de Expo zal uitgerust zijn met een generator van 10 kW en op een mast van 9 m worden geplaatst.’

VDV FERRONNERIE KLIMT OP

Aan een familiebedrijf met 25 jaar ervaring en een twintigtal werknemers danken we de realisatie van de hoofdtrap van het Belgische paviljoen, te weten de trap die de bezoekers van de kelder naar de koepel opklimmen. VDV Ferronnerie, gevestigd in het industriepark van Noville-les-Bois (Fernelmont), is gespecialiseerd in het ontwerp, de productie en de plaatsing van constructies in smeedijzer: metalen trappen, automatische poorten, leuningen, terrassen en balkons. Unieke stukken gerealiseerd door vaklui, voor particulieren en bedrijven, zowel in België als in het buitenland.

‘Architecten zijn regelmatige klanten’, aldus Patrick Vandevondele, die aan het hoofd van de onderneming staat. ‘Voor de trap van het Belgische paviljoen hebben we ons gebaseerd op het ontwerp van Patrick Genard. Ons studiebureau ontwierp een design draaitrap, vrij breed, met treden in blank glas die van onderen worden verlicht, een ontwerp dat op bijval van de architect kon rekenen.’ Het smeedwerk werd door VDV gedaan, maar de treden en borstweringen, ook in extra blank glas, werden uitgevoerd door AGC Glass (zie hiernaast). ‘Die onderneming heeft al het glas gemaakt op basis van onze plannen en heeft het ons vervolgens geleverd. De assemblage van alle onderdelen, evenals het plaatsen van de verlichting gebeurden vervolgens door ons. Een eerste keer in België voor de goedkeuring door de architect en vervolgens ter plaatse, in Milaan

WOODLAM, DE HOUTEN SMOEL VAN HET PAVILJOEN

Deze onderneming zag pas 15 jaar geleden het licht in het hart van onze bossen, maar is snel uitgegroeid tot de grootste Waalse producent van constructies in gelamineerd hout en houten structuren voor gebouwen in de tertiaire sector (scholen, ziekenhuizen, enz.). Dankzij zijn studiebureau is Woodlam in staat een volledige dienstverlening aan zijn klanten te bieden, van ontwerp tot realisatie, gaande van stabiliteitsstudies over uitvoeringsplannen tot metalen verbindingsstukken. Ook al voert deze onderneming haar knowhow uit naar nagenoeg heel Europa (commercieel centrum in Bilbao, logistieke gebouwen van 60.000 m² in Savigny, enz.), toch wordt ze het meest gevraagd in België, zowel in het noorden van het land (gevel van het Justitiepaleis van Hasselt) als in het zuiden (sporthal van Philippeville). In Milaan kreeg Woodlam de opdracht van Besix om het skelet van de ‘boerderij’ te ontwerpen, een opeenvolging van 45 houten gebinten over een lengte van bijna 65 meter. Op basis van het model van de architect, ontwierp de onderneming de uitvoerings- en assemblageplannen voordat ze aan de realisatie begon. ‘Het is een mooie bestelling voor een uitzonderlijk werk’, aldus algemeen directeur Frédéric Bertrand. ‘Voor de constructie van deze gebinten was 80 m³ Douglashout uit onze bossen nodig. De fabricage van de stukken en het verlijmen van het skelet gebeurden bij ‘Structure wood’, onze zustermaatschappij in Achênes (Ciney). Vervolgens trokken onze arbeiders naar Milaan om het skelet in twee weken tijd te monteren. Om alles vast te zetten waren 6.000 bouten nodig! Een sterk staaltje meccano-werk.’

AGC GLASS ZET KNOWHOW IN DE ETALAGE

Op de expo Milaan 2015 zal de knowhow van de Europese leider van platglas letterlijk en fi guurlijk in de etalage staan. AGC Glass Europe heeft zijn zetel in Louvain-la-Neuve en opende in november jongstleden een researchcentrum, het ‘Technovation Centre’, in Gosselies. Het bedrijf zal op alle verdiepingen van het Belgische paviljoen aanwezig zijn met enkele van zijn meest innoverende producten.

