Waw magazine

Waw magazine

Menu
Image (62x44 OBLIGATOIRE !!): 
Image rose (taile : 62x44px OBLIGATOIRE): 
  • /

Max Verstappen is een verademing op de F1-circuits. Hij is jong, talentvol en een winner. Hij bewijst dat F1 nog altijd meer is dan een perfect afgesteld chassis en de krachtigste motor.

 

De in 1997 in Hasselt geboren Max Emilian Verstappen is een Belgisch-Nederlandse autocoureur met een Nederlandse licentie. De zoon van Jos Verstappen, die F1-piloot was van 1994 tot 2003, maakt zijn debuut in 2015 bij de Scuderia Toro Rosso. Hij is de jongste piloot, amper 17 en een half jaar oud, die ooit aan een Grote Prijs heeft deelgenomen en vervolgens de jongste piloot die ooit punten in een Grand Prix heeft gehaald. Onlangs won hij nog de Grand Prix van Maleisië. Wij verwachten hem met ongeduld in 2018 in Spa-Francorchamps, opdat hij revanche op 2017 zou nemen. 

Max was dat jaar niet onverdeeld gelukkig met zijn wagen. Op cruciale momenten liet de techniek het wel eens afweten. Ook in Spa-Francorchamps. Tienduizenden Nederlandse fans met een oranje T-shirt waren nochtans afgezakt naar ’s wereld mooiste circuit. “Ik hou heel veel van dit circuit ”, zei hij tegen de Nederlandse journalist Julien Lemmen, een F1‑specialist. “Het zou prachtig zijn veel oranje langs de baan te zien. Van alle circuits die op de kalender staan, geef ik de voorkeur aan dat van Spa. je moet er klaar voor zijn, maar als je een goede ronde rijdt, haal je er zoveel voldoening uit. Er is een goede ’flow' en veel snelle bochten. Het mooiste stuk is natuurlijk de klim van l’Eau Rouge. Zelfs met de huidige bolides is het echt ongelooflijk wanneer de onderkant van de wagen het asfalt raakt en de auto bovenaan de helling zo licht lijkt…”   

Ondanks een goed vertrek heeft Max Verstappen kracht verloren in de 8e rond en moest hij opgeven. “Een drama”, zei zijn entourage. De jonge piloot foeterde: “Ik mag zeggen dat ik geen geluk heb, maar dit is geen tegenslag meer, dit is gewoon een fout. Ik had geen vermogen meer… We moeten ervoor zorgen dat dit nooit meer gebeurt bij een topteam.

Volgend jaar zullen Verstappen en Vandoorne beiden aan het vertrek staan met een wagen met dezelfde Renault-motor. Maar op welke lijn? 

www.verstappen.nl

  • /
  • /

En als de ontwikkeling van de omloop van Francorchamps nu ook eens via elektriciteit zou gebeuren? Niet voor Formula E-wedstrijden, maar voor tests door de constructeurs. Nathalie Maillet, de directrice van Francorchamps, is daarvan sterk overtuigd. Een ontmoeting.

 


Nathalie Maillet
CEO van het Circuit van Spa-Francorchamps

 

Voor 100% gedigitaliseerd. Organisatie en koersen in toegevoegde werkelijkheid. Gratis wifi. Nieuwe camera’s. Heringerichte controlezaal. Het organiseren van evenementen. Wedergeboorte van een Business Club. Nathalie Maillet heeft geen tekort aan ideeën voor de Omloop van Spa-Francorchamps, waarover zij de leiding heeft sinds mei 2016. Ze loopt over van ambitie en wil van de omloop van Spa  een “uitmuntendheidscircuit ten dienste van het publiek” maken.

Deze nieuwe directrice heeft de Franse nationaliteit, maar ze verliet Frankrijk om architectuur te gaan studeren in Londen. Daarna ging ze een ecologisch architectuurbureau leiden in Luxemburg. Aangezien haar vader en echtgenoot in de kringen van de automobielkoersen verkeren, begint ze zelf ietwat laat (ze was al in de dertig) een pilotenloopbaan. Het kon niet anders dan een voorteken zijn: haar eerste koers reed ze in 2004 in... Francorchamps in de BTCS of Belgian Touring Car Series, een sterwedstrijd voor de Belgische kampioenen. Nathalie Maillet heeft ook gereden in de Roadster Cup, de Nascar Euro Series en in de VW Fun Cup, de legendarische 25-urenkoers (nvdr.: de wedstrijd duurt echt 25 uur!) van Spa-Francorchamps, waaraan ze 7 keer deelneemt, 5 keer op het podium staat en in 2006 kampioen wordt. Aansluitend op een aanwervingsprocedure die wordt uitgevoerd door een internationaal kantoor, wordt Nathalie Maillet in 2016 aangeworven voor het beheren van het circuit dat ze zo goed kent. 

Troeven en uitdagingen

Het Circuit van Spa-Francorchamps heeft aan troeven geen tekort. Voor piloten van overal ter wereld is het een van de legendarische circuits van de autosport, net zoals Monza en Suzuka. Het tracé van iets meer dan 7 km is zelfs het langste van het wereldkampioenschap. De snelle bochten, de beroemde en unieke ‘Raidillon de l’Eau rouge’ en de natuurlijke groene omgeving ervan worden zowel op prijs gesteld door de piloten als door de liefhebbers, die soms  van heel ver komen om de wedstrijden bij te wonen. Het circuit (dat helemaal niet door Spa loopt) werd in 1921 ontworpen over 14 km op de wegen tussen Francorchamps, Malmedy en Stavelot. Al spoedig werden er de 24u van Spa-Francorchamps en de Grote Prijs Formule 1 van België op gereden. Het circuit werd verscheidene keren gewijzigd en aangepast. Momenteel is het nog 7 km lang en werd het aangepast aan de normen van de FIA, de Internationale Automobielfederatie.

Sinds 2007 werd het circuit versterkt als belangrijke Waalse economische pool. Aangezien het organiseren van Formule 1 niet meer tot zijn bevoegdheid behoort (dat gebeurt nu door de NV Spa Grand Prix), bestaat de opdracht van de firma ‘Circuit de Spa-Francorchamps’ uit het organiseren en promoten van de activiteiten op het circuit, maar vooral uit het beheren ervan met het oog op de economische ontwikkeling. De bedrijfsvergunning, die door het Waals Gewest werd afgeleverd, legt, naast andere voorschriften, de verplichting op om jaarlijks alle koersen tussen 16 maart en 14 november te organiseren en voorziet in zeer strenge geluidscontroles. En de omwonenden zorgen voor het dagelijks toezicht!

Nieuwe uitdagingen

Vandaag, zo legt Nathalie Maillet uit, “willen we een nieuw, op het digitale gerichte economisch model ontwikkelen, en gezinnen en de jeugd aantrekken. Liever dan videogames te gebruiken, willen wij de jongeren de mogelijkheid bieden om in reële tijd op onze banen te rijden met virtual-realitybrillen. Om dat mogelijk te maken, hebben we 15 km zwarte kabel getrokken, die ons onder andere in staat zal stellen een aangesloten tribune te hebben, het publiek gratis wifi aan te bieden  enz. Aangezien wij niet alles zelf kunnen doen, zullen we het nodige uiteenlopende talent bijeenbrengen om het beste te bieden. Alles verandert zo snel, dat men voortdurend de techniek moet aanpassen.

100% aangesloten

De ontwikkeling van de omloop gaat dus uit van een totaal nieuwe visie, die natuurlijk rond de autosport draait, maar ook rond het toerisme. De strategie bestaat uit drie krachtlijnen. “Ons doel, gaat de CEO voort, “is het best aangesloten circuit ter wereld te zijn om het publiek een echte dienstverlening te bieden, met doelmatige systemen voor de promotors en een spelbasis in reële tijd. Het digitale sloopt de grenzen en het zal zorgen voor het ontwikken van het toerisme en voor het scheppen van ruimte waar er geen is...

