Waw magazine

Waw magazine

Menu

Op zes kilometer van Zinnik (Soignies) bevindt zich het kasteel van Louvignies. Als je door de poort stapt, kom je terecht in de sfeer van debelle époque.

Als de Chaussée Brunehault, die het Noord-Franse Bavay met Utrecht verbindt, door de granietstenen streek van Zinnik trekt, doorkruist hij heel even het dorpje Chaussée-Notre-Dame-Louvignies. Elke dag weer ligt die heerweg daar, zonder ooit een ommetje te maken om het mooie kasteel van het dorp te gaan bewonderen. De toren uit de 11de eeuw, met daarnaast de kleine torentjes, lijken de Henegouwse lucht aan te vallen. Arme geesten, die hier voorbijrazen met oogkleppen aan, denken we, als we dat indrukwekkende gebouw, dat prachtige kasteel van Louvignies, zien opduiken uit het groen. Dit gebouw in neorenaissancestijl, dat je herkent aan de Saraceense toren en zijn uitgestrekte Engels park uit de 19de eeuw, opent elk jaar weer de deuren voor bezoekers.

“Door een huwelijk in 1716 is dit kasteel het domein van onze familie geworden”, legt de huidige eigenares, Florence de Moreau de Villegas de Saint-Pierre ons uit. “Het kasteel werd wat later gerestaureerd. Mijn voorvader, Léon de Villegas de Saint-Pierre, die na een carrière in de diplomatie burgemeester werd van deze gemeente, begon in 1870 aan een lange periode van aanpassingen en renovaties, die duurde tot 1885. De werkzaamheden bleven niet beperkt tot het kasteel zelf, dat overigens mooi werd gerestaureerd rond de oude verdedigingstoren, maar strekten zich ook uit tot het park en de tuinen. Dat was het werk van Louis Fuchs, een landschapsarchitect die toen veel gevraagd werd en die hier een bos met zeshonderd bomen heeft aangelegd, en ook nog een aantal alleenstaande bomen. Uit die periode dateren ook de kapel, de vleugel met stallen met dubbele boxen voor de paarden van de gasten, en de ijskelder. In de winter werd het ijs van de bevroren vijver gehaald en in blokken gesneden. Dat werd in een kelder bewaard, voor de verfrissingen in de zomer. Een laag ijs, een laag hooi, een laag ijs… die ijskelder dient nu natuurlijk nergens meer voor.”

Je weet niet wat je het meeste moet bewonderen als je eenmaal dit prachtige domein, gelegen aan - hoe kan het ook anders - de rue de Villegas binnenstapt. De voorgevel van deze typisch negentiende- eeuwse woning in neorenaissancestijl, met daarin nog overblijfselen van vroegere constructies, of het Engelse park? Dat is vijftien hectaren groot en nodigt je zo uit voor een wandeling. De paden zijn omzoomd met een reeks merkwaardige bomen, zoals de Amerikaanse tulpenboom of een treurzilverlinde. De vroegere groentetuin van één hectare is in vier stukken verdeeld en telt een heleboel perensoorten. Daarnaast ligt de oranjerie, waar nu Florence de Moreau woont. Een gans waakt discreet voor de ingang, net als een geweldige Russische hazewind met een zwartgevlekte pels. “Dat ras werd speciaal gekweekt om op wolven te jagen”, vertelt de vrouw des huizes. Daardoor herinnert ze er ons meteen ook aan dat de naam Louvignies afkomstig is van het Latijns lupus, wat wolf betekent. “Mocht hij zich nu eens bezighouden met vossen, dat zou ons beter uitkomen.”

Een kasteelvouw in de loopgraven

Binnen in het kasteel merk je nog steeds de sfeer van het rijke leven dat men toen leidde. Een wandeling door het gebouw doet denken aan een bezoek aan een museum. Van de witte salon, waar de dames graag keuvelden, naar de eetzaal met zijn indrukwekkende schoorsteen, tot de hal en de kamers boven, langs de kelderkeuken met een heel arsenaal aan keukengerei en zijn grote fornuis. Het interieur, de meubels en de rest van de huisraad zijn al jaren hetzelfde gebleven, en schetsen een goed beeld van de belle époque. Het is een heuse grot van Ali Baba, die Florence de Moreau dan nog eens aangevuld heeft met dingen die ze geleend heeft uit privécollecties. Sinds het begin van de zomer dient het kasteel ook als decor voor een tentoonstelling met de naam ‘Een kasteelvrouw in de loopgraven’, die gewijd is aan een van haar voorouders, gravin Maria de Villegas de Saint-Pierre (lees het artikel op pagina 92). Dankzij de zorgvuldige regie van Florence, die zich daarvoor baseerde op schriftjes en fotoalbums die pas onlangs opdoken in oude koffers, vertellen zowat dertig objecten uit het kasteel elk hun eigen verhaal over het leven van het nichtje van haar grootvader tijdens de Eerste Wereldoorlog. De tentoonstelling laat ons terugkeren naar een van de moeilijkste periodes uit onze geschiedenis waarin een moedige vrouw, helemaal vrijwillig en op haar eigen manier, heeft geprobeerd het leed wat te verzachten. Zo bijzonder, dat ze van koningin Elisabeth de bijnaam ‘de majoor van Poperinge’ kreeg.   

EEN KEUKEN WAAR ELKE REGISSEUR GEK OP IS

Iedereen die ooit in de jaren zeventig het Britse feuilleton Upstairs, downstairs gezien heeft of meer recent, de geweldige reeks Downton Abbey, hoeft alleen maar de ogen te sluiten om zich de keuken voor te stellen, waar de bedienden druk in de weer waren als bijen in hun korf, in de weelderige Engelse huizen van het begin van de 20ste eeuw. De kelderkeuken van het kasteel van Louvignies, aan het einde van een lange, koude gang, is zo merkwaardig, met al het keukengerei dat in perfecte staat is, en met de typische sfeer uit die tijd, dat verschillende regisseurs deze plaats gekozen hebben om te komen filmen. Claude Berri draaide hier Germinal en François Ozon Angel. François- Xavier Vives heeft hier in 2012 met Marie Gillain Landes gefilmd, en er werden ook heel wat scènes opgenomen in de kamers van het kasteel.

Picardisch Wallonië en zijn inwoners doen langs de zijlijn volop mee aan de evenementen rond de Culturele Hoofdstad van Europa. Een project dat mensen samenbrengt onder de deskundige leiding van de gekke vliegenier meneer Zo en zijn handlangers.

In het westen van Wallonië strekt Picardisch Wallonië (Wapi), goed voor 10% van de bevolking van de hele regio, zich uit over 23 gemeenten tus sen de grenzen met Frankrijk en Vlaanderen. Te beginnen vanuit Moeskroen, met Komen-Waasten als opstapje klimmen we op het Pays des Collines tot Edingen. Dan draaien we rond Doornik en vinden daar een paar bekende toeristische trekpleisters, zoals de kastelen van Antoing en Beloeil, de Archeosite van Aubechies, het Museum van de Iguanodon in Bernissart, het Huis van de Reuzen in Ath, het Onze-Lieve-Vrouw-Van-de-Rooshospitaal in Lessines en Pairi Daiza in Brugelette.

We hebben het hier over Picardisch Wallonië omdat de streek de officiële titel gekregen heeft van ‘partnerstreek’ van de Culturele Hoofdstad van Europa, samen met nog eens 17 partnersteden in België en het noorden van Frankrijk. Om aan dit ambitieuze avontuur te kunnen meedoen en zo deel uit te maken van een ongeziene en solidaire culturele territoriale dynamiek, hebben 18 gemeenten uit de regio zich bereid verklaard om een jaarlijkse bijdrage van € 0,5 per inwoner te betalen. Op die manier hopen ze op een belangrijk toeristisch en economisch rendement. Omdat de Stichting Mons 2015 besloot om het opgehaalde geld te verdubbelen, beschikt het project nu over ongeveer € 1 miljoen.

