Waw magazine

Waw magazine

Menu

De komst van John Cockerill naar Seraing in 1817 is een mijlpaal in onze industriële evolutie. Vandaag vieren we de 200ste verjaardag van dit historisch feit en van een kroniek die ouder is dan het bestaan van België. Anno 2017 houdt Cockerill Maintenance & Ingénierie (CMI) de innovatieve en creatieve geest van deze geniale Engelsman levend in meer dan 20 landen over de hele wereld.

 

CMI zag het levenslicht in 1982 en stond voluit voor Cockerill Mechanical Industries. De focus van deze dochtermaatschappij van de Groep Cockerill-Sambre, voorbestemd om het vlaggenschip te worden van de onderneming, lag op mechanische constructies. Om de openstelling van de markten en de verscherpte concurrentie het hoofd te bieden besloten de Luikse en Henegouwse staalfabrieken te fusioneren. Daardoor verlegde het historisch zwaartepunt van Cockerill zich stapsgewijs van de mechanische constructie naar de staalindustrie en kreeg CMI, Cockerills erfgenaam op het vlak van toelevering, een niet-strategische rol toebedeeld. De eerste twintig jaar werden gekenmerkt door herhaaldelijke financiële verliezen, gecompenseerd via herkapitalisatiemaatregelen.

Een overname als uitdaging

Uitgerekend in deze moeilijke omstandigheden besloot Bernard Serin, gedelegeerd bestuurder van CockerillSambre in 2002 om het bedrijf over te nemen en nieuw leven in te blazen. In datzelfde jaar werd de groep Arcelor opgericht. Een gewaagde onderneming waarvoor ook Pierre Meyers, voormalig financieel directeur van Cockerill-Sambre en later Usinor, te vinden was. Hij besloot samen met Bernard Serin in dit avontuur te stappen. “In 2002 was het bedrijf niet langer up-to-date voor de markt”, licht Bernard Serin toe. “Bij CMI leek de tijd wel 20 jaar te hebben stilgestaan. Ondertussen was de wereld helemaal veranderd. Voordien had elk land een nationaal paradepaardje dat over bepaalde technologieën beschikte. Wanneer het land nood had aan een nieuwe technologie kocht dit bedrijf een licentie aan. Zo kon CMI onder licentie van Westinghouse de kernen van de Belgische kernreactoren bouwen. In 2002 lijkt dit model evenwel volledig voorbijgestreefd. De markt raakt geglobaliseerd, mensen reizen de wereld rond, spreken Engels en kennis wordt gedeeld via internet…”

Zodra CMI opnieuw onafhankelijk is, neemt de nieuwe voorzitter meteen de broodnodige maatregelen om het concurrentievermogen op te krikken. Hij is van mening dat engineering – een zeer conjunctuurgevoelige afdeling – te invloedrijk is geworden vergeleken met de onderhoudsactiviteiten en zet voor deze laatste een actief en zeer doelgericht aankoopbeleid op poten, aanvankelijk in Europa en later daarbuiten. Het tweede luik van zijn strategisch plan betreft een verruiming van de technologieportfolio die in 2002 voornamelijk bestond uit krachtketels gebaseerd op verticale technologie, verzinkingslijnen voor de staalindustrie en geschutkoepels bestemd voor 90 mm-kanonnen. Om de wisselwerking tussen de twee divisies kracht bij te zetten, gaat de onderneming verder onder de naam Cockerill Maintenance & Ingénierie.

Vijf sectoren en 4600 medewerkers wereldwijd

De huidige stabiele positie van de onderneming berust op vijf pijlers: CMI Energy, gespecialiseerd in het ontwerp, de levering, montage en inbedrijfstelling van de stoomgeneratoren voor elektriciteitsproductie- en warmtekrachtkoppelingsunits; CMI Defence, onbetwiste technologische leider op het vlak van licht- en middengewicht pantservoertuigen; CMI Industry, gespecialiseerd in industriële processen, meer bepaald mechanische, thermische en chemische uitrustingen voor de koude staalindustrie en de aeronautische sector; CMI Environment, voornamelijk actief in sectoren als behandeling van water, rookgassen, vaste afvalstoffen en op het vlak van energie-efficiëntie. Tot slot is er CMI Services, die de klanten bijstaat in het operationeel beheer van hun industriële installaties.

In samenhang met deze ontwikkelingen bespoedigde Bernard Serin ook het internationaliseringsproces van de groep. Vandaag is CMI actief in het ontwerp, de implementatie, modernisering en het onderhoud van industriële uitrustingen over de hele wereld. Ondanks de sterke verankering in de Luikse regio, met het kasteel van Seraing dat fungeert als ‘hoofkwartier’, telt de groep zo’n 4600 werknemers (met 44 nationaliteiten) verspreid over een kleine 80 ondernemingen wereldwijd. De omzet bedraagt inmiddels meer dan 1,2 miljard euro.

Permanente vorming van experts

Naar het voorbeeld van John Cockerill beschouwt CMI zijn medewerkers als voornaamste kapitaal. Engineering of serviceafdeling, commerciële of technische poot, management of expertise… de knowhow van eender welke afdeling binnen het bedrijf is onmisbaar voor de realisatie van CMI-producten en -diensten.

De moderne industriële wereld heeft nood aan specialisten op alle terreinen, ook op de meest onverwachte plekken. Zo zijn er de industriële alpinisten die onderhoudswerkzaamheden uitvoeren op installaties die onbereikbaar zijn met de klassieke middelen. Of geurexperten met een dermate geoefend reukorgaan dat ze geuren kunnen opsporen die verband houden met industriële of menselijke activiteiten.

De experts van CMI volgen een permanente vorming om het technisch, economisch en ecologisch prestatieniveau van de bestaande uitrustingen te verhogen. Dat kan van belang zijn in hun werkzaamheden aan een stookketel, een walsmachine, een locomotief of een windturbine. Zo werd in 2015 onder meer het Centre d’Expertise Soudage (CES) opgericht dat momenteel een twintigtal experts tewerkstelt. Deze specialisten op het vlak van lastechnieken kunnen in Seraing gebruikmaken van een atelier uitgerust met hightechapparatuur zoals gerobotiseerde booglascellen en lastoestellen met elektronenbundel.

.

Technologieën zonder grenzen

Naast de vakgebieden worden ook de werktools afgestemd op snellere, meer to the point en efficiëntere prestaties. Computerondersteunde technologieën, onder meer in 3D, en open sources zijn de norm geworden. De geconnecteerde bril waarmee de operatoren op de site en de ingenieurs van op afstand ‘live’ kunnen samenwerken aan een en dezelfde onderhoudsopdracht is hiervan een voorbeeld.

De technologieën en teams kennen geen grenzen. Ze waaieren uit en vestigen zich daar waar hun aanwezigheid noodzakelijk is. Uitrustingen en diensten passen zich aan de noden en eigenschappen van de locaties aan (de zon in Mexico en Zuid-Afrika, de verwerking van afval uit de petroleumindustrie in Saoedi-Arabië, de behandeling van geuren in Macau…). Deze drang om de wereld te veroveren, ingegeven door John Cockerill, gaat niet alleen om het beheersen van technologieën, maar evenzeer over de kennis van lokale culturen, wetgevingen, infrastructuren en eigenheden.

Diversificatie, knowhow van de medewerkers, streven naar innovatie en vermogen om uitdagingen aan te gaan en om te zetten in industriële opportuniteiten zijn de vier pijlers waarmee het CMI-model zich onderscheidt, de vier waarden die ook het credo van John Cockerill samenvatten. Beladen met deze kostbare erfenis moet het bedrijf een antwoord formuleren op de belangrijkste uitdagingen van morgen: beschikbaarheid van energie, milieuproblematiek, bevolkingstoename, expansie van de digitale technologie, gezondheid… We mogen stellen dat de erfenis in goede handen is!


De CMI Awards 2017

 

In 2016 besliste CMI om intern een wedstrijd te organiseren om de acties op het vlak van maatschappelijk verantwoord en milieubewust ondernemen in de schijnwerpers te zetten en te belonen. CEO Bernard Serin ziet daarin een kans om te focussen op de innovatiedynamiek en de groepscohesie binnen de projecten. Dit jaar bekroonde de internationale jury die deze tweede CMI-Awards voorzat, drie projecten in drie verschillende sectoren.

Gezondheid en Veiligheid: bescherming tegen mijnexplosies en springtuigen

Het gaat om een minuscuul toestelletje met een grote impact op de veiligheid van personen. Als schokdemper kan het levensreddend zijn voor militairen in een tank omdat het hen beschermt tegen mijnexplosies onder hun voertuig. Bij eventuele explosies leidt het apparaatje dat zich onder de zetels bevindt, de schokgolf af waardoor de impact onder de kritieke zitplaatsen afneemt. Defensie is niet de enige sector die interesse kan hebben in een dergelijk toestel. Deze schokdemper kan ook zeer doeltreffend zijn op het vlak van verkeersveiligheid, in het spoorverkeer of zelfs bij humanitaire hulp. Het hulpmiddel vangt in dat geval de schok op van materiaal dat bij de noodlijdende bevolking wordt gedropt.

Innovatieprijs: onderhoudskraan voor zonnereceptoren

Deze kraan maakt deel uit van het Atamaca 1-project in Chili waarvoor CMI Solar zonneenergiereceptoren op basis van gesmolten zouten ontwikkelde. Dit is een technologie waarmee we energie kunnen opslaan en de centrale dag en nacht kunnen laten werken. Deze receptoren bevinden zich op de top van een betonnen toren op meer dan 200 meter hoogte. Deze zonnepanelen moeten zeer vaak worden gecontroleerd en onderhouden. De kraan met gondel, bedacht door CMI, heeft een actieradius van 360° waardoor hij de volledige buitenzijde van de receptor kan bereiken. Een concept waarmee we de markt een compleet product kunnen aanbieden dat bestaat uit zonneenergiereceptoren samen met hun onderhoudssysteem.

Milieuprijs: pomp op zonne-energie (water oppompen via zonlicht)

Het pompsysteem op zonneenergie ontwikkeld door CMI Balteau voorziet waterpompen van stroom via fotovoltaïsche zonnepanelen. Een concept dat uitermate geschikt is voor de Afrikaanse plattelandsgebieden waar men vaak uren onderweg is om water te putten. Deze pomp op zonne-energie kan dorpen zonder elektriciteitsaansluitingen en een gebrek aan middelen om fossiele energiebronnen te financieren, van water voorzien. Het project wordt momenteel tot uitvoering gebracht en mocht al een bestelling noteren voor 50 diepe boorputten in Kenia. Dit project kadert eveneens in de bewustmaking van het gebruik van hernieuwbare energiesoorten die fossiele brandstoffen op termijn moeten vervangen.

Videos

  • /

Om naar de Bois Wiame-hoeve te gaan, moet u door Mozet, een dorp in de gemeente Gesves, dat aan het begin van de 19de eeuw liefst acht metaalverwerkende fabrieken telde. Het nu vreedzame dorp, dat op de zuidflank van de Condroz-vallei ligt en waar de Tronquoy doorstroomt, heeft zijn ziel van weleer bewaard, waardoor het in 1995 het label “Mooiste dorp van Wallonië” ontving.  

 

Neem de tijd om rond het centrale huizenblok te wandelen en de straatjes en huizen van kalksteen te bewonderen. U ziet dan ook de SintLambertuskerk en de Royer-hoeve, de vroegere woning van de heren van Mozet. Steek dan een tandje bij en doe de kleine klim naar het Wiamebos. Wanneer u dat verlaat, ziet u aan de rechterkant de hoeve van Catherine en Christophe Dewez. Daar gaat men naartoe langs een lindendreef die verder loopt via een weg die terug naar de Samson afdaalt.

We hebben deze boerderij 31 jaar geleden van de oom van mijn vrouw gekocht”, vertrouwt de eigenaar ons toe. “We waren dol op het gebouw, maar ook Leuke adresjes op de idyllische omgeving van deze volledig afgezonderde site, die toch dicht bij Namen ligt en gemakkelijk te bereiken is vanuit Brussel. Het eigendom is 40 ha groot en bestaat uit bos, weide en landbouwgrond.

@ Doc Le paradis des lièvres

 

Een banketzaal en vier kamers

Een oase van rust voor dit koppel maatschappelijk assistenten. Hij komt uit Emines en zij uit Suarlée. Niettemin moesten ze de handen uit de mouwen steken om alles opnieuw in orde te brengen en er een nieuwe glans aan te geven. “We begonnen met het woonhuis en pakten dan de stal aan. Vandaag is die een zaal voor seminars of banketten geworden – ze biedt zitplaatsen voor honderd personen.” Hoewel ze er al aan gedacht hadden een van beide schuren om te vormen tot logies, deed die gelegenheid zich voor in 2000, toen een storm een deel van het dak afrukte. Nadat de eigenaars dat hersteld hadden, besloten ze eraan voort te werken. Ze maakten vensters in de dikke muur van kalk- en zandsteen, en ze lieten een zelfdragende betonplaat storten om op de eerste verdieping een loft van 100 m² in te richten met een uitgeruste keuken, een eetkamer en een salon. Op de tweede verdieping maakten ze vier kamers, twee met een tweepersoonsbed, één met een tweedelig stapelbed en de vierde voor kinderen of kabaalmakers, die voorzien is van drie dubbele stapelbedden. Alle kamers hebben hun eigen badkamer. Het eind 2015 afgewerkte logies ‘Le paradis des lièvres’ of ‘Het hazenparadijs’ (drie aren), dat zijn naam dankt aan een nabijgelegen gehucht en aan het wandelpad dat langs de hoeve loopt, biedt nu plaats aan 14 personen.