Dankzij nieuwe digitale infrastructuren zullen wij het publiek meer diensten kunnen aanbieden dan het thuis heeft, opdat het massaal zou terugkeren naar het Circuit, meer bepaald via een toepassing. We hebben ook de communicatie en de interacties met het publiek via de sociale netwerken versterkt. Ook de baan zal worden aangesloten, want met interactieve of LED-panelen willen we de informatie waarover het publiek op de site zal beschikken, versterken, zodat het de koersen beter kan volgen op een reusachtig scherm. Dat zal eveneens de veiligheid op de baan vergroten. Met de live games, in volle expansie, zullen we een nieuw publiek kunnen aantrekken.

Om in 2021 zijn honderdjarig bestaan te vieren, zal het Circuit reusachtige helmen met een diameter van 6 tot 7 m maken, namelijk één helm per decennium. “We zullen afbeeldingen bij de mensen zoeken. Het plan omvat een culturele uitstap voor gezinnen, die om te beginnen 7 km en later 14 km lang zal zijn en langs het Museum van Stavelot zal lopen. De mensen zullen te voet beginnen en dan overstappen op een elektrische fiets of een golfwagentje.” Nathalie Maillet mikt op 300.000 bezoekers dankzij die attractie!

Ten slotte zal een “Virtueel centrum voor mechanische en toeristische sporten” de grenzen kunnen opheffen om buitenlanders naar de site te brengen en, omgekeerd, mensen vanop het Circuit naar buiten te brengen. Bijvoorbeeld om een concert in de USA of  een wereldbeker bij te wonen of een aangesloten fabriek van een constructeur te bezoeken. Alles is mogelijk. In dezelfde geest blijkt het met de Japanse Suzuka-omloop gesloten ‘Vriendschapsakkoord’ veelbelovend te zijn.

Tests

Maar wat heeft elektriciteit met dat alles te maken? Er zal geen enkele Formula E-koers plaatsvinden in Francorchamps, want die formule is vooral bestemd voor steden, aangezien het de bedoeling is de plaatselijke mandatarissen en de bewoners ervan te overtuigen dat de toekomstige mobiliteit van de stad elektrisch zal zijn, en niet enkel om zich te verplaatsen. Daarentegen ontwikkelen veel autobouwers nieuwe hybride of elektrische modellen en hebben ze daarvoor testcircuits nodig. Aangezien elektrische motoren zo goed als geruisloos zijn, zal het Circuit zijn installaties heel het jaar door kunnen uitbaten. Als tenminste de exploitatievergunning wordt gewijzigd. “We moeten werken in een geest van uitmuntendheid”, besluit de manager, “en de streek laten profiteren van de directe en indirecte weerslag van onze activiteiten. In 2018 zullen we nieuwe sportactiviteiten met uitzonderlijke bolides hebben, die de toeschouwers in verrukking zullen brengen. Het is van belang show en innovatie te bieden. 2017 was het jaar van de invoering, 2018 zal een jaar zijn van de werkelijk voor het publiek bestemde dienstverlening en in 2019 zullen we volledig operationeel zijn.

  • /
  • /

Het frame van de Formula E-wagens voor elektrische autokoersen worden samen geleverd door de Franse firma Spark en de Luikenaars van Sodaphi. Een portret.


Het avontuur begint in oktober 2012 in Frankrijk.  Frédéric Vasseur, gewezen directeur van de F1‑stal van Renault, richt de firma Spark Racing Technology (SRT) op met de bedoeling hybride en elektrische aandrijvingsystemen te ontwikkelen. Er is niets onbeduidends aan het oprichten van de firma, aangezien ze samenvalt met het ontstaan van Formula E, een onuitgegeven wereldwijde competitie voor racewagens die enkel elektrisch worden aangedreven.

In Formula E rijdt iedereen met hetzelfde model. De eerste uitdaging voor Spark bestaat dus uit het leveren van de 40 Spark-Renault SRT_01E die worden besteld door de promotor en organisator van het kampioenschap, Formula E Holdings (FEH), en die bestemd zijn voor de tien renstallen die zullen deelnemen aan die nieuwe competitie. Elke team beschikt over twee wagens voor de koers zelf en over twee reservewagens. Het feit dat men één enkel model heeft, dat met dezelfde batterij is uitgerust, die door McLaren voor rekening van de FIA werd gefabriceerd, voorkomt dat de kosten de pan uitswingen en zorgt voor een zekere duurzame ontwikkeling van de competitie. Spark gaat al snel samenwerken met Sodaphi en Alexandre Dallemagne, die de noodzakelijke kapitalen zal inbrengen, voor het ontwikkelen van de auto, die in de buurt van Parijs wordt geassembleerd. 


Alexandre Dallemagne
CEO van Sodaphi Group en medestichter van Spark Racing Technology

De in Beaufays, niet ver van Luik, gevestigde Sodaphi Group is een investeringsmaatschappij die de vorm van een familieholding heeft. Ze is hoofdzakelijk in vijf sectoren actief: de residentiële dienstverlening (aankoop, renovatie en verhuur op medisch gebied, toerisme, studentenwoning enz.), reiniging en catering (maar vooral voor zijn eigen bezittingen), vastgoedbeheer, nieuwe medische technologieën en ten slotte op het gebied van elektrische mobiliteit. “In 2013 hebben we samen met Spark de opdracht binnengehaald voor de eerste 42 Formula E-wagens”, legt Alexandre Dallemagne uit. “We bieden ondersteuning voor het ontwikkelen van het prototype, voor het organiseren van de crashtesten en voor het assembleren en integreren van die eerste wagens. In 2016 hebben we opnieuw de opdracht gekregen voor het nieuwe frame voor het 5e seizoen 2018-2019, maar deze keer is er nog maar één wagen per piloot en bijstand.

In Formula E is de batterij het grootste onderdeel van de auto. Ze wordt geproduceerd door McLaren, maar heeft slechts een autonomie van 25 minuten. Eens die tijd voorbij is, moet men van wagen veranderen. “Aangezien er nog slechts één auto per piloot zal zijn, moet men proberen het dubbel zo lang uit te houden en dus meer plaats in te ruimen voor de batterij. Om u een idee te geven: de batterij is  ongeveer één meter op 80 centimeter groot. Ze heeft ook een zeker gewicht…

De ingenieurs van SPARK hebben met de eerste jaren van het kampioenschap hun voordeel gedaan om de prestaties van dat nieuwe model te verbeteren. Het heeft nu beduidend meer vermogen en zal worden voorzien van een futuristisch aerodynamisch design dat dicht bij F1 ligt.

Uitstalraam

Bovenop de competitie, wil Spark Racing Technology profiteren van het uitstalraam die ze vormt om te tonen hoe groot haar knowhow is op het gebied van elektrische wagens, gaande van de tractieketen over de versnellingsbak tot aan de batterij. Dit met het oog op toepassingen die verder reiken dan de automobielsport. “Van seriewagens tot luchtvaart zijn er veel ontwikkelingsmogelijkheden met een immens potentieel, waarvan sommige al aandachtig worden bestudeerd”, vertelt Frédéric Vasseur.

Dankzij haar stille motor is Formula E niet bestemd voor de traditionele automobielomlopen. U zult ze dus nooit op Francorchamps zien. De koersen worden gereden in steden: Rome, Santiago, São Paulo sluiten zich aan bij steden zoals Hong Kong, Mexico, Parijs, New York en Montréal. In Brussel, heeft de bevoegde minister jammer genoeg het voorstel om de competitie te verwelkomen, afgewezen. “Steden moeten elektrisch gaan rijden”, besluit Alexandre Dallemagne. “De koers moet een sociale gebeurtenis zijn en naar de bevolking komen. In Parijs werd ze niet ver van de Eiffeltoren gereden en trok ze meer dan 10.000 toeschouwers. Het is een andere manier om aan toerisme te doen en ook de culturele impact is heel belangrijk. We moeten de auto opnieuw uitvinden voor een groene mobiliteit: binnen 20 jaar zal de auto niet meer dezelfde effecten hebben. Zoveel te beter.