De BIPV-modules van gelaagd glas (building integrated photovoltaïcs), die zowel tot de structuur van het gebouw bijdragen als elektriciteit opwekken, zullen in twee varianten worden gebruikt. Een deel van de geodetische koepel alsook het grootste deel van het dak van de boerderij zullen bestaan uit klassieke modules, dat wil zeggen glas met zonnecellen, terwijl het dak van de inkomhal zal worden uitgerust met modules met geïntegreerde organische fi lms. ‘Deze glazen panelen met zonnecellen van de nieuwe generatie werden samen met het bedrijf Heliatek ontwikkeld’, vertelt Benoît Ligot, woordvoerder van AGC Glass Europe. ‘Ze werden reeds uitgetest in een gevel van de maatschappelijke zetel van onze partner in Duitsland, maar het zal een ‘première’ zijn buiten dit proefproject.’ Tot daar wat de elektriciteitsproductie betreft. De gevels van de boerderij, de andere helft van de koepel, evenals de daken en gevels van de kleinere omliggende paviljoenen zullen een Stopray Smart beglazing krijgen, een nieuw product dat dankzij zijn driedubbele zilvercoating hoge zonregulerende en thermische prestaties heeft.

‘Door zijn voorstel in het paviljoen toepassingen te gebruiken die het resultaat zijn van de nieuwste glastechnologie, heeft AGC Glass bezoekers willen tonen dat de keuze voor geavanceerd glas momenteel centraal staat in een architectuur die focust op milieuduurzaamheid en technologische innovatie, thema’s waarop het Belgische paviljoen is geïnspireerd’, aldus Benoît Ligot. ‘Glas is multifunctioneel geworden, niet alleen isoleert het en wekt het elektriciteit op, het kan ook bijdragen tot de hygiëne, de veiligheid en het design. Het antibacteriële glas dat we in de keuken van het restaurant zullen plaatsen, evenals het gelaagd glas voor de trap en de balustrade zullen die andere kwaliteiten aantonen.’ Een gedeelte van het glas voor het Japanse paviljoen wordt ook door dit Waalse bedrijf geleverd. Verblind door zijn uitstraling in België zouden we nog vergeten dat Asahi Glass Co (AGC), het moederbedrijf van deze glasspecialist, gevestigd is in… het land van de rijzende zon.

Het Belgische paviljoen is op de eerste plaats een opmerkelijk architecturaal project. Niet alleen is heel België er trots op, ook de Italiaanse organisatoren vinden het nu reeds een van de meest geslaagde projecten. Ontwerp en scenografie hebben we te danken aan het bureau van Patrick Genard & Asociados uit Barcelona. Toen hij in januari jongstleden in België was, vertelde de uit Namen afkomstige architect hoe hij op deze bijzondere uitdaging is ingegaan en in dit kunststukje is geslaagd.

Patrick Genard, het Belgische paviljoen is een ongewoon project voor u. Wat trok u zo aan in deze wedstrijd?
P.G. — Ik was om twee redenen geïnteresseerd. De expo vindt plaats tegen de achtergrond van Milaan en het thema heeft betrekking op de manier hoe we onze planeet van voedsel kunnen voorzien, een grote uitdaging voor de komende generaties. Aangezien ons bureau geen enkele ervaring had met dit soort projecten, hebben we een team gevormd. Ik heb me geassocieerd met een bevriend architect, Marc Belderbos, die uit de Oostkantons afkomstig is en les geeft aan de universiteit van Gent en de UCL. Als aannemer kozen we Besix-Vanhout. Het is dus een federaal team dat in april 2014 de prijs in de wacht heeft gesleept.