Voor het meubilair heb ik getracht hedendaagse en rustieke elementen met elkaar te combineren”, legt Christophe Dewez uit. “Een deel van het meubilair heb ik zelf getekend, zoals de grote tafel in de living, die ik heb laten maken door een plaatselijke schrijnwerker. Ook op de verdieping komt de eik voor de plankenvloer van zagerij Hontoir uit Faulx-lesTombes. Ik laat de ambachtslieden uit de streek graag werken…

@ Doc Le paradis des lièvres

Een avontuurlijk parcours en een site voor paintball

Omdat hij doe-het-zelver en ook een beetje avonturier is, heeft Christophe Dewez in een deel van het bos een avontuurlijk parcours aangelegd, alsook teambuildingactivititeiten voor groepen en ondernemingen. “Onlangs heb ik ook een site voor paintball geopend”, voegt hij eraan toe. “Als maatschappelijk assistent span ik me in om met het aanbieden van die activiteit, ook fairplay, teamgeest en tactisch inzicht te bevorderen”.

Amper één jaar na het openen van het logies zegt het koppel zeer tevreden te zijn met de bezettingsgraad, hoewel het toegeeft dat het zich vergist heeft in de aard van zijn gasten. “We dachten dat onze klanten hoofdzakelijk gezinnen zouden zijn, die wilden genieten van de genoegens van toerisme en wandelingen. Maar wie zagen we verschijnen? In de zomer Duitse, Engelse en Nederlandse bezoekers die blij waren dat ze een rustige plek vonden om te rusten en, buiten het seizoen, groepjes Belgen die tevreden waren omdat ze een weekend lang gezellig samen konden zijn om te feesten.”


Le Paradis des lièvres
Bois Wiame
B-5340 Mozet
+32 (0)476 96 73 23
+32 (0)81 58 82 47
[email protected]
www.leparadisdeslievres.be

Chocoladefabriek Belvas is gevestigd in de industriezone van Gellingen en maakt biologische pralines en truffels met grondstoffen die voortkomen van de fairtrademarkt. Dat zijn criteria die zeer op prijs worden gesteld in het buitenland, waarnaar de firma 85% van haar productie uitvoert.


Wij vormen een superteam en leven in de beste verstandhouding, wat te voelen is aan de werkwijze en de sfeer.” Thierry Noesen is de gelukkige baas van Belvas. Dat zijn personeel zoveel waardering voor hem heeft, komt doordat hij solidair is met zijn werknemers. De man weigert zich op te sluiten in zijn commandotoren. De deur van zijn kantoor staat altijd open en het gebeurt niet zelden dat hij zelf problemen met een percolator gaat oplossen of dat hij zijn petje van bedrijfsleider ruilt voor dat van receptionist. De Roosbekenaar voelt zich ook niet te goed om een witte schort aan te trekken en de handen uit de mouwen te steken. Eigenlijk is de chocoladewereld zijn familie en elk lid van zijn team is daar perfect in geïntegreerd.

 
85% VOOR DE UITVOER 

Goed, solidair en biologisch. Veel meer dan de naam van de firma, zijn het haar kwaliteit en labels die bijdragen tot de faam en de geloofwaardigheid van de Belvas-chocolade, die men natuurlijk aantreft in gespecialiseerde biologische winkels en bij Oxfam, maar ook – onder andere namen – in warenhuizen. Doch voor de echte rentabiliteit zorgt natuurlijk de buitenlandse markt. Een evidentie die Thierry Noesen ertoe aanzette om alle inspanningen te leveren om snel het zeer veeleisende BRCkwaliteitscertificaat (van het British Retail Consortium) te verkrijgen, dat hem de deur opende naar de Engelse markt en meteen ook naar de andere grote buitenlandse markten. Dankzij de steun van de banken, waaronder Triodos, die duurzame ondernemingen helpt financieren, en dankzij de medewerking van het AWEX, dat een uitstalraam biedt op salons en beurzen, exporteert Belvas tegenwoordig 85% van zijn productie (hoofdzakelijk in Europa en naar de Verenigde Staten en Canada) en is zijn omzet gestegen van € 250.000 in 2005 tot € 9.000.000 in 2016. De firma, die sinds 2009 in de industriezone van Gellingen is gevestigd, heeft een twintigtal werknemers, onder wie drie chocolademakers, een tiental arbeiders, een kwaliteitschef en iemand die instaat voor de traceerbaarheid. En aangezien iedereen recht heeft op eerlijk werk, worden de verpakkingen gemaakt in een beschermde werkplaats in de streek.

De productiemethodes heb ik geleerd bij Nestlé, toen ontdekte ik het plezier van produceren en exporteren bij een kleine firma in Antwerpen, waarvan ik afkomstig ben”, verklaart deze licentiaat in de economische wetenschappen. “In 2005 kreeg ik de kans om een kleine chocoladefabriek uit Moeskroen over te nemen, die haast failliet was. Ik wou mijn eigen bedrijf, maar vooral wou ik voor pralines de deur naar de fairtrade openen. Ik wou bewijzen dat producten uit die markt niet alleen sympathiek waren, maar ook heerlijk konden zijn.

Meer chocoladesmaak 

Thierry Noesen begint dan een hele zoektocht. In Gent vindt hij een leverancier die fairtradegrondstoffen koopt en bestelt daar chocoladedeeg die geen 50% maar 75% cacao bevat. Die meer uitgesproken chocoladesmaak wordt zijn fabrieksmerk. Hij ontwikkelt ook een gamma truffels en, onder toezicht van ervaren chocolademakers, breidt hij zijn vullingengamma uit: praliné met 50% hazelnoten, karamel met verse room, praliné met amandelen en pistachenoten, authentieke ganache, pure chocolade... Alles verloopt vlot, zodat de Belvas-chocolade eind 2005 de Max Havelaar-licentie krijgt (FairTrade). Het logo van Belvas, dat uit een gestileerde handdruk van twee handen bestaat, is representatief voor die samenwerking tussen Noord en Zuid. “Al onze producten zijn traceerbaar”, zegt de baas. “De suiker komt uit Paraguay, de kokosnoot uit Sri Lanka, de cacao uit Ecuador, Peru of San Domingo… De hazelnoten, daarentegen, komen uit Piëmont. Die vindt men immers niet op de fairtrademarkt. Het label staat enkele uitzonderingen van dien aard toe.” In 2006 worden de eerste fairtradepralines op het Londense voedingssalon voor natuurlijke producten genomineerd in de categorie Best New Food Product. Er zullen nog veel andere bekroningen volgen. 

100% biologische chocolade

Maar Thierry Noesen heeft nog een andere ambitie. Hij wil biologische chocolade maken. Een domein waar nultolerantie heerst. Elk ingrediënt moet voor elke stap een certificaat hebben. “Biologische producten exporteren betekent niet alleen nog strengere traceerbaarheidsnormen, maar ook het aanvaarden van audits door grote klanten die 100% zeker willen zijn van de biologische kwaliteit”, legt de chocolademaker uit. “Indien één enkel product niet aan de normen voldoet, kopen de klanten niet meer bij je en kun je heel snel naar beneden tuimelen! Het was niet gemakkelijk om alle voor biologische producten vereiste ingrediënten op de kop te tikken, maar we zijn er toch in geslaagd. We hebben de Europese en Amerikaanse certificaten op zak. Bovendien zult u geen sporen van kleurstoffen of bewaarmiddelen aantreffen in onze pralines en truffels. We hebben zelfs sojalecithine gebannen, want dat is een zeer omstreden emulgeermiddel.


MILIEUVRIENDELIJKE ONDERNEMING

Thierry Noesen had zijn nieuwe gebouwen nog maar pas in Gellingen gevestigd, of hij besloot al 380 zonnepanelen (1500 m²) op het dak ervan te plaatsen. Daardoor kan hij nu zelf 50 % van zijn elektriciteitsverbruik produceren. Uit dezelfde bekommernis voor het milieu, zorgt een warmteterugwinningssysteem voor het verwarmen van het water voor het smelten van de chocolade en de boter, terwijl de koudelijn met 9 meter werd verlengd om met minder lage temperatuur voor de koeling in te staan. Het organisch afval wordt door biomethanisering gerecycleerd, de verpakkingen zijn van gerecycleerd papier en, last but not least, de leveranciers van de firma moeten een milieuvriendelijk handvest in acht nemen. Het resultaat daarvan is, dat Belvas in 2011 als eerste Noord-Europese chocoladefabriek het EMASmilieucertificaat kreeg.


 

Chocolaterie Belvas
Chemin du Fundus, 7
B-7822 Ghislenghien
+32 (0)68 33 77 46
www.belvas.be

Univercells, dat in Gosselies is gevestigd, ontwikkelt revolutionaire platforms om vaccins te produceren. De start-up geniet sinds kort het vertrouwen van de Bill & Melinda Gates Foundation, die op de knowhow van het bedrijf rekent om zeer goedkope vaccins voor ontwikkelingslanden te produceren.

 

Bill Gates lijkt onze knowhow te waarderen. Enkele jaren geleden won GIM uit Gembloux een internationale wedstrijd die zijn stichting had georganiseerd. Dankzij de kennis van dit bedrijf om satellietbeelden te herkennen, was het mogelijk om de kleinste nederzettingen in de afgelegen gebieden van Nigeria te lokaliseren en er medische teams naartoe te sturen, zodat men de inwoners kon inenten tegen polio (zie WAW van december 2016).

Hoewel polio zo goed als uitgeroeid is, zijn er nog steeds gebieden, met name in Pakistan en Afghanistan, waar de ziekte standhoudt. Om polio de genadeslag te geven, deed de Bill & Melinda Gates Foundation in september 2015 een nieuwe oproep tot het indienen van projectvoorstellen. Het doel: de wereldwijde toegang tot belangrijke vaccins drastisch verbeteren. De uitdaging: een productiesysteem ontwerpen dat het mogelijk maakt om de kosten van een dosis te verlagen tot minder dan 0,15 dollar (tegenover 2 dollar nu).

En het project van Univercells, een start-up die zijn kantoren en laboratoria heeft in een incubator in het Biopark van Charleroi, kwam als beste van de 155 voorstellen uit de bus, met een subsidie van $12 miljoen in het vooruitzicht! Voor het bedrijf uit Charleroi, dat vorig jaar net een beurs van € 466.500 van het Waals Gewest had ontvangen, maakt deze nieuwe erkenning het mogelijk om door te blijven gaan met gebruikmaking van nieuwe technologieën.

Twee elkaar aanvullende talenten

Univercells dankt dit succes aan twee getalenteerde mannen, die al meer dan vijftien jaar een goede verstandhouding hebben als het gaat om biotechnologie: technisch directeur José Castillo en gedelegeerd bestuurder Hugues Bultot. Hun inzet: de sector van de biologische geneesmiddelen ingrijpend veranderen en de weg effenen voor nieuwe productieoplossingen die geneesmiddelen toegankelijk maken voor iedereen.

Omdat ze merkten dat de verouderde en te duur geworden productieprocessen in de sector geoptimaliseerd zouden worden, besloten de twee mannen in 2005 tot de oprichting van Artelis, een bedrijf gespecialiseerd in de ontwikkeling van bioreactoren voor eenmalig gebruik en met een hoge dichtheid voor de productie van vaccins en monoklonale antilichamen. “Helaas hadden we ons ertoe beperkt om een klein deel van de productieketen te ontwikkelen”, geeft Hugues Bultot toe. “Daarmee hebben we de hoeveelheid biologische geneesmiddelen en de prijs ervan dus niet echt beïnvloed. Onze scope was niet breed genoeg!

In 2013 stichtte het duo Univercells om het nog eens te proberen door een systeem te ontwerpen waarmee ze de productie volledig konden beheersen. José Castillo had als taak om te onderzoeken welke technologieën de efficiëntie van het hele proces zouden kunnen garanderen. “Dat omvat circa tien elementen, maar we hebben besloten om zelf alleen de twee of drie elementen te ontwikkelen die ons minder sterk leken. De andere elementen, die hun efficiëntie hadden bewezen, hebben we ontleend aan wat al bestond en bijeengebracht in ons bedrijf. Dat was een manier om smart (intelligente) en cost-effective (voordelige) engineering te combineren.


Omdat er kleine productie-units gebouwd kunnen worden waar de behoefte het meest dringend is, zoals in Latijns-Amerika, Azië en Afrika, hoeft het vaccin niet meer geproduceerd te worden in grote fabrieken in een aantal geïndustrialiseerde landen.


Continugieten, net als in de ijzer- en staalindustrie

Om beter te begrijpen wat de innovatie inhoudt, moeten we eerst de redenering volgen van de technisch directeur, voor wie de traditionele productie van biologische geneesmiddelen te vergelijken is met een 18de-eeuwse laagoven voor de productie van ijzer. Een groot vat waarin alle grondstoffen worden verzameld, vormt het middelpunt van beide processen. In het ene geval gaat het om gesmolten metalen en in het andere geval om cellen in wording op een voedingsbodem. “De productie van auto’s is gemakkelijker geworden en de kosten ervan zijn gedaald toen dat vat werd vervangen door een systeem in fasen dat het mogelijk maakte om ruwijzer via continugieten te produceren. Die principes van de chemische technologie heeft Univercells toegepast. Door gebruik te maken van revolutionaire processen, hebben we een gesloten lus ontworpen die gekoppeld is aan een bioreactor (het vat) met een hoge dichtheid. Van de celkweek (upstreamfase) tot de zuivering (downstreamfase) kunnen we met dit innovatieve proces continu vaccins en monoklonale antilichamen produceren.