Een Doornikenaar aan het roer

Dan was er de vraag wie de leiding zou krijgen over dit project. Om zo’n overheidsopdracht voor dienstverlening te plaatsen in het kader van ‘de territoriale culturele dynamiek van Wapi/Mons 2015’ opteerde het Culturele Agentschap van Picardisch Wallonië (Culture.Wapi) voor een wedstrijd waarbij het lastenboek de volgende criteria vooropstelde: opwaardering van het Europese culturele erfgoed, deelname van kunstenaars en verenigingen uit de streek, een populaire invalshoek en de verwerking van de eigenheid van Picardisch Wallonië. Uiteindelijk trokken een Doornikenaar en zijn team aan het langste eind. Alain Maroy, bijgenaamd meneer Zo, is een regisseur met veel ervaring op het vlak van evenementen en een specialist van straatkunsten voor wie alle truken van de foor moeten kunnen. Zo was hij de man die in 2005, naar aanleiding van 175 jaar België, een 80 ton wegende rijnaak door de Brusselse straten stuurde.

“Waarom we hieraan meedoen? Het is een hele uitdaging om een brug te slaan tussen mensen en dingen en het menselijk aspect centraal te houden in een warm project dat iedereen wil samenbrengen”, antwoordt meneer Zo. “Dit is geen lokaal project, maar een van en voor de hele streek dat we willen delen met iedereen van Picardisch Wallonië. Alles hangt met elkaar samen. Het thema van de lucht werd snel gevonden omdat we boven de dagelijkse, plaatselijke dingen wilden uitstijgen, weg van het gedoe rond de kerktoren. Ons programma wil alle bewoners van de streek zin doen krijgen om in ons hemelse en poëtische universum mee te vliegen. We vertrekken vanuit een ingesteldheid, een culturele dynamiek die eigen is aan dit Picardisch Wallonië. Ons einddoel is een groot veelvormig nomadisch project, een stoet van vliegende voorwerpen die over de regio zal zweven en die in één trek durf, zachte waanzin en emotie met elkaar verbindt onder de dubbelzinnige titel ‘Les 400 coups’, zeg maar ‘alle mogelijke stommiteiten.” Het evenement dat meneer Zo en zijn gezelschap ‘Les Facteurs d’amour’ hebben bedacht, bestaat uit een tiental artistieke momenten die tussen 2 augustus en 13 september over het hele grondgebied zullen neerdalen. Een van die momenten, het ‘Concerto de public dis dong!’, heeft de eer deel uit te maken van het openingsfeest van Mons 2015 op 24 januari. Daarna zal elke gemeente haar eigen moment de lucht insturen dat zich zal verspreiden als klokkengelui. “We zouden van alle inwoners en alle toeschouwers nomaden willen maken”, bekent meneer Zo. “En hen van het ene moment in het andere meetronen tot in Doornik, waar het feest zal uitmonden in een massale bijeenkomst en een knallende afsluiter.”

Dan liever de lucht in

Dit evenement dat de start aangeeft van Mons 2015 zal nog lang in de Henegouwse lucht blijven nagalmen. Voor dit openingsspektakel brengt meneer Zo een bont operagezelschap met zich mee, maar ook vliegende kerkklokken van vier meter hoog en vijf meter doorsnede en nog eens 400 eenstemmige klokjes. Dat werk is in de goede handen van de Doornikse componist, arrangeur en orkestleider Éloi Baudimont, die al jaren een bondgenoot is van meneer Zo. Fanfares maken deel uit van zijn wereld. Hij houdt ervan om hen met een feestelijk maar ook verwarrend repertoire op te solferen. Hij dirigeert het Grand Orchestre National Lunaire van La Louvière en ook La fanfare détournée van Doornik. Hij werkt ook graag samen met amateurs, die hij het volgende motto influistert: ‘Jullie moeten niet juist spelen, jullie moeten juist maar spelen’. “Het concert dat we nu voorbereiden is voor geen enkel publiek bestemd”, vertelt hij doodernstig, voor hij een tip van de sluier licht. “Het publiek zal de instrumenten hanteren. Zij zullen beneden met de klokjes spelen, terwijl de diva Carine Chantry zal zingen, terwijl ze in de lucht hangt in een mandje van een luchtballon”. Dit ‘publieksconcert’ dat een muzikaal en visueel spektakel combineert, vertrekt daarna naar andere gemeenten. In Doornik worden de klokken van de kathedraal bij het concert betrokken, in Lessines zullen het die van de kerk zijn.

De lange wandeling van de reuzen

Ook de andere voorstellingen zullen je van je sokken blazen. Het schijnt dat we een ruimteschip zullen zien opstijgen van een startbaan die uit het niets is ontstaan. Kan het zijn dat we naar een stukje snelweg moeten in de buurt van Moeskroen? Luchtballonnen zenden rechtstreeks wiegeliedjes en liefdesliedjes en geluidsgrapjes uit tot groot genoegen van de koeien en de weiden van Antoing, Chièvres, Leuze, Obigies en Komen. In Lessines zal het publiek dat geïnfiltreerd is door getalenteerde solisten een concert beleven waarbij de kerkstoelen de maat slaan. De Picardisch Waalse reuzen zullen samen met 400 wandelaars een tocht van 80 kilometer ondernemen langs Estaimpuis, Celles, Frasnes, Ellezelles en Brugelette, waar ze uitgeput onder de blote hemel in slaap zullen vallen. In diezelfde gemeenten kan je ook terecht voor nooit geziene safaricampings met uitstapjes, sterrenwaarnemingen, in de bomen klimmen, vliegerballetten en Gallische feestmaaltijden. Nog sterker: op 16 augustus nodigen de organisatoren van ‘Les 400 coups’ heel Picardisch Wallonië uit om de nacht buiten door te brengen. Iedereen vleit zich neer waar en met wie hij of zij wil. Toch opletten, want we hebben gehoord dat er in het bos van Bonsecours, in Péruwelz, een slimme draak is die in de mijn zijn nestje gemaakt heeft en die zich in de bosjes schuilhoudt. Op 13 september ten slotte wordt al dat mooi volk (muzikanten, klokken, raket, reuzen, kampeerders, draak...) op de Grote Markt van Doornik verwacht voor de grote kladderadatch, het grandioze ‘openbare concert’. Daar zullen de draak en de klokjes elkaar dan uiteindelijk ontmoeten. Komt dat zien, komt dat zien.

Ontmoeting met Yves Vasseur, algemeen curator van Mons 2015

Avec plus de 300 événements marquants et un millier d’activités originales, la Cité du Doudou s’apprête à vivre, en 2015, une explosion culturelle sans précédent. Les trois coups seront donnés dans les murs de la ville ce 24 janvier. Mais l’éblouissement ne faiblira pas au fil des saisons. L’exposition Van Gogh au Borinage, les installations urbaines, les cafés Europa, le Festival au Carré, les Ailleurs en Folie, l’ouverture du Pôle muséal, la Cité Miroir de Frédéric Flamand... ne sont que quelques-uns des temps forts sur lesquels les organisateurs, la Fondation Mons 2015, misent pour faire entrer la ville dans l’ère du renouveau. Construit autour de la rencontre entre la technologie et la culture, en donnant largement la parole à la jeunesse, l’événement parie également sur la métamorphose. Si la ville en fête sera méconnaissable pendant douze mois, les nouveaux musées et autres lieux d’expression artistique vont l’habiller pour plusieurs décennies. La volonté est de donner à tous l’accès à la culture. L’espoir ? Que tous répondent présents. Un pari déjà gagné puisque c’est toute la région, tout le pays même, qui a exprimé son désir de participer. Une nouvelle dynamique citoyenne, un décloisonnement qui traduit le désir de chacun de s’ouvrir à l’autre et d’entreprendre ensemble cette traversée du siècle. Yves Vasseur, le commissaire-général de Mons 2015, est le premier à s’en réjouir.