  • /
  • /

Zuivere, zeer zuivere snelheid: het verbruik van een Smart met het vermogen van een Ferrari. Is het plan om de Imperia weer op te starten nog altijd actueel?

 

Green Propulsion werd in 2001 opgericht als spin-off van de Universiteit van Luik en is vandaag een onafhankelijke specialist in steeds properder aandrijvingen. Er is veel vraag naar haar deskundigheid inzake alternatieve brandstoffen, elektrische en hybride voertuigen, brandstofcellen en de koolstofbalans van elektrische motoren. 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


Dankzij 15 jaar ervaring en meer dan 15 unieke prototypes die al werden gebouwd”,vertelt directeur Yves Toussaint, “werkt Green Propulsion, in méér dan een onderaannemingsverband nauw samen een groot aantal Europese constructeurs, hoofdzakelijk op het gebied van stadsvervoer en automobielsport. Wij hebben verscheidene partnerschappen inzake hybride en elektrische aandrijving en we leveren ook motoren voor kleine reeksen, bijvoorbeeld voor de twee treinen van de Grotten van Han.

Enkele jaren geleden deed Green Propulsion zich opmerken door het plan om de Imperia weer op te starten in hybride vorm. De geschiedenis van die auto begon in werkelijkheid in de 19e eeuw in Jupille, waar Adrien G. Piedboeuf zich in 1830 vestigde. Geboeid als hij was door de opkomst van de eerste auto’s, bouwde de man in 1904 een eerste motorfiets en in 1906 een auto, die hij de naam Imperia gaf ter ere van Karel de Grote, die afkomstig was uit dezelfde stad. De fabriek werd een van de belangrijkste van België en zou veel ups en downs kennen vooraleer ze in 1958 de deuren sloot. 

Enkele jaren geleden besloot de firma Green Propulsion een haast identiek model van de Imperia uit te brengen, maar dan met een hybride motor. Onder het gewicht van de schulden voor dat project en tegenover haar onderaannemers, ging Green Propulsion failliet en werd ze in die toestand overgenomen door de Luikse zakenman Laurent Minguet. “Vandaag is er een nieuw businessplan”, geeft Yves Toussaint toe, “maar iets tastbaar is er nog niet. Van het project werd niet afgestapt, maar er is niets dat een bekendmaking waard is.” Maar zijn stilzwijgen is ongetwijfeld veelzeggend. Er is nog niets definitiefs.

Het geïntegreerde fotovoltaïsche daksysteem dat het Centre de Recherches Métalliques voor ArcelorMittal heeft ontworpen, is een voorbode van het metaal van de toekomst en maakt het mogelijk om staalsoorten met een hoge toegevoegde waarde te ontwikkelen.


De snelste vooruitgang vindt plaats wanneer onderzoek in Europees verband wordt gecoordineerd. De synergie tussen fundamenteel onderzoek en bedrijfsleven leidt vaak tot producten die commercieel geëxploiteerd kunnen worden. Op metaalverwerkend gebied heeft Wallonië vanouds een voorbeeldfunctie. Met de marktintroductie van een werkelijk vernieuwend product, dat in de regio Luik ontworpen en gerealiseerd is, wordt dat binnenkort nog eens bevestigd.

@ CRM Group

Omdat CRM Group al zeventig jaar ervaring heeft met de productie, verwerking, oppervlaktebehandeling en toepassing van metaalhoudende materialen, koos ArcelorMittal voor dit bedrijf om zijn in september 2013 gestarte PHOSTER-project (acroniem voor PHOtovoltaïc STEeel Roof) uit te voeren. Het project heeft als doel om fotovoltaïsche dakelementen van verwerkt staal te ontwikkelen die elektriciteit voor huishoudelijk gebruik kunnen opwekken. CRM Group beschikt over een onderzoekscentrum in Sart-Tilman. Een team van 240 mensen werkt daar met steun van zo’n veertig industriële partners, die meer dan 80% van het onderzoeksbudget financieren. Een investering die 2 miljoen euro bedraagt en die tot stand is gekomen dankzij de samenwerking tussen ArcelorMittal, de Europese Commissie en het Waals Gewest. In dat verband zijn in Sart-Tilman twee nieuwe proeffabricagelijnen voor oppervlaktebehandeling geïnstalleerd in de laboratoria van de Pôle d’Ingénierie des Matériaux de Wallonie.

Hoe gaat men te werk ?

Een staalplaat met een dikte van 150 µ wordt onder vacuüm gebracht. Nadat de plaat een isolerende laag van een paar µ heeft gekregen, ondergaat ze enkele thermische (650°) en chemische behandelingen. Via plasmaspuiten worden hierbij halfgeleidermaterialen, zoals selenium-, gallium-, indium en koperatomen, aangebracht. Het geheel wordt vervolgens bedekt met een transparant oxide met geleidende eigenschappen. Het geïntegreerde fotovoltaïsche daksysteem dat het Centre de Recherches Métalliques voor ArcelorMittal heeft ontworpen, is een voorbode van het metaal van de toekomst en maakt het mogelijk om staalsoorten met een hoge toegevoegde waarde te ontwikkelen. Cadmium, een zeldzaam en gevaarlijk materiaal, is uitgesloten van de formule. Het uiteindelijke resultaat is een blad fotovoltaïsch staal van een tiende millimeter dik, dat gelijmd, gezaagd en aan elke dakdrager van geprofileerd staal aangepast kan worden. Deze techniek om zonnestralen in elektriciteit om te zetten, maakt het mogelijk om de CO2-voetafdruk en het primaire energieverbruik voor de productie van dit materiaal met 15% te verminderen. De BIPV-dakbedekking is trouwens voor minstens 85% (in gewicht) recyclebaar. De verbeterde duurzaamheid van het element zou bovendien meer dan 25 jaar bedragen.

@CRM Group 

Voor wie ?

Dit product is een serieuze concurrent voor de traditionele zonnepanelen op basis van silicium, die boven op de bestaande daken worden gemonteerd. Het product weegt namelijk 2 kg per m2, tegenover 20 bij een conventioneel paneel. Nog afgezien van het feit dat de elektrische aansluitingen tussen de elementen zijn ingebouwd. Het product is geschikt voor bestaande en nieuwe constructies doordat elk element aan de dragende structuur van het dak aangepast kan worden. Voor de kaderelementen hoeven geen extra bouw- en bevestigingsmaterialen, zoals rails, clips en schroeven, gebruikt te worden. Het product is goedkoper dan een siliciumpaneel, minder verontreinigend bij de productie, flexibeler en beter aanpasbaar. Daarnaast heeft het een iets hoger rendement : +1,5%. Er wordt niet alleen op de industriële maar ook op de woningbouw gemikt.

Tegen welke verkoopprijs ?

