Waw magazine

Waw magazine

Menu
Image (62x44 OBLIGATOIRE !!): 
Image rose (taile : 62x44px OBLIGATOIRE): 

De keuze voor een plek om de Cité Miroir te huisvesten, moest in de lijn liggen van de meest fundamentele waarden van Mnema: vorming, herinnering, cultuur, burgerschap en democratie.

Er werd dus niet alleen voor de Baden van La Sauvenière gekozen omdat ze beschikbaar waren en veel ruimte is. Dat speelde een grote rol, maar er werd ook veel belang gehecht aan de grote symbolische waarde van het gebouw.

Een van de eerste elementen die tot de keuze van dit gebouw hebben geleid, was trouwens de persoon die er het initiatief toe had genomen. In 1936 wilde Georges Truffaut, de schepen van Openbare Werken van Luik, zijn stadsgenoten de kans bieden om zich te emanciperen door middel van sport en hygiëne. Met de hulp van de gemeenteraad gaf hij het startschot voor de bouw van een complex met zwembaden, sportzalen en openbare baden. Naast zijn wens om de Luikenaars dit gebouw met vooruitstrevende ambities en infrastructuur te bieden, was hij ook een verzetsstrijder tegen de Duitse bezetters, wat zijn ideeëngoed en dat van Mnema op één lijn brengt. Hij sneuvelde in 1942 in Engeland helaas in de strijd, zodat hij nooit heeft kunnen zien hoe zijn schitterende project in datzelfde jaar werd ingehuldigd.

De prachtige ligging van het gebouw heeft de oprichters van Mnema natuurlijk ook een duwtje gegeven toen ze een keuze moesten maken. Het Cité Miroir bevindt zich pal in het centrum van Luik, letterlijk op twee passen van het bekende en drukbezochte Carré, de buur van grote cultuurhuizen zoals de Opera, het nieuwe Théâtre de Liège en de bioscoop Sauvenière, dicht bij scholen, de universiteit en handelszaken. Zowel Luikenaars als bezoekers zullen een bezoek aan het gebouw aan het charmante Xavier Neujeanplein op hun agenda moeten zetten.

Op architecturaal vlak is het gebouw zelf ook een symbool van verzet. Georges Dedoyard, de architect, ontwierp het in Bauhaus-stijl, een artistieke stroming die door het naziregime als ontaard werd beschouwd en vanaf 1933 werd verboden. Het was dezelfde Georges Dedoyard die, eveneens in Bauhaus-stijl, in Bastenaken (Bastogne) het Mémorial du Mardasson ontwierp, het monument ter nagedachtenis van de bekende Slag om de Ardennen.

In het woord ‘cité’ vind je ook ‘citoyen’ (burger) terug. De twee woorden ontstaan samen in Griekenland en vinden later ook ingang in het oude Rome. Uit hun samenhang komt het idee voort van deelname aan de ‘publieke zaak’ (res publica) om de ‘politiek’ vorm te geven. Met andere woorden, de uitdrukking van de rationele vermogens van de mensen om hun eigen leven te organiseren en, via debat en gezamenlijke beslissingen, tot een weloverwogen akkoord te komen. Aristoteles heeft er een definitie van ontwikkeld, die uit drie elementen bestaat. Het eerste, de vrijheid van de burger, stelt deze in staat om zelf beslissingen te nemen. Het tweede element gaat over een ‘gemeenschappelijk goed’, dat de belangen van het individu overstijgt. Het derde element ten slotte, houdt rekening met de gelijkheid die alle burgers de kans geeft om bij te dragen aan de vorming van wetten en ze ook onderwerpt aan bepaalde verplichtingen.

In ‘miroir’ (spiegel) gaat een grote symboliek schuil. Een spiegel is een plat en gepolijst vlak waarin een beeld weerspiegeld kan worden. Een spiegel nodigt uit tot introspectie. Wie in een spiegel kijkt, stelt zich vragen, geeft zijn zwaktes toe, leert nederig te zijn. Hij of zij aanvaardt ook dat hij zich blootgeeft voor de blik van een ander, laat hem of haar zien dat hij ze vertrouwt, door een stap in hun richting te zetten.

De ‘Cité Miroir’ wil dus een plaats zijn voor reflectie, waar de weerspiegeling van het verleden de burger van vandaag bereikt, die daardoor de toekomst tegemoet kan gaan, gewapend met de tools van reflectie en kritische analyse. Daarmee kan hij op een bewuste en verantwoorde manier handelen.

De Cité Miroir bevindt zich in het hart van Luik, in een schrijn van beton en glas. Op 14 januari 2014 opent het officieel de deuren. De verovering van een plek!

Aan de oorsprong ligt de vzw Les Territoires de la Mémoire, die sinds de oprichting in 1993 een heus educatief cordon sanitaire wil optrekken rond de hernieuwde opkomst van extremistische partijen. Alle middelen en inspanningen gaan naar de vorming van de burgers en de democratie.

Begin jaren 2000 wordt de vereniging een beetje het slachtoffer van haar eigen succes en groeit ze uit haar kantoor aan de Boulevard d’Avroy. Na een beslissing van de Raad van Bestuur gaat de directeur, Jacques Smits, op zoek naar de ideale plek om de organisatie verder te ontwikkelen. In het centrum van Luik valt zijn oog op een leegstaand groot gebouw: de oude badinrichting van La Sauvenière. En sindsdien heeft hij een doel dat hij vastberaden nastreeft: de renovatie van dit emblematische Luikse gebouw. In het begin krijgt hij op zijn heldentocht de hulp van architect Pierre Beugnier, aan wie hij in 2003 de haalbaarheidsstudie van het project toevertrouwt. Spoedig kan hij ook de historische partners van Territoires de la Mémoire over de streep halen. Ethias Verzekeringen, het ‘Centre d’Action Laïque de la Province de Liège’, Solidaris en het ‘Maison des Syndicats’ sluiten zich al gauw bij de beweging aan. Op 10 december 2004, de Internationale Dag van de Mensenrechten, wordt de vzw Mnema opgericht, die de leiding krijgt over de verbouwing. Korte tijd later sluiten de stad en de provincie Luik, de Univer siteit van Luik, de MOC (Christelijke Arbeidersbeweging) en Etopia zich bij de oorspronkelijke kern van partners aan, samen met vertegenwoordigers van de voornaamste democratische partijen. Zo geeft de stad Luik het gebouw voor 50 jaar in erfpacht aan Mnema, zodat die het project in goede banen kan leiden. Vanaf 2005 beginnen de moeilijke financiële onderhandelingen, die ertoe leiden dat het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling en het Waalse Gewest (Gesubsidieerde Werken en Erfgoed), de provincie en de stad subsidies toekennen. De vzw Mnema en haar partners betalen het niet-gesubsidieerde saldo. Totaal budget: € 21.751.801!

De eerste stappen worden gezet om een nieuwe cité in de cité te creëren, een Cité Miroir in de Cité ardente.