Naast het thema en de stedenbouwkundige voorschriften legden de organisatoren ook verplichtingen op inzake milieuduurzaamheid. Ik heb de indruk dat uw paviljoen goed heeft gescoord op dat vlak…
P.G. — Om aan die vereisten tegemoet te komen, hebben we het Belgische paviljoen als een ‘lobe city’ ontworpen. Als reactie op de uitbreiding van de stad in concentrische cirkels, die als verstikkend wordt ervaren, staat de lusstructuur de bouw voor van een aantal wijken rond het hart van de stad die door groene vingers van elkaar worden gescheiden. Hoewel die wijken op zichzelf staan, zijn ze toch met elkaar verbonden. Deze cirkelvormige structuur, die werd toegepast in steden zoals Berlijn, Kopenhagen en Aalst, is ecologisch gezien de meest duurzame omdat de verplaatsingen worden beperkt, de energiestromen beter circuleren en de kosten worden beperkt. In dit geval hebben we rond het hart van het paviljoen een aantal wijken bedacht, zogenaamde rotsen, die elk een specifieke functie zullen hebben. Voor de bouw hebben we de voorkeur gegeven aan hout en glas omdat dit natuurlijke, isolerende materialen zijn die gerecycled kunnen worden. Ze zijn bovendien moduleerbaar en kunnen dus gemakkelijk worden gedemonteerd, wat een pluspunt is aangezien we na de tentoonstelling het terrein moeten teruggeven in de staat waarin we het hebben gekregen. Om verplaatsingen en afval zo veel mogelijk te beperken, hebben we verder ervoor gekozen ter plaatse steunbalken, balken en vloeren te huren. Wat energie betreft ten slotte hebben we natuurlijk voor een optimale isolatie en oriëntatie van de ruimten gezorgd, maar we hebben ook Canadese putten (aardwarmtewisselaars) voorzien om de luchttemperatuur te regelen. Daarnaast zal het paviljoen worden uitgerust met zonnepanelen en zonnecellen, en zal het gebruikmaken van energie geleverd door een kleine windturbine die door het Waalse FairWind zal worden geleverd. Dat is belangrijk want elk land zal een elektriciteitsquotum krijgen dat het niet mag overschrijden.

Uw bureau is ook belast met de scenografi e van het paviljoen. Was het niet te moeilijk om het bestek te volgen?
P.G. — Wel, dat was geen gemakkelijke opgave. Fevia, de Federatie van de Voedingsindustrie in België, zag de expo vooral als een grote beurs voor landbouw en voedingsmiddelen bedoeld om België te verkopen aan de hand van aardappelen, bier en chocolade. Bovendien had ook elk van de drie gewesten een eigen verlanglijstje. Met een ‘Belgisch compromis’ zijn we erin geslaagd iedereen rond een ‘win-winproject’ te scharen, zodat ons paviljoen aan het opgelegde thema zou beantwoorden. Terwijl we Belgische producten promoten, zullen er ook interessante denksporen op het gebied van alternatieve voedingsmiddelen worden aangereikt.

Welk parcours hebt u dan uitgestippeld voor de bezoekers?
P.G. — Vanaf de Decumanus*, de belangrijkste verkeersas van de expo waarlangs zich de verschillende paviljoenen bevinden, betreedt de bezoeker eerst een houten volume dat in natuurlijk licht baadt. We hebben deze ruimte de ‘Farm’ genoemd omdat de vorm verwijst naar de traditionele Belgische schuren. Hier zal een mozaïek van schermen via trailers de eigenheid en de knowhow van onze drie gewesten in het licht stellen. Onder de titel ‘Small country, great food’ zullen ze vervolgens tonen waarin België zich onderscheidt in de voedingssector en de landbouw, maar ook in andere domeinen, zoals de biotechnologie en afvalverwerking. Op het einde van die lange laan komt de bezoeker in de ‘chocolate corner’ uit, een ruimte waar kunstenaars vormen uit chocolade zullen houwen en waar een reusachtige cacaoboon als een soort zeppelin zal zweven. Nadien zal hij dezelfde laan in de andere richting lopen om er op kolommen in de vorm van bierflessen enkele Belgische beroemdheden van Italiaanse afkomst te ontdekken, bijvoorbeeld koningin Paola, Adamo, Franco Dragone, enz.

De Decumanus was in de Romeinse oudheid de as die van oost naar west liep en een stad of kamp structureerde. Deze straat stond loodrecht op de Cardo die van noord naar zuid liep, de stadsplanning was dus op de vier windstreken gebaseerd.