Met steun van het LIFE-programma en de Europese Commissie is een bedrag van 5 miljoen in de ontwikkeling en installatie van een industriële productiestructuur geïnvesteerd. Deze medefinanciering van het PHOSTER-project versterkt de synergie tussen ArcelorMittal Maizières Research S.A. (coördinator, Frankrijk), Advanced Coatings & Construction Solutions SCRL (België), ArcelorMittal Construction (Frankrijk) en het Franse Commissariat à l’Énergie atomique et aux Enérgies alternatives. Met steun van de Pôle Mecatech zijn bepaalde ontwikkelingen door het Marshallplan voor Wallonië gefinancierd. ArcelorMittal speelt in op de marktontwikkeling om te voldoen aan de Europese regelgeving die voorschrijft dat nieuwe gebouwen vanaf 2020 energiepositief moeten zijn. Uit het oogpunt van bouwkunde en geluid is het nuttig om versies op basis van  dakpannen te overwegen die de regen dempen en het mogelijk maken om oude daken snel te vervangen. De concurrentie zit niet stil, want in Engeland bijvoorbeeld produceert Romag een geïntegreerde fotovoltaïsche dakpan met de naam Intecto. Midsummer en Clix Steel Profile AB in Zweden en DecoTech System in de Verenigde Staten zijn actief met hetzelfde soort producten. Maar de markt is groot en de behoeften zijn enorm.

De eigenaars van het ‘Hôtel des Bains’ aan het meer van Robertville hebben zopas een nieuwe en meer familiale gelegenheid geopend in het centrum van Waimes. Twee adressen voor lekkerbekken in gastronomieland. 


Het meer van Robertville strekt zich romantisch uit over meer dan 60 ha. Het dateert van 1928, toen de stuwdam voor een bekken van acht miljoen m³ werd gebouwd. Op de achtergrond vindt men diepe dalen, majesteitelijke bossen en de unieke biotoop van de Hoge Venen. In 2005 namen Jean-Pierre en Elisabeth Robert, die elkaar in Brussel leerden kennen op de banken van het befaamde CERIA, het ‘Hôtel des Bains’ over van de gezusters Solheid. Het ligt vlak bij het meer, met een tuin die zachtjes afhelt naar het water. Ze zouden er een van de mooiste kwaliteitshotels van Oost-België van maken. Vóór ze dat hotel openden, had Jean-Pierre, die zijn koksstudies aanvulde met cursussen hotelbeheer, gewerkt bij de ‘Méridien’, waarvoor hij langs de vestigingen in Brussel, Dublin, Tahiti en Lyon reisde, waar hij meer bepaald chef van de restaurants werd, een verrijkende en veeleisende leerschool. 

Aan de oever van het meer

Het hotel werd even geraffineerd als elegant en verfijnd gerenoveerd in een hedendaagse stijl die het salon, de bar, het buitenterras en de bibliotheek aan de huidige smaak aanpaste. Vandaag kunt u volop genieten van de vele aantrekkelijkheden ervan. Het in het Natuurpark van de Hoge Venen gelegen hotel met zijn twaalf kamers (vanaf € 115) is veelzijdig en biedt charme, comfort en gezelligheid, alsook een kalme en verkwikkende nachtrust. De Nuxe-spa, met zijn noordse sauna, zijn Moorse hammam en zijn jacuzzi, staat ter beschikking rond het binnenzwembad, in het verlengde van de tuin en met uitzicht op het meer. 

Of het nu in de eetzaal tegenover de tuin is, dan wel op het heldere terras, de kaart biedt u pittige verse gerechten die ruimschoots een beroep doen op de producten van een bijzonder gulle streek: forellen, eenden, gevogelte, vlees en kaas… Naast een lunch met lichte maar heerlijke en hoofdzakelijk plantaardige gerechten, kan men kiezen uit twee menu’s (vier gangen voor € 68, vijf gangen voor € 94). De prijzen lijken misschien hoog, maar u krijgt er dan ook kwaliteit voor. Het viergangenmenu biedt momenteel forelfilet, griet, kalfsbout en roze pompelmoes. Het grote menu bestaat uit Bretonse langoustine, ganzenlever, Schotse haggis, kalfszwezerik, Anjou-duif en Valrhona-chocolade.

Een grote chef aan het fornuis

Sinds enkele maanden staat Samuel Blanc aan het fornuis. Samuel is afkomstig uit de Jura. Nadat hij in enkele grote Franse en Duitse huizen werkte, kwam hij in juni 2003 naar ‘Hostellerie Lafarque’ in Pepinster, waar hij een terechte en welverdiende Michelin-ster kreeg. In januari 2013 begon hij in de keuken van het Crowne Plaza in Luik, waar hij heel zijn talent en beroepsernst en al zijn creativiteit kon botvieren bij het maken van heel persoonlijke gerechten. Op de restaurantkaart staat een mengeling van streekproducten, wilde kruiden en groenten uit de moestuin, die uitgekiend worden gecombineerd met wereldspecerijen.

In de eetzaal (46 plaatsen) worden de elegantie en de aantrekkelijkheid van de inrichting aangevuld door de vriendelijkheid en de deskundigheid van het personeel, dat onder leiding van de oplettende en glimlachende Elisabeth staat. Al onze lof voor het professionalisme van François, die alle aspecten van zijn vak beheerst en bovendien een uitgebreide en subtiele kennis van de wijnkaart heeft (meer dan driehonderd Franse wijnen en een zeer ruime keuze uit wijnen van andere landen).

De goede herberg…

Tien maanden werk heeft het Robert gekost om langs de RAVeL, aan de rue du Centre in Waimes, ‘Au Cheval blanc’ te verbouwen, een herberg die op 15 mei jongstleden werd ingewijd. Het interieur met zijn houten en fris ruikende lambrisering doet denken aan de Savoye. Er is plaats voor 52 gasten en de bar met haar ronde vormen en de gordijnen van zwaar fluweel schept een gezellige en geraffineerde wereld waarin het goed toeven is.

De kaart, die een sharing keuken wil bieden, bevat gestoofde schotels, geroosterd vlees en andere eenvoudige gerechten van hetzelfde slag: andouillette, runderwang, chaletburger, kip, tartaar, zonder de voorgerechten met hun uitgesproken smaken te vergeten (kaaskroketten, gevulde champignons, pastei, ei uit een pannetje). Voor de namiddag zijn er heerlijke taarten en een ruime keuze aan uitgelezen dranken.

Langs de straatkant is er een terras (140 m²) dat gezellig plaats biedt aan negentig personen en voorzien is van door ambachtslieden gemaakte tafels en banken. Zeer binnenkort zal dat huis worden aangevuld met zes standingvolle hotel-appartementen (voor twee tot vier personen), met meubilair en versieringen die de sfeer van een bergland scheppen. Dit zijn dus twee mooie gelegenheden om die groene streek met haar vele charmante aspecten te leren kennen.

Waimes, het dak van België

Het is immers in Waimes dat zich het befaamd Signaal van Botrange bevindt (met zijn 694 meter het hoogste punt van België). Het zal trouwens nog tot 718 meter worden verhoogd met een hoogfrequente toren. Het op de grens van de Romaanse en de Germaanse streken gelegen Waimes is een ongewone bestemming vol (prettige) verrassingen. Op de eerste plaats kan men er in alle jaargetijden een wilde natuur ontdekken, met prachtige landschappen, zover het oog reikt. Het is een karaktervolle streek, waar u met de glimlach op zoek kunt gaan naar authentieke producten en ambachtelijke knowhow, terwijl u gebruik kunt maken van een hele reeks landelijke logementen, bed & breakfasts, restaurants en hotels.

Hôtel des Bains
Haelen 2
B-4950 Robertville
+32 80 67 95 71
www.hoteldesbains.be

Au Cheval blanc
Rue du Centre 20
B-4950 Waimes
+32 80 67 93 63
www.auchevalblanc.be


TE ZIEN, TE DOEN…

In alle weersomstandigheden kunt u van de natuur genieten: langlaufen, alpineskiën, wandelingen, fietstochten en een bezoek aan het  meer van Robertville, dat hiernaast beschreven staat. De Hoge Venen, het grootste natuurreservaat van België, is een gebied vol wilde natuur voor de liefhebbers van een fabelachtige omgeving.

INFORMATIE 
www.eastbelgium.com.