 

Het werk van Mnema

Mnema is Grieks voor geheugen. In één woord wordt de roeping van de vzw met die naam samengevat: de burgers aanzetten om hun mnema, of hun geheugen te gebruiken. “De toekomst van de mensheid wordt gebouwd op haar verleden. Onze wortels zitten vervat in gebeurtenissen en omgevingen. Niet zolang geleden zijn er momenten geweest waarop we zover gegaan zijn in de vernieling van de mensheid, dat we die niet mogen vergeten. Wat niet betekent dat we verlamd moeten zijn van angst. Met Mnema volgen we de lijn die de vzw Les Territoires de la Mémoire al 20 jaar volgt. We spreken trouwens niet over de plicht om ons dingen te herinneren, maar over het geheugenwérk. Die nuance is belangrijk. Het woord ‘werk’ impliceert een concrete en doordachte actie, maar ook een enthousiasme en de moed om ‘nee’ te durven zeggen. Als we de fouten uit het verleden willen vermijden, moeten we de mechanismen bestuderen die hebben geleid tot bepaalde moordzuchtige rampen en die ook begrijpen, om ervoor te zorgen dat ze niet meer worden herhaald.” (Jacques Smits, afgevaardigd bestuurder van Mnema)

Een jonge Waal reist de wereld rond om op filmsets zijn weinig zichtbare maar essentiële beroep uit te oefenen: hij is make-upartiest voor de filmindustrie. 

Net zoals decors en kostuums is maquilleren nauw verbonden met podiumkunsten in het algemeen en met de filmindustrie in het bijzonder. Om een typisch personage, een monster, een magisch of kwaadaardig wezen neer te zetten, moet het er echt uitzien. Als de kijker er niet in gelooft, mag de plot nog zo goed zijn als maar mogelijk is en kunnen de acteurs de pannen van het dak spelen, toch zal het de mist ingaan. Make-up en realistische special effects zijn daarom een fundamentele discipline en artistieke techniek, zelfs in deze digitale tijden. De acteurs in Griekse drama’s moesten destijds al trucs verzinnen om verschillende rollen te spelen. Op het podium mochten geen vrouwen staan, dus moesten mannelijke acteurs die rollen spelen. Ze droegen maskers van steen of terracotta naar het beeld van hun personage, die tegelijkertijd als een soort megafoon werkten.

Van de Grieken tot het begin van de film is make-up altijd een onderdeel van de show geweest, maar de gouden tijd breekt, door zijn impact en ensceneringen, pas aan met de zevende kunst. Sinds George Méliès is de kunst van het maquilleren al vaak overhoop gehaald, omdat ze zich heeft moeten aanpassen aan de technische evoluties, de overgang naar de kleurenfilm, de verbeterde kwaliteit van de film, 3D en de komst van digitale beelden. “Maar er zal altijd behoefte zijn aan technici die elke mogelijke make-up en elk mogelijk effect geloofwaardig kunnen maken. Het ene kan niet zonder het andere. Zelfs voor beelden die voor een green screen worden gemaakt, wordt een beroep gedaan op plastische technieken.” Lionel Lê verschijnt al langer dan negen jaar goedgemutst op de filmsets. Deze jonge Luikenaar studeerde illustratie en striptekenen aan het Saint-Luc, maar is altijd al gebeten geweest door de film. “Ik ben opgegroeid met Star Wars, Alien, de films van Romero... Het was voor mij doodgewoon dat ik plastische kunst en tekenen ging studeren. Daarna heb ik me als autodidact in de wereld van de make-up en natuurlijke effecten gelanceerd.” Het was een gewaagde carrièrekeuze, omdat er in België weinig toekomstperspectief is in de branche. “Om je brood ermee te verdienen, moet je reizen. De grote afzetmarkt is natuurlijk Noord-Amerika, maar ook in Frankrijk vind je al meer werk dan bij ons.”

Alle genres

Vaak worden make-up en realistische speciale effecten geassocieerd met fantasy-, griezel- en horrorfilms, maar in de meeste genres wordt een beroep gedaan op deze buitengewone performers. “Ik ben niet gespecialiseerd in een bepaald genre. Er is niet zoveel sciencefiction, maar het is wel het genre waar je je over het algemeen goed in kunt uitleven. Er wordt je zoveel gevraagd, van valse wonden tot de creatie van volledig fake lichamen, bijvoorbeeld voor autopsiescènes, of de creatie van objecten of het verouderen van de huid. Het zijn eenvoudige effecten die in werkelijkheid veel complexer zijn dan ze lijken”, vertelt Lionel Lê ons nog. Als de make-up niet geloofwaardig overkomt, kan de hele scène of zelfs de film daaronder lijden.

Je moet goed materiaal hebben om een meer dan levensecht effect te krijgen, maar de knowhow en de techniek zijn toch het belangrijkste. “Ik ben begonnen met kleine films, met kortfilms van een paar filmscholen om het in de vingers te krijgen en te leren hoe het er op zo’n set aan toe gaat, wat de gevoeligheden en de logica zijn.” Lê oefent zijn beroep nu al bijna tien jaar uit, maar heeft niet het gevoel dat hij alles al kent. Hij is pas sinds een jaar of vijf trots op zijn werk. “Het technische deel is erg belangrijk. Je kunt dagenlang of zelfs weken aan een afgietsel werken en pas op het einde merken dat de producten niet goed zijn of dat de verf niet houdt.” Om nog maar te zwijgen over het feit dat je een minimum aan voorzorgen moet nemen als je de hele dag met verschillende harsen en siliconen goochelt. “Je kunt niet knoeien, want je werkt toch met producten die in wezen gevaarlijk kunnen zijn. Als je een stuk sculpteert produceer je een berg stof. Daar moet je voorzichtig mee omspringen”, waarschuwt hij.

Als de make-up niet geloofwaardig overkomt, kan de hele scène of zelfs de film daaronder lijden. Je moet goed materiaal hebben om een meer dan levensecht effect te krijgen, maar de knowhow en de techniek zijn toch het belangrijkste.

 

Om voldoende ervaring op te doen moet je veel in de praktijk werken en je spiegelen aan andere professionals. En zoals vaak is het adresboekje, de contacten die je in je carrière legt, van primordiaal belang. Het is al niet eenvoudig om ingang te vinden in de filmwereld, maar het is dubbel zo moeilijk in de make-upbranche. “Er zijn veel deuren opengegaan door mond-tot-mondreclame. Als je eenmaal hebt getoond wat je waard bent, komen de contracten sneller, maar je moet er elke dag constant mee bezig zijn om je vinger aan de pols te houden, je moet nieuwe technieken leren, en op de juiste plek met de juiste mensen werken.” En om van je passie je beroep te maken mag je niet aarzelen om maandenlang naar het buitenland te gaan om mee te werken aan grote projecten. Filmprojecten, maar ook projecten voor de tv, die een grote klant blijft, en voor de reclamewereld. “Ook al hebben we in België het Tax Shelterprogramma en komt daar toch vrij veel werk uit voort, toch moet je mobiel blijven en niet op je lauweren rusten”, waarschuwt Lionel Lê. Maar voor iemand die zo gebeten is als hij, gaan de lange maanden ver van zijn geboorteland uiteindelijk nog vrij snel voorbij.

De personages van Olivier Goka zijn kleurrijk en ludiek. Ze zijn tegelijkertijd schattig en ronduit trendy. Ze zijn helemaal gemaakt van staaltjes plastic en worden zowel door kunstliefhebbers als de grote merken gewaardeerd. Ontdek het geplastificeerde – maar niet versteende – universum van een kunstenaar die met ons afval speelt.