Verdichting van de processen

Onze andere troef is het verkleinen van de processen”, vervolgt Hugues Bultot. “Vanwege de geringe dichtheid van de cellen moeten de reactoren in de farmaceutische industrie tegenwoordig 2000 en zelfs 15.000 liter kunnen bevatten. Voeg daar nog eens alle leidingen aan toe en je kunt je voorstellen welke kathedralen je moet bouwen om zover te komen! Het is ons gelukt om het proces te intensiveren, zodat de cellen in heel beperkte ruimtes kunnen groeien. We zijn erin geslaagd om de bevolking van de Siberische steppen in Tokio te huisvesten. Door die cellen te verdichten, konden we de inhoud van de bioreactoren terugbrengen tot 25 liter. We zijn er ook in geslaagd om de omvang van de zuiveringsinstallaties te verkleinen. Deze verkleining van de voetafdruk heeft gevolgen voor de kosten van een productie-unit, want terwijl de traditionele platforms tussen de € 100 miljoen en € 1 miljard kosten, is voor onze platforms een tien keer zo kleine investering nodig. De prijs van de vaccins kan daardoor dalen tot onder de grens die door de Bill & Melinda Gates Foundation wordt geëist.

Kleine units die meerdere producten maken

Omdat er kleine productie-units gebouwd kunnen worden waar de behoefte het meest dringend is, zoals in Latijns-Amerika, Azië en Afrika, hoeft het vaccin niet meer geproduceerd te worden in grote fabrieken in een aantal geïndustrialiseerde landen. Deze kleine units kunnen zo in recordtijd op poten worden gezet en een flexibele productie op grote schaal mogelijk maken. “Deze units kunnen meerdere producten maken”, verduidelijkt de gedelegeerd bestuurder, “want als we de roestvrijstalen reactoren vervangen door kunststof reactoren, die gemakkelijker leeg en schoon te maken zijn, kan hetzelfde platform, naar gelang de vraag, afwisselend meerdere soorten vaccins produceren. Onze marktpenetratiestrategie is vooral gericht op vaccins tegen kinderziektes, zoals waterpokken, mazelen en de bof. De fabrieken die deze vaccins produceren, werken ofwel op volle capaciteit ofwel tegen exorbitante prijzen. Het vaccin tegen hondsdolheid heeft ook onze interesse, want de vraag is heel groot, met name in India, en de prijs is nog hoog.

Aan het hoofd van een consortium

Hoe kon een klein bedrijf als Univercells, dat geen echte ervaring heeft, de voorkeur krijgen van de Bill & Melinda Gates Foundation? Het antwoord is meerledig. In tegenstelling tot zijn mededingers, die een fragmentarische aanpak voorstelden, legde het bedrijf uit Charleroi een totale oplossing op tafel. Een kant-en-klaar productiesysteem, dat op alle punten aan het doel van de stichting voldoet. “Ten opzichte van andere infrastructuurbedrijven hebben wij het voordeel dat we midden in een professioneel netwerk zitten dat bekendheid en geloofwaardigheid geniet. We bevinden ons op enkele tientallen kilometers van GSK en op minder dan 800 kilometer van Sanofi. Dat ecosysteem in de vaccinwereld heeft de stichting zeker beïnvloed.” De strategie van Univercells heeft ook geloond. Het bedrijf heeft namelijk besloten om niet solistisch op te treden, maar uit bescheidenheid aan te haken bij twee meer ervaren ondernemingen, te weten Batavia Biosciences (vaccinontwikkelaar, Nederland) en Natrix Separations (filtermembranen, Canada). Dat consortium heeft de wedstrijd gewonnen en mag dus het bedrag van $12 miljoen verdelen. “Maar we zijn wel gegroeid tijdens deze aanbesteding”, verduidelijkt Hugues Bultot. “De stichting had gezien dat het innovatievermogen van ons afkomstig was en heeft ons daarom bevorderd tot leider van ons consortium. Daarnaast heeft ze haar subsidies naar boven bijgesteld, omdat ze zich bewust was van het ambitieuze karakter van ons project. Dit is de eerste keer dat een dergelijke bedrag is toegekend.” En José Castillo voegt eraan toe: “De vaccinmarkt is een oligopolie. Het aanbod is in handen van een aantal grote producenten, maar de vraag komt vanuit de hele wereld. Consortiums zoals wij dat hebben gevormd, helpen de Bill & Melinda Gates Foundation om dit monopolie gedeeltelijk te doorbreken. De stichting ziet het als een uitdaging om elk land of farmaceutisch bedrijf in staat te stellen over een eigen productie-unit te beschikken.

Van 32 naar 50 medewerkers

Vanaf december 2016 heeft Univercells twee jaar de tijd om deze uitdaging tot een goed einde te brengen. José Castillo en Hugues Bultot kunnen dus pas na afloop van deze termijn Bill Gates de hand schudden, een vooruitzicht dat hun al sinds 2005 de kriebels geeft. “Die termijn is erg kort, maar onze hypotheses zijn gelukkig al gevalideerd”, benadrukt Hugues Bultot, die voor 2017 een beoogde groei van de omzet (van € 1 naar € 2,5 miljoen) en het aantal medewerkers (van 32 naar circa 50) aankondigt. “De ruimte waarover wij in de incubator van het Biopark kunnen profiteren, is gelukkig gemakkelijk aan te passen.” Een incubator – de tweede al sinds de oprichting van het Biopark in 1999 – die start-ups meer dan ooit helpt om hun vleugels uit te slaan. De ‘take-offs’ op enkele meters afstand van de luchthaven van Gosselies hebben het voordeel dat ze de rust van de omwonenden niet bedreigen. Integendeel, elke dag is hier te zien dat de hele regio Charleroi een economische en technologische herstructurering ondergaat. “We kunnen bravo zeggen tegen het Marshallplan”, besluit Hugues Bultot. “Dat leek op het eerste gezicht ondankbaar omdat de uitvoering heel lang duurde, maar deze bundeling van krachten is nuttig voor de hele regio.

www.univercells.com


WHO’S WHO

 

JOSÉ CASTILLO

Afkomstig uit Brussel, procesingenieur. Als doctor in de toegepaste wetenschappen en afgestudeerd ondernemer speelt hij een vooraanstaande rol bij grote farmaceutische bedrijven. Zijn loopbaan staat volledig in het teken van de productie van biologische geneesmiddelen. Als hoofd van de divisie Industrialisatie van Virale Vaccins bij GSK Biologicals, waar hij verantwoordelijk is voor het ontwerp en de ontwikkeling van bioprocessen, zorgt hij voor een radicaal andere manier om cellen te kweken.

 

HUGUES BULTOT

Afkomstig uit Charleroi, afgestudeerd aan het Institut européen d’administration des affaires (INSEAD, Fontainebleau) en het Massachusetts Institute of Technology (MIT). Als ‘serial entrepreneur’ lanceert hij met succes verschillende start-ups en kan hij bogen op meer dan vijftien jaar ervaring in de biotechnologische en life sciences-industrie. In 2011 werkt hij mee aan de oprichting van MaSTherCell, een dienstverlenend bedrijf gericht op het industrialiseren van celtherapieën, waar hij nog steeds leiding aan geeft. 

 

  • /

Samen met de Citadel, de SintAlbinuskathedraal, de Sint-Lupuskerk en het Arsenaal is de Koninklijke Schouwburg van Namen een van de parels van de Waalse hoofdstad. Een prachtig instrument dat – omwille van zijn gevel, zijn foyer en de vergulde delen van zijn grote zaal – naar aanleiding van de restauratie in 1993 verheven werd tot een belangrijk openbaar burgerlijk erfgoedstuk van Wallonië.

 

Het op enkele stappen van de place d’Armes gelegen gebouw valt vooreerst op door zijn indrukwekkende gevel met klassieke, neoklassieke, barokke en zelfs Dorische elementen. Achter deze gevel van eclectische maar toch harmonieuze stijl ligt een van de mooiste zalen van België. Die is het werk van architect-ingenieur Julien Rémont, aan wie we ook de inrichting van de Koninklijke Schouwburg van Luik (de Koninklijke Opera) te danken hebben. “Het is een prachtig instrument, een stradivarius!”, zegt directeur Patrick Colpé. “Maar ik ben er al zo lang aan gewend, dat ik soms vergeet hoeveel geluk ik heb!

Heel oud is het gebouw niet, aangezien het van 1868 dateert. Kort daarvoor, in 1824, werd er op dezelfde plaats een eerste schouwburg gebouwd op de site van het vroegere klooster van de annonciaden, dat van twee eeuwen vroeger dateerde. Zoals men weet, heeft de Franse Revolutie van 1789 niet veel kerkelijke gebouwen en sites overeind laten staan. De door die systematische vernieling vrijgekomen ruimten werden om beurten gebruikt voor nieuwe stedelijke uitrustingen (schouwburgen, kiosken, banken, parken enz.). In Namen werd in 1824 een door de Regentschapsraad gebouwd theater volledig en uitsluitend gewijd aan toneel en muziek. Die schouwburg was kleiner dan de huidige en omvatte een toneelzaal, een foyer en een balzaal, waarin ook concerten werden gegeven.

Drie branden op acht jaar tijd!

In een tijd waarin de brandbeveiliging meestal slechts bestond uit een pomp en enkele met water gevulde kuipen in de zaal – niet te verwarren met de ‘badkuipen’, namelijk de loges die een beetje hoger lagen dan de parterre! – kwamen veel toneelzalen op tragische wijze aan hun einde. Zo was de breuk in een leiding van de gasverlichting de oorzaak van een eerste brand, in 1860. In 1862 was de wederopbouw amper begonnen of de bliksem veranderde de bouwplaats in een vuurzee. In 1863, toen nieuwe renovatiewerken weer glans aan het gebouw gaven, hoopte men het onheil bezworen te hebben,
maar ook dat nieuwe avontuur ging in vlammen op toen, in 1867, een derde brand de zaal volledig in de as legde na een opvoering van de opera Faust van Gounod. (1)

Een Italiaanse zaal in Franse stijl

Het stond als het ware in de sterren geschreven dat de heropbouw van de schouwburg het meest gespeelde stuk van het Naamse repertoire zou worden. Julien Rémont, die zich zoveel mogelijk baseerde op de structuur van het vroegere gebouw, stelde in 1867 voor de twee zijgevels uit te lijnen op de voorgebouwen om de zaal breder te maken. Hij liet ook een inkomportiek van Dorische oorsprong toevoegen om de passagiers van de koetsen beter te kunnen ontvangen. Het toneel zelf paste de Luikse architect aan de eisen van de komische opera en aan de behoeften van de opera seria aan, waarbij hij achteraan een ruimte toevoegde voor de kunstenaarsloges. De hoefijzervorm van de zaal is een van de kenmerken van de Italiaanse schouwburgen, zoals de Scala van Milaan, maar doordat de zaal geen loges bevat, beantwoordt ze meer aan de Franse stijl. “In Italië gingen de mensen in gezinsverband naar de schouwburg en bleven ze in de intimiteit van hun loge. In Frankrijk gingen ze naar het theater om zich te laten zien en die “m’as-tu-vu”-kant kwam tot uitdrukking in de tegenover elkaar opgestelde zetels in de galerij”, verklaart Olivier Stoffels, die verantwoordelijk is voor de promotie en de externe betrekkingen van de schouwburg. “In Namen, waar de zetels op de balkons een beetje naar het toneel zijn gericht, kan men dus spreken van een Italiaanse zaal die werd ontworpen in Franse stijl.

De Naamse schouwburg bleef gespaard tijdens de Eerste Wereldoorlog, maar had tijdens de W.O. II zwaar te lijden onder de bombardementen van augustus 1944. Daardoor moesten er grote renovatiewerken worden uitgevoerd aan wat de Grote Schouwburg of de Stadsschouwburg werd genoemd – tot koning Albert I in 1933 toestemming gaf om hem “Koninklijke Schouwburg” te noemen. Die werken werden aangevat in 1948. Maar het was pas in 1993 dat men aan de grote restauratiecampagne begon die er de huidige stradivarius van zou maken: een prachtige zaal met 800 plaatsen, die aangepast is aan de moderne technologieën en die wordt aangevuld met twee kleinere ruimten onder het toneel, namelijk het amfitheater en de studio.

De Abdij van Malonne en de Slachthuizen van Bomel

Tot het seizoen 2014-2015, beschikte de Koninklijke Schouwburg van Namen met de 400 m verder in de rue Rogier gelegen Manège over een tweede infrastructuur, die een ruwe ruimte, een rustiekere esthetiek en een kleinere capaciteit (300 plaatsen) bood, die meer geschikt was voor modernere voorstellingen en aan toneelspelers die minder gewend waren aan grote zalen. Maar die in 1856 op vraag van de Minister van Oorlog gebouwde ruimte, die eerst diende voor oefeningen van militaire ruiters (lansiers en later jagers te paard) en die nadien een garage en dan een opslagplaats werd, wordt momenteel gerenoveerd en kan dus niet worden gebruikt tot in 2019. Gelukkig beschikt het Cultureel centrum - Naamse Schouwburg vandaag met de Muzikale Abdij van Malonne over een zaal met een uitstekende akoestiek, zodat daar concerten kunnen worden gegeven. En de niet ver van het station gelegen Slachthuizen van Bomel hebben pas gerenoveerde gebouwen die geschikt zijn voor de activiteiten van zijn Culturele-Actiepool en zijn Expressie en Creativiteitscentrum.

