Waw magazine

Waw magazine

Menu

Hij doet elke film schitteren. Hij zorgt voor het juiste beeld, de kadrering en het licht. Niet voor niets staat op de filmklapper vaak alleen de naam van de director of photography, naast die van de regisseur. Op het bordje dat elke take aankondigt, stond Christophe Beaucarne al aan de zijde van Jean-Marie Poiré, Cédric Klapisch, Jaco Van Dormael, Anne Fontaine, Mathieu Amalric, Marjane Satrapi en vele anderen.

Als we even op zijn verleden inzoomen, zien we dat de Waals-Brabander tot nu toe vooral samenwerkte met Franse regisseurs. Logisch: in 1990, na zijn studies aan het INSAS , ging Christophe het licht zoeken in Parijs. Vandaag is hij papa van twee grote kinderen. “In Parijs had ik de grootste kans om werk te vinden”, zegt hij. “Ik kon er terecht bij een vriend van de familie, Robert Alazraki. Hij was toen al een goed aangeschreven director en hij heeft me de kneepjes van het vak geleerd. Eerst was ik stagiair, daarna 2de assistent, daarna 1ste assistent… Tot Jean-Marie Poiré op een dag ruzie gemaakt had met zijn director of photography en ik de opnames van ‘Anges gardiens’ mocht afmaken in zijn plaats. Zo is het begonnen.” Christophe is dus goed vertrokken, maar al snel beseft hij dat de sleur van grote komedies niets voor hem is. Hij kiest resoluut voor auteursfilms.“Daarbij kun je veel subtieler met beelden spelen. Voor Jaco Van Dormael werken in ‘Mr. Nobody’ was bijvoorbeeld ontzettend boeiend. Zo is er een scène waarin de jongen achter de trein aan loopt (opgenomen in het station van Olloy-sur-Viroin in Viroinval, n.v.d.r.) en die verschillende keren terugkomt. Ze werd elke keer anders gefilmd, naargelang de betekenis in het verhaal. Daarom gebruikten we eerst een vaste camera, daarna een op de schouder, een bewegende camera op rails die werd geduwd door de spoorwegarbeiders, enz. Elke keer was het een persoonlijke zoektocht. Gelukkig ken ik Jaco al van het INSAS, waar hij mijn docent was, en klikt het goed tussen ons.”

Die klik leidde tot een Magritte voor het beste camerawerk, terwijl Coco avant Chanel van Anne Fontaine en Tournée van Mathieu Amalric hem een nominatie bij de Césars opleverden. Ook met die regisseurs lijkt Christophe goed op te schieten, want op dit moment wisselt hij af tussen de opnames van Gemma Bovery, van de eerste, en La chambre bleue, naar Simenon, van de tweede.

“Ik zou graag opnieuw met Belgische regisseurs en technici werken. Ze hebben een uitstekend niveau en ik voel me wel met hen verwant”, zegt hij. Hij denkt bijvoorbeeld aan Stéphane Thiry, die hem bijstond tijdens de opnames van Mr. Nobody en Coco. “Ik hoop nog altijd om eens met Joachim Lafosse te werken of met Benoît Mariage, die samen met mij aan het INSAS gestudeerd heeft. Maar dan moeten we eerst onze agenda’s op elkaar afstemmen.”

In Tourinnes-la-Grosse prijst zanger en dichter Julos Beaucarne zich gelukkig dat hij ooit een videocamera in de handen van zijn zoon duwde. Jaren later filmde Christophe zijn vader in twee langspeelfilms van Bruno Podalydès: Le mystère de la chambre jaune en Le parfum de la dame en noir. Intussen had zoonlief de mysteries van de donkere kamer helemaal ontrafeld.

www.blasband.be

 

Filmographies (sélectives)


Christophe Beaucarne (Geboren in Ukkel  Woont in Parijs.)
 Les anges gardiens — Jean-Marie Poiré (1995)
La dilettante  Pascal Thomas (1999)
Le mystère de la chambre jaune  Bruno Podalydès (2003)
 Peindre ou faire l’amour — Arnaud en Jean-Marie Larrieu (2005)
 Irina Palm  Sam Garbarski (2007)
 Coco avant Chanel — Anne Fontaine (2009)
 Mr. Nobody  Jaco Van Dormael (2009)
 Tournée  Mathieu Amalric (2010)
 Poulet aux prunes  Marjane Satrapi en Vincent Paronnaud (2011)
 L’écume des jours  Michel Gondry (2013)


Philippe Bourgueil (Geboren in Doornik — Woont in Bouge)
 Les convoyeurs attendent  Benoît Mariage (1999)
 Kennedy et moi  Sam Karmann (1999)
 Le Boulet — Alain Berberian (2001)
 Podium  Yann Moix (2003)
 Cow-boy  Benoît Mariage (2006)
 Oscar et la Dame rose — Éric-Emmanuel Schmitt (2009)
 L’homme qui rit  Jean-Pierre Améris (2012)
 Angélique — Ariel Zeitoun (2012)


Renaud Mayeur (Geboren in Thieu (Le Roeulx) — Woont in Braine-le-Comte)
 Eldorado  Bouli Lanners (2008)
 Dans tes bras — Hubert Gillet (2009)
 Torpedo  Matthieu Donck (2012)
 Mobile Home  François Pirot (2012)

 

Irina’s palm en Blasbands pen


Een prachtprent onder de hoede van Christophe Beaucarne. Irina Palm is een internationale coproductie van de Belgische cineast Sam Garbarski. Het is een heel menselijke film, die toont waartoe een vrouw – een fantastische Marianne Faithfull – bereid is om haar kleinzoon te redden. Maar er is nog een reden om dit juweeltje te (her)bekijken op dvd, want het verhaal is ontsproten aan de fantasie van Brusselaar Philippe Blasband, die mee het scenario schreef. Met een diploma montage van het INSAS op zak, had hij al samengewerkt met Sam Garbarski voor Le tango des Rashevski, maar zijn naam wordt vooral gelinkt aan die van Frédéric Fonteyne. Voor hem schreef hij tal van f ilmscenario’s (Max et Bobo, Les liaisons pornographiques, Tango libre…). Hij maakte ook vier langspeelfilms, waarvan de eerste, Un honnête commerçant, niet alleen Philippe Noiret en Benoît Verhaert samenbracht in Waterloo, maar ook als eerste film werd gedraaid met de steun van Wallimage (in 2001). In het Belgische filmlandschap is Philippe Blasband duidelijk iemand waar je niet omheen kunt. Hij kon dan ook niet ontbreken in dit dossier.

“Filmmuziek? Dat is de perfecte aanvulling op mijn leven als performer.” Toen Bouli Lanners in 2008 aan Renaud Mayeur vroeg om muziek te maken voor zijn Eldorado, had de muzikant nochtans geen speciale band met de zevende kunst. Maar dat was slechts een kwestie van tijd!

Mayeur had vroeger wel genoten van films van Édouard Molinaro, Yves Robert en Henri Verneuil. Natuurlijk was hij ontroerd door de muziek van Morricone en Badalamenti, maar die wereld was niet zijn cup of tea. Rockmuziek, in de ruime zin, dat was zijn ding. “Ik heb leren drummen aan de muziekacademie”, vertelt de Henegouwer. “Verder ben ik autodidact. Ik ben van school gegaan op 16 jaar om muziek te kunnen maken: rock, jazz, reggae… Ik zwierf van de ene groep naar de andere (Hulk, les Anges, la Muerte, Triggerfinger) en speelde een beetje van alles: drum, gitaar, banjo, toetsen… Tussen 2005 en 2009 gaf ik soms bijna 150 concerten per jaar. Vooral in België, Frankrijk, Duitsland en Nederland.”