De eerste keer was tijdens een etentje onder vrienden. Olivier Goka begon, zonder erbij na te denken, een poppetje te maken met de overschotjes op tafel – een beetje zoals wij met ons servet zitten te spelen en de tandenstoker en rietjes ombuigen. Het is geen toeval dat dat eerste werkje al meteen artistiekerig was – in tegenstelling tot wat wij in elkaar draaien – want Olivier is gepokt en gemazeld in de wereld van het beeld. 

Animatie en illustratie

Olivier Goka werd geboren in de drielandenstreek, meer bepaald in Montzen. Hij studeerde af als illustrator aan het Saint-Luc in Brussel en volgde daarna een opleiding filmanimatie. Dankzij die tweede opleiding kon hij meewerken aan de film Les Triplettes de Belleville (2003), eerst als assistent en later als animator. Het was zijn taak om de bewegingen van de nevenpersonages te verzorgen. Hij ging verder als illustrator, met cartoons die hij maakte voor onder andere de krant L’Écho, de bank ING en het ONE (Office de la Naissance et de l’Enfance). Hij maakte ook een strip voor Spirou Magazine, Antarctique Nord, waar hij zowel de tekeningen als het scenario voor verzon. Jean-Luc de beer en Bertrand de pinguïn beleven hun avonturen als bevroren onderzoekers tegen de achtergrond van de opwarming van de aarde. Alles wordt overgoten met een enorme laag humor en wordt gedragen door een mooie waaier van maffe personages, onder wie een zekere kapitein Costaud, die niet helemaal toevallig lijkt op een bekend personage.

Goka werkt het liefst met plastic

Het was dus een beetje toevallig dat Olivier Goka zijn eerste personages maakte met behulp van overschotjes. In het begin werkte hij vooral, maar niet uitsluitend met plastic. Goka gebruikt graag verschillende materialen door elkaar. Zo maakte hij de koppen van zijn poppetjes in het begin vaak van de steel van houten werktuigen. Maar gaandeweg komt het plastic meer op de voorgrond: het is makkelijk te bewerken en bestaat in alle kleuren en vormen. Bovendien is het lichter dan alle andere materialen en is het makkelijk te vinden en kost het zogoed als niets, om niet te zeggen helemaal niets. “Eerste voordeel: net als mijn vader heb ik de neiging om alles te bewaren. Plus, ik vind mijn plastic onderdelen in vuilnisbakken en op vlooienmarkten, en ik krijg ze soms van kennissen. Ik koop dus niets, dat is de enige regel die ik heb. Maar ik recycleer alles! Markers, dopjes, shampooflessen, speeltjes, opzetstukken voor stofzuigers, filters van koffiezetapparaten… de lijst is eindeloos. Ik heb een duidelijke voorkeur voor gekleurde dingen.” Maar hoewel Goka alles recupereert en op een originele manier recycleert, is hij toch geen ecologische diehard. Achter het werk van deze plastische (of plastic-) kunstenaar gaat niet een of andere filosofie schuil. Plastic biedt hem alleen de mogelijkheid om een eindeloze reeks artistieke en ludieke invalshoeken uit te proberen. Toch heeft zijn werk onrechtstreeks ook met het milieuprobleem te maken: plastic is een materiaal dat absoluut niet biologisch afbreekbaar is en maar heel beperkt gerecycleerd kan worden.

“Ik koop niets, dat is de enige regel die ik heb. Maar ik recycleer alles! Markers, dopjes, shampooflessen, speeltjes, opzetstukken voor stofzuigers, filters van koffiezetapparaten… de lijst is eindeloos. Ik heb een duidelijke voorkeur voor gekleurde dingen.”

 

Maar laten we de kunstenaar maar verder werken. In zijn atelier staat een ontelbaar aantal dozen bomvol stukjes plastic, gesorteerd naar kleur en afmetingen. Zijn werktuigen: een cuttermes, een metaalzaag en lijm. Als hij aan een tableau begint dat Bernard Babette (sinds jaren zijn vaste fotograaf) zal fotograferen, lijmt hij alleen de afzonderlijke elementen, zodat die later makkelijk gedemonteerd kunnen worden. Dan kunnen die terug worden geplaatst en – zijn credo indachtig – opnieuw worden gebruikt. Maar als hij sculpturen maakt om te verkopen, worden de elementen onderling vastgeschroefd met behulp van houten cilinders. Het moet stevig zijn en gemakkelijk te manipuleren, en mag mettertijd niet breken als het wordt verplaatst.

Plasticmanie

De beeldjes van Goka zijn buitengewoon charmant en expressief en ze veroveren de harten, niet alleen van particulieren, maar ook van de grote media en merken. Het eerste bedrijf dat ervoor viel – en daarmee in de kijker liep – was de galerie 1 / 1 in Brussel, die de tentoonstelling, Les déchets contre attaquent (De tegenaanval van het afval) organiseerde. Daarna ging het Parijse agentschap Costume 3 Pièces voor de bijl: het bestelden bij Goka ‘tableaus’, of geënsceneerde foto’s van zijn personages, voor marketing- en reclametoepassingen. Zo komt het dat zijn personages terug te vinden zijn op de affiches van de keten Shopy, het Festival van de Tekenfilm, de kalender van Pepsi Japan, het Fête de la Musique (2008), het BLBE (het Brusselse centrum voor interculturele actie), maar ook The New Yorker en The Observer publiceerden zijn werk. 

Als je de beeldjes van Goka aandachtig bekijkt, is het een amusant spelletje om te achterhalen wat het kopje of het lijf in oorsprong was. Het is alsof je het voorwerp in laagjes uit elkaar haalt om te raden hoe het is samengesteld. En dan sta je voor leuke verrassingen. Ons dagelijkse afval is een klein, levendig meesterwerkje geworden.

 

De Collectie Vonpischmeyer!

Maar de laatste meesterzet is de onwaarschijnlijke collectie Vonpischmeyer . U kent vast wel deze fantastische ontdekkingsreiziger, Léopold Vonpischmeyer. Nee? Die naam zegt u niets? Ook niet als u er uw geschiedenisboeken op naslaat? Dat is normaal. Hij is helemaal verzonnen door Olivier Goka. En toch zijn de ontdekkingen van deze verbazingwekkende laat-negentiende-eeuwse reiziger in 2012 prominent tentoongesteld in de galerie Anversville (Antwerpen) en later in het Koninklijk Museum voor Midden-Afrika in Tervuren. Met zijn plastic reproducties van Congolese beeldhouwwerken en maskers heeft Goka het publiek versteld doen staan en officieel om de tuin geleid. Ze leken sprekend, zoals dat heet. De sculpturen van Goka – sorry, van Léopold Vonpischmeyer - stonden tentoongesteld tussen de echte Afrikaanse werken en verkregen legitimiteit door hun opstelling op een centrale plaats in de vitrines. Ze wierpen op een humoristische manier en met medewerking van het museum vragen op over het statuut van het kunstwerk: wordt een voorwerp, wat ook zijn oorsprong is, een kunstvoorwerp als het in een museum wordt opgesteld? “Voor de bezoekers was het een welles-nietesspelletje. In de vitrines was het moeilijk om te zien dat het om stukjes geassembleerd plastic ging. Bij de tentoonstelling in de Botanique waren er ook gidsen, studenten, die niet op de hoogte waren en mijn werk in alle onschuld voorstelden als echte collectiestukken”, legt Olivier uit. In ieder geval staken de 45 beeldjes van Goka niet af tegen de echte collectie primitieve kunst.