Dat lijkt op de klassieke kennismaking met ons land, maar wat met het thema van de expo?
P.G. — Ondertussen is de bezoeker bijna weer aan de ingang gekomen, daar duikt hij onder de grond via een ‘lanceerbaan naar de toekomst’ waardoor hij een sprong in de tijd maakt en in het jaar 2050 belandt. Het is daar, in het halfduister van deze kunstmatige kelderverdieping, dat hij de uitdagingen van morgen en de mogelijke innovaties voor de evolutie van de planeet zal ontdekken. Dit deel werd bedacht door Benoît Gersdorff die ik in 2011 heb leren kennen toen we allebei werden beloond met een prijs die aan de Naamse inwoners van het jaar werd toegekend. Benoît was verantwoordelijk voor de horeca in het Belgische paviljoen tijdens de wereldtentoonstelling van Shanghai in 2010 en zal dat ook in Milaan zijn. Hij heeft zijn ervaring en contacten gebruikt om enkele experts uit wetenschappelijke kringen rond ons te verzamelen. Zij hebben ons gewezen op alternatieve voedingsproductie, zoals entomofagie, hydroponie en aquaponie. Deze nieuwe technologieën worden uiteengezet in deze zogenaamde ‘Cave’, die er als een echt laboratorium zal uitzien, aangezien er voedingsmiddelen zullen worden geteeld. In het restaurant op de bovenliggende verdieping kunnen bezoekers daar dan van proeven.

Dan komen we aan in die enorme koepel van blauw glas die aan de serres van Laken doet denken…
P.G. — Inderdaad. Een prachtige trap zal de bezoeker naar het hart van het paviljoen of de ‘lobe city’ leiden. Het is rond dit atrium, deze ruime circulatieruimte, dat we de verschillende consumptiefuncties hebben samengebracht. Die zullen in verschillende wijken of ‘rotsen’ worden ondergebracht: de keuken of het ‘belgo lab’, waarvan de muren zullen worden bekleed met experimenteel antibacterieel glas; het restaurant, dat uiteraard eer zal brengen aan de specialiteiten van ons land; en de bar of ‘belgo birra’, die een ruime keuze aan artisanale bieren zal schenken.

En ook de buitenkant van het paviljoen zal worden aangelegd als een ontspanningsruimte?
P.G. — Ja. België heeft toestemming gekregen de ruimte te benutten die oorspronkelijk aan Oekraïne was toegewezen. Dat land heeft zich teruggetrokken omdat het andere zorgen aan het hoofd heeft. We hebben besloten er een amfitheater met oplopende bankenrijen te voorzien, evenals een pleintje met meubilair. We gaan er een cafetaria inrichten, evenals een frietkraam en een wafelkraam. De afwezigheid van een gebouw op die plek maakt dat ons paviljoen goed zichtbaar zal zijn vanaf de Decumanus, de bezoekers zullen het dus zeker opmerken en dat is mooi meegenomen. Volgens de organisatoren zal het een van de origineelste paviljoenen van de expo zijn!

www.patrickgenard.com

 

PATRICK GENARD BIO-EXPRESS

1954. Geboren in Namen, opgegroeid in Flawinne.
1978. Diploma van ingenieur- architect aan de UCL (Université catholique de Louvain). Tijdens zijn eerste licentie loopt hij zes maanden stage in Barcelona, in het ‘taller de arquitectura’ (architectenbureau) van Ricardo Bofi ll. Hij zal 15 jaar samenwerken met de Spaanse meester, voor wie hij op verschillende continenten projecten zal leiden. ‘Hij heeft me alles geleerd. Ik heb een master van 15 jaar bij hem gevolgd’, zo zegt hij.
1989. Het bureau van Ricardo Boffi l bouwt de kantoren van Swift in La Hulpe.
1994. Hij richt zijn eigen architectenbureau op in Barcelona, ‘Patrick Genard & asociados’, dat tal van woonprojecten, openbare gebouwen en commerciële ruimten bouwt in Spanje en verschillende andere landen, waaronder voornamelijk Marokko.
2009. Het ontwerp van de zetel van de televisiegroep Mediapro levert hem de prijs voor architectuur en stedenbouw van de stad Barcelona op. ‘Het is het mooiste compliment dat deze stad me kon geven.’
2014. Zijn bureau wint de wedstrijd voor het Belgische paviljoen op de wereldtentoonstelling Milano 2015, in samenwerking met architect Marc Belderbos en aannemer Besix - Vanhout.