Tijdens een concert met zijn groep in de Brusselse Botanique, werd hij ontdekt door Bouli. Niet geheel toevallig, want de Luikenaar is zelf dj en muziekfanaat. Hij raakt geboeid door een stuk van Renaud, Vendetta, en vraagt hem of hij het mag gebruiken voor zijn film. Daarnaast stelt hij hem voor om nog drie andere thema’s te componeren, geïnspireerd op de beelden die hij filmde rond Luik en in de Ardennen. “In de stijl van een spaghettiwestern, lukt dat?” vraagt Bouli hem. En of dat lukte, want daar was hij nu net mee bezig!

Met zo’n mooi visitekaartje gaan de deuren van de filmwereld ineens voor hem open. Hubert Gillet belt hem voor Dans tes bras, de film die hij net gedraaid heeft met Michèle Laroque. “Maak er iets organisch, iets aards van, oké?”, vraagt de regisseur. “Kan het nog vager dan dat?”, denkt Mayeur, maar hij schiet meteen in actie. Daarna is het de beurt aan Torpédo, geproduceerd door Dominique Janne en geregisseerd door de Belgische Matthieu Donck. “Ik deed er alles, van A tot Z”, zegt Renaud. “Zelfs zingen, terwijl dat niet echt mijn ding is.” Met zijn vierde opus, Mobil Home van François Pirot, heeft hij zijn eerste erkenning in de filmwereld te pakken. In 2013 krijgt hij de Magritte voor de beste filmmuziek, die hij deelt met Coyote, Michael de Zanet en François Petit. Het lijkt bijna surrealistisch, die prijs. Mayeur kan het nauwelijks geloven. Hij, de performer, staat nu op de Kunstberg naast Didier Reynders en Prins Laurent. Maar hij blijft mooi met zijn voeten op de grond. In afwachting van nieuwe avonturen op het scherm neemt hij een eerste album op met de groep die hij vorig jaar oprichtte, Dario Mars and the Guillotines. Alweer iets helemaal anders... Hij blijft ons verrassen.

renaudmayeur/tumblr.com

Was het de gesproken aftiteling van Jean-Luc Godart, de muziek van Georges Delerue of de Malaparte-villa in Capri? Philippe Bourgueil weet niet meer wat hem het meest aansprak in Le mépris. Toen hij de film voor het eerst zag, studeerde de jongeman uit Doornik beeldende kunst aan het Institut Saint-Luc. Bij het buitenkomen uit de filmzaal had hij zijn roeping echter gevonden: film!

Enkele jaren later is hij aan het INSAS (Nationaal Hoger Instituut voor Podiumkunsten) druk aan het oefenen met een fragment van Garde à vue. Hij plakt de juiste beelden achter elkaar en neemt een beslissing: hij wordt cutter. “Ik werk graag in mijn eentje”, vertelt hij later. De Belgische regisseuse Mary Jimenez schenkt hem als eerste haar vertrouwen en geeft hem het zetje dat hij nodig heeft. Sindsdien heeft Philippe niet stilgezeten. Hij monteerde voor zijn vrienden Thierry Knauff en Olivier Smolders, voor Benoît Mariage, die hij leerde kennen aan het INSAS en met wie hij vaak samenwerkt, voor Jaco Van Dormael die hem de montage van Le Huitième Jour toevertrouwde, omdat hij goed overweg kon met de nieuwste technologie. Die film betekende zijn grote doorbraak. Hij trok naar Parijs en viel in de smaak bij heel wat Franse regisseurs: Sam Karmann, Alain Berberian, Frédéric Forestier, Eric-Emmanuel Schmitt en onlangs nog Jean-Pierre Améris en Ariel Zeitoun. Als beloning voor zijn talent reikte Wallimage hem in 2006 het Kristallen Hart uit voor de beste Waalse beeldtechnicus. “Mijn werk start bij de ruwe opnames en neemt gemiddeld zo’n 15 tot 18 weken in beslag”, legt hij uit. “Ik stel de actie opnieuw samen aan de hand van de beelden, steek ritme in de film, laat gevoelens er beter uitkomen… Het is een soort herschrijven van de film. Ik werk in een studio, met of zonder de regisseur, maar eigenlijk ben ik liever alleen. Dan kan ik mijn creativiteit de vrije loop laten.” Op dat vlak werd Bourgueil op zijn wenken bediend bij Le Boulet, al kostte die film hem bloed, zweet en tranen. Zeker de achtervolgingsscène in Parijs tussen Gérard Lanvin en een agent op de motor, die eindigt met de val van het reuzenrad. “Uiteindelijk zaten er ongeveer 180 verschillende shots in drie minuten, dus een per seconde!” Hij geniet ervan om te werken met grote acteurs die fantastisch materiaal leveren, zoals Gérard Lanvin, François Berléand, Gérard Depardieu – “Hij kent zijn tekst niet, hij is totaal niet mee, maar hij nagelt je telkens weer aan het scherm” – en natuurlijk Benoît Poelvoorde – “Hij is geniaal, ik heb nog nooit een opname van hem gezien die niet goed was” – die een vriend is geworden en later zelfs de peter van zijn zoon. De laatste jaren kreeg Bourgueil af en toe gezelschap bij zijn eenzame taken: hij maakte de clip van Jeff Bodart, net als een zeventigtal humoristische sketches met Charlie Dupont onder de naam Qui est là? Op dit moment werkt hij aan een filmproject waarvoor hij het scenario schrijft met Bérénice, zijn partner en moeder van zijn kinderen. De Bel-RTL-presentatrice zal voor de verdeling aan de zijde staan van enkele bekende acteurs.

www.philippebourgueil.be

Het kasteel van Terhulpen en dat van Edingen voor Le maître de musique, de grenspost van Macquenoise voor Rien à déclarer, de luchthaven van Bierset voor Illégal, de Citadel van Namen voor Le vélo de Ghislain Lambert… Het zijn maar enkele van de tientallen plaatsen in Wallonië die elk jaar het decor vormen voor Belgische of buitenlandse films. Dat is onder meer de verdienste van het B.A.T.C.H (Bureau d’Accueil de Tournage Cinéma en Hainaut), de filmcel van Henegouwen.  

Of ze nu Gérard Corbiau of Dany Boon heten, Jaco Van Dormael of Bouli Lanners, regisseurs zijn voortdurend op zoek naar het ideale decor voor hun beelden. Een luchthaven of citadel is nog makkelijk te vinden, maar een vierkantshoeve met stallen, een nostalgisch café langs een oude kasseienweg of een metrolijn die niet meer in gebruik is… dat wordt al moeilijker. Om hen te helpen werden er een aantal filmcellen in het leven geroepen: Clap! (voor de provincies Luik, Luxemburg en Namen), l’Agence du film Brabant wallon (Waals- Brabant) en het oudste van de drie, het B.A.T.C.H (Henegouwen).