 

BIO EXPRESS

2004 — Tentoonstelling Les déchets contre-attaquent (De tegenaanval van het afval) in galerie 1/1, Brussel.

2005 — Olivier Goka gaat werken voor het Parijse agentschap Costume 3 Pieces.

2007 — Persoonlijke tentoonstelling ‘De Collectie Vonpischmeyer’, Botanique (Kruidtuin), Brussel.

2013 — Voorstelling van ‘De Collectie Vonpischmeyer’ in het Koninklijk Museum voor

Vijftien gram en evenveel seconden puur geluk… Een typisch Belgische kegeltje waar je nooit genoeg van krijgt. Als kind viel Christian Maenhout voor de charme van de cuberdon en als volwassene richtte hij zijn bedrijf ‘Bonbons à l’Ancienne’ op.

Herken je dat zoete, fruitige parfum dat zo uniek is? Het tovert een glimlach op je gezicht, prikkelt je smaakpapillen en roept ontelbare herinneringen op aan je kindertijd. Diezelfde geuren komen je nu tegemoet uit een fabriek in de industriezone van Seraing, in de Luikse regio. Lekkerbekken worden er constant bekoord.

Christian Maenhout heeft een eenvoudige oplossing: geef gewoon toe aan de verlokking van de suiker. Hij maakt het nog bonter, hij laat zelfs alles achter zich en geeft er zich met hart en ziel aan over. Deze ex-werknemer van het ministerie van Financiën wil weg uit zijn kantoor en aansluiting zoeken bij de bevolking. Hij is gek op suikerwaren, en dat opent nieuwe horizonten voor hem. Gedurende een jaar leert hij de kneepjes van het vak bij een meester-banketbakker. En dan start de leerjongen zijn artisanale productie op in een atelier in Bellaire. Hij maakt er eerst repen snoepgoed en stapt dan over op cuberdons, alleen omdat hij potentieel ziet in deze snoepjes die iedereen lust maar weinig fabrikanten maken. “Het zal je nooit lukken. Het is veel te ingewikkeld. Je zult er je tanden stuk op bijten!” Hij laat zich niet ontmoedigen door zijn collega’s en probeert het recept gedurende zes maanden uit. Hij zet door, laat zich adviseren, komt in de praktijk tot nieuwe inzichten en het wonder geschiedt: hij komt tot een meesterlijk recept. De bestellingen stromen toe en zijn voorraad vliegt de deur uit.

In 2005 doet zich een unieke gelegenheid voor. Hij kan voor een betaalbare prijs een machine kopen waarmee hij op grote schaal kan produceren en aan alle bestellingen tegemoet kan komen. De fabricage wordt wel geautomatiseerd, maar het recept blijft helemaal hetzelfde en het blijft dus een artisanaal product. Om de vijftien meter lange machine op een goede manier onderdak te kunnen bieden, investeert de suikerwarenfabrikant in een gebouw, goederen en personeel. Het betekent het einde van de ambtenaar van het ministerie en de geboorte van de bedrijfsleider.

Er gaat niets boven de oude recepten

Neuzeke, tsoepke, topneus… dit snoepje van het eind van de 19de eeuw heeft heel wat namen. De oorsprong is niet bekend, maar het gaat zeker om een Belgisch snoepje, hoewel niemand echt weet of het nu Vlaams, Waals of Brussels is. Volgens de legende werd het recept toevallig ontdekt door een leerjongen die een fout maakte. Het is maar één van de vele legendes.

In meer dan honderd jaar zijn de ingrediënten niet veranderd: geraffineerde suiker uit Tienen, glucose, varkensgelatine (voor de elasticiteit), natuurlijke aroma’s, natuurlijke kleurstoffen en Arabische gom (acaciaextract).

De fabricage is technisch complex, maar eenvoudig uit te leggen. In eerste instantie wordt vloeibaar zetmeel in een mal gegoten. Dan wordt de suikerstroop toegevoegd. De snoepjes worden gedurende zes dagen gedroogd in een droogkast die in een kamer wordt geplaatst waar het constant 50 graden warm is. Op de zevende dag worden de cuberdons uit de mal gehaald.

Dan komt het langverwachte moment van de degustatie. “Hoe sneller je hem eet, hoe lekkerder die is!” Op die manier is de korst van de cuberdon minder gesuikerd en minder dik. “De textuur en de stroop zijn de sterke punten van mijn snoep. De echt lekkere cuberdon moet in je mond smelten zonder een te uitgesproken suikerig effect te hebben.” Wat voor de ene kwaliteiten zijn, kunnen voor de andere zwakke punten zijn. Zo hebben de snoepjes van het concurrerende Geldhof, die je herkent aan de letter G, een dikkere korst en een meer gesuikerd binnenste. Iedereen zijn eigen smaak, nietwaar?

Eigen aan ‘Bonbons à l’Ancienne’ is het gevarieerde aanbod van smaken. Naast de traditionele frambozensmaak (Sweet Cuberdons) hebben ze nog een dertigtal andere smaken. We noemen er maar een paar: violet, kers, appel, aardbei, citroen, en ook een aantal verrassender, zoals kiwi, pistache, gember, speculoos en chocolade, en een aantal cuberdons met alcoholsmaak, op basis van champagne, Cointreau en Amaretto.

Er komen ook afgeleide producten in de winkels: mini-frambozencuberdons die je in een glas champagne dropt, stroop, aperitief, roomijs en een eetbare lichaamscrème.

Op dit moment produceert het bedrijf vooral cuberdons, aangevuld met snoeprepen, Arabische gom en carabouya. We spreken over 700 tot 800 kilo cuberdons per dag, oftewel zo’n vijf ton per week en een twintigtal ton cuberdons per maand.

Christian Maenhout heeft zijn kinderdroom waargemaakt. Hij zet de traditie voort dat brave kinderen beloond worden met een uitzonderlijk snoepje. Neemt u er nog eentje?

 

Cuberdons voor de export

“Op de klassieke producten na kun je suikerwaren helaas niet makkelijk exporteren.” Het gaat het bedrijf ‘Bonbons à l’Ancienne’ voor de wind, met z’n tiental werknemers in de fabriek en de onderaannemers, waaronder een sociale werkplaats in Waremme die voor de verpakking zorgt.

Op de Belgische markt gaat de voorraad cuberdons vlot de deur uit, vooral in de supermarkten. Onder andere Delhaize verkoopt de producten van het bedrijf uit Seraing onder de naam Sweet Cuberdons. Het lijkt ongelooflijk, maar cuberdons zijn in het buitenland nauwelijks bekend. Christian Maenhout grijpt alle kansen aan om ze bekend te maken, onder andere op de suikerwarenbeurzen van Keulen en Parijs. Er wordt ook onderhandeld met de Galeries Lafayette in Parijs en Harrods in Londen. “Ik zou er zo trots op zijn als cuberdons zo bekend en gewaardeerd zouden worden als de Luikse wafels.”