Op de bierroute, vlak bij de vallei van de Molignée, ligt Falaën, een van de mooiste dorpen van Wallonië. Hier kan je terecht in gastenkamers met een viersterrenlabel.

De belangrijkste troef van Falaën (Onhaye) is natuurlijk zijn kasteelhoeve, een oud herenverblijf uit de 17de eeuw, waar tot voor kort het genootschap ‘Li Crochon’ huisde. Maar dit dorp van zowat 600 zielen ontleent zijn charme ook aan een reeks kalkstenen woningen die zijn straten en steegjes een gevoel van onverstoorbare stilte geven. Falaën, rustig gelegen naast de vallei van de Molignée, de abdij van Maredsous en de ruïnes van het kasteel van Montaigle, is een typisch dorp van de Naamse Condroz. Het wist de zeer gerespecteerde leden van de vzw ‘De mooiste dorpen van Wallonië’ te verleiden om Falaën met grote bewonderende ogen hun label toe te kennen. Bovendien werden Béatrice et Bruno Paquay overgehaald om Bouillon en zijn heren te laten voor wat ze zijn en zich hier in het centrum te komen vestigen, dicht bij de kerk en het gemeenteschooltje, naast een oude brouwerij uit de 19de eeuw.

Heel gastvrije inwoners

‘Dit dorp is niet alleen geweldig mooi, maar de inwoners zijn ook heel gastvrij en staan meteen klaar om je een handje te helpen’, verzekert de vrouw des huizes. Zij heeft zich heel gemakkelijk aangepast aan de plaatselijke mentaliteit, omdat ze geregeld haar deuren opent voor passanten. L’Échappée belle heeft vier gastenkamers, die ontworpen zijn door de vorige eigenaar, een architect uit Dinant die er met zijn kennis en ervaring meesterlijk in geslaagd is om de blauwe stenen van de streek te laten samengaan met een hedendaags design. De vier kamers met de namen ‘Falaën’, ‘Maredsous’, ‘Sosoye’ en ‘Weillen’ zien er ongeveer hetzelfde uit, maar de badkamers (met regendouche) zijn totaal verschillend en sluiten op een gedurfde en vaak verrassende manier aan bij de kamers. ‘De gastenkamers bestonden al toen wij hier bijna drie jaar geleden kwamen wonen’, legt Béatrice Paquay uit. ‘Afgezien van een paar laagjes verf en de installatie van een salon op de benedenverdieping hebben we aan niets geraakt. Met onze twee kinderen wonen we in het andere deel van het huis, dat eigenlijk een aanbouw is van de brouwerij. ’s Morgens serveren mijn man en ik het ontbijt in een kamer die de verbinding vormt tussen de twee gebouwen. We geven hier verse streekproducten – zelfgemaakte jam, vers sinaasappelsap, kaas uit het dorp, charcuterie uit de streek en croissants. Dat heeft ertoe bijgedragen dat we ons vier arenlabel kregen. In de zomer nemen onze gasten plaats op het terras om te ontbijten of om iets te drinken’, zegt de eigenares nog, die overigens altijd klaar staat om haar gasten tips te geven, of een goed adresje voor een degelijke regionale keuken.

Amerikanen, Russen, Japanners…

De gasten? L’Échappée belle heeft alleen maar kamers voor twee personen. Het cliënteel bestaat dus voornamelijk uit koppels die een ontspannend weekend in de streek willen doorbrengen. ‘We hebben gasten uit de hele wereld, want we hebben hier al Amerikanen op bezoek gehad, Russen, Japanners, Brazilianen,… En ik kan u verzekeren dat hun verwachtingen en smaken erg uiteenlopen. De Fransen bijvoorbeeld, houden ervan om naar hier te komen om dan op de Lesse te kajakken. De Russen die hier onlangs gelogeerd hebben, haastten zich naar Brugge om terug te komen met hun armen vol aankopen. De Italianen zijn dan weer grote bierliefhebbers. Het is dus geen toeval dat ze hier in Falaën zijn neergestreken: op een paar kilometer van de abdijen van Maredsous en Leffe, maar ook dicht bij Purnode (brouwerij Du Bocq), Rochefort en Falmignoul (brouwerij Caracole). Ons dorp neemt een vooraanstaande plaats in op de bierroute.’