  • /
  • /

Het Luikse ruimteonderzoek begon in het Institut d’Astrophysique van de ULg. De gebouwen van dat instituut stonden op een heuvel in de wijk Cointe, in een niet-openbaar park waar zich ook een observatorium uit 1881 bevindt. Het CSL, dat eruit is voortgekomen, begon zijn activiteiten in de jaren zestig, toen Europa besloot om ook mee te doen aan de wedloop om de verovering van de ruimte die al door de Sovjet-Unie (met de Spoetnik) en de Verenigde Staten (Apollo) was ingezet.


Een van de eerste missies waaraan het centrum deelnam, was de observatie van het poollicht, een destijds nog geheimzinnig verschijnsel. Een getuige van dat avontuur – het woord zegt al genoeg – is de Franse Centauresonderingsraket, waarvan de boordinstrumenten stuk voor stuk in de werkplaatsen in Cointe zijn vervaardigd en die in de hal van het CSL prijkt. “De raket is gelanceerd vanaf de basis Kiruna, in het noorden van Zweden, en had als missie om het poollicht te observeren en foto’s te maken”, zegt Nicolas Grevesse, een gepensioneerd astrofysicus die nooit uitgepraat raakt wanneer hij bezoekers rondleidt. “We hadden toen nog geen computers. De foto’s werden gemaakt met een toestel voor 24x36-filmrolletjes. Nadat de raket aan een parachute was geland, haalden we de rolletjes eruit en lieten we ze snel ontwikkelen.

Planck en Herschel getest in Luik

De hal van het CSL is een waar museumpje, dat in het kort de geschiedenis van het Europese ruimteonderzoek vertelt en ook de deelname van het Luikse centrum aan de verschillende projecten belicht. Aan de ene kant vind je de Giotto-sonde, die voor het eerst de kern van een komeet fotografeerde. Dat was in 1986, toen Halley de aarde passeerde. Aan de andere kant zie je de Hubbleruimtetelescoop, die in 1990 door het ruimteveer Discovery werd gelanceerd en nog steeds in bedrijf is. Verderop bevindt zich de – ook nog steeds in bedrijf zijnde – SoHo-ruimtesonde, die in 1995 in een baan om de aarde werd gebracht om de uv-straling van de zon te observeren. En naast elkaar in dezelfde vitrine staan de Planck- en Herschel-satellieten, die in 2009 met een gemeenschappelijk doel door de Ariane 5 werden gelanceerd: zo veel mogelijk gegevens verzamelen over de eerste structuren van het heelal.

Het CSL moest de Plancksatelliet vlak voor de lancering bijna tien maanden lang testen. Een andere opdracht was het testen van de Herschel-telescoop, die met zijn diameter van 3,5 meter de grootste telescoop was die men ooit in de ruimte had gebracht”, legt Nicolas Grevesse uit. “Die twee satellieten moesten operationeel zijn bij zeer lage temperaturen, dicht bij het absolute nulpunt van -273,15 °C. Maar terwijl Planck in een bestaande tank van 5 meter doorsnee getest kon worden, moesten we voor Herschel een nieuwe tank van 6,5 meter bouwen. We hebben ze allebei in onze schone ruimtes ondergebracht. Die heten zo, omdat ze vanwege de bijzondere stofgevoeligheid van de optische instrumenten ongeveer 500 keer zo schoon moeten zijn als het interieur van een woning! En de uitvoering van de tests gebeurt vanuit controlekamers met grote ramen boven deze ruimtes.

Warm en koud rond Jupiter 

Het is duidelijk dat je deze ruimtes niet zomaar kunt betreden, maar eerst van top tot teen ingepakt moet zijn. Soms is het niet de kou waartegen de instrumenten beschermd moeten worden. Voor de Solar Orbiter-missie bijvoorbeeld, die de zon 3,5 keer zo dicht zal benaderen als vanaf de aarde mogelijk is, moest het CSL niet alleen de EUI bouwen, maar het instrument ook omgeven met een thermisch schild waardoor het temperaturen tot 80 °C kan verdragen.

De lancering staat voor eind 2018 gepland”, legt de astrofysicus uit. “Het is een van de eerste missies van het Cosmic Vision-ruimteprogramma van de ESA, dat tot 2030 loopt. Het CSL neemt deel aan al die missies, hetzij om de instrumenten te bouwen, hetzij om ze te testen. Zo testen we momenteel de zonnepanelen die worden toegepast in een sonde die in 2022 wordt gelanceerd in het kader van de Juice-missie om de satellieten van Jupiter te bestuderen. Die sonde zal in 2030 op zijn bestemming aankomen en de zonnepanelen worden dan blootgesteld aan grote temperatuurverschillen, van ongeveer -230 °C tot +110 °C.

Aladin voor betere weersvoorspellingen

Een andere satelliet waar deze zomer over werd gesproken bij het CSL, is Aeolus, die met zijn Aladin-telescoop op 320 kilometer van de aarde in omloop wordt gebracht om zeer nauwkeurige en directe informatie over de winden te leveren. Deze satelliet bevond zich net in een schone ruimte, waar hij zwaar op de proef gesteld zou worden in een vacuümtank van 5 meter doorsnee.

De superkrachtige lasers waarover de telescoop beschikt, bestoken de atmosfeer tot 30 kilometer hoogte en een uiterst klein gedeelte – een miljoenste van een miljardste – van het op die manier verzonden licht wordt weer door de telescoop opgevangen nadat het door contact met de stofdeeltjes in de wolken is verstrooid. Op basis van de tijd die het licht nodig heeft om heen en weer te gaan, kunnen we de afstand berekenen en door via het dopplereffect de frequentieverschuiving te meten, kunnen we de snelheid van de winden bepalen.” Het doel is natuurlijk om de weersvoorspellingen te verbeteren, wat iedereen op prijs zal stellen. Deze gegevens vullen de informatie aan die door de Metoppoolsatellieten en de Europese Meteosat-satellieten wordt verzameld. Met deze geostationaire satellieten kan een bepaald deel van de aarde voortdurend geobserveerd worden. “Om voorspellingen te doen, laat men wereldwijd nog steeds 1200 tot 1300 weerballonnen per dag op. Die zijn namelijk minder duur”, legt Nicolas Grevesse uit. “Stel je eens voor hoeveel tijd dat kost! Met Aeolus, waarvan de informatie direct aan het analysecentrum voor Europese meteorologische waarnemingen wordt doorgegeven, hebben die ballonnen nauwelijks nog een bestaansreden. En al die apparatuur wordt bij het CSL getest.” 


ULG — TWEE MASTERS EN OUFTI-SATELLIETEN IN LUIK


Toen de Universiteit van Luik (ULg) precies 200 jaar geleden werd geopend, stond er al een leergang astronomie op het programma. De liefdesgeschiedenis tussen Luik en de ruimte is dus niet van gisteren. Tegenwoordig zet de ULg zich meer dan ooit in om jongeren op te leiden die ons universum willen bestuderen en beter willen begrijpen. Zo biedt deze instelling zowel een master in de lucht- en ruimtevaart voor toekomstige ingenieurs als een master in de ruimtewetenschappen voor natuurkundigen aan.

De Universiteit van Luik is de enige instelling in België die deze twee masters onder één dak aanbiedt”, legt universitair en wetenschappelijk directeur Serge Habraken uit. “De twee beroepen waar ze toe leiden, vullen elkaar aan. Wanneer de ESA een ruimtemissie op touw zet, wordt deze op wetenschappelijke basis gedefinieerd, dat wil zeggen opgedragen aan de astrofysici die een bepaald verschijnsel proberen te bestuderen en behoefte hebben aan bepaalde soorten instrumenten. Vervolgens is het de taak van de ingenieurs om hun dromen te vertalen en die instrumenten te ontwerpen en bouwen. Wanneer de instrumenten operationeel zijn, worden ze aan de astrofysici geleverd. Die zijn dus in het begin en aan het einde erbij betrokken, terwijl de ingenieurs zich met de ontbrekende schakel bezighouden.