“Het B.A.T.C.H werd opgericht in 2004 door de vzw Hainaut Cinéma”, vertelt Marc Bossaerts, coördinator van de cel en filmfotograaf. “Bepaalde scènes van ‘Les destinées sentimentales’ van Olivier Assayas waren opgenomen in de aardewerkfabriek van Royale Boch in La Louvière en dat zette de mensen van de provincie aan het denken. Ze beseften dat dit een kans was om tegelijk het imago van Henegouwen op te poetsen en geld in het laatje te brengen voor de regio.” Net als de andere filmcellen wordt het B.A.T.C.H tegenwoordig ondersteund door het Waalse investeringsfonds Wallimage en door het Waalse Gewest. Naast tal van diensten voor filmprofessionals beschikt de cel ook over een databank met decors. “Elk jaar worden er zo’n honderd dossiers ingediend bij ons, waarvan een derde het haalt. Historische landschappen, kastelen, zoals dat van Louvignies en van Beloeil, en verlaten industrieterreinen zijn de meest gezochte sites in Henegouwen. Voor ‘Largo Winch 2’ kwam Jérôme Salle bijvoorbeeld een achtervolgingsscène opnemen in de Carsidfabriek in Marcinelle.”

Het is voor Bossaerts vaak improvisatie geblazen. Toen Philippe Reypens bijvoorbeeld op zoek was naar een blokhut in westernstijl aan een wildstromende rivier, kwam het B.A.T.C.H op de proppen met een Scandinavische chalet aan de rand van een meer en de regisseur besloot zijn scenario aan te passen. Maar soms is het echt om gek van te worden. “Voor ‘Tango libre’ zocht Frédéric Fonteyne een gevangenis – alsof alle deuren zomaar voor ons opengaan*! Een andere keer was het een gebouw in Haussmann-stijl, maar dan wel in een Henegouws landschap.” Wanneer de regisseurs geen spek naar hun bek vinden in de databank, gaan Bossaerts en zijn collega’s zelf op zoek naar een geschikte locatie. Als hij een huis met een bijzonder karakter moet vinden, aarzelt hij niet om aan te bellen en te vragen of de eigenaars van hun huis een filmset willen maken. En het werkt nog ook. “Meestal doen mensen het niet zozeer voor het geld, maar uit nieuwsgierigheid en enthousiasme om de acteurs te ontmoeten. Het is uiteindelijk niet niks om een Jean Dujardin in je salon te hebben! Wie zegt daar nee tegen?”

* Uiteindelijk werden de gevangenisscènes in Polen gedraaid.

 

informatie

Bureau d’Accueil de Tournage Cinéma en Hainaut (B.A.T.C.H.)
Rue Arthur Warocqué, 59
B-7100 La Louvière
[email protected]
www.hainaut.be/culture/sitestournage

 

Thierry Michel maakte van de realiteit zijn handelsmerk. Met meer dan twintig films en tal van prijzen (voor Gosses de Rio, Zaïre, Le cycle du serpent, Congo River, Donka, Radioscopie d’un hôpital africain…), is de regisseur uit Charleroi dan ook de onbetwistbare leider van de geëngageerde Belgische documentaire.

Artistieke films, natuurfilms, portretten van een gemeenschap, films over de sociaal-economische situatie van een streek, getuigenissen, protestfilms, kwade films… De wereld van de documentaires is groot, maar raakt zowel in Wallonië als in Vlaanderen nog al te vaak niet tot bij het publiek. Gelukkig reizen films tegenwoordig de wereld rond en doen de grote internationale festivals in Nyon, Los Angeles of Amsterdam hun best om de documentaire op te waarderen. Zo richten ze de schijnwerpers op onze beste documentairemakers, van wie de broers Dardenne, Benoît Mariage en Thierry Michel de bekendste zijn in het zuiden van het land. Die eerste twee kozen intussen voor fictie, maar de laatste is en blijft gehecht aan de werkelijkheid. We spraken hem in Luik, waar hij al 40 jaar zijn leven deelt met Christine Pireaux, directrice van Films de la Passerelle. Het productiehuis richt zich vooral op documentaires en kreeg in 1996 de prijs voor de beste producer van de Europese Unie voor Donka.

In het begin van uw carrière maakte u twee langspeelfilms, Hiver 60 met Philippe Léotard en Issue de secours met Philippe Volter. Sindsdien alleen nog documentaires. Hebben die meer zeggingskracht?
Thierry Michel — Eigenlijk speel ik vaak met de grenzen tussen de twee genres. Het gebeurt regelmatig dat ik bewoners vraag om scènes uit hun dagelijkse leven na te spelen voor de camera. Maar door de realiteit te filmen, geef ik de waarheid een gezicht en maak ik problemen tastbaar. De menselijke waardigheid tonen van kwetsbare bevolkingsgroepen, dat geeft een geweldig gevoel. Met een documentaire kan ik bovendien sneller op de bal spelen. Zo was ik in Iran om betogingen tegen terrorisme te filmen toen de Twin Towers instortten in New York. Ik kon meteen reageren. Hetzelfde voor de affaire Chebeya*. Ik ging ernaartoe om een begrafenis te filmen, maar uiteindelijk ben ik veel verder gegaan dan dat. Ik voelde me als een vis in het water bij het volgen van dat proces.

* Floribert Chebeya Bahizire (1963-2010) werd vermoord in juni 2010. Hij was een mensenrechtenactivist in de Democratische Republiek Congo. Na Floriberts dood volgde een grootschalig onderzoek, op aandringen van verschi l lende grote organisaties zoals Amnest y International en de VN.

België, Brazilië, Iran, Afrika… Uw engagement bracht u al in vier continenten, maar in Congo filmde u het vaakst. U hebt er tien documentaires gemaakt op twintig jaar tijd. Dat land lijkt u te inspireren…
TM —
Ik was altijd al geïnteresseerd in het lot van uitgebuite minderheden, in de relatie die mensen hebben met macht en met utopieën. Congo is een goudmijn voor filmmakers. Bij elke bocht in de rivier wacht er een nieuw onderwerp op me. Maar nu is het de beurt aan de anderen, want ik mag nog steeds het land niet in als gevolg van die affaire Chebeya.

U kwam al een paar keer in aanvaring met de autoriteiten. Zo werd u beschuldigd van spionage in Marokko en verschillende keren aangehouden, vooral in Congo, waar u twee dagen opgesloten zat. Hoe ver bent u bereid te gaan?
TM — Je moet risico’s nemen als je de zaken wilt uitpluizen, maar alleen als het de moeite waard is. In Iran heb ik de autoriteiten zelfs wat extra uitgedaagd omdat ik wou dat mijn ploeg mijn arrestatie filmde. Maar toen heb ik veel geluk gehad dat ik er levend uit ben gekomen. Het moet wel een berekend risico blijven.

In 1959 maakte Paul Meyer, die wordt beschouwd als de vader van de Waalse film, zijn cultfilm over de Borinage, Déjà s’envole la fleur maigre. Vijftien jaar later gaat u verder op hetzelfde thema met Pays noir, pays rouge. Heeft Meyer u sterk beïnvloed?
TM — Ik ontmoette Paul bij de vakbond en ik ben zijn assistent geworden. Om voor hem en voor de RTBF te kunnen werken, ruilde ik Charleroi in voor Luik. Hij heeft me veel geleerd. Hij was eerst mijn leermeester en werd later ook een vriend. Maar de mijn- en staalbekkens van de Borinage maken deel uit van mijn kindertijd. Mijn grootvader was bodemingenieur en ik ben opgegroeid in die danteske wereld van stalen monsters en rode rook. Het was dus een logische stap om dat decor te gebruiken voor mijn eerste creaties aan het IAD, en later voor mijn eerste langspeelfilms, Pays noir, pays rouge, Chroniques des saisons d’acier en Hiver 60, over de wilde stakingen die een deel van België vijf dagen lam legden. In de geschiedenis van ons land was dat de markantste gebeurtenis van de tweede helft van de 20ste eeuw, maar dat weten jongeren niet meer. Net als de films van Paul Meyer wil ook Hiver 60 het geheugen opfrissen.