 

informatie

L’Échappée belle
Rue de la Gare 10
B-5522 Falaën
+32 (0)477 30 12 83
lechappeebelle @skynet.be
www.lechappeebelle.be

 

te zien, te doen

Maredsous, te hooi en te gras

Bovenaan de lijst van plaatsen die de gasten van Béatrice en Bruno Paquay bezoeken en ver voor de tuinen van Annevoie, de kastelen van Freÿr en Vêves, Dinant en zijn citadel, prijkt de abdij van Maredsous. Samen met de vallei van de Molignée, de Ravel en de draisines, de lokale spoorwegfi etsen, is dat een uitgelezen plaats waar mensen zich kunnen ontspannen. ‘Voor wandelaars zijn er drie bewegwijzerde wandelroutes die je zowel door de bossen leiden als langs rustige weggetjes en die in Falaën vertrekken’, legt Béatrice nog uit. Ook een manier om er even tussenuit te zijn.

 

Met de steun van het Algemeen Commissariaat voor Toerisme

Deze ‘gîte de charme’, een B&B met een ietsje meer zeg maar, ligt in Smuid, het dorp van de wolven en de kabouters. Een ideaal vertrekpunt om te gaan wandelen in de bossen van Mirwart en Saint-Hubert.

Zegt de naam Smuid u niets? En als we u nu vertellen dat Smuid het mooiste dorpje is van de gemeente Libin, dat ook Transinne (het Euro Space Center) daartoe behoort, net als Redu (het boekendorp) en Ochamps (de bron van de Lesse)? Nu zal uw frank wel gevallen zijn. Dit is een van de bosrijkste gemeenten van het land. Het ruikt hier naar beuk, eik, spar en everzwijn. Reeën en herten voelen zich hier thuis en de Nutons, mensenschuwe en zwijgzame kabouters, waken er over het respect voor de Ardense legendes.

In dit dorpje dus, in het hart van de Haute-Lesse, aan de rand van de bossen van Mirwart en Saint- Hubert, ontvangen Laurence en Luc-Emmanuel de Hults liefhebbers van het buitenleven en de open ruimte in hun gîte, met een drie-arenlabel (door het Commissariaat-Generaal voor Toerisme). Zij is afkomstig uit Ohain, in Waals- Brabant, hij is van Ciney. In die stad hebben ze ook hun leven opgebouwd. Hij is interieurarchitect. Zij ook, maar zij werkt liever voor zichzelf en de vijf kinderen. Sinds een jaar of vier neemt zij het beheer van de gîte voor haar rekening, een halftijdse baan die ze met passie doet. ‘Mijn man en ik houden veel van de natuur en vooral van de bossen’, vertelt Laurence. ‘We waren al een paar jaar op zoek naar een huis met een lange geschiedenis dat we konden restaureren. Er was er een in Smuid, maar dat hebben we net gemist. Maar daardoor zagen we dat er een stuk grond te koop was met een prachtig uitzicht op Saint-Hubert. We waren inmiddels verliefd geworden op dit dorp, dus hebben we die grond gekocht om erop te bouwen. Mijn man beleeft het grootste plezier aan dingen bedenken, uitwerken en bouwen. Maar eens dat het huis klaar is, interesseert het hem niet meer. Dan wil hij het verkopen en met een nieuw project beginnen. Maar hier is al snel het idee gegroeid om met een gîte te beginnen. Een tweede gîte met dezelfde capaciteit is zo goed als klaar, net ernaast. Misschien komen we hier later ooit wonen’.