In het Engels

De master in de ruimtewetenschappen die pas een jaar of tien door de ULg wordt aangeboden, is uniek binnen de Federatie Wallonië-Brussel. De opleiding bestaat uit meerdere richtingen (bv. kosmologie, astronomie, planetologie, oceanografie) om de studenten in staat te stellen specifieke vaardigheden op al deze gebieden te verwerven. Dit onderwijs wordt aangevuld met een praktische opleiding: waarnemingen door middel van telescopen (in Luik of in het buitenland), verwerking van wetenschappelijke gegevens door middel van specifieke software en laboratoriumwerk (bijvoorbeeld op het gebied van optica). “Net als de master in de lucht- en ruimtevaart wordt deze master in het Engels gegeven, zodat de Belgische studenten hun kennis in deze taal kunnen verbeteren. Bovendien zetten we daarmee de deur open voor buitenlandse studenten”, legt de directeur uit. “Deze opleiding wordt door slechts zes tot zeven studenten per jaar gevolgd. Maar jongeren die dit diploma op zak hebben, vinden heel snel werk, meestal in de academische wereld als universitair docent of FNRSonderzoeker, maar ook in observatoria en onderzoekscentra in België of in het buitenland (bv. ESA, NASA).

Het bestaan van een lokale omgeving waar mensen een baan kunnen vinden, is een voordeel om studenten aan te trekken”, zegt Christelle Bertrand, die niet alleen zinspeelt op de ondernemingen die in het wetenschapspark van Sart Tilman zijn gevestigd, zoals Amos, Spacebel en Deltatec, maar ook op andere bedrijven, zoals Safran Aero Boosters en Thales Alenia Space. “Vanwege die sterk groeiende ondernemingen heeft onze economische structuur een goede reputatie in Europa. En door de recente ontdekking van exoplaneten hebben de onderzoekers van de ULg waardering gekregen voor hun werk. Dat is ook heel positief.

© S3L@ULiège
Ach, wat is die satelliet klein.

Oufti-2 en 3

Als afstudeerproject krijgen de toekomstige ingenieurs of astrofysici diverse onderwerpen aangereikt, zoals de terugkeer in de atmosfeer, de bestudering van omloop banen en het ontwerp van nanosatellieten (of Cubesats). Deze wegen minder dan 10 kilo, zodat universiteiten tegenwoordig hun eigen ruimtevaartuigen kunnen ontwikkelen en lanceren. Zo herinnert men zich in Franstalig België nog wel Oufti-1, die in mei 2016 werd gelanceerd en als doel had om een telecommunicatieprotocol voor radioamateurs te testen. Na twaalf dagen werd het contact helaas verbroken. “De satelliet is onbruikbaar maar niet vernietigd. We nemen namelijk nog een bakensignaal waar, wat bewijst dat de satelliet nog steeds zijn baan doorloopt”, legt Serge Habraken uit. “Oufti-1 maakte deel uit van het Fly Your Satellite-programma (FYS) van de ESA en kon daardoor in Kourou gelanceerd worden. De satelliet was opgenomen in een tijdschema, zodat we ons aan bepaalde deadlines moesten houden. De lanceringen worden gereserveerd door grote spelers, voor grote satellieten. De kleine spelers moeten op een rijdende trein springen en hebben dus niet altijd de tijd om hun producten te verfijnen. Maar afgezien van het onderwijsdoel wilden we de studenten hoofdzakelijk een praktijkoefening laten doen.

En de nieuwe oefeningen lijken op de vorige. Professor Jacques Verly, die het project leidt, richt zich al op het ontwerp van de Cubesat Oufti-2 met een nieuw team van studenten, ingenieurs en informatici van de ULg. Het doel is om de missie van zijn voorganger te verlengen door de nodige correcties aan te brengen. De nanosatelliet zou uiterlijk begin 2018 klaar moeten zijn voor de ruimte. “Daarna is het de beurt aan Oufti-3”, kondigt de directeur aan. “Die zal als missie hebben om de aarde te observeren met een infraroodcamera.

  • /
  • /

Het Centre Spatial de Liège komt voort uit het Institut d’Astrophysique et de Géophysique van de Universiteit van Luik. Het is vermaard om zijn deskundigheid op het gebied van omgevingstests en als expertisecentrum voor optica. Een groot deel van zijn activiteiten heeft betrekking op projecten voor de Europese Ruimtevaartorganisatie.


Het Centre Spatial de Liège (CSL), dat in 1964 werd opgericht door de vakgroep ruimtevaart van het Institut d’Astrophysique et de Géophysique van de Universiteit van Luik (ULg), is vlak bij de ULg gevestigd in het Parc Scientifique du Sart-Tilman (Liège Science Park), maar zijn uitstraling reikt verder dan alleen Luik en de Maas- en Ourthevallei. Dit onderzoekscentrum, dat ongeveer honderd medewerkers heeft en dit jaar op een omzet van 17 miljoen mikt, is vanouds het boegbeeld van de Belgische ruimtevaartsector en veel buurlanden zijn er jaloers op. Niet alleen om het werk van zijn onderzoekers, maar ook om de deskundigheid van zijn ingenieurs en technici, door wie de Europese Ruimtevaartorganisatie (ESA) regelmatig haar instrumenten en satellieten laat testen. Zo was het CSL net klaar met de technologische ontwikkeling van de Extreme Ultraviolet Imager (EUI), een instrument dat beelden van de corona gaat leveren voor de Europese Solar Orbiter-missie, toen op 1 juni de Aeolus-satelliet met zijn Aladin-telescoop aankwam om een hele reeks omgevingskwalificatietests te ondergaan (zie hierna).

Christelle Bertrand
Algemeen Directeur van het CSL

Partners van wereldfaam 

Zeventig procent van onze activiteiten heeft betrekking op projecten die voor de ESA zijn bestemd”, bevestigt Christelle Bertrand, algemeen directeur van het CSL. “Die projecten zijn onderdeel van een wetenschappelijk of industrieel consortium dat ons opdracht geeft om een deelsysteem op het gebied van ruimtevaartinstrumenten te leveren. Daarnaast houdt 20% van onze activiteiten verband met onderzoeksovereenkomsten, bijvoorbeeld binnen de Skywin- of MecaTechconcurrentiecluster, waarvoor het CSL samenwerkt met partners uit het bedrijfsleven. We gebruiken onze deskundigheid dan om technologische kennis op ruimtevaartgebied over te dragen aan een ander gebied. Tot slot werkt het CSL in 10% van de gevallen als onderaannemer van een industrieel bedrijf, bijvoorbeeld op verzoek van andere internationale organisaties.” Verschillende van die industriële bedrijven, die om beurten klanten, leveranciers of partners van het CSL kunnen zijn, zijn ook in Sart-Tilman gevestigd, zoals Deltatec (boordapparatuur, detectors) en Spacebel (vluchtsoftware voor satellieten). 

Optische prestaties als hart van het centrum

Het is natuurlijk een sterk punt als je met partners van wereldfaam kunt werken”, verzekert Christelle Bertrand, die benadrukt dat België met een jaarlijks budget van € 206 miljoen altijd een grote bijdrage aan de ESA-projecten heeft geleverd. “Maar dat de ESA zo vaak een beroep doet op het CSL, komt grotendeels door de kwaliteit van zijn apparatuur. We hebben namelijk een grote reputatie als expertisecentrum voor optica. Dat verlangen om nuttige ladingen met het oog op de optische of elektronische prestaties te testen, is verankerd in het DNA van het CSL. Dat is het hart van ons centrum. We danken onze reputatie in de eerste plaats aan ons vermogen om instrumenten als een systeem te benaderen. Verder hebben we in de loop der jaren ook de nodige deskundigheid op het gebied van omgevingstests ontwikkeld dankzij onze vacuümtanks. Ze zijn niet geschikt om satellieten te testen omdat ze daarvoor niet de juiste afmetingen hebben, maar ze zijn allemaal uitgerust met optiekbanken die de stabiliteit van de instrumenten garanderen. Dat is een voordeel ten opzichte van de concurrentie, want er zijn momenteel maar vijf testcentra in Europa die de omstandigheden in de ruimte kunnen nabootsen.