“Je moet risico’s nemen als je de zaken wilt uitpluizen, maar alleen als het de moeite waard is. In Iran heb ik de autoriteiten zelfs wat extra uitgedaagd omdat ik wou dat mijn ploeg mijn arrestatie filmde. Maar toen heb ik veel geluk gehad dat ik er levend uit ben gekomen.”

 

Nog een gelijkenis met La fleur maigre: ook Hiver 60 kende een vorm van censuur…
TM — Inderdaad. Eind jaren 70 had de cultuurcommissie subsidies toegekend aan de film, maar de Franstalige politieke wereld vond het maar niets dat het economisch verval van Wallonië zo in beeld kwam. Een eerste minister zei categoriek nee, een tweede stelde ons voor om het geld te gebruiken om een ander onderwerp te behandelen. Uiteindelijk hebben we op een derde legislatuur moeten wachten voor groen licht, maar toen was de financiering al lang opgedroogd. De tegenspelers van Philippe Léotard vonden we in Wallonië: Christian Barbier, Ronny Coutteure, Françoise Bette, Paul Louka, Bob Deschamps en vakbondsman Jean Louvet, die meeschreef aan het scenario.

En met wie u in 1983 het Manifest voor de Waalse cultuur oprichtte. Een verrassende oproep tot een overdracht van bevoegdheden, bijna dertig jaar voor Vlaanderen.
TM — Wallonië had het gevoel dat het cultureel in de steek gelaten werd, dat de hoofdstad alles naar zich toetrok. Zo was het een Brusselse minister die mijn film heeft tegengehouden. Tal van artiesten hebben het manifest ondertekend, waaronder filmmaker Jean-Jacques Andrien en dichter Julos Beaucarne. De politieke wereld luisterde niet meteen, maar toch hebben we iets bereikt: door samen te werken, stonden we veel sterker en Wallonië heeft uiteindelijk zijn eigen bevoegdheden gekregen. Op artistiek vlak heeft dat geleid tot evenementen als ‘Charleroi Danses’.

U geeft les in de kunst van de documentaire aan het IAD, aan de Universiteit van Luik en in het buitenland. Hoe gaat het met de nieuwe generatie Belgische documentairemakers?
TM — Uitstekend. Er is een keur aan talentvolle, jonge filmmakers die onze cultuur overal ter wereld verspreiden. Mijn oud-studenten leveren schitterend werk. Ik denk daarbij aan José-Luis Penafuerte, die een intiem portret maakte van mij, L’homme de sable. En aan Jérôme le Maire die een Magritte voor de beste documentaire in de wacht sleepte… ten koste van mij. Ik ben trots op hen, net zoals ik trots ben op mijn roots.

 

Thierry Michel

Geboren in Charleroi (60 jaar)
Woont in Angleur 
Beroep: regisseur
(documentairemaker)

Selectieve filmografie:

Hiver 60 (fiction – 1982)
Gosses de Rio (1990)
Zaïre, le cycle du serpent (1992)
Les derniers colons (1995)
Donka, radioscopie d’un hôpital africain (1996)
Mobutu, roi du Zaïre (1999)
Iran, sous le voile des apparences (2002)
Congo River (2005)
Katanga business (2009)
L’affaire Chebeya, un crime d’État (2012)

Op vrijdag 27 september start de 28ste editie van het Internationale Filmfestival van Namen (Festival International du Film Francophone of FIFF). Alle schijnwerpers zullen gericht zijn op de nieuwe winnaar van de Gouden Palm in Cannes, La vie d’Adèle. Programmator Nicole Gillet legt ons alvast uit hoe het FIFF de Waalse film mee op de internationale kaart zet.

Zevenentwintig jaar al is Namen het uithangbord voor de diversiteit van de Franstalige film en het bewijs van een culturele identiteit . Zevenentwintig jaar al komen alle makers van Franstalige films afgezakt uit Frankrijk, Zwitserland, Afrika en Quebec om aan de voet van de Citadel te pronken met hun laatste boreling. Hun droom? Een Gouden Bayard in de wacht slepen! Het originele Ros Beiaard (Cheval Bayard in het Frans) is van de hand van Olivier Strebelle en lijkt zo weg te vliegen vanaf de oever van de Maas. Wie weet kunnen zijn miniatuurbroertjes enkele gelukkige filmmakers wel helpen om op hun beurt hun vleugels uit te slaan, over de landsgrenzen heen, op weg naar een nieuw publiek.

Het Internationale Filmfestival van Namen is immers eerst en vooral een groot filmfeest dat zo’n 30.000 kijkers laat kennismaken met bijna 150 films van alle genres (de helft kortfilms en de helft langspeelfilms). Het vormt echter ook het decor voor een uitgebreide markt voor professionals. “Tijdens het festival kunnen zij elkaar ontmoeten en bespreken welke films ze goed vonden”, vertelt programmator Nicole Gillet. “Dat kan elke dag in bistro Cinévox, een aparte ruimte voor professionals, maar vooral tijdens de brunch voor de Belgische producers en de programmatoren van internationale festivals (Locarno, Angers, Karlovy Vary, Cannes of Rotterdam) en tijdens de sessie ‘Oser le cinéma belge’ die we organiseren in de Eldorado. Aan de hand van fragmenten uit nieuwe films kunnen uitbaters, distributeurs, producers en programmatoren daar kennismaken met de ongelooflijke diversiteit van de Belgische producties. Die bijeenkomsten zijn vaak een springplank naar succes. Nadat we de teaser van ‘Tango libre’ van Frédéric Fonteyne getoond hadden in 2011, werd het de openingsfilm van het FIFF in 2012. En de film van Vincent Lannoo, ‘Au nom du fils’, vond een koper in Quebec. Maar het mooiste voorbeeld is het avontuur dat ‘Les Barons’” van Nabil Ben Yadir overkwam. Voor zijn doortocht in Namen in 2009 had de pers deze film compleet links laten liggen. Nadien werd er zoveel over gesproken dat de film een recordaantal kijkers bereikte in België!

Franstalige Belgische films maken ongeveer de helft uit van het FIFF-programma. Volgens Gillet gaat hun succes in stijgende lijn en krijgen ze een steeds breder publiek. “Films uit het zuiden van het land waren altijd al anders, met een heel persoonlijke aanpak, maar het publiek was zich niet bewust van die rijkdom. Ook nu nog maken we vooral auteursfilms, denk maar aan de broers Dardenne, Lafosse, Van Dormael, Hänsel, Lanners, Mariage, Fonteyne… Maar onze films bereiken een steeds internationaler publiek en vallen in de prijzen op festivals. 2013 is weliswaar niet zo’n fantastisch jaar, want in Cannes vertegenwoordigde alleen Yolande Moreau ons met ‘Henri’, een langspeelfilm die geselecteerd werd voor de Quinzaine des Réalisateurs (en die ook in Namen zal spelen, n.v.d.r.), maar ik ben er zeker van dat we volgend jaar opnieuw naar buiten kunnen komen met een aantal mooie producties.”

Voor een nog beter resultaat besloten de organisatoren om lokaal talent een duwtje in de rug te geven. Daarom organiseert het FIFF bij elke editie een workshop voor auteurs en producenten die op het punt staan om de sprong te wagen. “Sommige projecten kunnen wel wat hulp of gewoon meer tijd gebruiken”, legt de programmator uit. “Daarom zijn er verschillende dagen experts aanwezig. Zij kunnen het script analyseren, maar ook tips geven over de casting, de productie… Sinds 2004 heeft die workshop al meer dan 60 projecten geholpen, waarvan een derde het eind van de tunnel haalde en is vertoond in de zalen. ‘Diego Star’, de Belgisch- Quebecse film van Frédérick Pelletier, die we dit jaar uitbrengen, kreeg bijvoorbeeld veel steun op het forum in 2009.”