Drie beloningen in 2016

De Naamse Schouwburg is ook een dramacentrum en dus een creatieve plek”, vervolgt de directeur. “Bij gebrek aan financiële middelen moeten we ons echter beperken tot één of twee stukken per jaar. Verleden jaar waren dat ‘Une veillée’ van Gary Kirkham en ‘Élisabeth II’ van Thomas Bernhard. Dit seizoen zijn het twee coproducties: ‘Tristesses’ (met de Luikse Schouwburg) en ‘Tableau d’une exposition’ (met de vzw Les gens de bonne compagnie).” In datzelfde register hebben de verantwoordelijken redenen om trots te zijn, aangezien de Naamse Schouwburg drie keer beloond werd op de ‘Prix de la Critique 2016’: ‘Tristesses’ kreeg de prijs voor de beste voorstelling, het duo Alexandre Trocki en Denis Lavant die voor de beste acteur in ‘Élisabeth II’ en in ‘Cold Blood’ van Jaco Van Dormael, en Michèle Anne De Mey en Thomas Gunzig die voor de beste artistieke en technische creatie. Een verrassende uitslag voor een team dat speelt in de... laagste afdeling!

Théâtre de Namur
Place du Théâtre, 2
B-5000 Namur
+32 (0)81 226 026
www.theatredenamur.be

EEN ECLECTISCHE PROGRAMMERING DIE 5000 ABONNEES VERLEIDT   
“De steden Charleroi, Bergen en vooral Luik krijgen veel meer culturele subsidies dan Namen. Hoewel wij slechts evenveel subsidie trekken als een kleine Brusselse schouwburg, slagen we er toch in om in eredivisie te spelen, want wij compenseren het tekort door veel bijdragen vanuit het publiek. Met zijn 5000 abonnementen en zijn 65.000 toeschouwers per jaar, staat de Naamse Schouwburg inzake bezoekersaantallen in de top 5 van de Federatie Wallonië-Brussel.” Patrick Colpé, de algemeen directeur van het Cultureel Centrum - Naamse Schouwburg, geeft toe dat hij dat te danken heeft aan een trouw publiek waarmee hij in de loop der jaren een bevoorrechte dialoog is aangegaan. “Sinds mijn aantreden in 1998 hebben wij er een gewoonte van gemaakt naar een 80-tal huizen in de streek te gaan om daar ons seizoen voor te stellen aan de abonnees en om er naar hun mening te luisteren. Wij zijn de enige schouwburg die dat doet. Terwijl het publiek toentertijd erkende dat het niet goed kon oordelen over toneel, is het nu zeer rijp geworden. Het heeft ons duidelijk laten weten dat het geen vedetten vraagt, maar afwisselende opvoeringen van goede kwaliteit.”

 

OPGELEID DOOR ARMAND DELCAMPE

 

Patrick Colpé werd in het vak opgeleid door Armand Delcampe, de directeur van het Atelier Théâtre Jean Vilar (Louvain-la-Neuve) en werkte 13 jaar samen met zijn leermeester. Hij voelt zich evenzeer op zijn gemak in het socioculturele milieu als bij het beroepstoneel. Hij geeft toe dat hij bij het programmeren slechts één leidraad volgt, namelijk eclecticisme. Zo brengt de Naamse Schouwburg elk seizoen een gevarieerd aanbod van bijna 70 voorstellingen en concerten. En wel voor alle smaken. “Het zou jammer zijn indien we slechts één kleur in de programmering hadden, want we zijn allemaal dissonant”, stelt de man uit Jambes. “We kunnen van thrillers houden, maar ook van humor. Van sociale drama’s en tegelijk van circus of dans. Daarom trachten we de genres af te wisselen. Zo hebben we in het begin van dit seizoen ‘Tristesses’ op het programma gezet, een tamelijk hard stuk van Anne-Cécile Vandalem, tussen het optreden van James Thierrée – de kleinzoon van Charlie Chaplin – en drie korte stukken van Feydeau, waarna we verder gaan met ‘La femme rompue’ van Simone de Beauvoir, met Josiane Balasko.“ Voor het seizoen 2017-2018 hebben de directeur en zijn team een voorlopig programma opgemaakt met verscheidene stukken over grote actuele kwesties zoals immigratie, vrije handel, milieu, oorlog, moordpartijen in scholen... “Maar we zoeken nog opvoeringen die mensen samenbrengen, die geestdrift kunnen wekken, zoals de stukken van Molière, de creaties van Jaco Van Dormael, het circus…” In de loop der seizoenen heeft de Naamse Schouwburg bevoorrechte relaties aangeknoopt met enkele artiesten en regisseurs zoals de Belgen Anne-Cécile Vandalem en Fabrice Murgia, de Zwitser James Thierrée, de Franse Aurore Fattier, de Libanese Canadees Wajdi Mouawad en de Brit Declan Donnellan. De instelling heeft ook vriendschap gesloten met de partners van het eerste uur, zoals het Canadese circus Eloize en het Franse circus Plume, dat in mei 2019 naar Namen zal komen met zijn laatste programma vóór het ermee stopt – toevallig zal die voorstelling samenvallen met het afscheid van Patrick Colpé.

 

De zes Waalse competitiviteitspolen die vanaf 2006 werden opgezet, steunen de uitvoering van gezamenlijk projecten van ondernemingen, universiteiten en onderzoekscentra. Een kijk op die innovatieversnellers, die al hebben bijgedragen tot de lancering van honderden projecten.

 

In de jaren 1990 vond het clustering-concept beetje bij beetje wereldwijd ingang als een nieuwe methode om de innovatie van de productieprocessen te stimuleren. Waarover gaat het? Over een groep ondernemingen die wordt uitgebreid tot universitaire instellingen en onderzoeks‑ en vormingscentra, die op hetzelfde gebied actief zijn en dezelfde economische belangen hebben. Het voornaamste doel? Het bevorderen van ontmoetingen, de uitwisseling van informatie en interessante plannen... In 2001 sluit Wallonië zich bij die aanpak aan en zet het de eerste clusters of netwerken van Waalse ondernemingen op. Vandaag zijn er zes opgezet, namelijk op het gebied van duurzaam bouwen (CAP 2020), van ecologisch bouwen (Eco Construction), van informatie‑ en communicatietechnologieën (Infopole), van kunststoffenverwerking (PlastiWin), van energie, milieu en duurzame ontwikkeling (Tweed) en van beeld, geluid en tekst (Twist).

Met de hulp van het Marshallplan

In het kader van het Marshallplan “voor economisch herstel door innovatie” besloot het Waals Gewest zich van een bijkomend instrument te voorzien, namelijk van competitiviteitspolen. Zo wilde het nogmaals bevestigen dat het een wereldwijd competitieve industriële ruimte verlangde uit te bouwen. Het verschil? Daar waar de clusters worden gefinancierd voor het ontwikkelen van het bedrijfsleven en het bevorderen van innoverende partnerschappen, dienen de competitiviteitspolen hoofdzakelijk voor het uitvoeren van projecten inzake investering, O&O of vorming, om de activiteit en de tewerkstelling in nieuwe gebieden te creëren en te ondersteunen.

De competitiviteitspolen bestrijken momenteel de economische bedrijvigheidssectoren die beschikken over de bekwaamheden, infrastructuren, ondernemingen, universiteiten, hogescholen en onderzoekscentra die het meest geschikt zijn om groei, rijkdom en tewerkstelling te creëren: milieutechnologieën, gezondheidszorg, mechanica, lucht‑ en ruimtevaart, vervoer, logistiek en landbouwindustrie. Die tellen ongeveer 1200 leden.

Via publiek-private samenwerking werden die polen de voornaamste krachtlijnen van een omvangrijk industrieel beleid dat niet enkel zorgt voor innoverende producten en diensten, maar ook voor het creëren van ondernemingen en tewerkstelling die voortvloeien uit het sluiten van veel industriële contracten. In perfecte synergie met het AWEX versterken ze ook de internationale positionering van die ondernemingen.

Oproepen voor projecten

Om de ondernemingen te stimuleren lanceert de Waalse Regering geregeld oproepen voor projecten, waarvan de organisatie door de competitiviteitspolen wordt verzorgd. Zo spelen die een sleutelrol in het ontstaan van nieuwe projecten die door industriëlen in nauwe samenwerking met de Waalse administratie en de academische interfaces worden uitgevoerd. “Om bedrijven te doen samenwerken, brengen wij de partners samen rond een thematiek en trachten we ze bewust te maken van wat er morgen op het spel staat”, verklaart Xavier Radu, die bij GreenWin verantwoordelijk is voor de projectaanbestedigen. “De rol van de pool is dan veelzijdig: helpen bij het identificeren en structureren van het project, het positioneren ervan in een internationale context, het opvolgen van het marktonderzoek, het zoeken naar financieringsbronnen… Kortom, de pool begeleidt de projectdragers bij alle stappen, vanaf de opzet tot het indienen van de in aanmerking genomen projecten bij het Waals Gewest, waar een jury ze zal onderzoeken en de meest ambitieuze eruit zal kiezen op basis van de voordelen die het Wallonië kan opleveren.

Zodra ze gelabeld (aanvaard) zijn door de Waalse Regering, zullen de projecten en de dragers ervan terugkeren naar de polen, die hun de nodige steun zullen verlenen opdat ze hun doelstellingen zouden bereiken. Men moet hierbij opmerken dat voor het onderzoeksgedeelte een project pas in aanmerking kan worden genomen wanneer er minstens twee verschillende ondernemingen en onderzoeksorganismen bij betrokken zijn. De door de overheid verleende subsidies kunnen oplopen tot 80 % van de aanvankelijke investering.

 

www.poles.be


De 6 POLEN

1. BioWin. Gezondheid. Biofarmaca, vaccins, regeneratieve geneeskunde, celtherapie, diagnoses, radiofarmaceutische toepassingen, biotechnologische producten enz.

2. Logistics in Wallonia. Vervoer, Logistiek en Mobiliteit.

3. Skywin. Lucht‑ en ruimtevaart. Materialen en legeringen voor systemen en toepassingen voor ruimtevaart en drones, alsook luchthavendiensten.

4. Wagralim. Landbouwindustrie. Vier krachtlijnen: gezondheid (voedingskwaliteit), industriële doelmatigheid, verpakkingen en het ontwikkelen van duurzame landbouwsystemen.

5. MecaTech. Mechanica. Van consumptieproducten (auto’s, huishoudtoestellen...) tot gezondheid, en van machines tot industriële processen.

6. GreenWin. Milieutechnologieën. Drie krachtlijnen: duurzame chemie, duurzame materialen en gebouwen, alsook milieutechnologieën (recyclage, water‑, bodem‑ en luchtsanering).


DE CIJFERS
205

Van 2006 tot eind 2015 werden er 15 projectaanbestedingen uitgeschreven door de Waalse Regering. Die leverden 205 gelabelde onderzoeksprojecten op, waarbij 112 grote ondernemingen, 272 kmo’s, 50 universiteiten, hogescholen en onderzoekscentra betrokken waren.

300

Die projecten hebben al meer dan 300 innovaties voortgebracht, alsmede het indienen van meer dan 150 octrooien en de verkoop van meer dan 20 licenties.

11.000

Het aantal directe betrekkingen dat binnen de 5 jaar na het einde van de O&O-projecten werden gecreëerd, wordt op 11.000 geraamd.

1500

Bijna 1500 projecten en stappen voor internationalisering van de polen werden reeds gefinancierd in het kader van de internationale ontwikkeling.

140

De 140 dossiers die door de zes sectordeskundigen van het AWEX worden beheerd, hebben een totaalbedrag aan buitenlandse investeringen van € 727.000.000 aangetrokken en 2346 banen gecreëerd.

 

 IBA, Compact protontherapiesysteem

 

IBA werd 30 jaar geleden opgericht voor het ontwikkelen van deeltjesversnellers voor medische toepassingen. De firma is momenteel gespecialiseerd in het ontwikkelen en integreren van een spitstechnologisch systeem voor kankerbehandeling, namelijk protontherapie, een techniek die het voordeel biedt dat de gezonde weefsels rond de uit te roeien tumor aanzienlijk minder worden bestraald. Protontherapie is nu de belangrijkste activiteit van de firma, die wereldleider is op dat gebied.

Om die behandelingswijze toegankelijker te maken voor meer ziekenhuizen en dus voor meer patiënten, wilde IBA een compact protontherapiesysteem ontwikkelen. De firma heeft zich tot de MecaTech-pool gericht voor het ontwerpen en maken van een nieuw type van dragende structuur (een “gantry”) waarmee de protonenbundel in de buurt van de patiënt kan worden gebracht. De originele aanpak van het mechanisch concept, de dragers en de mechanismen om de structuur in beweging te brengen (die het mogelijk maken de omvang, de complexiteit en dus de kostprijs ervan te verminderen), de directe integratie van een zeker aantal elementen in verband met de controle van de bundel, de ergonomie van het systeem bij klinisch gebruik, alsook het ontwerp dat een volledige assemblage in de fabriek mogelijk maakt, zijn allemaal innoverende aspecten van die “gantry”.

De MecaTech-pool heeft vooreerst het verkrijgen van een openbare cofinanciering mogelijk gemaakt, die partnerschap op regionaal vlak aanmoedigt en de mogelijkheid biedt om dat soort innoverende ontwikkeling te verwezenlijken door samenwerking in plaats van door de traditionele industriële betrekkingen van het type “klant-leverancier”. Daardoor worden de gedachtewisselingen veel rijker en wordt er meer rekening gehouden met de praktische gebeurlijkheden tijdens de uitvoering. MecaTech heeft ook een belangrijke rol gespeeld bij het begrijpen van de verschillende industriële modellen van de partnerondernemingen.