Ondernemingen die de internationale markt op willen, lopen grote risico’s op het vlak van traceerbaarheid en staan voor een hoop administratieve rompslomp. De Luikse suikerwarenfabrikant is daar niet bang van, als hij maar wordt ondersteund door een financiële investeerder, wat vandaag nog niet het geval is.

Er zijn voorstellen gekomen uit de Verenigde Staten en China, maar bij gebrek aan financiële middelen, materiaal en personeel is hij er niet op kunnen ingaan. “Het heeft geen enkele zin dat je ogen groter zijn dan je buik… Maar ik geloof erin dat er iemand de zaak overneemt, er geld in pompt en het bedrijf dat ik met mijn eigen handen heb opgebouwd groter maakt.”

Op zoek naar de stemmen van Captel! In dat zeer succesvolle Luikse callcenter maken zo’n honderd werknemers het leven makkelijker voor kleine en grote bedrijven. Van medisch secretariaat tot telemarketing, een telefoontje en het is gefikst. Wij hadden een gesprek in alle toonaarden met zaakvoerster Anne Dimmers.

BIO EXPRESS

1962 — Geboren in Ougrée.

1980 — Zet haar eerste stappen in het callcenter als jobstudente.

1981 — Eerste voltijdse job in hetzelfde callcenter.

1997 — Anne neemt het bedrijf over.

2008 — Oprichting van filiaal Captis.

2013 — Opening van opleidingscentrum in Ibiza.

“Vorige week heb ik 7 mensen aangeworven, en vandaag neem ik er nog een aan.” Gedelegeerd bestuurder Anne Dimmers tekent heel wat nieuwe arbeidsovereenkomsten bij Captel en dat ligt niet aan het hoge personeelsverloop in de wereld van de callcenters. In tegendeel: haar werknemers worden in de watten gelegd en blijven het liefst hun hele carrière in de kantoren in het Luikse shoppingcenter Médiacité. Haar geheim om hen beter te begrijpen is simpel: ooit was ze net als hen, jarenlang. Ze weet dus beter dan wie ook hoe ze hen kan helpen omgaan met de stress van uren telefoneren met de klanten. De 50-jarige Anne Dimmers groeide op in Flémalle-Haute, waar haar vader een verzekeringskantoor had geopend als zelfstandige. Op haar 17,5 neemt ze een studentenjob aan in een Luiks callcenter. Het is het allereerste callcenter van België, dat zijn deuren opende in 1974, toen kantoren nog niet eens computers hadden. De jonge vrouw geeft haar enthousiasme en energie door aan de klanten en krijgt al snel de smaak te pakken. Zes maanden later, wanneer ze net 18 is, begint ze voltijds te werken op de plek waar ze als jobstudente begon.

Na 15 jaar bij hetzelfde bedrijf, dat toen uit 7 personen bestond, dacht Anne op een bepaald moment dat ze haar baan kwijt was. Niet omdat de klanten ontevreden waren, want het bedrijf had een stevige reputatie opgebouwd. Wel door problemen met de administratie. “Ik zei tegen mezelf dat ik onze jobs kon redden door het bedrijf over te nemen. Alle succesfactoren waren immers aanwezig”, vertelt Dimmers. De jonge onderneemster volgt een heel aantal opleidingen en zet zwaar in op kwaliteit. Eerst en vooral de kwaliteit van de service, dankzij softwarepakket Estel, dat Captel zelf ontwikkelde. Hiermee kunnen de operatrices of ‘secretaresses’ hun antwoord afstemmen op de klant “alsof ze de vaste secretaresses zijn van de klanten die ze vertegenwoordigen”.

“Ik delegeer al wat ik niet zelf moet doen. Dat geeft me tijd om nieuwe dingen te ontwikkelen.”


Captel staat ook voor kwalitatieve jobs. “We doen er alles aan opdat de secretaresses zich goed voelen”, vertelt Dimmers. “Ze moeten de hele dag dynamisch en opgewekt zijn, ook als de klanten slechtgehumeurd zijn of als ze zich moeten schikken naar moeilijke uurroosters, als ze ’s nachts moeten werken of in het weekend, of met eindejaar… Daarom probeer ik hen te verwennen en hen geen extra stress te bezorgen. Zo hebben ze ieder een eigen parkeerplaats, zodat ze de dag niet gejaagd hoeven te beginnen met het zoeken naar een plek voor hun auto. Maandag- en vrijdagochtend staat er vers sinaasappelsap klaar op hun bureau, om de week goed te beginnen en af te sluiten. Twee keer per jaar laat ik ook een mas seuse komen die hen een rugmassage geeft. Ik geef iedere werkneemster een geschenk voor hun verjaardag, en er is ook een strijkatelier. Daar kunnen ze hun was binnenbrengen, die gestreken wordt door onze werkvrouw. Aan het eind van de dag ligt alles weer voor hen klaar.” En dan zijn er nog het sinterklaasfeest voor de kinderen, opleidingen, barbecues, eindejaarsfeestjes… “Wij kunnen onze klanten niet dezelfde prijs bieden als de callcenters in Marokko bijvoorbeeld. Maar wat ik hen aanbied, is een service op maat, en iemand met een goed humeur aan de andere kant van de lijn. Die opgewektheid en die ervaring maken het verschil. Dat is onze toegevoegde waarde.”

Een beproefd recept

Toen Dimmers het bedrijf overnam, werkten er zeven mensen. Dat werden er al snel twintig. Ondertussen telt haar Captel 110 werkneemsters, of eerder ‘werknemers’, want bij die 110 is er één man… “In het begin zocht ik vooral klanten met een laag belvolume”, zegt Dimmers. “In Marokko heb je een plateau met 400 werknemers voor 20 bedrijven. Zodra je één bedrijf verliest, moet je al personeel ontslaan. Bij ons was het het tegenovergestelde. Voor 20 werknemers waren er 400 klanten. Op die manier moest ik geen mensen ontslaan als er een klant wegviel.”

Captel blaast volgend jaar 40 kaarsjes uit en heeft intussen een trouwe klantenkring opgebouwd. De Franstalige dierenbescherming bijvoorbeeld is er al een kwarteeuw klant. In het weekend en ’s nachts beheert Dimmers’ bedrijf de noodoproepen voor een dierenambulance. Ze doen ook permanentie voor Techspace Aéro, tal van artsen en onderhoudsbedrijven die dag en nacht moeten klaarstaan.

Vijf jaar geleden kwam er echter een klant met een groot belvolume aankloppen, Lampiris. “Ik wou de bestaande structuur behouden en dezelfde structuur opnieuw opbouwen, alleen voor die klant”, vertelt de bazin. Dankzij Lampiris en andere nieuwe klanten groeide het personeel op 5 jaar tijd van 25 naar 110 werknemers.