Een huis in stenen van de streek

Eerst dacht het koppel aan een eigentijdse stijl, maar dat idee hebben ze snel laten varen voor een traditionele look, die de dorpsstraat niet zou ontsieren. Het huis is gebouwd met stenen van de streek: de ramen en de tegels in blauwe steen, het dak in leisteen en de gevels zijn bekleed met onbehandeld eikenhout. De bijzondere zorg die besteed is aan de inrichting en het gebruik van de materialen geeft de gîte een authentieke en toch moderne uitstraling. ‘We hebben gezocht naar oude, comfortabele en smaakvolle materialen. Behalve de grenen latten in het plafond is de rest allemaal in eik. Mijn man heeft overigens alle meubels ontworpen. Eigenhandig heeft hij de tafel en de stoelen in de living gemaakt, de bankkist in het salon, de bureaus in de kamers, de nachttafels die gemaakt zijn van boomstronken… De lampen van Stéphane Davidts, de kussens en de zetels, de open haard, de etsen, de noir-de-lunekleur op de muren… alles geeft blijk van passie. We hebben in dit huis gewerkt alsof we hier zouden komen wonen. Onze gasten voelen dat ook. Twintig procent komt geregeld terug. Ze stellen het op prijs dat de grootte van de gîte niets wegneemt van zijn charme’.

Aan het einde van het veld burlt een hert

Met vier tweepersoonskamers, waarvan twee met een eigen badkamer, en zes stapelbedden in de slaapzaal (en speelkamer) voor de kinderen kan Le Pré du Cerf veertien gasten ontvangen. Die kunnen in de zomer genieten van het halfoverdekte terras, de tuinmeubelen en al het materiaal voor de barbecue. De kinderen kunnen intussen ravotten in de weide vanwaar je bij helder weer de contouren van Saint-Hubert kunt zien. ‘De herten zijn niet zo gemakkelijk te zien, maar in september hoor je ze vaak burlen’, geeft de eigenares ons mee. Al wat met herten en bossen te maken heeft, heeft ze verwerkt als rode draad in de hele gîte. Om meteen de toon te zetten, staat er voor de gasten in de keuken een fles Spaanse wijn met een hert op het etiket. ‘Onze gasten zijn doorgaans Belgen, de helft Franstalig, de helft Nederlandstalig’, verduidelijkt Laurence. ‘Het zijn families of groepen vrienden die hier een rustig weekend komen doorbrengen en die willen genieten van de vele wandelwegen in de dichte bossen van Saint- Hubert en Mirwart’.

‘We hebben gezocht naar oude, comfortabele en smaakvolle materialen. Behalve de grenen latten in het plafond is de rest allemaal in eik. Mijn man heeft overigens alle meubels ontworpen. Eigenhandig heeft hij de tafel en de stoelen in de living gemaakt, de bankkist in het salon, de bureaus in de kamers, de nachttafels die gemaakt zijn van boomstronken…’

 

 

informatie

Le Pré du Cerf
Rue de Libin, 11
B-6890 Smuid
+32 (0)83 21 69 78
+32 (0)473 39 22 93
www.lepreducerf.be

 

TE ZIEN, TE DOEN

Redu en de Fourneau Saint-Michel

Het dorpje Redu met zijn tweeëntwintig boekenwinkeltjes, goed voor twee kilometer boekenrekken, is een van de lievelingsplekken van Laurence de Hults. Maar hier vind je ook ateliers, ambachtslui en gastvrije cafeetjes. Een andere lievelingsplek is de Fourneau Saint-Michel, die waarschijnlijk eerder gezinnen zal aantrekken. ‘De Nederlandstaligen bezoeken sowieso de grotten van Han, maar iedereen houdt van een wandeling in het bos. Een van die wandelingen zal vooral de kinderen aanspreken, want die is gebaseerd op de legende van Marie Gobaille. Vertrekkend vanuit Smuid loopt de wandelweg langs het riviertje de Lhomme naar Mirwart, tot aan de rots waar die heks veranderde in een paard toen de plaatselijke bevolking haar probeerde te vangen. Als je dat verhaal hoort, begrijp je waarom de inwoners van Smuid wolven genoemd worden.

 

Met de steun van het Algemeen Commissariaat voor Toerisme

Your opinion counts