YVES VASSEUR BIO EXPRESS

— Geboren in Jemappes op 1 februari 1951. Bracht zijn jeugd door in Quiévrain.

— Licentiaatsociale communicatie en theaterstudies aan de UCL.

— Journalist RTBF in Mons van 1974 tot 1985, waar hij zich actief inzette voor het Henegouwse culturele leven.

— Coördinator van het Centre Dramatique Hennuyer van 1985 tot 1990.

— Publiceerdeverschil- lende boeken, ook strips en theaterstukken.

— Vanseptember1990 tot december 2009, administratief directeur van het Théâtre du Manège en de Scène NationalevanMaubeuge. — Sinds april 2002, intendant van het grensoverschrijdende Culturele Centrum Le Manège in Mons. Werd in maart 2004 aangesteld als curator van het project Mons, culturele hoofdstad 2015, dat toegekend werd in februari 2010

Hoe is die opening verlopen naar Henegouwen en de belangrijkste Belgische steden?

y.v. — Dat is heel natuurlijk gegaan. We hadden al bij onze kandidatuur laten weten dat we met Mons als middelpunt wilden vertrekken om zo aan Europa de rijkdom van de hele streek te tonen. Eerst hebben we ons beperkt tot het arrondissement Mons-Borinage. Dat spreekt vanzelf, want de geschiedenis van die inwoners is ook de onze. Door hen erbij te betrekken hoopten we dat ze zich betrokken zouden voelen. Die twaalf gemeenten hebben zelf een project op poten gezet, ‘le Grand Ouest’, waarin ze elk hun plaats kunnen vinden en hun sterke punten tonen. Daarna hebben we een tweede virtuele cirkel rond Mons getrokken, zowat dertig kilometer rond de stad. Op die manier willen we de ongelooflijke verscheidenheid van onze culturele instellingen (Mac’s, Pass, Fotografiemuseum...) in de schijnwerpers brengen om hen een zichtbaarheid te geven die ze nog niet hadden. We hebben hen gevraagd om een origineel en uitzonderlijk project voor te stellen dat overeenkomt met onze eigen thema’s. Dat hebben ze zonder uitzondering aanvaard. Een derde grote stap, met veel hulp van de Waals-Brusselse Federatie, is de inbreng geweest van de belangrijkste Franstalige steden. Die partnersteden zullen evenementen voorstellen die een culturele wisselwerking leveren tussen hen en Mons. Ten slotte mogen we ons niet afsluiten van het noorden van het land en ook niet van de steden van Noord-Frankrijk waar we toch al geregeld mee samenwerken. Dankzij Mons 2015 hebben al die steden en hun instellingen elkaar al veel beter leren kennen.

Jullie hebben gekozen om technologie en jeugd rechtstreeks met elkaar te verbinden?

y.v. — Rond 2003-2004 verklaarde burgemeester Di Rupo in een toespraak dat om het sociaaleconomisch leven in Mons nieuw leven in te blazen, er moest ingezet worden op technologie, cultureel toerisme en jeugd. Tien jaar later kunnen we stellen dat hij het bij het rechte eind had. Bedrijven zoals Google, Microsoft en IBM, om er maar enkele te noemen, hebben zich hier gevestigd en hebben mee de Digital Innovation Valley gecreëerd die zich vooral richt tot informatietechnologie, videospelletjes, beeld, stemherkenning, waarmee de cultuur gemakkelijk een link kan leggen. Wat de jeugd betreft, waarom daar geen speerpunt van maken, vooral als je weet dat er zowat 20.000 studenten zijn in Mons. Natuurlijk is dat een doelpubliek. Ons idee is dat de jongeren zich dit evenement toe-eigenen en in hun veranderende stad de mogelijkheid zien om te studeren. Om hen nog meer te betrekken bij het project hebben we samen met kunstenaar Wajdi Mouawad de actie ‘Ik zal 20 zijn in 2015’ opgezet. Sinds 2011 betrekken we duizend jongeren op de een of andere manier in dit avontuur en zijn zij actoren geworden in de Europese culturele hoofdstad.

Het budget van Mons 2015 bedraagt € 68 miljoen, zonder de infrastructuur. Welk economisch rendement verwachten jullie daarvan?

y.v. — We schatten dat ongeveer twee miljoen mensen – een miljoen uit Henegouwen en een miljoen uit andere regio’s in België en Europa – aan ten minste één evenement zullen deelnemen. Als we ons baseren op de ervaringen van onze voorgangers zoals Rijsel of Marseille, komen we aan een verhouding van een op zes voor de grote regio rond Mons. Elke geïnvesteerde euro zou er dus zes moeten opbrengen voor de horeca. Er is ook € 250 miljoen naar de restauratie van infrastructuur gegaan (met uitzondering van het station). Dat geld kwam voor het grootste deel van de Waals-Brusselse Federatie, van Wallonië en van Europese fondsen en dat is al teruggevloeid in het economische circuit. Nu hopen we maar dat al die nieuwigheden met hun mensen en hun diensten nieuwe wegen kunnen inslaan. Dat de gemeentelijke en regionale overheden andere doelstellingen vinden voor de Stichting Mons 2015 om zo de sfeer verder te laten leven die bij dit evenement ontstaan is. Het is voor het eerst dat al die instellingen aan hetzelfde zeel trekken. Laten we profiteren van onze verworvenheden.

En het economisch rendement voor de regio en de vooruitzichten voor de arbeidsmarkt voor jongeren?

y.v. — Mons 2015 heeft een positieve invloed op de hele streek. Ik ben ervan overtuigd dat almaar meer investeerders verleid zullen worden door het grote aanbod van onze infrastructuur zoals het nieuwe congrescentrum, maar ook door de mogelijkheden van opleidingen en logies. De stad is goed gelegen om aantrekkelijk te zijn voor bedrijven binnen de nieuwe creatieve economie. Als Mons de kroon spant in 2015 zullen de investeerders daar niet ongevoelig voor zijn. De krachttoer met Google kan zich herhalen. En wat ook hun specialisme wordt (informatica, marketing, ingenieurs...), de jongeren uit de streek die morgen opgeleid worden in onze scholen en universiteiten zullen er als eersten van profiteren. Die bedrijven zoeken talenten en willen die aan zich binden. Dat is het teken van een nieuwe geestesgesteldheid.

Wil Mons het voorbeeld volgen van Rijsel, waar ze sinds 2004 genieten van een nieuwe culturele uitstraling?

y.v. — Ik wil dat relativeren en ik blijf met beide voeten op de grond, maar ik ben ervan overtuigd dat wij ook zo’n uitstraling kunnen bereiken. De stad heeft alle troeven in handen om ook van een dergelijke duurzame bonus te kunnen genieten.

U bent altijd wild geweest van cultuur. Vervolledig deze zin eens uit uw eigen ervaring: “Toen ik jong was, had ik geen enkele mogelijkheid om aan cultuur te doen in Dour of Quiévrain. Ik zou willen dat...”

y.v. — ... dit niet meer het geval zou zijn. Dat alle jongeren van Mons-Borinage toegang zouden hebben tot cultuur.