Sinds 2013 werden er al dertien protontherapiesystemen gecommercialiseerd. Door dat industrieel succes nam de groei van IBA met meer dan 10 % toe en steeg het aantal medewerkers in 2016 met 400, van wie meer dan de helft op de zetel in Louvain-la-Neuve. Die voordelen worden natuurlijk gedeeld met de industriële leveranciers en maken het mogelijk om te voldoen aan de fundamentele doelstellingen van het Marshallplan.


Atelier de l’Avenir, Industriële bouw van evolutieve, duurzame en zuinige huizen

 

Als onderneming met sociaal doel, wil het Atelier de l’Avenir tewerkstelling creëren voor gehandicapten, hoofdzakelijk doven en slechthorenden. Haar bedrijfssectoren zijn het maken van evolutieve gebouwen met een zeer sterk houten geraamte (CIMEDE), het bouwen van geprefabriceerde evolutieve schoolmodules van hout (ECOMOD) en het fabriceren van muren, wanden, vloeren en daken met een houten geraamte.

Het innoverende karakter van het CIMEDE-bouwsysteem heeft verscheiden doelstellingen, zoals het verruimen van de waaier aan mogelijkheden en prestaties, het vergroten van het in het atelier verscheidene doelstellingen van het werk, het creëren van een softwaresuite om alle stappen te beheren enz.

Sinds 2008 heeft het GreenWin-team de onderneming geholpen voor het O&O-project en bij het ontwikkelen van markten voor de onderneming. Steeds met de steun van GreenWin en van het Marshallplan heeft het Atelier de l’Avenir zijn nieuw onderzoeksproject CIMEDE 2 kunnen opzetten, dat vooral bedoeld is om het evolutieve karakter van CIMEDE te verbeteren, meer bepaald om de totale omvang van een woning te kunnen wijzigen door die af te stemmen op de behoeften van het gezin. Een tweede doelstelling is het aanpassen van het systeem om het te doen beantwoorden aan de speciale behoeften van wooncentra voor gehandicapten, rusthuizen, schoolgebouwen en kinderdagverblijven.

In 2013 werd het CIMEDE-project echt concreet bij de opstart van een eerste verwezenlijking: namelijk de kantoren van de firma zelf. Daarop volgden er andere, zoals het wooncentrum “L’Arche” in Aywaille. Het is trouwens als specialist voor het prefabriceren van houten elementen dat de onderneming door de BESIX Groep – die ook lid is van de GreenWin-pool – in 2015 werd gekozen om mee te werken aan de uitvoering van het Belgisch paviljoen voor de Wereldtentoonstelling in Milaan. De door de pool gevoerde communicatiecampagne levert de onderneming nieuwe ontwikkelingsmogelijkheden op in het buitenland.

 


WOW, op de innovatiegolf

 

Zelfs als uw zwembad er niet van voorzien is, dan hebt u zeker toch al horen spreken over die grote bol vol elektronica en mechanica, die door zijn op‑ en neergaande bewegingen mooie regelmatige golven maakt. Dankzij die geoctrooieerde bol kon Joël Demarteau, de uitvinder ervan, in 1983 de WOW Company oprichten (WOW voor “Waves on Will” of “golven naar wens”). Een firma die dankzij een oordeelkundige strategie – niet op haar lauweren rust, maar wel de behoeften van de markt goed volgt – haar faam op verscheidene gebieden kon vestigen en haar toekomst verzekeren. Vandaag is de firma in handen van Jean Demarteau, de zoon van Joël, ingenieur elektronica. WOW Technology is een Belgische firma die 90 personen tewerkstelt, gevestigd is in de bedrijvenzone van Naninne (Namen) en zich gespecialiseerd heeft in het ontwerpen en fabriceren van automatische machines en uitrustingen op maat, voor uiteenlopende sectoren zoals de voedings‑ en de geneesmiddelennijverheid, biotechnologie, automobielindustrie, luchtvaart, energie...

In 1995 heeft de firma voor de eerste keer haar koers gewijzigd door in te gaan op een uitnodiging van SABCA (Société anonyme belge de constructions aéronautiques), die de trillingen wou meten van de hydraulische olie die in de tank van de boosters van de draagraket Ariane 5 wordt meegevoerd. Om onze berekeningen door een experiment te bekrachtigen, bouwden we zelfs een model op ware grote om het opstijgen van de raket na te bootsen”, benadrukt Jean Demarteau. Dankzij de met de golvenbol verworven deskundigheid werd de uitdaging met succes aangegaan en ging voor WOW de ene na de andere deur van de industriële engineeringsector open. “Het principe is hetzelfde voor eender welke sector. Onze ingenieurs vertrekken van een wit blad om een mechatronische machine te ontwerpen (een combinatie van mechanica, elektronica, automatisme en informatica) die de door de klant gevraagde functie kan uitvoeren. Het kan gaan om een kleine laboratoriummachine of om een reeks robots die onderdelen van het ene naar het andere punt moeten brengen.” En de directeur haalt een voorbeeld uit de voedingsindustrie aan. “WOW heeft een robot gemaakt die, op basis van door camera’s opgenomen beelden, de beste truffels kan vinden die in bulk op een transportband aankomen, ze er voorzichtig uit kan halen en ze tegelijk heel snel en heel netjes in verpakkingen kan leggen.

Een verluchtingssysteem in partnerschap met Greencom

WOW Technology is gespecialiseerd in robotisering en automatisering en dankt zijn succes aan ingenieursteams die voortdurend op zoek zijn naar innoverende, eenvoudige en doelmatige oplossingen. De voortdurend creatieve firma stelt geregeld projecten voor aan BioWin, GreenWin en MecaTech. Zo heeft deze laatste pool het project Green+ omkaderd, dat was voorgesteld door Greencom Development – een firma uit Ans, die van milieuvriendelijke en zuinige verluchting van gebouwen een van haar voornaamste doelstellingen heeft gemaakt – en waarmee WOW Technology banden heeft. Door hun respectievelijke knowhow te combineren, hebben beide partners gedecentraliseerde luchtaan‑ en ‑afvoereenheden bedacht, die in muren kunnen worden ingebouwd en die onder de merknaam Airria worden gecommercialiseerd.

Dankzij haar deskundigheid op veel domeinen heeft de Naamse firma haar markt tot over onze grenzen kunnen uitbreiden. “Voor de geneesmiddelenindustrie, meer bepaald voor het behandelen van voorgevulde vaccins, werken wij veel met Frankrijk”, legt Jean Demarteau uit. “Onze kracht schuilt in het feit dat wij Duitse kwaliteit kunnen aanbieden tegen Italiaanse prijzen!


Cerhum, keramiek die tot op het bot gaat

 

Innovatie is dikwijls het resultaat van een gelukkig huwelijk. Twee producten of technieken samenbrengen om van de voordelen van beide te kunnen profiteren. Cerhum bewijst dat door nieuwe perspectieven te openen op het gebied van botreconstructie. Een ronduit spectaculaire toekomst.

Cerhum is een Luikse firma die in 2015 werd opgericht door een biomedisch ingenieur, Grégory Nolens. Het bedrijf kon zich van zijn concurrenten onderscheiden door de productie van keramische implantaten die in 3D worden geprint. “Die techniek bestaat al ongeveer 25 jaar,” legt de verantwoordelijke uit, “maar hij diende toen voor het snel aanmaken van prototypes, waarna de stukken zelf volgens andere methodes werden vervaardigd. Tegenwoordig hebben de materialen ongeveer dezelfde kwaliteiten als de traditionele technieken. 3D-printen biedt het voordeel dat eenvoudige stukken goedkoper en sneller kunnen worden gemaakt. Anders dan bij gespaande structuren kan het gewicht worden verminderd door enkel materiaal toe te voegen waar dat echt nodig is. Bovendien kan men de productie in één keer doen, zodat er later geen complexe voorwerpen meer hoeven te worden geassembleerd.

En waarom liever technische keramiek dan metaal of polymeer? “Omdat dit materiaal veel voordelen biedt. Het wordt door het menselijk lichaam herkend als bot, terwijl metaal of plastic als vreemde lichamen worden beschouwd. De botcellen zullen het implantaat dus vlugger kunnen koloniseren. Keramiek heeft ook kwaliteiten op het gebied van botregeneratie. Ze is bestand tegen wrijving, corrosie en samendrukking…

Hoewel Cerhum vooral op de medische sector mikt, richt de jonge firma, die op de campus van Sart-Tilman gevestigd is, zich ook tot de industrie via sectoren zoals lucht‑ en ruimtevaart, elektronica, auto’s en... luxeproducten (juwelen, horloges). De calciumfosfaatpoeders die gebruikt worden voor het maken van medische keramiek, worden dan vervangen door aluminiumoxide, dat een uitstekende thermische isolatie vormt, of door zirkoniumoxide, dat heel sterk is en een lange levensduur heeft. “Wij werken met het Ruimtecentrum van Luik aan de ontwikkeling van stukken zoals spiegelsteunen die in satellieten worden geplaatst en bestand moeten zijn tegen grote temperatuurschommelingen,” legt de stichter uit. “In tegenstelling tot metaal zet keramiek weinig of niet uit.

Voortdurend innoveren

Grégory Nolens heeft gewerkt bij Sirris, dat nieuwe technologieën zoekt voor de Belgische industrie. Met Cerhum doet hij een ontwikkeling van een tiental jaar door het onderzoekscentrum tot zijn recht komen. Maar innovatie gaat nooit samen met rust: in partnerschap met Wishbone, een andere Luikse firma die in de biomedische sector is gespecialiseerd, heeft Cerhum zopas bij de BioWin-pool een project voor tandartsenij gelabeld. “Soms kan er geen stift of kroon bij een patiënt worden geplaatst omdat het bot van de kaak onvoldoende gestructureerd is. Het project wil nieuwe keramieken ontwerpen, die dat gebrek kunnen verhelpen.

En Grégory Nolens besluit: “Via partnerschappen en onderzoeksprogramma’s willen wij nieuwe en innoverende producten maken. De markt voor de additieve (3D-)productie begint pas open te gaan. Cerhum heeft al een klantenkring opgebouwd in Frankrijk. Dankzij een partnerschap met het AWEX (Waals agentschap voor export en buitenlandse investeringen), hebben we veelbelovende contacten met Europese landen en met het Amerikaanse continent. Maar we willen andere horizonten verkennen, zoals het Midden-Oosten…

 

Innovatech ligt in de Aéropôle van Gosselies en maakt deel uit van het unieke netwerk van het “Agence pour l’Entreprise et l’Innovation” (AEI) (Agentschap voor Onderneming en Innovatie). Het dient om kmo’s innoverender te maken. Elk jaar begeleiden 21 personen ongeveer 250 ondernemingen. Hulp naar keuze.

 

In 2008, toen het zijn actieterrein had uitgebreid tot heel Wallonië, werd het “Centre de Promotion de la Recherche et Développement et de Valorisation des Technologies en Hainaut” (CeRDT) (Centrum voor de Promotie van Onderzoek en Ontwikkeling en Opwaardering van de Technologieën in Henegouwen) omgevormd tot InnovaTech, een vzw die wordt gefinancierd door het Europees Sociaal Fonds en door Wallonië (via het DGO6) en die de Waalse ondernemingen innovatiever moet maken opdat de financiële resultaten ervan zouden verbeteren en ze competitiever zouden worden. Een coaching die beetje bij beetje versterkt is dankzij een team van adviseurs die een brede kennis hebben van de ondernemingen, de onderzoekscentra en de universiteiten, de technologieën en de mogelijke O&O-hulp. Hun aanpak verschilt echter van die van de competitiviteitspolen. Deze laatste leggen zich toe op welbepaalde sectoren, op projecten waarbij verscheidene partners betrokken zijn en die veel toegevoegde waarde leveren en verscheidene jaren van ontwikkeling nodig hebben. InnovaTech werkt vooral op de onderneming (die altijd een kmo is), ongeacht de sector. De vzw begeleidt die op geïndividualiseerde wijze om ze innoverender te maken en haar hulp tegelijk uit te breiden tot de intellectuele eigendom, de communicatie, het organiseren van evenementen enz. Indien er een partnerschap is, wordt dat er gewoonlijk later bij betrokken.

Een onderneming kan al onze diensten vragen, maar ze kan ook enkel aan het begin van haar traject komen voor gewoon advies of helemaal aan het einde, om haar project mee te delen,” legt Sarah Thielens uit, die bij InnovaTech instaat voor de communicatie. “Nu eens blijven onze adviseurs een uurtje in het bedrijf, dan weer vijf uur. We bieden allerlei hulp: een audit van de innovatiepraktijken van de onderneming, een controle van het innovatieve aspect van een product en/of van de reeds ingediende octrooien, een raming van de verkoop en de risico’s, hulp bij het opstellen van een bestek, bij het kiezen van de beste financieringen, zoeken naar eventuele partners, de zichtbaarheid en de bekendheid van de firma in de media verbeteren, informatie geven over het deponeren van een merk, over octrooien en partnerschapscontracten… Wij bieden ook een opleiding aan: ‘zes dagen om beter te innoveren’. In feite zijn het de ondernemingen die beslissen wat ze nodig hebben; wij staan enkel tot hun dienst. Een ontmoeting begint dikwijls met vragen over financieringen en octrooien. Na een eerste project of hulp, blijven we over het algemeen in contact.