“Films uit het zuiden van het land waren altijd al anders, met een heel persoonlijke aanpak, maar het publiek was zich niet bewust van die rijkdom. Ook nu nog maken we vooral auteursfilms, maar ze bereiken een steeds internationaler publiek en vallen in de prijzen op festivals.”


Vanuit een soortgelijke bekommernis probeert het FIFF ook de jeugd warm te maken voor film. Voor jongeren tussen 3 en 25 organiseert het festival allerlei educatieve workshops, waarin ze bijleren door en over film. Ook aan de Vlaamse film wordt gedacht. “We laten het publiek graag kennismaken met de Vlaamse cultuur en nemen de troeven van beide kanten van de filmwereld onder de loep. Daarvoor werken we samen met het Filmfestival Oostende, dat begin september plaatsvindt en de Ensors uitreikt – de tegenhanger van de Franstalige Magrittes”, vertelt Gillet. “Er worden verschillende kortfilms en langspeelfilms vertoond in Namen en Franstalige Belgische films aan de kust.”

 

Chronologie

 

 

informatie

Festival International du Film Francophone de Namur (FIFF)
Van 27 september tot 4 oktober 2013
www.fiff.be

De boerderij van de Abdij van Saint-Feuillien, gelegen naast het kasteel van de prinsen van Croÿ, heeft twee mooie suites en een gastenkamer. Ontdek hier de parken en kanalen van de streek. 

Bijzonder aan de boerderij van de Abdij van Saint-Feuillien is onder meer dat ze deel uitmaakt van een keten van gastenverblijven voor Belgische pelgrims. De reden? De prinselijke stad Le Rœulx wordt doorkruist door de Via Gallica Belgica, ofwel de weg naar Sint-Jakob van Compostella, die vertrekt vanuit Hélécine in Waals-Brabant en naar Saint-Quentin in Frankrijk leidt. Niet dat de twee geweldige suites en de gastenkamer die Pascale Massin-Theys en haar echtgenoot in dit gebouw uit 1850 hebben ingericht, enkel voor pelgrims bestemd zijn. Maar als je luistert naar de verhalen van de eigenares over de 18 jaren hard labeur die nodig waren om deze oude vierkantshoeve te restaureren, kun je alleen maar concluderen dat ook deze mensen hun comfort en gewoonten hebben opgeofferd om het hoofd te bieden aan de weergoden, hun grenzen te ontdekken, nieuwe dingen te leren, zich open te stellen voor anderen en een nieuwe manier van leven te laten afhangen van toevallige ontmoetingen. Kortom, op hun eigen manier hebben ook zij de pelgrimsstaf ter hand genomen.

Drie paarden, een shetlandpony en een ezelin

Toen we in 1995 deze boerderij kochten, was ze onbewoond en in slechte staat”, legt Pascale uit. Zij is afkomstig uit Waver en werkte lang als HRassistente in Louvain-la-Neuve. “Eerst hebben we een huisje afgebroken dat de voorgevel van de boerderij ontsierde, om daarna het hoofdgebouw te renoveren. Toen we in dat stuk zijn gaan wonen, zijn we begonnen met de veranderingen van de vleugel loodrecht erop, tegenover de schuur, waar vroeger de stallen waren en waar de landarbeiders verbleven. We hebben ook de hele binnenkoer moeten opbreken om de afwatering te installeren. Daarna heb ik een tuin getekend met een terras erbij. Ik heb zelf de aanplantingen gedaan, want ik hou van de natuur en van tuinieren. De eigendom strekt zich uit tot een boomgaard en een grote weide waarin drie paarden, een shetlandpony en een ezelin rondhuppelen”, voegt Pascale er nog aan toe. Tegenwoordig werkt ze mee in de tandartsenpraktijk van haar man, al heeft ze een opleiding gevolgd waardoor zij paardentherapie mag geven. Langs de weide loopt een oude muur die eraan herinnert dat het park van de Saint-Feuillien-abdij vroeger aan de boerderij grensde. Die abdij werd in 1125 gesticht door de bisschop van Cambrai, vlakbij de herdenkingsplaats waar Foillan met zijn gezellen werd vermoord. Foillan was een Ierse monnik die deze streek in de 17de eeuw kwam kerstenen en die het klooster van Fosses stichtte. De abdij lag dus in het park rond het kasteel van de prinsen van Croÿ, een belangrijk stuk Waals erfgoed. Zoals veel andere abdijen, werd ook deze vernietigd tijdens de Franse Revolutie.

Een viersterrengastenkamer

Maar laten we even terugkeren naar de gastenkamers die vier sterren hebben gekregen van het Commissariaat-Generaal voor Toerisme, of vier korenaren om precies te zijn. “Toen we dit gebouw kochten, was het voor mij meteen duidelijk dat ook andere mensen hiervan moesten kunnen profiteren”, vertelt Pascale. “Om te beginnen hebben we een kamer ingericht op de eerste verdieping van het vroegere hoofdgebouw. Die hebben we dan afgesloten zolang de werkzaamheden duurden om de twee vleugels van de boerderij met elkaar te verbinden. Daardoor kunnen we sinds eind 2008 en naast elkaar twee kamers en een gastenkamer aanbieden. We kunnen er in verschillende configuraties een tiental mensen logeren. Onze gasten zijn vooral mensen die naar hier komen om zich te ontspannen of om familie of vrienden in de buurt te bezoeken,” legt Pascale uit, “maar door onze ligging in het park van kanalen en kastelen krijgen we hier ook veel toeristen uit alle delen van het land, en zelfs uit Frankrijk en Groot-Brittannië. Volgend jaar verwachten we, dankzij de activiteiten rond Mons 2015, een stijging van het aantal gasten.”

TE ZIEN, TE DOEN

Het domein van Seneffe en het museum voor edelsmeedkunst, het park van Mariemont en zijn arboretum, het kasteel van Louvignies, de versterkte burcht van Écaussinnes... De regio loopt over van schitterende parken en kastelen. Maar voor gezinnen met kinderen raadt Pascale Theys een wandeling aan langs het oude Canal du Centre en een bezoek aan de hydraulische liften. “Je kan er fietsen huren en via het RAVeL-netwerk de oevers van het oude en nieuwe kanaal volgen.” Een goed idee, temeer omdat een trip naar de scheepsliften kan gecombineerd worden met een bezoek aan de brouwerij Saint-Feuillien in Le Roeulx, waar je kunt proeven van een puur streekproduct, zij het met mate.

La Ferme de l’Abbaye Saint-Feuillien

Chemin de l’Abbaye Saint-Feuillien, 10

B-7070 Le Roeulx

+32 (0)64 677 117

[email protected]

www.abbeyfarm.be

 

Met de steun van het Algemeen Commissariaat voor Toerisme

Zin in een ontspannen weekend met zijn tweetjes in een chambre d’hôtes met vier korenaren? Dan is Le Temps Différent in Velaines iets voor jou. Een comfortabel verblijf en wellness à la carte. 