Op haar lauweren rusten is er nog niet meteen bij. De self-made-woman heeft al een nieuw concept op poten gezet in het Spaanse Ibiza, waar een groot deel van haar familie woont. “Ik had een opleiding van enkele dagen gevolgd samen met mijn vennoot”, herinnert Dimmers zich. “Maar het was geen goede opleiding, het hotel was niet comfortabel, en het was echt rotweer… We telden de uren af voor we terug naar onze kinderen konden. Een goede opleiding, in combinatie met een verblijf waarbij je je contacten onderhoudt, kan nochtans erg nuttig zijn. Ik ken heel wat trainers en de 600 klanten van Captel kunnen allemaal wel een goede opleidingsplek gebruiken.” En zo opende afgelopen lente opleidingscentrum Can Basso de deuren, in een gerestaureerde hoeve op het platteland, op 10 minuutjes van het strand. Bijleren was nog nooit zo leuk!

 

Captel in cijfers

 

informatie

Captel
Rue Grétry, 50/96
B-4000 Liège
[email protected]
www.captel.be

Wellicht hebt u ze al gezien. Op alle denkbare plaatsen zet BHS Promotion displays vol flyers en mini-kaarten die je laten kennismaken met interessante plekken. Het netwerk bestrijkt de volledige Benelux en Frankrijk!

Jean-Yves Beeckman mag terecht trots zijn. In 18 jaar tijd is de afgevaardigd bestuurder van BHS Promotion erin geslaagd een uitgebreid netwerk voor affichering en culturele en toeristische promotie uit te bouwen. De displays van BHS zijn aanwezig op drukbezochte toeristische plekken in België, Frankrijk, het Groothertogdom Luxemburg en Nederland, en laten de bezoekers op een snelle manier kennismaken met andere interessante plekken.

Het uitgangspunt is heel eenvouding. Een toeristische bezienswaardigheid vestigt de aandacht op andere waardevolle plekken. Dat gaat zo. We hebben een bekende trekpleister als het Domein van de Grotten van Han. Daar komen jaarlijks duizenden bezoekers een kijkje nemen*. We plaatsen een display op een opvallende plek. En daarin stoppen we smaakvol promotiemateriaal. Daardoor heeft men meteen een bijzonder doeltreffend systeem om aan communicatie te doen. De bezienswaardigheden promoten elkaar en er is geen sprake van onderlinge concurrentie, want ze hebben dezelfde doelgroep voor ogen.

* Jaarlijks 265 000 à 400 000 bezoekers

“Het is voor iedereen een makkelijk medium,” zegt een tevreden Jean-Yves Beeckman, overigens een groot liefhebber van autoracen. “Vooreerst voor de bezoeker die snel een reeks ludieke ontspanningsmogelijkheden in de regio wil vinden (zoals musea, schouwburgen, eetgelegenheden, pretparken, hotels en campings). En vervolgens ook voor de adverteerders die zich tegen een concurrentiële prijs bekendmaken bij de juiste doelgroep, al heeft die al a priori belangstelling.”

Productlijn

In enkele jaren tijd hebben Jean-Yves Beeckman en zijn rechterhand Christophe Denis het aantal beschikbare communicatiedragers fiks uitgebreid: Wallonie Passion, Brussels Passion en Vlaanderen Passie voor de displays met brochures; Visite Passion voor de borden met mini-kaarten en Vison- Visu voor de affiches. “Men staat voor een display en kan een brochure meenemen,” leggen ze uit. “Maar daarnaast ook een mini-kaart. Maar zowel de brochure als de mini-kaart maakt promotie voor een bepaalde plaats.” Wat is dan het verschil? Welnu, de display is groter en staat op een toeristische plek, terwijl de kleinere borden met mini-kaarten veeleer te vinden zijn in hotels en restaurants. En, in tegenstelling tot de bezienswaardigheden, maakt een etablissement uiteraard geen reclame gemaakt voor een collega uit dezelfde categorie. Logisch, niet? Nog verschillen? De displays blijven het hele jaar staan, terwijl de borden alleen tijdens het zomerseizoen, van 1 april tot 1 oktober, aanwezig blijven (uitgezonderd in Brussel).

Daarnaast is BHS Promotion ook Vison- Visu, een professioneel affichenetwerk voor de promotie van culturele evenementen en voorstellingen in België, Nederland (Maastricht), Duitsland (Aachen), Noord- Frankrijk, de Rivièra en het Groothertogdom Luxemburg.

Zwitserland, Spanje en Canada in het vizier

BHS Promotion stelt alles in het werk om de productie van de diverse communicatiedragers eenvoudiger te maken. Zo neemt het bedrijf de lay-out, het drukwerk en uiteraard de verspreiding voor zijn rekening. De adverteerder kan ook een kortingsbon inlassen in de brochure, iets wat overigens vaak gebeurt. De plaatsen waar men de f lyers en mini-kaarten uitstalt, worden zorgvuldig geselecteerd. BHS promotion zorgt ervoor dat elke publieke communicatie van de opdrachtgever gebeurt in the right place at the right time.

Het principe lijkt te werken. Nemen we opnieuw het voorbeeld van de Grotten van Han, die op jaarbasis de beste resultaten laten optekenen. In zes maanden tijd keerden 2000 bezoekers terug, wat helemaal niet slecht is, toch? “We hopen dat we verder kunnen doorgaan op de ingeslagen weg,” verduidelijkt Jean-Yves Beeckman. “Er werden al contacten gelegd in Zwitserland, Spanje en Canada.” In dit verhaal mogen de nieuwe communicatietechnologieën uiteraard niet ontbreken, zoals blijkt uit de nieuw mobiele app Visite Passion die in zes talen gratis beschikbaar is in de App Store en op Google Play!

 

informatie

Wallonie Passion
Voie du Belvédère, 6 
B-4100 Seraing
+32 (0)4 231 30 33 
[email protected] 
www.bhs-promotion.com 
www.culture-promotion.com
www.vison-visu.com
www.zoomoa.be

Gevoelig maar vastberaden, eenvoudig en oprecht, dat is Jean-Luc Couchard ten voeten uit. Hij is een Waal in zijn hart en een Brusselaar in zijn hoofd, een echte levensgenieter, die ons een voorzichtige blik gunt achter de schermen.

U bent op 14 juli 1969 om 6.45 u geboren in Verviers en u bent een Kreeft, met ascendant Leeuw. Uw sterrenbeeld staat in het teken van het vuur. Dat maakt van u een gepassioneerd man, iemand met intuïtie, energie, moed, zelfvertrouwen en enthousiasme. U moet kunnen liefhebben om te begrijpen, voelen om te handelen… Klopt dat?
Jean-Luc Couchard — Ja, dat klopt behoorlijk. Ik ben gepassioneerd. In mijn job kan ik al op voorhand genieten van de scènes die ze me aanbieden. Ik volg mijn instinct, en stel me voor wat ik ga kunnen doen met het personage dat ik ga spelen. Ik heb twee kanten: water en vuur. Ik ben gevoelig, maar ik kan ook beslissen om me af te sluiten van negatieve emoties. Net zoals ik me op het juiste moment opnieuw kan openstellen voor al het goede.