28,5 % succes

Tussen 2008 en 2014 heeft InnovaTech op die manier 931 projecten begeleid, waarvan er 735 nu afgewerkt zijn en 210, die door 186 ondernemingen werden voorgesteld, als geslaagd kunnen worden beschouwd. Het succes bedraagt dus 28,5 %. Commercialisering wil immers niet zeggen dat het ook een commercieel succes wordt. “De structuur van de Waalse ondernemingen kan een handicap zijn; dikwijls zijn ze ondergekapitaliseerd en hebben ze, op het ogenblik dat ze hun innovatie verkopen, last van tekorten op commercieel en marketinggebied,” legde Marie-Hélène Van Eyck uit tijdens een interview in 2015, toen ze nog directrice van InnovaTech was. Ten slotte is de vzw ook bij 46 projecten opgetreden om de ondernemingen te helpen bij het vinden van een financiering. Sommige doen hun ontwikkeling immers met eigen middelen, terwijl andere op hun eentje hun plan trekken.

De jongste drie jaar zijn het de activiteiten die verband houden met de informatica die op de eerste plaats komen,” legt Sarah Thielens nog uit. “Dat is normaal, want die sector heeft de wind in de zeilen. De projecten weerspiegelen ook de algemene trends van de firma: verbonden objecten, duurzame omgeving, open innovatie... Men ziet ook dat de banksector veel meer dan vroeger openstaat voor innovaties.

 


Sopura (in Courcelles) – Natuurlijke ontsmettingsmiddelen

Deze firma is al meer dan 60 jaar gespecialiseerd in het ontwikkelen van reinigings‑ en ontsmettingsoplossingen voor de brouwerij‑, de dranken- en de voedingssector. Sopura brengt nieuwe ontsmettingsmiddelen op de markt, die bestaan uit inerte voedingsadditieven en vetzuren die niet giftig zijn voor de gezondheid en het milieu.

De onderneming wil voortdurend innoveren en probeert haar producten ook te integreren in nieuwe processen die weinig of geen naspoelen vergen. Sopura heeft een honderdtal medewerkers in Courcelles, maar ook filialen in het buitenland. Enkele jaren geleden vroeg de firma voor de eerste keer hulp aan InnovaTech (opstellen van technische dossiers, zoeken naar partners, hulp inzake intellectuele eigendom, communicatie...) teneinde een nieuw product op de markt te brengen om de transportkettingen van haar klanten te smeren opdat de flessen die het ontsmettingsmiddel bevatten, er beter zouden aan hechten. Een product dat op punt was gesteld in samenwerking met de UMONS en waarmee men veel minder water verbruikt, aangezien het product slechts af en toe op de ketting hoeft te worden gespoten.

Hoewel InnovaTech nog hulp aan Sopura heeft gegeven voor recentere projecten, werd die begeleiding steeds lichter naarmate de onderneming meer knowhow verwierf.


Rolix (in Eghezée) – Sjorbanden

Omdat hij eens een laddertje op de autosnelweg heeft verloren, beseft Frank Burnick heel goed hoe gevaarlijk een slecht vastgesjord voorwerp kan zijn. Hij is dan ook op zoek gegaan naar een innoverend bevestigingsprocedé voor zijn bestelwagens. Deze Naamse ondernemer is een enthousiaste doe-het-zelver en wilde eerst slechts een oplossing vinden voor zijn eigen problemen. Pas later mikte hij hoger en probeerde hij zijn product in de handel te brengen. Zo heeft hij de adviseurs van InnovaTech ontmoet, die hem volledig begeleid hebben en hem verwezen naar het Economisch Bureau van de Provincie Namen. Met de hulp van studiebureaus en gespecialiseerde organismen heeft hij een systeem ontworpen met een bagagedrager van aluminium voor op het dak, waarvan de zijstijlen voorzien zijn van haspels voor sjorbanden. Die haspels zijn verplaatsbaar en hebben een oprolhandgreep om de banden rond de te vervoeren voorwerpen aan te spannen. “Het Roll&Fix-systeem voor sjorbanden is niet alleen veilig, maar vervoerders kunnen er heel gemakkelijk hun materieel mee bevestigen en dus tijd winnen”, legt de baas uit, die met buitenlandse fabrikanten samenwerkt voor de productie van de verschillende componenten, die dan in België worden geassembleerd. Maar het moeilijkste moet nog gebeuren: er een klantenkring voor opbouwen...

 


Ideeën ontstaan uit een ontmoeting of een wet

Waarom vloerstopcontacten? Omdat de kinderen al over de draden van het fonduetoestel zijn gestruikeld. Waarom slaperigheidsdetectoren? Omdat bestuurders in slaap kunnen vallen achter het stuur van hun voertuig. Waarom een robot om het gras te maaien of de ruiten te kuisen? Omdat het gebeurt dat men lichamelijk niet meer in staat is om sommige klussen uit te voeren… Voor Alain Préat, mededirecteur van Apkiosk, een firma die gespecialiseerd is in het ontwikkelen van interactieve zuilen, ontstaat een goed idee dikwijls uit een behoefte of een ontmoeting.

Mijn eerste innovatie was een multimediaal gastenboek”, legt deze ondernemer uit, die pas 21 jaar was en een graduaat informatica voltooide bij de Aalmoezeniers van de Arbeid (ISAT) in Charleroi, toen hij op het idee kwam zijn broer voor diens huwelijk een toestel cadeau te doen. “Ik wilde dat hij gemakkelijk al zijn herinneringen aan die gebeurtenis zou kunnen terugvinden; daarvoor ontwierp ik een interactieve zuil met een machine en een aanraakscherm. Op de huwelijksdag kon elke genodigde er een tekst, foto’s en video’s op zetten. Toen hij op huwelijksreis vertrok, kon mijn broer alles onmiddellijk meenemen op een gewone USB-stick.

Het was dus op basis van dat product, dat hij wel degelijk heeft ontwikkeld en gecommercialiseerd, dat Alain Préat de ondernemerswereld binnenstapte. Nadat hij zijn firma Apresoft had opgericht, fusioneerde hij eind 2013 met de ACM Group, om zijn kennis van software op maat uit te breiden met het beheersen van staal en inox. Vandaag verkoopt Apkiosk interactieve voorwerpen op maat aan verscheidene beroepssectoren, zoals het bouwbedrijf, de industrie en de scholen. De firma heeft haar productiewerkplaatsen in Tubize, terwijl de informatica en de ontwikkeling in Nijvel verankerd zijn.

Zuilen voor bouwplaatsen en scholen

Een ander element dat innovatie bevordert, is de komst van nieuwe wetten,” legt Alain Préat uit. “Sinds 2014 eist de wet dat arbeiders op bouwplaatsen van meer dan € 800.000 worden geïdentificeerd en geregistreerd zodra ze op de site komen. De RSZ heeft daarvoor natuurlijk een onlinesysteem ingevoerd, maar er ontbrak een instrument om die controle in reële tijd uit te voeren. Wij hebben dus verbonden prikzuilen ontworpen, die later nog in veel andere versies zijn uitgevoerd.

Een ander voorbeeld? Om te voldoen aan een wetgeving op de controle van de uitgaven in scholen en de stroom van baar geld te verminderen, heeft de ondernemer in 2006 een interactieve zuil ontworpen voor een school in Ciney. Eind 2014 kwamen er veel gelijkaardige aanvragen vanwege andere scholen. Vandaag zijn er in Wallonië 52 scholen die zo’n zuil hebben, waarmee de kinderen heel zichtbaar hun betalingen kunnen doen, terwijl de ouders de uitgaven kunnen controleren en hun kaarten weer opladen via een internetplatform.

Een idee zou echter waardeloos zijn, als het niet gevolgd werd door een grondig onderzoek van het terrein dat men wil betreden. Reeds voor zijn gastenboek was Alain Préat bij de adviseurs van InnovaTech geweest. “Ze hebben eerst gekeken of er concurrentie was, dan hebben ze onderzocht of ik niet alleen de nodige financiële middelen had, maar ook de commerciële en technische krachten om het project op te starten. Wanneer je bij hen komt, word je onmiddellijk in innovatiemodus gezet. Daar kun je enkel maar door gestimuleerd worden!

Creative Wallonia is een kaderprogramma dat in 2010 door de Waalse regering werd opgestart om creativiteit en innovatie in het zuiden van het land aan te moedigen. Ter aanvulling van de competitiviteitsclusters en ‑polen die dienden om zeer specifieke en veelbelovende sectoren te ondersteunen, wilde het nieuwe plan aantonen dat de ontsluiting ervan ook de creativiteit in ruime zin kon bevorderen.

 

Creative Wallonia heeft een strategie met drie krachtlijnen uitgewerkt,” verklaart directeur David Valentiny. “De eerste, die dient om innoverende praktijken te stimuleren, heeft vorm gekregen door het creëren van instrumenten zoals NEST’up (een versneller voor start-ups), coworking (open kantoren waar zelfstandigen in een ondernemingsdynamiek kunnen werken) en het Observatorium voor Trends (dat dankzij het AWEX kan zien hoe de sectoren op wereldschaal evolueren). De tweede krachtlijn, die dient om de samenleving tot meer creativiteit aan te zetten, heeft geleid tot de invoering van de Creativiteitsweek, een echt jaarlijks innovatiefestival. De derde en laatste krachtlijn, die dient om die innovaties te financieren, kwam tot uitdrukking in het creëren van “Boost-Up”-beurzen voor creatieve projecten die tegelijk op verschillende manieren moeten worden aangepakt, zoals eetbare verrines (door Do Eat) en een pedagogisch videospel (door EPIC). De resultaten bleken zo overtuigend, dat de Waalse regering, aangemoedigd door het label van “Europees Creatief District” dat de Europese Commissie aan Wallonië toekende, in 2014 besloot het agentschap ‘Creative Wallonia Engine’ op te richten om dat werk te structureren. Het agentschap voert niet enkel acties om de samenleving te sensibiliseren en het innovatieproces te versnellen, maar het biedt ook een educatief deel aan in de vorm van de ‘Creative Schools Labs’, om de Hogescholen instrumenten te geven om innovatie te stimuleren”, benadrukt David Valentiny.

NEST’up, de versneller voor start-ups

Het in 2012 geïntroduceerde begeleidingsprogramma NEST’up brengt gedurende twaalf weken Belgische ondernemersteams samen, die door coaches, experts en mentors worden omkaderd. Een unieke kans voor alle deelnemers die hun projet van de grond willen zien komen door het om te vormen tot een start-up. “De volgende sessie zal plaatsvinden van 26 september tot 16 december,” verklaart David Valentiny, die ook een van de oprichters van NEST’up is. “Over het algemeen beantwoorden 40 tot 50 kandidaten de oproep om projecten in te dienen, maar daarvan worden er slechts 6 tot 9 in aanmerking genomen. Het onderzoek heeft meer betrekking op het team dan op het product. Dat laatste kan immers mettertijd evolueren, terwijl het team onmiddellijk moet tonen dat het stevig en soepel is en uit elkaar aanvullende leden bestaat.

Via belangrijke partnerschappen met bestaande Belgische start-ups en met veel ondernemingen en organisaties, zijn alle voorwaarden verenigd om het succes van de bij NEST’up betrokken projecten te verzekeren. Het slaagpercentage? Van de 46 start-ups die in vier jaar uit de versneller kwamen, zijn er nog 32 actief, of 70 %. “Dat is helemaal niet slecht,” meent de directeur.“Te meer daar 90 % van de mensen die aan een project hebben deelgenomen, een loopbaan als ondernemer hebben aangevat, zelfs indien de start-up niet van de grond kwam.

Terwijl de vorige sessies plaatsvonden in het Axisparc van Mont-Saint-Guibert, waar zich de lokalen van NEST’up bevinden, zal deze doorgaan in Charleroi, bij BPS22. “Creative Wallonia wil in die stad immers een permanente versneller opstarten met de hulp van partners op het terrein”, legt David Valentiny uit. We willen er nog op wijzen dat Luik ook een versneller voor start-ups heeft, namelijk LeanSquare, die projectdragers meer bepaald moet begeleiden na hun vorming. Een soort schakel tussen NEST’up en de markt.

 


Koalect, een mooi gemengd verhaal

Koalect is het verhaal van een jonge en veelbelovende start-up. Het is ook en vooral die van een gemengd team van twee Nederlandstaligen en twee Franstaligen, die niet dachten dat ze zouden samenwerken toen ze in de lente van 2014 hun project aan NEST’up kwamen voorstellen. Maxime Bouckaert en Lloyd Wauters, beiden uit Vilvoorde, wilden beheersplatforms ontwikkelen voor scholen, sportclubs en jeugdbewegingen die geld wensten in te zamelen, terwijl Simon Detienne en Anthony Caudron, beiden uit Namen, een boetiek voor de verkoop van producten per abonnement online probeerden te plaatsen. Terwijl enkel het eerste project aanvaard werd, bleek al vlug dat die vier personen elkaar goed konden aanvullen. “Lloyd en ik studeerden alle twee handel bij Solvay,” legt Maxime Bouckaert uit, “terwijl Simon en Anthony technische profielen hebben, die ons ontbraken. Vanaf de tweede week hebben ze zich dus bij ons gevoegd en onze bekwaamheden en persoonlijkheden vulden elkaar zeer goed aan.