Tussen Houdeng-Aimeries en Trivières, schetst de mijnsite van Bois-du-Luc, erkend als cultureel werelderfgoed van UNESCO, een beeld van de kennis en het industriële erfgoed van Wallonië. Het Ecomuseum koestert die geschiedenis.

Aan de rand van La Louvière, die dochter van de industriële revolutie, draait de cité van Bois-du-Luc in het begin van de 20ste eeuw volledig op eigen houtje. De huisjes vormen samen vier aaneengesloten blokken, gescheiden door wegen die elkaar loodrecht kruisen. Aan het uiteinde van een van die assen ligt, wat hoger dan de rest, het kasteel van directeur-stichter Omar Degueldre. Degueldre, zowel een beschermende vaderfiguur als een baas met een ijzeren vuist, overschouwt van hieruit de arbeiderscité. De hoofdstraat, het café, de kruidenier en de 166 huisjes, elk met hun eigen groentetuintje, het opvangtehuis en het ziekenhuis. Links liggen de mijnschacht en de afvoerschacht. Rechts, de bureaus, werkplaatsen en hangars. Af en toe herinnert hij zich de opstand van 1893 en gaat hij even gluren aan het inkomhek, bijgenaamd de guillotinepoort, om zich ervan te vergewissen dat er geen ongure elementen proberen binnen te geraken. In de verte kondigt de schoolbel het begin van de speeltijd aan. Elke zondag roepen de klokken van de Sint-Barbarakerk de gelovigen naar de misviering. De kinderen kijken al uit naar het vieruurtje dat ze straks krijgen in de feestzaal. Je ruikt de warme chocolademelk al...

Al drie generaties en zelfs meer wonen de arbeiders hier. Ze werken, leren en ontspannen zich in een gemeenschap die in hun ogen wellicht een grote familie voorstelt 1. De mijnsite zelf geeft blijk van voorspoed. De schachtbok torent uit boven de putten van de SintEmmanuelmijnschacht. Op het ritme van de mijnwagentjes op de rails heeft de mijn alle industriële revoluties meegemaakt, van stoom tot elektriciteit. Vandaag is het een van de meest opmerkelijke sites van het industriële tijdperk van deze regio, van Wallonië en zelfs van Europa. De geschiedenis van deze mijn is die van de hele regio die gedurende bijna 300 jaar leeft rond kolen en metaal. Dit centrale steenkoolbekken omvat een van de drie Henegouwse bakermatten samen met die van Mons en Charleroi van het verhaal van de steenkool van het gebied Haine-Samber-Maas dat zich uitstrekt tot aan de Ruhrvallei in Duitsland. Alles begon in 1685 toen de eerste mijnmeesters, handelaars en burgers de handen in elkaar sloegen en de Société du Grand Conduit et du Charbonnage de Houdeng stichtten.

Het eerste voorbeeld van een kapitalistische structuur

Dit is het eerste voorbeeld van een kapitalistische structuur in Europa”, legt Daisy Vansteene uit. Zij is directrice van het Ecomuseum van Bois-du-Luc – het eerste in België – dat sinds 1983 gevestigd is in de vroegere bureaus van de mijn en als opdracht heeft de industriële cultuur op een andere manier begrijpbaar te maken en op een speelse manier te promoten 2. “De mijnwerkers kwamen naar hier met hun kennis en de fondsenverstrekkers met kapitaal. Ze hadden elkaar nodig. Bijvoorbeeld om de problemen van de overstromingen in de mijnschachten op te lossen. Er moest dus voor afwatering gezorgd worden via schachten met de hulp van reeksen uitgeholde boomstammen. Vandaar de naam van de maatschappij: le Grand Conduit, de Grote Leiding. Je kunt daar trouwens nog steeds een stuk van zien in de vroegere zaal waar de aandeelhouders werden uitbetaald. Dat is in het gebouw waar de bureaus van de maatschappij zich bevinden. Later werden de pomptechnieken natuurlijk gemoderniseerd.” Deze zaal is ook het vertrekpunt van een anderhalf uur durend bezoek. Tijdens dat bezoek kan het publiek alle stappen van de mijnontginning volgen, van het strenge bureau van de directeur tot de plek waar de mijnwerkers weer naar boven kwamen. Je vindt er ook schilderijen, foto’s en maquettes van de meest welvarende mijnen (Bois-du-Luc, Le Quesnoy, Havré, Beaulieu) van de ongeveer dertig die de maatschappij uitbaatte in het Centrumbekken in de 19de eeuw. Maar het bezoek wordt helemaal anders als je de Sint-Emmanuelmijnschacht binnengaat. De mijnontginning zelf is al gestopt in 1959, als gevolg van een beslissing van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal, maar de gebouwen en verschillende machines werden bewaard. Aan de ene kant zie je de mijnschachten, de schachtbok, dat is die metalen constructie met grote raderen – het belfort van de mijnsites – en de liftkooi. Aan de andere kant zie je de afwateringsputten en de pompen, de ventilatiezaal, het elektrische verdeelstation – die voor het hele dorp diende – en de douches voor de vrouwen. Tussen die twee gebouwen in bevinden zich de lampenkamer, de douches voor de mannen en de zaal van de ploegbazen, waar die hun ploegen samenstelden. Hier zie je op een originele manier hoe een mijnwerker leefde, uur na uur, dag na dag. De patronale gedachte in het hart van de cité De mijnsite van Bois-du-Luc, tegenwoordig eigendom van het Waalse Gewest, maakt sinds 2012 deel uit van het cultureel werelderfgoed van UNESCO, net als Grand-Hornu, Bois du Cazier en de mijn van Blégny. Dat is zo omdat het een opmerkelijk voorbeeld is van een architecturaal geheel, dat een betekenisvolle periode illustreert uit de geschiedenis van de mensheid. Toen de Société des Charbonnages du Bois-du-Luc in 1973 de pijp aan Maarten gaf, had de hele site kunnen ontmanteld of afgebroken worden. Maar dankzij een aantal gezamenlijke initiatieven kon de mijnsite gelukkig in zijn geheel bewaard blijven. Het centrale gedeelte, het dorp van de arbeiders, met zijn huisjes die niet in een lang lint gebouwd zijn, zoals de mijnwerkershuisjes van Grand-Hornu of Nord-Pas-de-Calais, maar gesloten, in een trapeziumvorm, zijn een levendig voorbeeld van dit menselijke avontuur in het hart van een steenkoolmijn. Een avontuur waar de drievuldigheid ‘baas-cité-fabriek’ de kern van uitmaakte 1.

Kort voor de opening van de Sint-Emmanuelmijnschacht in 1846 ontstond het idee om een arbeidersdorp te bouwen in het gehucht ‘Le Bosquet’, aan de oevers van de Thiriau du Luc”, vertelt directrice Daisy Vansteene. ‘De directie bouwde die huisjes om mijnwerkers aan te trekken, te zorgen dat ze er konden wonen en dat ze er bleven door hen een aantal faciliteiten aan te bieden. Het tekort aan handenarbeid in die tijd werkte verlammend voor de ontwikkeling van bedrijven. De nieuwe cité wou mijnwerkers aantrekken naar het voorbeeld van Grand-Hornu. Ze kregen een dak boven het hoofd en later kregen ze extra infrastructuur ter beschikking: opvangtehuis, school, kerk, feestzaal, ziekenhuis, kruidenier, café... Ze kregen welvaart in ruil voor hun gehoorzaamheid. Zo is, na verloop van tijd, die patronale gedachte gegroeid.”