 © Centre Spatial de Liège
Met vacuümkuipen kan het CSL, in omgevingsomstandigheden zoals in de ruimte, instrumenten en satellieten zoals Planck en Herschel testen (hieronder een artistieke impressie).

Almaar toenemende concurrentie

De concurrentie is echter duidelijk aanwezig en neemt zelfs toe, zowel in de ruimtevaartsector als in tal van andere sectoren. En dat heeft onvermijdelijk gevolgen voor het marktaandeel. “De prijzenoorlog is tegenwoordig heel fel”, bevestigt Christelle Bertrand. “We moeten erg ons best doen om concurrerend te blijven. Maar we kunnen de prijzen van onze diensten niet te veel verlagen, omdat onze marges dan worden aangetast. Daardoor zouden we in de problemen komen, want hoewel het CSL voortkomt uit de universiteit, wordt het geleid als een profitcenter. Met uitzondering van onze universitair en wetenschappelijk directeur worden alle personeelsleden betaald dankzij externe financiering. We moeten ons dus reorganiseren en kritisch naar onze werkmethoden kijken om concurrerend te blijven, terwijl we de mogelijkheid behouden om onze investeringen te financieren en onze talenten te ontwikkelen.

Het CSL moet vooral de markt volgen, die grote nieuwe kansen biedt. Hoewel de aardobservatie bijvoorbeeld lang als voornaamste doel had om gegevens voor wetenschappelijk gebruik te verzamelen, worden alle actieve krachten in de sector nu gemotiveerd door commerciële belangen, zoals dat na de Tweede Wereldoorlog het geval was toen de verovering van de ruimte begon. 

Op weg naar de commercialisering van de ruimte

Het CSL opereert niet meer in dezelfde omgeving als in het begin van de jaren zestig”, legt Christelle Bertrand uit. “In die tijd, toen de financieringen institutioneel waren, moest je laten zien dat je aan de technologische en wetenschappelijke wedloop deelnam. Tegenwoordig moet je op tijd een product met de juiste kostprijs leveren en niet noodzakelijkerwijs een technologisch hoogstandje. Je kunt steeds gemakkelijker toegang tot de ruimte krijgen en micro- of nanosatellieten lanceren. De projecten, die profiteren van particuliere investeringen, hebben een ander doel, bijvoorbeeld export. De opkomende landen, die nu vechten om aan de ruimtewedloop mee te doen, zijn het landschap aan het veranderen. Dat is de nieuwe omgeving die zich aftekent en waarin het CSL een onmisbare positie moet zien te behouden. In die sterk concurrerende omgeving moeten we niet alleen in staat zijn om de wetenschappelijke wereld van dienst te zijn, maar ook kunnen inspelen op een commercielere toepassing van de ruimte. Terwijl de budgets van instellingen en overheden worden ingekrompen, moet het CSL op meer commerciële financieringen mikken.” Het is dus belangrijk om de ogen goed open te houden. Maar dat moet kinderspel zijn voor een centrum dat gespecialiseerd is in optica!

 

  • /
  • /

Safran Aero Boosters, een spin-off van FN in Herstal, is een aantrekkelijke partner voor fabrikanten van vliegtuigmotoren. De parel van het bedrijf is de lagedrukcompressor.  Door de marktintroductie van de nieuwe Leap-motor zal de werkgelegenheid langs de Maas toenemen.


De leidinggevenden van Safran Aero Boosters herinneren er graag aan: wie een vlucht boekt bij de grootste Europese luchtvaartmaatschappijen, heeft 75% kans dat hij of zij met een vliegtuig reist waarvan de motoren een lagedrukcompressor (booster) uit hun fabriek in Herstal hebben. En deze constatering zal de komende jaren des te meer gelden, want het Luikse bedrijf is een nieuwe generatie motoren voor middellangeafstandsvliegtuigen aan het voorbereiden. “Het gaat voornamelijk om de Leap-motor, die Safran samen met General Electric heeft ontwikkeld en die geleidelijk in de Airbus 320neo, de Boeing 737 Max en de Chinese Comac 919 wordt toegepast”, legt woordvoerster Joëlle Wathelet uit. “Die motor van de nieuwe generatie verbruikt 15% minder dan zijn voorganger, de CFM56, terwijl de prestaties op hetzelfde niveau liggen. Dat leidt tot een aanzienlijke verbetering van de energie- en milieuprestaties.

Omdat er al iets meer dan 13.000 orders voor deze motor zijn geplaatst, moeten alle onderaannemers geleidelijk hun tempo opvoeren. Voor Safran, dat verantwoordelijk is voor de lagedrukcompressor, is het zaak om de productie eerst te verhogen van 150 tot 700 boosters in 2017 en daarna nog een schepje erbovenop te doen om in 2020 uit te komen op 2000 exemplaren per jaar.

€ 140 miljoen in vijf jaar

Vanwege deze enorme uitdaging hebben we nieuwe machines moeten aanschaffen voor onze productielijnen en nieuwe gebouwen moeten neerzetten in onze vestiging op het industrieterrein Les Hauts-Sarts”, bevestigt Joëlle Wathelet. “Zo hebben we voor de productie van de ventilatorschijf van de compressor € 12 miljoen geïnvesteerd in een nieuwe techniek om te lassen met inerte gassen en een gebouw van 1800 m2 neergezet om deze techniek toe te passen.” In totaal heeft Safran Aero Boosters besloten € 140 miljoen in vijf jaar te investeren om deze economische ontwikkeling mogelijk te maken en de werkgelegenheid in Wallonië te houden. “We nemen zo’n 100 tot 140 nieuwe mensen per jaar aan: ingenieurs, technici en vooral – daar schreeuwen we om – geschoolde arbeiders, zoals verspaners en monteurs, die we natuurlijk intern opleiden.


IDENTITEITSBEWIJS

GEBOORTE
Als spin-off van Fabrique Nationale de Herstal begint Safran Aero Boosters (voorheen Techspace Aero) in 1949 met de ontwikkeling van zijn knowhow op het gebied van voortstuwingssystemen voor de luchtvaart door Rolls-Royce-motoren in licentie te bouwen. 
VESTIGINGSPLAATSEN
Herstal en twee dochtermaatschappijen in de Verenigde Staten.
WERKNEMERS
1450 (in België).
OMZET
€ 678 miljoen (2016)
HOOFDACTIVITEITEN
Safran is wereldleider als het gaat om het ontwerpen, vervaardigen en assembleren van lagedrukcompressors (75% van zijn activiteit) en onderdelen voor turbinestraalmotoren. De onderneming is ook een van de belangrijkste spelers in de wereld van de smeersystemen en testbanken voor motoren. Op ruimtevaartgebied is Safran gespecialiseerd in regelkleppen voor de Ariane-raketten.
VOORNAAMSTE KLANTEN
Fabrikanten van vliegtuigmotoren: Safran Aircraft Engines, General Electric Aviation, Pratt & Whitney en RollsRoyce. De belangrijkste markt is die voor middellangeafstandsvliegtuigen, maar de motoren van het bedrijf worden ook toegepast in langeafstandsvliegtuigen, regionale vliegtuigen en zakenjets.