Vier luxekamers voor twee of drie personen, een overdekt zwembad, een jacuzzi, een sauna, een massageruimte, een solarium, een groot terras met een vijvertje, een panoramisch uitzicht over de velden, een kelder met een bar en gezelschapsspelletjes... Sofie Raveel biedt haar gasten een weekend lang volledige ontspanning aan in een luxekamer in het dorpje Velaines, in Celles. “In sommige kamers kunnen we een bedje bijplaatsen voor de kinderen, maar het huis wordt vooral bezocht door koppels die van de rust van het Doornikse platteland willen genieten om met zijn tweeën een weekend door te brengen”, vertrouwt de bazin ons toe. Ze biedt ook wellnessarrangementen voor jonggehuwden aan, zelfs à la carte. Er zijn tal van combinaties mogelijk en Sofie gaat zelfs aan het fornuis staan als mensen een feestmaal vragen, met bubbels, een kaasschotel en bij kaarslicht bijvoorbeeld. Elke kamer ziet er anders uit. De Landelijke Kamer is ingericht in Vlaamse stijl met veel hout en baadt in beige en lichtgrijze tinten. De Marokkaanse Kamer is warmer, met schemerig licht en tegels in mediterrane kleuren. In de Designkamer contrasteren de moderne, donkere meubels met de lichte muren. De Koninklijke Kamer ten slotte is de lievelingskamer van jonggehuwden. Ze is groter en luxueuzer, wat blijkt uit de marmeren vloer in de badkamer. “Mijn man heeft de inrichting gedaan”, legt Sofie uit. “Hij is bouwondernemer maar hij kent ook iets van afwerking en decoratie. Hij heeft zijn zaak in Deerlijk, een kleine gemeente in de buurt van Kortrijk, op vijftien kilometer van Celles. Doordeweeks werk ik bij hem en help ik met de administratie en de boekhouding. In het weekend ben ik hier, in Velaines. Ik ontvang hier de gasten en verwen ze. Ik hou van menselijk contact. Onafgebroken in een kantoor opgesloten zitten, kan ik niet.”

Een deel om te slapen, een deel om te zwemmen

Sofie en haar man hebben zich in het Pays des Collines gevestigd omdat het bijna onmogelijk is om op het Vlaamse platteland nog grond te vinden voor een schappelijke prijs. Dus besloten ze om een beetje verder te trekken, naar Wallonië. “Als je over de brug van Escanaffles rijdt in Celles, verandert het landschap drastisch. Plots is daar het platteland, zover het oog reikt.

Toen ze in 2004 op de fundamenten van een vervallen boerderij begonnen aan de bouw van dit ruime, U-vormige landhuis, dachten Sofie en haar man er niet aan om het in te richten als chambre d’hôtes. Het was Sofie die met het idee kwam. Er was nog plaats in een vleugel boven de paardenboxen. Het privégedeelte bevindt zich in het midden van het gebouw. In het derde deel vind je de jacuzzi en het zwembad. De gasten moeten langs het gezellig ingerichte souterrain onder de binnenkoer van het huis om er te geraken. Knap gedaan. Blijf er vooral niet te lang hangen voor de whiskykast.

Als je uit het water komt, staan de rieten zetels je al op te wachten in de oranjerie. Neem een boek uit de bibliotheek en installeer je comfortabel met uitzicht op de Mont Saint-Aubert. De schapen zullen je niet storen. De klok ook niet. “Prendre le temps – Me faire des illusions – Croire dans le bon – Flâner dans les champs – Appelle-moi naïve”. (De tijd nemen, mij illusies maken, in het goede geloven, door de velden wandelen, noem mij maar naïef). Sofie houdt zoveel van dat liedje van Axelle Red dat ze de woorden op een muur in een van de gangen geschreven heeft. Welkom in het andere tijdperk van Le Temps Différent!

TE ZIEN, TE DOEN

Als je zin hebt om een luchtje te gaan scheppen tijdens je weekend in Velaines, biedt de website van Le Temps Différent je een ruime keuze aan activiteiten, bezoeken en ontspanning. De absolute favoriet van Sofie is een wandeling met zijn tweeën naar de Kluisberg, bekend door de Ronde van Vlaanderen, en naar Mont Saint-Aubert, van waaruit je een prachtig uitzicht hebt over de Scheldevallei en Doornik. Als je wat meer tijd hebt, moet je zeker een bezoek brengen aan Doornik, de stad met de vijf klokkentorens. Maar ook het Hôpital Notre-Dame à la Rose in Lessines en het kasteel van Belœil, met zijn prachtige Franse tuinen, zijn de moeite waard. En met de fiets? “Dat is niet zo gemakkelijk”, zegt Sofie. “We zitten hier natuurlijk in het Pays des Collines. Maar Picardisch Wallonië is bezig fietscircuits met knooppunten aan te leggen, zoals in Vlaanderen, en je hebt de jaagpaden langs de Schelde, die deel uitmaken van het RAVeL-netwerk.

Le Temps Différent

Rue du Haut Rejet, 7

B-7760 Celles

+32 (0) 477 75 26 09

[email protected]

www.le-temps-different.be

 

Met de steun van het Algemeen Commissariaat voor Toerisme

Er kruipt een zin door een stad. Muren worden een boek in de openlucht. De geesten van Verlaine, Dumont, Verhaeren en Bervoets spoken over de gevels. Een waanzinnig project van Karelle Ménine.

In de hele reeks culturele evenementen in de programmatie van Mons 2015 heeft uiteraard ook de literatuur een plaats in het kapittel. Een zeventigtal projecten vinden plaats in en rond het Maison Losseau, dat voor de gelegenheid wordt omgebouwd tot een literaire kroeg. Om dat alles te coördineren, om het geheel kracht en cohesie te geven, werd er een beroep gedaan op een Franse artieste die haar sporen al verdiende met grote samenwerkingsprojecten en die gewerkt heeft rond taal door middel van installaties, theaterproducties en verschillende publicaties. Karelle Ménine is geboren in de Tarn, in Frankrijk, studeerde economie in Montpellier, oude geschiedenis in Toulouse en journalistiek in Parijs. Ze richtte haar eigen gezelschap, Fatras Production, op in Zwitserland en werd meermaals uitgenodigd op het Theaterfestival van Avignon. Ze woonde tussen 2009 en 2013 in België toen ze residentieel kunstenaar was in het Brusselse Théâtre de l’L. Uit haar brein ontsproot het waanzinnige project om gedachten van auteurs uit Mons op de muren van de stad te schrijven: in een enkele zin, tien kilometer lang, woord na woord, dag na dag, van 14 december 2014 tot 19 december 2015. We hadden een ontmoeting met het hoofd van de literatuurprojecten van Mons 2015. Karelle Ménine, u bent Française, u heeft uw eigen theatergezelschap opgericht in Zwitserland, u verdeelt uw tijd tussen Genève en Brussel. Waar komt dat idee vandaan om gedurende een jaar op de muren van Mons te schrijven? k.m. —Ik zit in de huid van een Franstalige Europese. En ik heb een mooie liefdesrelatie met België. Ik vind dit een boeiend, complex, warm land. Ik kende Mons niet eens toen ze me dit project kwamen voorstellen. Ik wou dus eerst de inwoners ontmoeten en hen beter leren kennen. Ik stelde vast dat ze een heel emotionele band hebben met hun stad. Het artistieke doel en het vooruitzicht om omringd te worden door een mooi team hebben me over de streep getrokken. Daarna heb ik me over de literatuur van deze stad gebogen. Was me dat een schok. Ik heb een enorm intellectueel en literair erfgoed ontdekt. Mons is een stad geweest met een overvloed aan ideeën, discussies, enthousiasme en samenkomsten van tal van grote schrijvers. Voornamelijk op dat scharniermoment tussen de 19de en de 20ste eeuw.