In 1994 begon het Waalse Gewest met de renovatiewerken en de modernisering van de huisjes. Op een huisje na: rue du Midi nummer 9. Daar werd het interieur van een arbeiderswoning uit de eerste helft van de 20ste eeuw in zijn oorspronkelijke staat hersteld. Als je de deur van dat stulpje openduwt, duik je in een gat in de tijd. In krochten waar hele gezinnen samenwoonden in een ruimte van nauwelijks een zakdoek groot, met heel eenvoudige meubels en amper comfort. “Aanvankelijk had elk huisje twee kamers op de gelijkvloerse verdieping, een kelder en een zolder. Op het einde van de 19de eeuw bouwde de maatschappij twee kamers bij op de eerste verdieping. Begin 20ste eeuw kwamen er nog eens twee nieuwe kamers bij aan de achterkant, waarvan een bedoeld was om als wasplaats te dienen. Zo verbeterden de levensomstandigheden langzaam maar zeker. Vandaag is het beheer van die huizen in handen van een maatschappij voor sociale huisvesting.

Uitkijkend over de mijnsite vanaf het huis van de directeur doet deze verzameling gele huisjes die daar bij de mijn samengebracht zijn voor goede en slechte tijden, ons het hoofd breken en een berg vragen stellen. Vragen over de toekomst van de ontginning van grondstoffen, de ecologische gevolgen van de industrialisering, de hiërarchische verhoudingen, het paternalisme, de plaats van arbeid in onze maatschappij... Allemaal brandende vragen, die we ons misschien niet zouden stellen als het Ecomuseum en zijn team van wetenschappers, in samenwerking met partners zoals het Instituut voor Waals Erfgoed die de site moet bewaren en onderhouden, niet onophoudelijk zouden gewerkt hebben aan een overtuigend eerherstel van deze plaatsen en de redding van meer dan 1.500 meter archieven. Zoveel is zeker: de site van Bois-du-Luc staat voor de kennis, maar ook voor het industrieel erfgoed en de geschiedenis van het centrale steenkoolbekken en van Wallonië.

HET ECOMUSEUM IS PARTNER VAN MONS 2015

Het Ecomuseum van Bois-du-Luc, dat samenwerkt met de brouwerij Saint-Feuillien, Le Bois du Cazier en het historische Centrumkanaal is een van de partners van Mons 2015. Van 1 mei tot 30 september opent het museum de deuren voor ‘Homo Faber, poëzie en techniek van de arbeid’. De tentoonstelling laat zich inspireren door het verblijf van Van Gogh in de Borinage en onderzoekt de banden tussen kunst en industrie. Een reis van de 19de eeuw tot de dag van vandaag.

Écomusée du Bois-du-Luc

Rue Saint-Patrice, 2b

B-7110 La Louvière (Houdeng-Aimeries)

+32 (0) 64 28 20 00

[email protected]

www.ecomuseeboisduluc.be

Dertigduizend stukken uit vijf werelddelen. Het Internationaal Museum van het Carnaval en het Masker is een van de paradepaardjes in Binche.

In welke andere Waalse stad dan Binche zou een Museum van het carnaval en het masker kunnen ontstaan en groeien? Het carnaval van Binche duurt zeven weken, met Vastenavond als hoogte punt, maar eigenlijk zijn de inwoners een heel jaar bezig met de voorbereiding van hun kostuums. Als populair, menselijk en sociaal evenement is het carnaval van Binche buitengewoon. De bekendheid ervan reikt tot ver buiten de landsgrenzen. De centrale figuur van het feest is de trots van heel Binche, de Gille. ’s Morgens pronkt hij met zijn ramon (wilgentenen bezem) en zijn masker, ’s middags draagt hij een hoed met struisvogelveren en gooit hij sinaasappelen in het rond, en ’s avonds danst hij in het schijnsel van Bengaals vuur. Het carnaval van Binche stamt uit aloude folklore met een vage oorsprong (de Inca’s?), maar behoort sinds 2003 wel tot het cultureel werelderfgoed van de Unesco, net als het carnaval van Aalst. Ook vandaag nog kan niemand die dit kleine Henegouwse stadje met zijn 33.000 (vrolijke) inwoners bezoekt, voorbijgaan aan de innige band die Binche heeft met deze carnavalstraditie.

In 1975 wordt in het centrum van de stad een museum geopend dat gewijd is aan het carnaval van Binche. Het gebouw, dat er mooi uitziet, is een oud en statig herenhuis dat in de 18de eeuw werd omgevormd tot Augustijnercollege. Het is gelegen op een paar sinaasappelworpen van de Grote Markt, waar traditioneel de rondedansen plaatsvinden. De inhuldiging van het museum gebeurde toen zonder tromgeroffel (of trompetgeschal). De eerste conservator wou enkel stukken verzamelen die verwezen naar de plaatselijke folklore en die afkomstig waren van het archeologiemuseum in Binche, dat vlak na de Eerste Wereldoorlog was opgericht. Vervolgens werd de collectie uitgebreid dankzij giften en een breed aankoopbeleid met steun van de overheid. Hoewel het carnaval van Binche hier nog altijd een ereplaats heeft – men moest ervoor zorgen dat het museum zijn lokale en regionale wortels niet verloor – heeft het masker gaandeweg het leeuwendeel van het museum ingepalmd. Vandaag kun je het masker hier bekijken in al zijn vormen en functies. Op die manier krijgt het publiek in deze instelling – die inmiddels het Internationaal Museum van het Carnaval en het Masker (MUM) is geworden – een mooi overzicht van de manieren waarop maskers in de hele wereld worden gebruikt.

Het masker in alle staten

Het museum biedt een van de rijkste collecties van maskers en carnavalskostuums uit de hele wereld. Die diversiteit en dat universele karakter maakt het museum zo bijzonder en geeft het zoveel uitstraling”, vertelt Clémence Mathieu, wetenschappelijk medewerkster van het MUM. “We hebben een catalogus met meer dan 10.000 genummerde items, wat overeenkomt met bijna 30.000 voorwerpen (maskers, kostuums, marionetten, accessoires, muziekinstrumenten...). Tel daarbij nog alle affiches, foto’s, ansichtkaarten enz. Ze zijn afkomstig uit de vijf werelddelen en tonen het masker in al zijn vormen en functies. In Europa zie je het masker vooral tijdens carnaval of in optochten die gehouden worden bij de verandering van seizoenen, om de vruchtbaarheid van de vrouw en de aarde te vieren. In Afrika begeleiden maskers de overgangsriten naar de volwassenheid, naar een leven als koppel, naar de dood, enz. In Azië is er dan weer een band met het theater en grime. In Amerika is het masker eveneens verbonden met de specifieke overgangsgebruiken van de oorspronkelijke bewoners, maar heb je ook het erfgoedaspect van de tradities die Europese kolonisten hebben meegebracht. En dan is er nog Australië, waar je soms maskers vindt, al hebben de mensen daar een voorkeur voor bodypainting.

DE WERELD OP ZIJN KOP, VAN MARSEILLE TOT BINCHE

In het kader van Mons 2015 ontvangt het Internationaal Museum van het Carnaval en het Masker van 25 januari tot 28 juni een uitzonderlijke tentoonstelling met als titel ‘De wereld op zijn kop. Carnaval en maskerades uit Europa en het Middellandse Zeegebied’. De expo werd in Marseille ontwikkeld, in samenwerking met het MuCEm, Musée des Civilisations d’Europe et de la Méditerranée (Museum van de beschavingen van Europa en de Middellandse Zee) op basis van hun verzameling, maar ook met zowat 200 stukken uit de collectie van het MUM. De bezoeker krijgt er een nieuwe en unieke kijk op landelijke maskerades en stedelijke stoeten. Er zijn drie delen: wintermaskers of de cyclische herbronning van de wereld, de macht van maskers en ten slotte de hervorming van de sociale orde, een van de belangrijkste functies van carnaval.