Het is dikwijls in het verleden dat men bronnen van creativiteit vindt, wanneer de verbeeldingskracht de innovatiefase overslaat en direct naar pure uitvinding gaat. Wedijver is slechts mogelijk in een omgeving die tegelijk vrij en stimulerend is, alsook optimistisch en begeesterend. Allemaal argumenten die men tot hun recht moet doen komen  om de uitdagingen van de toekomst aan te gaan. 


Luik, waar al in de middeleeuwen de wieg van de metaalindustrie stond, was in de 18e eeuw een centrum van verfijnde uurwerkmechaniek. De productie van vuurwapens van allerlei kaliber, van de kleinste handwapens tot het grootste artilleriestuk, was een van de verworvenheden van de eeuwenoude metaalbewerking. Juweliers leefden logischerwijze samen met de makers van wereldberoemde precieze meetinstrumenten. Uurwerkmakers behoorden tot die Luikse experten, die konden wedijveren met Parijs en Genève. Het was in die bloeiende nijverheid dat Hubert Sarton op 3 november 1748 in Luik geboren werd. Zijn opleiding tot uurwerkmaker had hij de danken aan zijn oom, Dieudonné Sarton. In 1768 ging Sarton naar Parijs om er zijn vorming te voltooien. Daarna werkte hij voor Pierre Le Roy, de oudste zoon van Julien Le Roy, de leverancier van uurwerken aan het hof van Lodewijk Louis XVI. Nadat hij op 24-jarige leeftijd de titel van meester-uurwerkmaker had behaald, keerde hij in 1772 terug naar Luik, waar hij zich vestigde. Zoals blijkt uit een brevet dat op 23 december 1778 werd ingediend en geregistreerd bij de Franse Academie voor Wetenschappen, vond hij het automatische uurwerk met rotor uit.

Een gedenkplaat siert de gevel van het huis dat Hubert Sarton bewoonde op de hoek van de place de la République française en de rue de la Wache. Maar er is in Luik geen ‘rue Hubert Sarton’ ter herinnering aan deze uitvinder, die een reeks memo’s en verhandelingen naliet over het bouwen van machines voor steenkoolwinning en over windmolens en hydraulische toestellen voor het droogmalen van Hollandse polders. Rennequin Sualem (1645-1708), een andere ontwerper, is niet veraf. 

Van metaalbewerking naar kunstambachten 

Luik, dat op de grens van de Romaanse en de Germaanse wereld ligt, heeft aan zijn bewogen geschiedenis een op zijn minst “rendabele” industrie overgehouden, namelijk de wapenproductie. Dat verklaart waarom de Maasstad uitpuilde van wapenwerkplaatsen maar die na de pacificatie van het oude continent één na één gaan verdwijnen. Aan het begin van de 20e eeuw telde de streek van Luik 200 wapenfabrikanten. De in 1865 opgericht firma Lebeau-Courally komt direct uit die erfenis voort. Dat kunstatelier is een van de allerlaatste dat wereldwijd toonaangevend is voor jachtwapens. Het wortelt in de eeuwenoude traditie van metaalbewerkers die juweliers werden. En waarom niet, eigenlijk? De kwaliteit en de afwerking van die Luikse luxewapens met hun etsen op staal doen de grote huizen aan de place Vendôme verbleken.

Die uitzonderlijke kunst wordt nog onderwezen aan de wapenschool Léon Mignon, die generaties van wereldwijd befaamde etsers en technici aflevert. Zelfs de grootste juweliers zouden niet graag zien dat die Luikse ambachtslieden zich aan de productie van luxejuwelen zouden wagen.

Verantwoording

In de zomer van 2013 publiceerde WAW-magazine een dossier van 16 bladzijden over het erfgoed van de middeleeuwse kunstsmeden in de Maasstreek uit de 12e en 13e eeuw. Dit was zeker historisch verantwoord. En wanneer men vanuit dat erfgoed de lijn doortrekt naar de tijd van Hubert Sarton en de uitmuntendheid van de ambachtelijke wapenmakers, komen we terecht bij de verzameling uurwerken van Lebeau-Courally.

In 2010 is dat merk immers luxe-uurwerken en verfijnde koffers en tassen gaan maken. De uurwerken van Lebeau-Courally worden echter niet in Luik gemonteerd, maar in Le Locle, in de Zwitserse Jura, te midden van de beroemdste uurwerkmakers ter wereld. Maar elk uurwerk draagt onmiskenbaar een Luikse toets met enkele kenmerkende details. Het sierelement op 9 uur, dat het reeksnummer van het uurwerk bevat, verwijst duidelijk naar de geweersleutel of veiligheidspal. Op de wijzerplaat ziet men ook het typische raster dat men terugvindt op de kolf van elk geweer van Lebeau-Courally.

De verzameling

De naam van elk uurwerkmodel is die van een jachtgeweer uit de verzameling van Lebeau-Courally – de baron, de graaf, de markies, de kroonprins, de aartshertog… – en er bestaan zeer geraffineerde technische varianten van. De commerciële evolutie die de Zwitserse uurwerkmakers de voorbije 50 jaar doormaakten, heeft die industrie gedwongen tot technische en esthetische prestaties waaraan vervalsers en namakers niet kunnen tippen. Imitatiehorloges zijn belachelijk geworden. Enkel technische en esthetische creativiteit maakt het verschil. Dat geldt trouwens ook voor de meeste van onze industriële activiteiten. 

LièGenève

Die poëtische legering zou een geslaagde evocatie kunnen zijn van die twee sterk verschillende steden, die toch met elkaar verbonden zijn door uitzonderlijke kunstambachten. Het Luikse email uit de rue Lulay des Febvres zou prachtig kunnen worden ingelegd in een uurwerkenverzameling als aandenken aan de middeleeuwse kunstenaars uit de Maasstreek en op die manier aan Luik een dankbaar en flatterend internationaal imago schenken. De band met de schatten die men tussen Wezet en Doornik vindt, zou dat erfgoed een plaats geven tussen de internationale pronkstukken uit de kunstgeschiedenis. Dat is al bijna het geval voor het reliekschrijn van de heilige Maurus dat voor de abdij van Florennes werd ontworpen, maar dat zich nu in Tsjechië bevindt, en voor de triptiek van Stavelot in de Morgan Library in New York. Het “Institut du Patrimoine wallon” (Waals Erfgoedinstituut) zou dan over ongezien en flatterende promotiematerieel kunnen beschikken.

In 2008 werd het huis Lebeau-Courally overgenomen door Joris Ide, een belangrijke Vlaamse industrieel. Maar het is Anne-Marie Moeremans die in Luik het atelier leidt en instaat voor de externe contacten. De eigenaars van Lebeau-Courally verwierven eind 2014 de prestigieuze uurwerk- en mechanismefabriek IMH in Le Locle. Die maakt tegenwoordig de meest luxueuze Zwitserse uurwerken en biedt onderdak aan 40 verschillende traditionele ambachten.

De uurwerk- en wapenfirma Lebeau-Courally Genève NV is gevestigd aan de rue de la Corraterie in Genève en haar zusteronderneming bevindt zich aan de rue Saint-Gilles, op de hoogten van Luik. Door die diversifiëring kan men de erfenis van de metaalbewerking in de Maasstreek zorgvuldig bewaren en ook andere producten van die zin voor uitmuntendheid doen profiteren.

De zaak is in kannen en kruiken

Een lederwarenlijn van Lebeau-Courally wordt gefabriceerd door de oude lederwarenfabriek Guene, in Vauxsous-Aubigny in de Haute-Marne. Die fabriek van hoogwaardige handtassen werd door Joris Ide overgenomen onder de naam Dijon Maroquinerie. Door die eigenheid te behouden, wordt de band gelegd tussen de wapenfirma Lebeau-Courally in Luik, de Zwitserse firma IMH in Le Locle en de lijn van esthetische merklederwaren die de geest van de Luikse metaalbewerkingskunst uitstraalt.

Your opinion counts