U bent opgegroeid in de omgeving van Luik, in Dolhain.
JLC — Ja. Ik heb een gelukkige jeugd gehad. Mijn vader was postbode, mijn moeder zorgde voor haar 4 zonen. We speelden veel op straat met de andere kinderen. Ik heb ook bij de scouts gezeten. Op 11 jaar schreef en speelde ik komische sketches samen met een vriend. We lachten met de mensen van het dorp, met mijn vader de postbode, met de melkman… Maar het bleef altijd vriendelijk. Op 11,5 jaar heb ik me ingeschreven voor de academie en toen ik 14 was, wist ik dat ik van acteren mijn beroep wou maken. Omdat mijn ouders dat niet zagen zitten, heb ik eerst een opleiding als opvoeder gevolgd. Tijdens het laatste jaar ben ik dan begonnen aan mijn eerste jaar conservatorium in Luik. Ik ben nog tien jaar in Luik gebleven, en daarna ben ik verhuisd naar Brussel.

En waarom niet naar Parijs?
JLC — Ik ben dol op Brussel, ik voel me er goed, op mijn gemak. Ik ben er enorm goed ontvangen toen ik net aankwam. Ik heb er geen stress, en dat is niet het geval in Parijs, waar ik 3 maanden gewoond heb. En ik trek vaak op met Walen die in Brussel wonen, maar die uit dezelfde streek komen. Je vindt altijd wel mensen met wie het klikt.

In 2010 bent u tot ereburger van de stad Limburg gekroond. Hoe voelde dat?
JLC — Het was een fantastische bekroning voor het parcours dat ik heb afgelegd. Vooral de erkenning van mijn roots heeft me deugd gedaan.

Welk aspect van Wallonië mis je het meest?
JLC — Het groen, de Waalse landschappen, de feestelijke sfeer. Ook al bouwen ze in Brussel ook stevige feestjes!

Naar welke plek gaat u altijd terug als u in Wallonië komt?
JLC — Naar de stad Limburg, voor het historische centrum en de wallen. Het is zo’n romantische stad dat ik er al mijn vriendin netjes mee naartoe nam! (lacht) En er is het café ‘Chez Didier’, waar ze geweldige scotch van het vat hebben… Ik ga er graag met mijn vader aperitieven.

U bent te zien in een video die een grote hype was op internet: Ce que disent les Bruxellois (Wat de Brusselaars zeggen). Wat zou u zeggen als Waal?
JLC — Dat ik al tien jaar stapelgek ben op Brussel! Ik heb Waalse roots, maar ik voel me ook een Brusselaar.

We zien u vaak in komische films, maar u hebt ook op de planken gestaan met werk van grote auteurs als Bertolt Brecht, Molière en Shakespeare… Waar gaat uw voorkeur naar uit?
JLC — Ik laat de mensen graag lachen. Het is zo leuk om hen gelukkig te maken! Ik speel ook graag ernstige rollen, maar komedie blijft mijn grote liefde.

In films als Dikkenek en Il était une fois, une fois, speelde u een karikatuur van de typische Belg. Irritant of leuk om te doen?
JLC — Dat is heel leuk om te spelen, het is één grote grap! Echt een geschifte ervaring.

Hebt u er nooit aan gedacht om een onemanshow te doen?
JLC — Ik denk er wel aan, maar het is niet zo eenvoudig…

Schuilt er een verlegen kantje achter al die grappen?
JLC — Ja, absoluut. Tijdens mijn eerste castings in Parijs ging ik dood van de schrik. In de lagere school was ik heel verlegen. Het podium is het beste tegengif!

Welke stunt zou u wel willen doen om een rol te krijgen?
JLC — Pfff… Ik heb er al een paar gedaan, in een reclamefilmpje bijvoorbeeld. Van een balkon springen en op een matras landen!

Welk soort rol zou u graag eens spelen?
JLC — Een gevoelig, in zichzelf gekeerd personage. Ik zou graag in een kostuumfilm spelen, uit de jaren 20 of over de Eerste Wereldoorlog. Maar ze hebben me net gebeld voor de rol van ziekenhuischirurg in Marie Cury, een docudrama…

U hebt in de jury gezeteld van het Brussels Short Film Festival 2013. Ook uw eigen filmcarrière is uit de startblokken geschoten dankzij de festivals… Wat spreekt u aan in een kortfilm?
JLC — Het zijn korte en dus gebalde verhalen, een beetje als een novelle. De beste kortfilm is er een die niet bedoeld is om een langspeelfilm te zijn.

Welke acteurs ziet u graag spelen?
JLC — De Funès, De Niro… En ik hou van het lichtgeraakte kantje van Sean Penn.

Het is niet zo bekend, maar in 1989 startte u met een groepje, Les Slip’s. U zong en uw broer Philippe schreef de tekst. Het was een nogal apart, folkloristisch repertoire…
JLC — Ik schreef ook samen met mijn broer. Ik ben beginnen te zingen toen ik 17 was, in een ander groepje, de Gulf Stream. Het vormde een goed tegengewicht voor het conservatorium. Nadien ben ik bij Les Slip’s begonnen, maar na 15 jaar ben ik ermee gestopt. Ik vond dat we er niet meer de leeftijd voor hadden, ook al omdat het niet zo’n denderend succes was…

WORDT VERVOLGD!

Jean-Luc Couchard is een ‘smeerlap’. De acteur is te zien in het fraaie fotoboek ‘Les 50 Salopards’ van Rudy Lamboray (Uitgeverij Luc Pire)! De publicatie is voorzien voor november 2013.

Selectieve filmografie

Calvaire (2004)
Komma (2005)
Dikkenek (2006)
Taxi 4 (2007)
Les Barons (2009)
Rien à déclarer (2010)
Les tribulations d’une caissière (2010)
Mon pire cauchemar (2011)
Il était une fois une fois (2011)
Dead Man Talking (2012)
Couleur de peau : Miel (2012)

 

Marie Gillain

Niemand is haar vergeten! Marie Gillain was het eerste aanstormende filmtalent in Wallonië. Tweeëntwintig jaar geleden (inderdaad!) overweldigde de jonge Luikse de imposante Gérard Depardieu in Mon père ce héros. Dankzij het succes van die film kon de talentvolle Marie zich bewijzen in de betere Europese film. Dit jaar maakte ze haar grote comeback in de Belgische cinema met drie films. Zo schitterde ze deze zomer in de Belgische prent Landes, een productie van Alain Berliner.

In 2014 zal ze dan weer te zien zijn in Mirage d’Amour avec Fanfare van Hubert Toint en in Tu t’appelleras Jeanne van Anne-Marie Etienne.

SELECTIEVE FILMOGRAFIE

Mon père ce héros (1991)
L’appât (1995)
Le Bossu (1997)
Le Dîner (1998)
Le Dernier Harem (1999)
Absolument fabuleux (2001)
L’Enfer (2005)
Pars vite et reviens tard (2006)
Les Femmes de l’ombre (2008)
Coco avant Chanel (2008)
Landes (2013)

De mode van morgen

Allebei Luikenaars, allebei modeontwerpers en allebei finalisten van het Internationaal Festival van de Mode en de Fotografie in Hyères. Jean-Paul Lespagnard won de modeprijs in 2008. Pablo Henrard is een van de tien genomineerden van de editie 2014. Nog iets wat hen met elkaar verbindt: ze hebben alle twee een duidelijke ambitie, ze weten waar ze naartoe willen en ze hebben een nuchtere kijk op hun vak. Tijd voor een dubbelportret.