De maskerade van Boe en Merdule (Ottana, Sardinië) Deze maskerade evoceert de domesticatie van koeien, met name aan de vooravond van Sint-Antonius en tijdens de Vette Week. De kostuums in schapenhuid van de twee personages lijken op elkaar, maar het masker van de ‘Boes’ heeft horens terwijl dat van de ‘Merdules’ zwart is en de geesten van de overledenen en de voorvaderen voorstelt. Bij het carnaval van Ottana achtervolgen de Merdules, gewapend met zwepen, stokken en een lang leren touw, de Boes, die ze proberen te vangen en te domesticeren. Nadat ze door het hele dorp zijn gelopen, worden de Boes gevangen en bezwijken ze onder de slagen van hun meesters. Daarna worden ze opnieuw geboren en nemen ze hun plaats in de maskerade weer in.

Educatief centrum

Het museum beschikt over een documentatiecentrum en een auditorium van 120 plaatsen en bestaat uit verschillende afdelingen. De gelijkvloerse verdieping en een deel van de eerste verdieping zijn gewijd aan tijdelijke tentoonstellingen, waarvan de volgende zal gaan over carnaval en maskerades in Europa en het Middellandse Zeegebied. Die gaat in januari van start, in het kader van het samenwerkingsverband met Mons 2015 (zie verder). Op de eerste verdieping bevinden zich de permanente tentoonstellingen: over het carnaval van Binche, de carnavals van Wallonië en de Europese maskers. De tweede verdieping dient voor de pedagogische opdracht van het museum, met workshops en spelactiviteiten. “Maar de tentoonstelling over de Europese maskers wordt even opgeborgen om plaats te maken voor onze nieuwe tijdelijke tentoonstelling”, legt Clémence Mathieu uit. “Wat onze tentoonstelling over het carnaval van Binche betreft, die dateert al van 1975. Volgende zomer wordt ze opgebroken en in 2016 komt er een educatief centrum in de plaats, dat gewijd zal zijn aan dit carnaval. Ook het auditorium wordt opnieuw ingericht.

Het Domein van Seneffe dompelt je onder in het tijdperk van de Verlichting. De tuinen doen je dromen en de collectie van edelsmeedkunst brengt elk deel van het kasteel weer tot leven.

Het park van het domein, met een oppervlakte van 22 hectare, maakt deel uit van het natuurlijk erfgoed van Wallonië. Toch is de entree gratis. Wandelaars kunnen vrij ronddwalen langs de paden van het ‘Park van de drie terrassen’ of zich neervlijen op het gras van het bloemperk, en zich in slaap laten wiegen door het gekabbel van het grote fonteinbekken. Ze zullen verrast worden, zowel door de zeer achttiende-eeuwse architectuur (dreven, rotondes...) als door de verscheidenheid van de tuinen die de gebouwen uit de tijd van de Verlichting (theater, oranjerie...) nog eens extra in de verf zetten. De buitengebouwen, de kapel, de vogelkooi, de vijver en het romantische eilandje verleiden de vele gezinnen die hier op bezoek komen, maar ook kunstenaars want het park is ook een ruimte voor openluchttentoonstellingen van hedendaagse kunst.

Een constructie van Laurent-Benoît Dewez

Dit monument van blauwe steen met zijn imposant hoofdgebouw en zijn twee laterale galerijen met Ionische zuilen die een voorplein van 80 meter lang omarmen, hebben we te danken aan de eerste architect van de Oostenrijkse Nederlanden, Laurent-Benoît Dewez. Dewez werkte ook mee aan de renovatie van verschillende abdijen in het land, zoals die van Orval, Gembloux en Hélécine. Zijn neoclassicistische stijl werd beïnvloed door het oude Rome, door de Italiaanse renaissancestijl en ook door Engeland en Frankrijk. De schitterende residentie werd tussen 1763 en 1768 gebouwd met het enorme fortuin van eigenaar Julien Depestre, zakenman, bankier en handelaar. Het geeft gestalte aan het nieuwe sociale leven van toen, dat gericht was op comfort, intimiteit, pracht en praal.

In de loop der jaren heeft het domein toebehoord aan verschillende families en zelfs aan een religieuze orde, voor het in handen viel van een bouwpromotor die er appartementen wou van maken”, legt directrice Marjolaine Hanssens uit. “Gelukkig flopte dat project, onder meer dankzij het doorzettingsvermogen van de Vrienden van het kasteel van Seneffe. Het domein werd dan beschermd en werd eigendom van de staat, vooraleer het uiteindelijk onder de paraplu van de Belgische Franse Gemeenschap terechtkwam. Met het kasteel van Terhulpen als voorbeeld wilde die er een seminaren congrescentrum van maken. Maar toen kreeg de Franse Gemeenschap via een erfenis de indrukwekkende collectie zilverwerk van de Belgische privéverzamelaar Claude d’Allemagne in handen. Zonder lang te aarzelen werd het kasteel voor die collectie ter beschikking gesteld als tentoonstellingsruimte. In 1995, terwijl de tuinen nog volop gerenoveerd werden, ging het museum van de edelsmeedkunst van start op de gelijkvloerse verdieping van het kasteel. Dankzij giften, legaten en aankopen van de Franse Gemeenschap is deze collectie vandaag de dag een van de belangrijkste van België.

Luister en intimiteit

In de 18de eeuw was de indeling van de ruimtes in grote gebouwen het onderwerp van talrijke teksten en studies, voornamelijk met het oog op meer comfort. Zo ontstonden er twee types van appartementen: de statige gezelschapsappartementen en de gerieflijker privéappartementen. De ruimtes bestonden uit verschillende kamers, die elk een eigen functie hadden. Door de vaste tentoonstelling ‘Luister en intimiteit’ te installeren in het kasteel, hebben de leidinggevenden van het museum een parcours en een originele scenografie uitgewerkt die elke kamer zijn rol van weleer teruggeven. Daardoor krijgt ieder object zijn gepaste plaats en komt het maximaal tot zijn recht. Alles is zo opgebouwd dat elke bezoeker tijdens zijn wandeling in het kasteel van Seneffe ondergedompeld wordt in een bepaald beeld van de 18de eeuw. Lampetkannen, waskommen, vliegendozen, spons-, tabaks-, snuifen chocoladedoosjes, theeen koffiekannen, koelers, kommen, champagneglazen, bekers, fakkels, blakers, kandelaars en kandelabers, religieuze voorwerpen... brengen het kasteel weer tot leven en werden in decors geplaatst die soms grappige namen kregen: ‘Wachtend op meneer’, ‘Het rariteitenkabinet’, ‘Het water stijgt’, ‘In aanwezigheid van een geestelijke’, ‘Het spel van de liefde en het toeval’...

Geuren, geluiden, films

Maar de tentoonstelling prikkelt ook de zintuigen. Snuif de geuren op van chocolade, tabak, bloemen, kruiden, maar ook van zweet. Je kan het water horen stromen, de vogels horen zingen. Je hoort het liedje ‘J’ai du bon tabac dans ma tabatière’. Je ziet, naast het edelsmeedwerk en de decors, scènes uit een paar kostuumfilms die zich in die tijd afspelen. Welke scène uit Barry Lyndon (Stanley Kubrick) zou het best geïllustreerd kunnen worden door ‘Het bad’? Welke beelden uit Amadeus (Milos Forman) passen bij ‘De mooie chocoladeketels’? En past ‘Biljarten in de namiddag’ bij Ridicule (Patrice Leconte)? Of gaat Liaisons dangereuses (Stephen Frears) samen met ‘Een fijn avondmaal’? Voor je de poorten van het Kasteel van Seneffe binnengaat, sla je er dus best eerst nog even je klassiekers op na.