Wie zijn dan die schrijvers en schrijfsters die in Mons gewoond hebben of die erover geschreven hebben?

k.m. —Ten eerste de Henegouwse surrealisten, Fernand Dumont en Achille Chavée. Daarna natuurlijk Paul Verlaine, die hier twee jaar in de gevangenis heeft gezeten. Dan is er de Vlaamse dichter Émile Verhaeren, die zijn vrienden ontving in zijn huis in Roisin, een deelgemeente van Honnelles. En ook de jonge lerares en verzetsheldin Marguerite Bervoets. Hun literair werk bestaat voornamelijk uit poëzie en brieven. Aan de ene kant waren ze erg gehecht aan hun geboortegrond, maar aan de andere kant hadden ze een heel weidse blik. Zo ontstond er een ongelooflijk netwerk tussen die schrijvers, hun vrienden en correspondenten waarbinnen ideeën werden uitgewisseld. Ik heb het dan over Stefan Zweig, André Gide, Victor Hugo, Simone de Beauvoir. Het verbaasde me dat Dumont, die in 1942 in Mons gevangenzat, en Eluard ook, maar dan aan de andere kant van Frankrijk, allebei gelijksoortige teksten schreven over de vrijheid, als het ware op het ritme van eenzelfde melodie. Wat me ook getroffen heeft, is dat Dumont en Bervoets, die allebei tragisch aan hun einde zijn gekomen, in dezelfde periode in Mons woonden. Die moeten elkaar ontmoet hebben. Denk eens aan al die verbanden...

En u heeft besloten om al die mensen hun geschriften in één zin samen te vatten?

k.m. — Het idee is om de literatuur weer naar de stad te brengen, om te schrijven op basis van het literaire materiaal uit Mons, maar ook op basis van herinneringen, ontmoetingen, of archieven. Het gaat hier niet om slogans, maar het is echt een samenhangende zin die wordt samengesteld uit woorden van schrijvers die je van begin tot einde zal kunnen lezen. Het is de bedoeling om te spelen met woorden, op muren, uitstalramen, voetpaden... Het zal heel mooi worden, want de letters worden aangebracht door twee grafische kunstenaars, Ruedi Baur en Anouck Fenech. De woorden worden op een beschermlaag aangebracht zodat ze ook weer gemakkelijk kunnen verwijderd worden.

Hoe zal die zin door Mons lopen?

k.m. — Hij doorkruist het centrum van de stad door vier geografische ruimtes. De eerste, in het noorden, is verbonden met Verlaine en loopt van het station van Mons tot de gevangenis waar Verlaine gevangenzat. De tweede richt zich op de ‘Kilomètre culturel’ en begeleidt de surrealisten van de groep Rupture van aan de gevangenis tot aan de Grote Markt langs het gerechtshof en de rue de Nimy. De derde ruimte is verbonden met Marguerite Bervoets en ligt in het zuiden, van de rue Havré tot aan de Carré des Arts. De vierde ruimte, ten slotte, is gewijd aan Verhaeren en brengt de reizigers weer naar het station.

Schreef u de zin vooraleer u de muren zocht om hem door de stad te leiden?

k.m. — Helemaal niet. Ik ben uitgegaan van het principe dat je niet op een stad mag schrijven, maar wel mèt haar. Ik heb dus contact opgenomen met de zeshonderd eigenaars van de gebouwen op het parcours, heb hen de bedoeling van het project uitgelegd en gevraagd of ze wilden meedoen. We hebben over literatuur en over de schrijvers gepraat, ik heb geluisterd naar de mensen, naar wat ze leuk vonden aan die schrijvers, of net niet. Op basis van die ontmoetingen, van de anekdotes en de herinneringen heb ik dan mijn woorden gekozen.

Hoe reageerden die mensen?

k.m. — Toen ze de bedoeling begrepen, heeft de grote meerderheid aanvaard dat we op hun gevels schreven. Sommigen wilden de woorden wel vooraf lezen. Anderen waren zo ingenomen met het concept dat ze ons vroegen om rechtstreeks op de steen te schrijven, zonder beschermlaag zodat de woorden nog lang na dit evenement zullen blijven spreken en pas door de sleet van de tijd zullen worden uitgewist. Er zijn zelfs winkeliers die hun uitstalramen willen schikken zodat ze aansluiten bij wat er op de gevels geschreven staat.

Hoe hoopt u dat de voorbijgangers zullen reageren?

k.m. — Deze zin zal langzaam vorderen, want elke dag, tot december 2015 wordt er een klein stuk toegevoegd. Hij zal in beweging zijn. Mensen zullen hem kwijtraken en weer terugvinden. Het zal me iets doen als de mensen zullen stilstaan om de woorden te lezen. Ik hoop dat er ontmoetingen uit ontstaan, uitwisselingen, emoties. Dat deze zin een debat opent over kunst. Dat men hem zal ontdekken en smaken. Bij het begin, aan het station, zal hij in het streekdialect van de 17de eeuw worden geschreven. Een dialect zonder politieke betekenis, maar die de politiek soms toch raakt en er dan mee spot. Ik heb bijvoorbeeld graag het woord ‘chambourlette’ gebruikt, wat zowel een gast is bij het feest van Doudou, maar ook zinspeelt op ‘balletjes’. Wie die grapjes erin ontdekt kan er extra plezier aan beleven.

CARL NORAC LAAT ZIJN ‘ZWARTE KWARTIERTJES’ LOS OP HET PUBLIEK

Samen met toneelschrijver Wajdi Mouawad, choreograaf Frédéric Flamand, stylist Jean-Paul Lespagnard, zanger Marc Pinilla en de polyvalente Fanny Bouyagui is Carl Norac een van de handlangers van Mons 2015 die hun talent mee in de weegschaal gooien. Deze dichter en schrijver uit Mons schreef meer dan 60 kinderboeken die in verschillende talen vertaald zijn. Hij doorkruist de streek met zijn ‘Zwarte kwartiertjes’. Dat is de naam die de mijnwerkers gaven aan het moment waarop de mama’s verhaaltjes aan hun kinderen vertelden in het pikkedonker. Een rol die dit kind van de streek op het lijf geschreven is. Zijn eerste literaire ervaring was toen zijn grootmoeder hem verhaaltjes van Pompier Camember vertelde. “Toen ik klein was, heb ik vaak in de volkswijken van Mons rondgelopen en toen ik hier later kwam wonen, ben ik dikwijls inspiratie gaan zoeken in de donkere straatjes”, legt de schrijver uit. Hij was erg ontroerd dat men aan hem gedacht had om hier een actieve rol te spelen, terwijl hij in Orléans woont en de rest van de wereld verkent. “Om de Zwarte kwartiertjes te vertellen en om de traditie te laten herleven zal ik het publiek op verschillende plaatsen in Mons onderhouden, maar ook in een bos in Cuesmes, een kasteel in Ghlin, aan de oever van een rivier in Saint- Denis... Ik hoop dat ze alle lichten doven als ik mijn verhaaltjes vertel. Die trouwens niet donker zijn, maar eerder vrolijk”, benadrukt de man die achtereenvolgens leraar Frans is geweest, rondreizende bibliothecaris, journalist en prof literatuurgeschiedenis aan het Koninklijk Conservatorium van Mons voordat hij van zijn pen kon gaan leven en daarmee verschillende literaire prijzen wegkaapte. Zoals de Grand Prix de la Société des Gens De Lettres de France (SGDL).