GALERIES LAFAYETTE, MAart 2014.

In tegenstelling tot vorig seizoen is Jean-Paul Lespagnard niet in Parijs om aan de pers zijn herfsten wintercollectie 2014-2015 voor te stellen. We spreken af bij Angelina, het vintage koffiehuis van de Galeries Lafayette. Jean-Paul voelt zich hier thuis. Een paar meter verder, in de Galerie des Galeries heeft hij carte blanche gekregen in de tentoonstellingsruimte van de vermaarde winkel aan de Boulevard Hausmann. Deze krankzinnige tentoonstelling, ‘Till we drop’, richtte al zijn schijnwerpers op deze extravagante maar aantrekkelijke Belgische ontwerper. De Belgische mayonaise heeft blijkbaar gepakt, als we mogen voortgaan op de meer dan tienduizend bezoekers.

De vroegere laureaat van het modefestival van Hyères wil het niet hebben over zijn tentoonstelling, ook niet over zijn bekroning in Hyères, nu zes jaar geleden. Wel over de nieuwe richting die hij wil inslaan met zijn merk. Drie seizoenen na zijn eerste Parijse presentatie heeft Lespagnard – niet voor het eerst besloten om een stapje opzij te zetten. “Ik wil komen tot een nieuwe, een meer rechtstreekse relatie tussen ontwerpers en kopers, en tussen ontwerpers en de media. Vanaf volgend seizoen stel ik in juni de stukken voor die in juli in de winkels geleverd worden,” legt hij uit. “Wat de collecties betreft, die zullen beperkt blijven tot pakketten van twintig stuks.”

Lespagnard wil naar eigen zeggen het ritme terugvinden dat overeenstemt met zijn ongeduldige temperament. Dus komt er meer tijd vrij voor zijn andere activiteiten. Culturele veelvraat die hij is, voelt hij zich evengoed op zijn gemak bij het uitwerken van een tentoonstelling van balletkostuums. Vorig jaar oktober heeft hij ook meegewerkt aan de wedergeboorte van het Théatre de Liège. Lespagnard ontwierp de kleren voor het zaalpersoneel. En binnenkort doet hij mee aan een 3D-film van de Zwitserse choreograaf Gilles Jobin. Hij ontwerpt ook tassen van het merk Eastpak, gewoon omdat hij die als jongere zelf ook droeg. “Als ik niet in een project geloof, doe ik niet mee,” vat hij samen. “Elke ontmoeting is belangrijk voor mij. Een samenwerking moet groeien.” Deze manier van handelen houdt hem niet tegen om op verschillende fronten bezig te zijn. Lespagnard is finalist van de volgende Woolmarkprijs. Dat belet hem niet, zonder zijn eigen merk opzij te schuiven, om nauwgezet de aanbiedingen te bekijken van alle jobs die hem worden voorgeschoteld als artistiek directeur. “Als ik een modehuis vind dat mijn waarden deelt, aarzel ik geen seconde om te tekenen.”

Ook wat zijn betrokkenheid betreft bij Mons 2015, zit hij niet stil. “Vooral omwille van de workshops die we gaan doen met kinderen,” voegt hij eraan toe. Op dezelfde manier heeft hij nog in maart een workshop geleid in het Parijse Palais de Tokyo: 400 kinderen op een middag. En de ontwerper geeft graag toe dat hij niet verlegen is ‘om hun ideeën in te pikken’. Heel normaal, vindt hijzelf: “Ik geef hen ook die van mij.” Deze eeuwige enthousiasteling, liefhebber van buitenlandse films, is zelfs een beetje Vlaming. De Luikenaar heeft immers, uitzonderlijk toch, een aantal jaar in Antwerpen gewoond. Lespagnard is ook een bewonderaar van de haute coutureontwerper Christian Lacroix, omdat die fris blijft en omdat hij het verschil blijft maken. Dankzij zijn dorst naar vernieuwing die hij altijd behouden heeft. Die karaktertrek hebben de twee ontwerpers gemeen met elkaar. De Belg Jean-Paul Lespagnard blijft een zoon van zijn geboortedorp Harzé, maar ook van Brussel, waar hij een vaste stek vond. Of van Europa, dat hij heel het jaar doorkruist. Een wereldburger, eigenlijk.

VILLA NOAILLES, ApRIL 2014.

Zes jaar na Lespagnard is Pablo Henrard finalist van het prestigieuze Internationaal Festival van de Mode en de Fotografie van Hyères. In 2013 studeerde hij af aan de modeacademie van La Cambre. Deze 23-jarige Luikenaar is hierheen gekomen om een prijs te pakken, uiteraard. Maar ook om zich te laten opmerken. Wat dat ‘opmerken’ betreft, dat valt best mee. Toen hij afstudeerde werd hij al opgemerkt door de aankoopster van het label Opening Ceremony. Dat is een conceptwinkel in Los Angeles, Londen en New York. Oprichters Carol Lim en Humberto Leon werden de coolste fashionistas ter wereld, vooraleer ze zich lieten verleiden om voor het Parijse modehuis Kenzo te gaan werken. Net dit duo zat afgelopen lente de jury voor op het festival van Hyères. Pablo Henrard heeft de eerste prijs uiteindelijk niet weggekaapt. Maar dat hij bij de finalisten was, is op zich al een enorme verdienste. Deze jongen uit de heuvels van Herve – Belgischer dan Belgisch – heeft er altijd van gedroomd om jurken te ontwerpen. Toch blijft hij verknocht aan zijn vlakke land.

 

Hij volgde stage bij de Belg Olivier Thyskens in New York, bij Jean-Paul Gaultier, de ontwerper die zich altijd al omringd heeft met Belgische medewerkers, en ook nog bij Jean-Paul Lespagnard. Henrard heeft geen minuut stilgezeten. Toen hij pas was afgestudeerd, werkte hij keihard voor Opening Ceremony en gooide zich daarna voluit op de wedstrijd van Hyères. Ook heeft hij een paar maanden in Parijs gewerkt in de studio van Cédric Char lier, ook al een vrucht van La Cambre. Hij onthoudt van zijn opleiding op zijn Belgisch, “een heel serene manier om naar je werk te kijken en een constante zoektocht naar eenvoud in elke creatie”. Eenvoud die, het moet gezegd worden, samengaat met een uitgesproken en onbeschroomde stijl. Pablo wil helemaal geen afstand nemen van zijn Waalse roots. Toch bekent hij dat hij niets liever doet dan over heel de wereld mode te blijven ontdekken. De verkoop van zijn eerste collectie bij Opening Ceremony maakte hem duidelijk hoe het financiële plaatje eruitziet in de textielwereld. Toch blijft hij de kaart trekken van een ethische verantwoorde productie. Net als andere Belgi sche ontwerpers zoals Natan en Jean-Paul Lespagnard laat hij zijn creaties maken in een atelier in Binche. Die zijn het gewoon om nauwkeurig te werken in kleine reeksen. Zijn authenticiteit en zijn zin om het in deze wereld te maken zijn de twee pijlers van zijn dualiteit. Een dualiteit die hij terugvindt tussen België en de rest van de wereld. 

www.villanoailles-hyeres.com

www.jeanpaullespagnard.com

www.pablohenrard.com

Your opinion counts