Domaine du Château de Seneffe et Musée de l’Orfèvrerie

Rue Lucien Plasman 7-9

B-7180 Seneffe

+32 (0)64 55 69 13

[email protected]

www.chateaudeseneffe.be

Zowat overal in de stad van Doudou wordt er oude gebouwen nieuw leven ingeblazen. Een gedaanteverandering met het oog op Mons 2015.

Grand Hornu in Boussu, en het Pass in Frameries gaven het goede voorbeeld. Ze hingen hun mijnwerkerskleren aan de kapstok en kozen voor een mooi pak dat beter aangepast is aan een reis door de 21ste eeuw. Sindsdien hebben ook andere locaties de bladzijde omgedraaid. Maar die locaties hebben het sociaaleconomische verleden dat door de aders van deze streek en haar inwoners vloeit niet helemaal afgezworen. Wel hebben ze begrepen dat je op het verleden kan steunen om zo een vlucht naar de toekomst te nemen. 

In 2015 neemt het centrum Keramis de aardewerkfabriek van Boch in La Louvière onder handen. B.P.S.22 in Charleroi maakt van een oud gebouw in glas en ijzer een ruimte voor hedendaagse creatie. En het Silex, het Centrum voor interpretatie van de neolithische vuursteenmijnen in Spiennes (Mons), stuurt de nieuwsgierigen onder de grond om hen te laten begrijpen wat er zich onder hen bevindt.

Yves Vasseur, algemeen curator van Mons 2015, blijft het herhalen: de gedaanteverandering van de stad is een centraal onderdeel van de programmatie van de feestelijkheden.

Tien plekken met een andere gedaante

We hebben er een tiental bezocht die we hier kort voorstellen. Een aantal vliegt al op eigen vleugels, andere wachten nog op het startsein van Mons 2015. In het verlengde van de aanpassingen van de site van de Slachthuizen van Mons en van het BAM (Beaux-Arts Mons) maakt de stad zich klaar om vijf nieuwe met elkaar verbonden musea in te huldigen. Vier ervan bevinden zich in het centrum van de stad: het Mons Memorial Museum, de Artothèque, het Museum van Doudou en het Belfort. Met twee nieuwe concertzalen, Arsonic en Alhambra, de uitbreiding van het Mundaneum, de aanpassing van de Carré des Arts en de renovatie van het Maison Losseau wordt de stad nog mooier en is ze klaar om honderden artistieke en culturele activiteiten te organiseren. De economische toekomst van de streek rust op het toekomstige congrescentrum MICX (Mons International Congress Xperience), dat vanaf volgende lente colloquia, seminars, personeelsfeesten en andere recepties kan ontvangen. Het is ontworpen door de Amerikaanse architect Daniel Libeskind, de man die het masterplan uittekende van de nieuwe WTC-site in New York, en zal recht tegenover het nieuwe station staan. Dat is een ander gebouw met een futuristisch design, dit keer van de hand van Santiago Calatrava. Grote vertragingen verhinderen dat het station zijn wagonnetje kan aanhangen aan Mons 2015, maar het zal voor de nalatenschap zorgen en zal dienen als een verbinding tussen de historische stad en de nieuwe stad met Mons Expo, het MICX en het winkelcentrum Les Grands Prés. “Wij beleven een verandering die uniek is in Europa”, legt Yves Vasseur uit. “Deze werven zullen de stad mooier maken, haar voorzien van een moderne, samenhangende en duurzame infrastructuur en ervoor zorgen dat bezoekers in de beste omstandigheden ontvangen worden. Uiteindelijk zullen alle inwoners van Mons trots zijn op de veranderingen in hun stad”.

« IN/OUT », ARCHITECTUUR ONTMOET FOTOGRAFIE

Musée de la Photographie de Charleroi

Sinds 2012 trekken fotografen Maud Faivre, Pierre Liebaert en Zoé Van der Haegen, samen met videokunstenaar Rino Noviello, onder leiding van architect Marc Mawet, rond langs de werven in Mons. Op die manier willen ze verslag uitbrengen van de urbanistische, landschappelijke en architecturale veranderingen in de stad.

Expo van 23 mei tot 6 december 2015

 

MONS MÉMORIAL MUSEUM

Boulevard Dolez

Het Centrum voor Beleving en Militaire Geschiedenis komt op de gerenoveerde site van de oude Watermachine die rond 1870 gebouwd werd om de stad van drinkwater te voorzien. Deze nieuwe museale ruimte van 3.000 m2 wil de hele geschiedenis vertellen en vertalen van Mons sinds de middeleeuwen. De Grote Oorlog krijgt er een belangrijke plaats in. Het wordt ook een plek waar verschillende generaties ervaringen en ideeën kunnen uitwisselen in het hart van een Herdenkingscentrum (Territoire de mémoire).

Inhuldiging op 4 en 5 april 2015

 

MUSEUM VAN DOUDOU

Jardin du Mayeur, Grand’Place

In het gebouw van de Berg van Barmhartigheid, dat in 1625 werd gebouwd en stevig verankerd is in de tuin van de burgemeester, is sinds 1932 het Musée du Cinquantenaire gevestigd. Grote renovatiewerken zullen het omvormen tot een interpretatiecentrum voor folklore van Mons of het Museum van Doudou. Een prachtig uitstalraam voor de Ducasse, het plaatselijk folkloristisch feest dat deel uitmaakt van het cultureel werelderfgoed van UNESCO.

Opening op 4 en 5 april 2015

 

L’ARTOTHÈQUE

Rue Claude de Bettignies, 3

Dit is de kern van het museale platform. Ingericht in de oude kapel van het Ursulinenklooster zal dit museum plaats bieden aan het gemeentelijk patrimonium van Mons. Het wordt zowel een opslagplaats als een centrum voor onderzoek, restauratie en studie van het erfgoed. Hier worden de collecties bewaard die niet permanent tentoongesteld worden in de andere musea. De collecties kunnen digitaal geconsulteerd worden.

Inhuldiging op 4 en 5 april 2015

 

ARSONIC

Rue de Nimy, 138

Binnen de oude brandweerkazerne is de droom uitgekomen van cellist en componist Jean-Paul Dessy, artistiek directeur van het ensemble Musiques Nouvelles. Dit centrum van Europese deskundigheid wordt een 2.500 m2 groot geluidshuis, een plaats van wonderbaarlijke klankrijkdom, waar men concerten kan geven, hoogtechnologische opnames maken, een plaats voor buitengewone workshops, een repetitieruimte, een tentoonstellingszaal en ook bureaus.

Inhuldiging op 3 april 2015

 

MANEGE VAN SURY

Rue des Droits de l’Homme, 4

De Civiele Bescherming was in deze oude militaire manege uit 1850 gevestigd tot 1995. In 2013 werd het gekocht door de Intercommunale voor Economische Ontwikkeling en Ruimtelijke Ordening (IDEA) die er een bedrijvencentrum van maakte voor jonge ondernemingen. In het kader van Mons 2015 wordt de locatie tijdelijk ingericht als tentoonstellingsruimte voor hedendaagse kunst (‘Atopolis, gemengde stad, ideale stad’). Daarna neemt het opnieuw zijn economische rol op.