Een geïndividualiseerd platform voor ngo’s

Onder invloed van NEST’up, waardoor ze konden nadenken over de beste manier om de belangstelling van hun toekomstige klanten te wekken en hun prototype op die manier te verfijnen, bleef hun product evolueren. Nadat hun platform online was geplaatst en er een juridische entiteit was gevormd, kreeg de jonge start-up een eerste hulp van het investeringsfonds Lean Fund dat, overtuigd als het was door de kwaliteit van het team en de sociale dimensie van het project, voor ongeveer € 75.000 wilde bijdragen aan het startkapitaal. “Vanaf onze eerste contracten zijn we echter gaan beseffen dat koalect.com kon voldoen aan de vraag van lokale projecten, maar dat de ngo’s en de grootste verenigingen een geïndividualiseerd platform nodig hadden. Momenteel, terwijl we van een tweede steun konden profiteren, ditmaal ten bedrage van € 350.000, hebben we al een twintigtal platformen online geplaatst op verzoek van klanten zoals Gaia, de Vereniging tegen Mucoviscidose, de Sint-Lucasstichting en Justine for Kids, de vzw van Justine Henin.

Hoewel die verenigingen hun vrijwilligersnetwerken hebben en de voorkeur geven aan bepaalde soorten campagnes, heeft de ervaring de verantwoordelijken van Koalect al geleerd dat online gesponsorde marsen of verkopen (zoals van kerstbomen) interessante producten zijn om verder te ontwikkelen. “Met ons systeem kunnen de acties zeer gemakkelijk worden beheerd”, besluit Maxime die, samen met zijn drie vennoten, de buitenlandse markt begint af te tasten. De start-up is gevestigd in het Creative Spark – de hub voor start-ups in het Axisparc – in Mont-Saint-Guibert. Dat de start-up gezond is, blijkt uit het feit dat hij binnenkort twee bijkomende personeelsleden gaat aanwerven, een verkoper en een ontwikkelaar.

 

 

  • /
De la ville fortifiée à la ville industrielle

Alors qu’elle entame sa deuxième reconversion et s’apprête donc à écrire une nouvelle histoire, Charleroi, deuxième plus jeune ville de Belgique, souffle cette année ses 350 bougies. Trois siècles et demi faits de hauts et de bas. Entre remparts et terrils.

 

Van versterkte stad tot industriestad

Nu Charleroi, de tweede jongste plaats van België, aan zijn tweede reconversie begint en dus een nieuwe bladzijde in zijn geschiedenisboek gaat schrijven, blaast het dit jaar 350 kaarsjes uit. Drie en een halve eeuw met hoogten en laagten. Tussen stadswallen en terrils.

 

Driehonderdvijftig jaar stelt niet veel voor op de schaal van een stad, maar toch betekent het dat er al heel wat wagons aan de trein van de Geschiedenis zijn gehaakt. Wees gerust: we gaan u niet vertellen hoe Charleroi steen na steen werd gebouwd. Maar misschien wilt u wel weten wat het lot van de stad heeft bepaald.

Kinderen stellen soms heel relevante vragen... “Wat was er vóór Charleroi, papa?” – “Toen de eerste stenen werden gelegd, stond er op die plaats een vredig dorpje dat Charnoy heette. De bewoners ervan maakten spijkers en gingen steenkool halen in de mijnen. Dat dorpje lag aan de oever van de Samber en de gronden ervan behoorden toe aan de Spaanse Nederlanden.” – “En waarom hebben de Spanjaarden het dorpje afgebroken om er een stad te bouwen?” – “Omdat ze toen dikwijls oorlog voerden met de Fransen, die zuidelijker gelegen vestingen bezaten, meer bepaald in Mariembourg en Philippeville. De Spanjaarden zochten dus een strategische plaats om er een fort te bouwen. Dat deden ze niet om de bewoners te beschermen, maar om hun grondgebied te verdedigen. Die op de as Bergen-Namen en op de hoogten van de Samber gelegen plaats vonden ze heel geschikt.” – “Waren zij het, die er de naam Charleroi aan gaven?” – “Ja, dat was ter ere van hun koning Charles II. Die was toen nog maar een kleuter van vijf jaar, maar hij heerste al, met de hulp van zijn mama, natuurlijk.

Rond de Place Charles II

Hoewel het de Spanjaarden waren die het fort in 1666 begonnen te bouwen, waren het de Fransen die het afwerkten nadat ze het, minder dan een jaar later, hadden veroverd. De uitgekiende, op de Place Charles II gerichte configuratie, is het werk van Vauban, de beroemde militaire architect van Lodewijk XIV. Wanneer men een maquette uit die tijd vergelijkt met het huidige plan van het stadscentrum, ziet men heel goed dat die configuratie bijzonder weinig veranderd is. Men herkent zeer goed de zeshoekige omwalling en het radiometrische interne tracé van de eerste versterking, met het bolwerk rond het wapenplein. Het was ook de markies van Vauban die de uitbreiding van de vesting tot aan de overkant van de Samber aanvatte om de zuidelijke flank te beschermen. Op die manier ontstond de Benedenstad, rond de huidige Place Albert Ier.

De bloeitijd van het Zwarte Land

We besparen u de verschillende machtswissels tussen Fransen, Spanjaarden en Oostenrijkers die achtereenvolgens gedurende 150 jaar de stad veroverden – het loonde wel de moeite ze te versterken! In 1815, na de nederlaag van Napoleon, viel de stad in handen van de Hollanders, die de versterkingen gingen uitbreiden naar het noorden en die de Samber bevaarbaar maakten, wat van essentieel belang was om de steenkool naar Frankrijk te voeren. Dankzij de komst van de eerste spoorweglijn en de bouw van een station in 1843 gaan de glas‑, de staal‑ en de steenkoolnijverheid, die zich geleidelijk rond de stad hadden ontwikkeld, een fenomenale uitbreiding kennen. In 1867 besluit de Stad tot het afbreken van de wallen, die haar verstikten. In de plaats van stenen komen er met bomen begroeide lanen en vallen de Beneden‑ en de Bovenstad elkaar in de armen. Het economische leven van de stad wordt geregeld door de steenkoolmijnen. Dit is de tijd van koning Leopold II. Het Zwarte Land stelt het goed. De stad wordt de tweede rijkste van een land dat zelf (na Engeland) de tweede industriële grootmacht ter wereld is! In 1911 vindt er een wereldtentoonstelling plaats.

De grote stedenbouwkundige omwenteling

En wat is er daarna met Charleroi gebeurd, papa?” – “O, de stad zou nog twee grote verbouwingsfasen kennen. Na de Tweede Wereldoorlog rijzen er zowat overal veel gebouwen en huizen in Jugendstil op. In 1930 wordt de oude bocht van de Samber gedempt om plaats te maken voor een grote laan, de Boulevard Tirou, waarrond het commerciële centrum van de stad zich zou ontwikkelen. Het is ook in die tijd dat het Stadhuis en het belfort worden gebouwd. Later, in de jaren 1960, zou het uitzicht van de stad nog eens veranderen door het opduiken van torens en administratieve gebouwen zoals de Tour de l’Europe en de Tour Baudoux. In 1975, ten slotte, wil Charleroi zijn mobiliteitsprobleem oplossen door het aanleggen van een autosnelweg rond de stad.

Vandaag is de streek, zoals we weten, zwaar getroffen door de oliecrisis en de ondergang van de nijverheid. Charleroi moest met zichzelf in het reine komen en zien uit te groeien tot een grote moderne metropool. Na de versterkte en afgezonderde stad, na de industriële en ontgonnen stad, is het nu tijd voor een open en aantrekkelijke stad. Een stad die verankerd is in haar grondgebied en die aansluit op het omringende landschap. Dat werk werd al meer dan twintig jaar geleden aangevat…

 

     

Nadat in 1930 de bocht van de Samber gedempt wordt, ontstaat er ruimte voor de boulevard Tirou en appartementsgebouwen.

©Archives Ville de Charleroi

 

Ondergrondse overblijfselen

Wat schiet er nog over van Charleroi als versterkte stad? In het stadscentrum zo goed als niets, behalve het speciale tracé van de straten rond de Place Charles II. Maar wanneer men een beetje dieper gaat zoeken, zal men ontdekken dat de ondergrond van de stad onvermoede getuigen van haar militaire verleden bewaart. Onder dat laatstgenoemde plein bevindt zich nog altijd de put die bij de oprichting van de Franse vesting werd ontworpen om de bouwers van de stad van het nodige water te voorzien. Een beetje verder, onder de Boulevard Zoé Drion, kan men een indrukwekkende galerij ontdekken, die uit de tijd van de Hollandse vesting dateert.

In 1695 werd er op bevel van Lodewijk XIV een plan in reliëf gemaakt van Charleroi. Om de strategie van die versterkingen beter te kunnen begrijpen, werd in het Stadhuis onlangs een kopie van dat plan onthuld. Het belfort van zijn kant, dat door de UNESCO op de werelderfgoedlijst werd geplaatst, geeft heel de geschiedenis van de Stad Charleroi weer in een nieuwe scenografie. Dat zijn allemaal plaatsen die op aanvraag kunnen worden bezocht, maar enkel door groepen.

 

Maison du Tourisme du Pays de Charleroi
+32 (0)71 86 14 14

Feest in het Land van Charleroi!

 

Men wordt niet alle dagen 350 jaar! Om die verjaardag in de verf te zetten met een gevarieerd programma, hebben alle actieve krachten uit Charleroi de handen in elkaar geslagen: de bestuurders, de stadsdiensten, de culturele en wetenschappelijke spelers, de onderwijsinstellingen, de horeca, de folkloreliefhebbers, de ouderen, de wijkcomités... “We hebben alle instellingen en verenigingen opgeroepen om projecten in te dienen”, verklaart Najia Sakhi, die in de coördinatiecel voor de 350 jaar instaat voor de communicatie. “Voorstellen konden enkel worden aanvaard, als ze aansloten bij deze historische datum. Men kon dus geen klassiek evenement voorstellen en daar het etiket ‘350 jaar’ opplakken. We wilden iets nieuws, iets origineels, iets dat in verband staat met de geschiedenis, het erfgoed of de folklore, iets dat over verleden, heden of toekomst gaat.

Eerbetoon aan zanger Jacques Bertrand

Omdat de eerste steen van de stad op een derde september werd gelegd, is die datum uitgekozen als orgelpunt van de manifestaties. Toen het evenement nog in de toekomst lag op de dag dat wij dit schreven (in augustus), zag het programma voor het weekend van 3 en 4 september er heel vrolijk en kleurrijk uit: officiële ceremonie en beiaardconcert op zaterdagnamiddag, dan een indrukwekkende optocht door de straten van het stadscentrum tot aan de kaden van de Samber. Een stoet die de 350 jaar geschiedenis van Charleroi zou schetsen, met metaalarbeiders, mijnwerkers, glasmakers, naoorlogse auto’s, reconstructeurs, revolutionairen van 1830, een praalwagen van de luchtvaartindustrie en – natuurlijk – de reuzen van de stad en veel zangkoren. Aan een uitzonderlijk evenement moeten ook uitzonderlijke personen deelnemen: een honderdtal leden van de Ommegang, onder wie Keizer Karel en zijn hofhouding, wilden voor deze gelegenheid hun Brusselse residentie verlaten. Het grote volksfeest op zaterdagavond – dat “Quai fièsse!” was gedoopt – heeft natuurlijk heel wat golven veroorzaakt op de Samber. Ook de muren van de stad trillen nog na bij de herinnering aan de duizenden personen die op zondag enkele volksliederen hebben aangeheven, die werden geschreven door de Charleroise zanger Jacques Bertrand (1817-1884): “Lolotte”, natuurlijk, maar vooral “Pays de Charleroi”, waarvan de stadsbeiaard vandaag nog de noten speelt.

“Charleroi tussen licht en schaduw”

De Stad heeft echter niet gewacht om haar 350 kaarsjes officieel uit te blazen vóór ze aan het feesten ging. Vermakelijkheden, concerten, feesten, lezingen en tentoonstellingen bepaalden al sinds de lente het levenstempo in Charleroi. Er werden een bier en een praline gecreëerd; er werden publicaties aan de stad gewijd – waaronder een zeer mooie brochure van “Espace Environnement”, die 350 jaar stadsgeschiedenis schetst; er werd eer betoond aan de chemicus en industrieel Ernest Solvay, die zijn eerste fabriek in Couillet vestigde, en aan de in Charleroi geboren kanunnik en natuurkundige Georges Lemaître; in de Sint-Valentijnsmars stapten voor het eerst folkloristische groepen uit de districten van Charleroi mee op; er werd een grote zoektocht georganiseerd in de stad enz. De sport werd niet vergeten: om de herinnering op te roepen aan de legendarische voetbalderby’s tussen Sporting en Olympic, werd er begin september een ontmoeting gepland tussen de Zebra’s en de Dogs!

De best geslaagde activiteit behoort echter tot het gebied van de bescherming van het erfgoed”, noteert Najia Sakhi. “In het Museum voor Schone Kunsten vond de tentoonstelling ‘Charleroi tussen licht en schaduw’ plaats, die door het Glasmuseum van Charleroi werd aangeboden en gewijd was aan het glas-in-loodraam in privéruimten, van 1880 tot 1940. Die kende zoveel succes, dat ze verlengd werd. Op de tentoonstelling kon het publiek niet enkel zien hoe glas-in-loodramen worden gemaakt, maar er ook kennismaken met de glas-in-loodramen uit veel privéruimten (herenhuizen, arbeiderswoningen, handelszaken enz.) aan de hand van oorspronkelijke stukken uit museumverzamelingen, archiefdocumenten en foto’s.