Carl Norac is nog bij andere evenementen van Mons 2015 aanwezig. Tot 22 november stelt hij in de bibliotheek van Jemappes zijn privécollectie tentoon van illustraties van de 19de eeuw tot nu met werk van Benjamin Rabier, Charles Dickens, Art Spiegelman, Terry Gilliam, enzovoort. “Om aan de kinderen de magie van afbeeldingen te tonen”. Deze zoon van de Waalse schrijver en dichter Pierre Coran, ondertussen een tachtiger, wordt ook hoofdredacteur van het driemaandelijks tijdschrift L’Impertinente. Dat zal een schalkse blik werpen op de programmatie. “Het eerste nummer heeft Van Gogh als thema. Ik geef het woord aan verschillende bekende mensen die iets over die schilder willen zeggen.

Liefhebbers en nieuwsgierige mensen ontmoeten elkaar in de Carré des Arts om over nieuwe technologieën te kletsen. Bij een goed glas en op een 3D-geprinte stoel.

Bij de ontwikkeling van Mons 2015 speelt Digital Innovation Valley onmiskenbaar een grote rol. De komst van Google, Microsoft en nog een honderdtal andere hightechbedri digitale vernieuwing en dus ook aan de hoop en de levenskracht van de hele regio. Toen Mons zijn kandidatuur bij Europa indiende, hebben ze natuurlijk aan het digitale gedacht. Dat werd er niet zomaar bijgesleurd, maar Mons maakte er zelfs een slogan van: ‘Where Technology Meets Culture’. Het ging er niet om de technologie zomaar in het zonnetje te zetten, maar die te gebruiken om de digitale en sociale breuk zo klein mogelijk te houden. Het is de bedoeling om banden te smeden, voor warmte te zorgen over de generaties heen, om op die manier nieuwe artistieke en economische modellen uit te vinden. Onder de verantwoordelijkheid van Pascal Keiser, directeur van Technocité, het centrum voor permanente vorming van Mons, zullen de digitale kunstprojecten in 2015 hun verschillende facetten tonen. Zo zijn Transnumériques, de biënnale van digitale kunsten, Mons Street reView met zijn ongewone beelden en het op jongeren gerichte project Media DJ wellicht de interessantste. Toch zullen de meeste ogen gericht zijn op Café Europa. De inwoners van Mons hebben daar de voorbije herfst al de eerste geuren kunnen van opsnuiven, toen een prototype geïnstalleerd werd in de tuin van de Stichting Mons 2015. Het is duidelijk dat de mensen niet bang waren om zich onder te dompelen in dat digitale bad, want op twee maanden tijd mocht dit gebouw toch op 2.000 bezoekers rekenen. Na een paar kleine aanpassingen komt het project in al zijn glorie terug tussen 12 maart en 19 december. Het zal zich niet, zoals eerst was gepland, vestigen in de omwallingen van het Mundaneum, die gerenoveerd worden, maar in de tuin van de Carré des Arts.

We hebben Café Europa ontwikkeld om een openbare culturele ruimte te maken voor mensen van alle leeftijden in deze tijden van digitalisatie en duurzame ontwikkeling”, legt Pascal Keiser uit. “Of liever, een netwerk van Cafés Europa, want zo zullen er nog gebouwd worden in de partnersteden van Mons 2015, allemaal met gerecycleerd materiaal* . Dat worden onderling verbonden laboratoria waar mensen nieuwe technologieën gaan gebruiken om ze te begrijpen en om te discussiëren over hun impact op de maatschappij. Die debatten zullen plaatsvinden in real time met andere deelnemers op andere plaatsen in heel Europa. Zij zullen bewijzen dat werken met de nieuwste technologieën kan leiden tot nauwere sociale contacten.

Een plek om te leren en te ontmoeten

We kennen allemaal wel het beeld van de puisterige technologienerd die van ’s morgens tot ’s avonds opgesloten zit in zijn bureau met zijn neus tegen zijn scherm. Café Europa gaat tegen dat beeld in door te tonen hoe de digitalisering aanleiding kan geven tot ontmoetingen en uitwisselingen. De nieuwe technologieën zullen de openbare ruimtes die cafés toch zijn, overnemen en de vroegere activiteiten vervangen, zoals kaarten, duivenmelken, breien of oeverloze discussies voeren. “Het café dat voor de vroegere generaties de plaats bij uitstek was voor sociale integratie, zal opnieuw een gemeenschappelijke identiteit geven aan de burgers”, verzekert ons de projectleider. Café Europa zal in de eerste plaats dus een plek zijn om te ontmoeten en te leren. In de ateliers zullen jonge mensen ook videogames kunnen uitvinden voor een heel gevarieerd publiek. “Voor Café Europa is het belangrijk dat we ons tot alle generaties richten”, benadrukt Pascal Keiser. “In samenwerking met het Microsoftcentrum in Mons hebben we jongeren een spel laten ontwikkelen, waarbij gebruik wordt gemaakt van personages die de bewegingen uitbeelden van tai chi, de populairste vechtkunst ter wereld. Dat werd in de lente uitgeprobeerd en dat kon rekenen op heel wat belangstelling van ouderen.”

Een reuzenscherm op mensenmaat

Een tweede instrument is het interactieve scherm Europa Wall. Dit scherm maakt het mogelijk om rechtstreeks in contact te komen met mensen in andere Cafés Europa. Deze communicatiemuur wordt het centrale element van het project. Op het programma staan ook cursussen of gezamenlijke ateliers, naast debatten waaraan iedereen in Mons kan deelnemen, maar ook in andere cafés van het netwerk. Pascal Keiser benadrukt: “Deze communicatiesystemen verschillen alleen al van andere technieken zoals Skype door hun grootte. Want dit scherm meet drie meter bij twee, dus de mensen zullen elkaar in ware grootte kunnen zien, wat het gevoel van nabijheid zal verstevigen en een ander licht werpt op de gesprekken. Het is misschien utopisch”, voegt de projectleider eraan toe, “maar deze schermen brengen de ideeën samen van de twee stichters van het Mundaneum, Paul Otlet en Henri La Fontaine, die ervan uitgingen dat er vrede op aarde zou komen als we elkaar maar beter zouden kennen. Want tegenwoordig hebben de mensen een enorm tekort aan wederzijds begrip.”

De derde industriële revolutie in de cafés

Het derde deel, EuropaLab – het FabLab van Café Europa – is een samenwerkingsen ontmoetingsruimte waar onder andere unieke objecten gemaakt kunnen worden (decoraties, prothesen, meubels...). Alle soorten technologische werktuigen worden ter beschikking gesteld van het publiek, vooral toestellen die door een computer bestuurd worden. Het zal niet alleen mogelijk zijn om tussen de verschillende FabLabs manieren uit te wisselen om objecten te maken, maar ook om ze onmiddellijk te maken met behulp van een 3D-printer, 3D-bestanden en blokken kunsthars. “Een stoel die gemaakt is in San Sebastian, kan op die manier in Mons gereproduceerd worden”, legt Pascal Keiser uit. “We willen jongeren leren hoe ze deze toestellen kunnen gebruiken. Maar er komen ook workshops voor gezinnen en oudere mensen. Want EuropaLab richt zich evengoed tot ondernemers en ontwikkelaars als tot kunstenaars, knutselaars, studenten, gezinnen of verschillende soorten hackers. Hiermee brengen we de derde industriële revolutie naar de cafés.

Heb je de indruk dat de wereld te snel gaat? Wees maar gerust. Smartphones hebben dan wel speelkaarten vervangen, interactieve schermen nemen de plaats in van televisietoestellen tegen de muur, maar cafés zullen toch altijd die plaatsen blijven waar mannen en vrouwen samenkomen om even de wereld te gaan veranderen. En er zullen ook altijd stoelen genoeg zijn. Desnoods drukken we er een paar bij.

Your opinion counts