 

Het MUNDANEUM

Rue des Passages, 15

Centrum voor de archieven van de Federatie Wallonië-Brussel (ook wel ‘papieren Google’ genoemd) en tijdelijke tentoonstellingsruimte. Dit art-decogebouw, dat in de jaren 1930 werd ontworpen, was een van de eerste grote warenhuizen van België. Het werd door de Franse Gemeenschap gekocht en bevat sinds 1993 de collecties van het Mundaneum die sinds het eind van de 19de eeuw in Brussel waren opgeslagen en samengesteld door de stichters Paul Otlet en Henri La Fontaine. In 1998 werd alles vernieuwd op basis van plannen van François Schuiten en Benoît Peeters.

De vernieuwde tentoonstellingsruimte gaat opnieuw open op 11 juni 2015

 

LA MAISON LOSSEAU

Rue de Nimy, 37

Het gebouw in de neoklassieke stijl van de 18de eeuw werd gekocht door de plaatselijke advocaat Léon Losseau en gerestaureerd in de stijl van Horta door architect Paul Saintenoy. Het is nu een parel van de art nouveau. Eind 2011 ontwikkelde de provincie Henegouwen een ambitieus programma om het huis nummer 37, maar ook nummers 39 en 40 te restaureren om op die manier van die drie huizen samen een literair centrum te maken voor de stad Mons. De gerenoveerde gebouwen zullen dienen als ateliers, ontmoetingsen tentoonstellingsruimtes, maar ook als platform voor de oude collecties van het Maison Losseau en van het Henegouwse literaire leven.

Vanaf de openingsdag op 23 april 2015 wordt de tuin van nummer 37 omgevormd tot literaire kroeg

 

LE CARRÉ DES ARTS

Rue des Sœurs Noires, 4a

In de oude kazerne Majoor Sabbe uit de 19de eeuw zijn nu de Kunsthogeschool van de Federatie Wallonië-Brussel, Arts2, Télévision Mons Borinage (Télé MB) en de administratie van theater Le Manège gevestigd. De binnenkoer werd helemaal aangepast. Het meest opvallende is het enorme zeil dat aan de muren werd vastgemaakt en dat het dak zal vormen voor het Festival du Carré.

 

ALHAMBRACADABRA !

Vlak bij het beroemde aapje van Mons herrijst discotheek Alhambra uit zijn as om een duurzame plaats in te nemen in het Waalse muzieklandschap.

Hoewel Wallonië over een rijke en gevarieerde rockscene beschikt, heb je hier vreemd genoeg weinig middelgrote concertzalen die het hele jaar open zijn. In een moeilijke markt en met de concurrentie van talloze festivals over het hele land zijn er niet veel durvers die zich wagen aan het avontuur om een nieuwe concertzaal te openen. Toch heeft Alhambra, op wandelafstand van de Grote Markt van Mons, de ambitie om de uitdaging aan te gaan en permanent deel te gaan uitmaken van het Waalse rock/ pop/electrolandschap. Met zijn discrete gevel tussen de aanpalende huizen van de rue du Miroir zou je niet meteen denken dat achter de grote poorten een smaakvolle concertzaal schuilgaat die plaats biedt aan ongeveer 350 man.

In het begin van de jaren 1920 was hier een bioscoopzaal. Dat zie je nu nog aan de fameuze balkons. In de loop der jaren is de zaal veranderd. Er was hier zowel een bowling als een discotheek, waar de clubbers uit Mons jarenlang hun hart konden ophalen. Rond de eeuwwisseling verliest de nachtclub beetje bij beetje zijn aantrekkingskracht en zijn cliënteel, dat andere horizonten gaat opzoeken. Vervolgens wordt Alhambra een zaal waar heel af en toe een concert of een andere voorstelling wordt georganiseerd, maar in 2012 moet het de deuren sluiten. Voorgoed, zo denkt men.

Maar wanneer Mons de titel krijgt van Europese cultuurstad 2015 stelt men vast dat er eigenlijk geen zaal is, die naam waardig, in het hart van de stad van Doudou. “Er was geen enkele plaats die op permanente basis artiesten, groepen of bands van de pop-, rockof electroscene kon ontvangen. Mons 2015 was een gelegenheid om dat gebrek op te vangen”, vertelt Pascal Goosens, programmator en bestuurder van Alhambra.

Mons op de kaart zetten

De locatie is ideaal gelegen, met veel parkeerplaats en veel winkels in de buurt. Het idee slaat meteen aan en de werkzaamheden nemen een aanvang in juli 2013. De zaal ondergaat een gedaanteverwisseling met de hulp van Vincent Glowinski, een artiest die afkomstig is uit de street art, die de ruimte letterlijk overstroomt met een monumentale muurschildering, van de vloer tot aan het plafond. Boven is er zelfs een rookruimte om overlast voor de deur van het gebouw te vermijden. In april 2013 openen de eerste evenementen het nieuwe Alhambra. “We kozen ervoor al voor 2015 open te gaan, om aan te tonen dat we geen tijdelijk initiatief zijn maar een plaats die wil blijven bestaan in het culturele landschap van Mons.” Pascal Goossens is zich bewust van de moeilijkheden en alles wat er op het spel staat bij een onderneming als deze, maar hij blijft vol vertrouwen. “Nu de eerste maanden achter de rug zijn, voelen we al dat er enig enthousiasme gegroeid is voor deze plek, die het accent legt op een alternatievere pop/rock/ electroscene. Het komt er nu op aan ervoor te zorgen dat het publiek dat onze programmatie goed vindt, blijft terugkomen. Maar de mond-tot-mondreclame werkt al en trekt volk aan, ook als niet meteen de allergrootste namen op de affiche staan.

Deze mensen willen duidelijk wat anders dan alleen maar ‘een slag slaan’ door een grote vedette in huis te halen. Alhambra wil een zekere erkenning krijgen door het hele jaar lang kwaliteit te programmeren. Je moet hier naartoe kunnen komen met gesloten ogen of liever oren en toch opgetogen terug naar huis keren. “We gaan natuurlijk onze eigen weg, maar als ik een voorbeeld zou moeten noemen, dan zou het de Botanique zijn in Brussel, waar ze erin slagen om een publiek rond hun project te verzamelen. Op dat gebied is dat een echte referentie geworden.” Een dergelijke reputatie verwerf je uiteraard pas na verloop van tijd en hopelijk krijgt Alhambra tijd genoeg.

Onder andere Puggy, Girls in Hawaii, Suarez of Poni Hoax hebben zich al op het podium gestort van deze nieuwe nachttempel, die zich ook openstelt voor lokale groepen. “Ik krijg veel aanvragen van beginnende jonge groepen of zelfs van gasten met naam die willen doorbreken en in het eerste of tweede deel van een avond willen spelen. Er hebben hier redelijk wat bands opgetreden en we willen graag op dat elan verder gaan.” Alhambra maakt deel uit van de Club PlaSMA (Plateforme des Scènes de Musiques Actuelles), het netwerk van onafhankelijke zalen en concertorganisatoren van de Federatie Wallonië-Brussel en wil daarom ruimte bieden aan de ‘kleintjes’ die nog niet kunnen genieten van voldoende media-aandacht. Gemiddeld kost een entreekaartje € 10 en een pintje kost net zo veel als in de cafés in de buurt. Het publiek komt dus heus niet alleen voor de intimiteit van de zaal.

Voor de festiviteiten rond Mons 2015 blijft de filosofie dezelfde, met een breed maar tegelijk hoogstaand programma. Op 1 februari komt Jean-Louis Murat langs in Alhambra om zijn nieuwste album, Babel, voor te stellen. Dat wil toch wat zeggen, want de populaire Franse singer-songwriter die niet veel reist, heeft in zijn tournee maar twee concerten in België gepland.

L’Alhambra

Rue du Miroir, 4

B-7000 Mons

www.alhambramons.com

Your opinion counts