De burgers als commissarissen van hun tentoonstelling

En morgen? In het laatste kwartaal van 2016 zullen er een colloquium, en festival, tentoonstellingen en een paneldiscussie plaatsvinden. Op 23 en 24 september komen in het Paleis voor Schone Kunsten liefst 25 deskundigen van verschillende universiteiten een portret van Charleroi schetsen aan de hand van de mensen, de technieken en de ideeën die gedurende 350 de identiteit van de stad hebben gevormd. Op hetzelfde ogenblik gaat de “Asfalt”-biënnale van start, een stedelijk kunstenfestival waarvan deze derde uitgave vooral gewijd zal zijn aan de openbare ruimte als leefkader (zie kaderstuk). Maar het is vanaf 21 oktober, datum van de vernissage van de tentoonstelling “Publiek aan het werk”, dat men zal kunnen zien wat de inwoners van Charleroi in hun mars hebben. Het Museum voor Schone Kunsten van Charleroi en het Fotomuseum hebben zich aan een origineel experiment gewaagd door de hele de organisatie van een tentoonstelling aan het publiek over te laten. “Er werden ongeveer zestig burgers gekozen op basis van hun motivatie,” legt Najia Sakhi uit. “Van april tot augustus hebben ze kennisgemaakt met de musea en de verzamelingen ervan en geleerd op welke verschillende manieren men met kunst kan omgaan. Samen hebben ze het thema van de tentoonstelling gekozen en uitgewerkt, en de lijst van de werken opgesteld.Ten slotte hebben ze gezorgd voor de presentatie, de berichtgeving in de media en de communicatie over de tentoonstelling, die tot 21 januari zal plaatsvinden in het Museum voor Schone Kunsten.” Het thema? Mutaties. Zoals de Waalse metropool er nu een beleeft!

 

Voor het volledige programma zie www.charleroi.be/350ans

©Fred Guerdin
 

Stadsfestival “Asphalte#2”

Van 23 september tot 29 oktober zal Asphalte#2 de verbanden tussen culturen en de openbare ruimte onderzoeken. In 2016 viert men niet enkel het 350-jarig bestaan van de Stad Charleroi, maar ook de 500 jaar van Utopia van Thomas More. Het samenvallen van die twee vieringen bood de gelegenheid om een leefbare wereld te maken, om plaatsen, voorzieningen en modellen voor de toekomst te ontwerpen.

In 2012 en in 2014 was de biënnale gewijd aan straatkunst”, verklaart Sébastien Lacomblez, graficus op het kantoor van de Charleroi Bouwmeester. Hij herinnert eraan dat tijdens die eerste twee uitgaven de muren eerst vol foto’s werden gehangen en dan plaats boden aan fresco’s. “Dit jaar wilden de organisatoren afstand nemen van de straatkunst en zich op de openbare ruimte toeleggen door in te spelen op de utopie. Het LAB[au]-collectief, een laboratorium voor architectuur en stedenbouw, zal installaties maken op de toren van de Arbeidsuniversiteit en op het dak van Quai 10. Maar de grootste inspanning zal geleverd worden voor de feesten, de thematische ontmoetingen, de creatieve workshops, de stedenbouw...

Twee voorbeelden van evenementen: op 30 september zal het kinderplein, een project dat leerlingen uit Charleroi maakten tijdens workshops, ingewijd worden in de Rue du Laboratoire, terwijl er op 2 oktober een groot wandelpad vanuit het stadscentrum naar de terrils zal worden ingestapt. Een zwart en punky wandelpad, een experimentele en hedendaagse vorm van toerisme!

 

www.asphalte-charleroi.be


 Een facelift voor het stadscentrum

 

We moeten toegeven dat Charleroi, dat eerst een zeer begeerde vesting was en later een bloeiende industriestad, nooit ontworpen werd als een woonstad. Terwijl het aantal inwoners tussen 1966 en 2001 van 244.000 naar 200.000 daalde, begint de demografische curve nu langzaam maar zeker opnieuw te stijgen. Tegenwoordig zijn er bijna 100.000 woningen in Charleroi. Volgens de ramingen zouden er 12.000 woningen, of 400 per jaar, moeten worden bijgebouwd tegen 2045. Dat is een grote uitdaging, die enig denkwerk vergt. “Charleroi moet zo soepel zijn als een metropool, met zijn tijd meegaan en oplossingen vinden voor de belangrijkste stadsproblemen, namelijk mobiliteit, aantrekkelijkheid van de openbare ruimte, nabijheid van de groenzones, geschikte woningtypes voor het stadsleven en op zijn grondgebied de belangrijke grootstedelijke functies organiseren en juiste en sterke landschappen maken”, legt Georgios Maillis uit. De architect en Bouwmeester van Charleroi heeft het niet over gewone bouwwerken. Het masterplan voor de renovatie van het stadscentrum, dat door de Feder-fondsen en door Waalse subsidies wordt gesteund, is het derde belangrijkste uit de geschiedenis van de gemeente, na het groot stedenbouwkundig plan van 1870 en de infrastructuurwerken en woningbouw uit 1950-1970.

De eerste fase, het Fenix-project (2007-2013), nadert zijn voltooiing in de Benedenstad (Ville Basse). Althans voor wat de overheidsfonden betreft (€ 58.000.000). Want terwijl het handelscentrum Rive Gauche waarschijnlijk zal afgewerkt zijn in februari aanstaande, zal het nog tot 2025 duren eer het Left Side Business Park (zakenpark aan de westzijde) en de River Towers (twee woontorens aan de oostzijde) klaar zullen zijn. Het zijn twee projecten aan de oever van de Samber, die in handen van de privésector zijn.

Creatief District Charleroi

Nu staat het bovenste deel van het stadscentrum en meer bepaald het noordwestelijke kwadrant ervan, in het licht van de schijnwerpers. Deze tweede stedelijke herkwalificeringsfase (programmatie 2014-2020 van de Feder-fondsen) beschikt over een budget van € 142.000.000 en is bekend onder de naam Creatief District Charleroi. Ze wordt gestuurd door de Stad, door Charleroi Bouwmeester en door Igretec. Charleroi DC heeft twee polen: een evenementenpool en een uitmuntendheidspool voor vorming, onderwijs en onderzoek. De eerste omvat de renovaties aan het Tentoonstellingspaleis en aan het Paleis voor Schone Kunsten (uit 1957), alsmede de bouw van een energiezuinig Congressenpaleis (€ 25.000.000 – 6400 m2) op de esplanade van het Paleis voor Schone Kunsten. Met die drie paleizen zal de stad over hoogwaardige infrastructuur voor belangrijke evenementen beschikken. Meer naar het noorden zal de site van de Université du Travail worden gerenoveerd en uitgebreid om de “campus voor wetenschap, kunst en techniek” te worden. Die campus zal bestaan uit een universitair centrum in het Zenobe Grammegebouw, uit een deskundigheidscentrum voor “design en innovatie” en uit een technische wijk. In de buurt van die twee polen heeft het Brusselse kantoor Bas Smets voor de openbare ruimte een echt heroplevingsplan ontworpen, dat gericht is op de Place Charles II, de Place du Manège en het voorplein van het toekomstige Congressenpaleis.

Ten slotte blijft de noordoostelijke zone van de Bovenstad (Ville Haute) niet achter, aangezien het huizenblok Zoé Drion sociale bestemmingen zal krijgen, het Mambourgstadion zal worden gerenoveerd en het Gerechtshof vergroot.

 

©MSA Asymetrie
 

Bronnen:
« Charleroi Métropole, Un schéma stratégique 2015-2025 » (édition 2015) en « Charleroi, de la ville fortifiée à la ville de demain » (Espace Environnement).
  • /

Toen er aan het begin van de jaren 1980 een nieuwe natuurlijke omgeving ontstond na het bouwen van de kunstwerken en het vullen van de meren, was het heel normaal dat de bewoners uit de streek van dat nieuwe uitzonderlijke kader begonnen te profiteren en watersporten gingen beoefenen. Zo werden er vier sportclubs opgericht door enthousiaste vrijwilligers die er zich kwamen uitleven in hun favoriete sport (zeilen, duiken, jetski en waterski). In die tijd waren de activiteiten seizoensgebonden en hingen ze sterk af van de weersomstandigheden.

In 1994, toen men toerisme als een volwaardige drager van economische ontwikkeling begon te beschouwen, maakte de Waalse Regering de nodige overheidsmiddelen vrij om een ambitieus strategisch ontwikkelingsprogramma op te starten voor de site. Het plan om een toeristisch centrum te creëren, dat al aan het einde van de jaren 1970 ontworpen was, kon worden aangevat, onder andere met de bouw van het eerste vakantiedorp. De site werd ingericht voor het onthaal vandagjesmensen en verblijfstoeristen. Zelfs buiten het zomerseizoen begonnen er bezoekers van verder in België en uit het buitenland te komen, om in elk jaargetijde van de natuur te genieten. Meer bepaald met Kerstmis, dat men altijd graag met zijn gezin in een prachtig kader doorbrengt.

Om tegemoet te komen aan de toenemende vraag van de toeristen die het hele jaar door naar de meren komen, moesten er binnenhuisinfrastructuren worden gecreëerd. Het Aquacentre was de eerste attractie die in 1999 op de site tot stand kwam. Met 120.000 bezoekers per jaar, is dat Aquacentre stilaan de meest bezochte attractie geworden. In 2015 werd het volledig gerenoveerd, aangevuld en gediversifieerd met de financiële steun van het Waals Gewest en van Europa. Later kwamen er nog andere indoor-activiteiten bij: een overdekt speelplein (Landal Greenparks), een polyvalente sporthal in de buurt van het ADEPS-centrum van Le Cierneau, een lasergame in de afdaling van de stuwdam van de Plate Taille, een wellnesscentrum, een overdekt terras...

Dankzij de vele investeringen met overheidsgeld en vanuit de privésector kan er het hele jaar lang zowel worden ingespeeld op de verwachtingen van de toeristen die een daguitstap doen en van degenen die voor een langer verblijf komen, als op die van de bewoners van de streek.

 

Een tropisch paradijs

Wat is het Aquacentre van de Meren van l’Eau d’Heure eigenlijk? Beeld u een groot zwemparadijs in met water dat het hele jaar door 30°C warm is, een ludiek zwembad met masserende waterstralen en waterkanonnen, een gigantische jacuzzi, een infinity jump waterglijbaan met LCDschermen en LED-verlichting, een plonsbad met speeltoestellen voor de kleinsten... Beeld u een bekken in metbewegende bodem voor het beoefenen van uiteenlopende sporten, zoals aquabiking, aquadance, aquagym en duiken. Beeld u een zwembad in dat aansluit op een openluchtbekken en een spray park (waterspeeltoestellen van de jongste generatie) van 500 m2 groot. Beeld u ook een vrijetijdszone in met biljarttafels, kickers en schijfspelen, een tuin met strandstoelen, een zonovergoten terras en een bar binnen handbereik. Beeld u… Of liever, neen, beeld u niets meer in, maar kom met eigen ogen kijken en ga helemaal op in dit tropisch paradijs.

We hadden niet de pretentie een sportuitrusting te ontwikkelen en zelfs geen bad waarin men enkel zou kunnen zwemmen”, vertelt Vincent Lemercinier, algemeen directeur van de vzw. “Het Aquacentreis een louter recreatieve attractie, dus voor vrijetijdsbesteding en ontspanning die zowel bedoeld is voor toeristen als voor mensen uit de streek. We organiseren individuele en groepscursussen aquagym, aquadance en aquabike. We bieden nocturnes aan voor de buurtbewoners, die ook kunnenprofiteren van een abonnementstarief of van interessante prijzen in de week, buiten de vakantieperiodes. Het is dankzij die zeer gevarieerde klantenkring dat we hopen binnenkort de kaap van 150.000 bezoekers per jaar te ronden”.

 

www.parcaquacentre.be


“TIJD VOOR WELZIJN”

Naast het zwemparadijs ligt het centrum “A lheure du bien-etre (Tijd voor welzijn), dat sindsverleden jaar een infrastructuur biedt die volledig gewijd is aan wellness en spa: eenontspanningszaal met jacuzzi’s, traditionele sauna, infraroodsauna en zoutsauna, hammam,lichttherapie op watermatras, koudwaterbekken, douchebelevenis... En dat alles wordt dan nog aangevuld door een buitenruimte met een zwembad onder een patio en met een gazon. Terwijl hetzwemparadijs gezinnen, groot en klein, groepen en sportbeoefenaars gelukkig maakt, trekt het wellnesscentrum koppels en vriendengroepen aan en blijkt het een goede aanvulling te zijn op hetvrijetijdsaanbod in de openlucht.

Het is ook een pluspunt voor de bewoners van de streek. De infrastructuur en de mogelijkheden voor verzorging, rituelen en massages zijn zowel bestemd voor individuele personen als voor groepen,verenigingen en ondernemingen. Het Centrum kan trouwens privé worden afgehuurd, in combinatiemet een cursus aquabike of andere activiteiten van de Meren. Het product is heel geschikt voorMICE-klanten (Meetings, Incentives, Conferencing & Exhibitions). Terwijl er in het Aquacentre(zwemparadijs, wellness en buitenvoorzieningen) ongeveer 6.250.000 euro is geinvesteerd, werd er ook veel gedaan om de energiekosten te drukken, zowel inzake isolatie van de gebouwen, als elektriciteit (400 m2 zonnepanelen, LEDverlichting), verwarming (isolatie, warmtepomp) en water(behandeling en recyclage) via een centraal technisch beheer. Daaruit blijkt dat de beheerders van de site duurzame toeristische projecten willen uitbouwen.

www.lheuredubienetre.be

Your opinion counts