Waw magazine

Waw magazine

Menu
Image (62x44 OBLIGATOIRE !!): 
Image rose (taile : 62x44px OBLIGATOIRE): 

De straat is van iedereen

Met de app BetterStreet kunnen alle burgers, via hun smartphone, en de gemeenten, via een internetplatform, meewerken aan de manier waarop openbare ruimtes beheerd worden. Een nieuwe mentaliteit moet de traditionele gang van zaken doorbreken.

Jean-Marc Poncelet vindt het niet leuk dat hij beschouwd wordt als de aanvoerder van een hoop malcontenten die niets liever doen dan gemeenten te overstelpen met hun aanmerkingen. Die beschuldiging gaat helemaal voorbij aan de echte bedoeling van zijn site BetterStreet, namelijk dat elke burger mee verantwoordelijk is voor het beheer van de openbare ruimtes van zijn gemeente. Alles is begonnen met een blijk van burgerzin en met de ontwikkeling van de nieuwe mogelijkheden van digitale communicatie. Als hij door de straten van Anderlecht en Brussel wandelde, kon Jean-Marc Poncelet het niet nalaten om foto’s te nemen van de verloedering die hij op zijn weg tegenkwam. De volgende stap was dan het inschakelen van sociale media om er ook wat aan te doen.

Het kan toch zo simpel zijn

Poncelet is van opleiding handelsingenieur. Nadat hij tien jaar lang marketingmanager bij Belgacom Proximus was geweest, ging hij op zoek naar nieuwe uitdagingen. Tijdens een weekend voor start-ups in Luik geraakt hij overtuigd van een in essentie heel eenvoudig idee.

Dankzij een app die je gratis kan downloaden via App Store of Google play, kan iedereen aan de overheid laten weten dat er iets mis is in een straat. Putten in de weg, een kapotte schommel op het speelplein, een bord dat omgevallen is of een geval van sluikstorten. De app is ontwikkeld in het kader van Nest’up. “Als je dat soort incidenten vroeger telefonisch meldde aan de gemeente, was je nooit zeker dat die informatie terechtkwam bij de juiste persoon. Als dat al zo was, moest de gemeente eerst iemand sturen om te zien waar het probleem zich voordeed en wat er aan gedaan moest worden. Heel veel tijdverlies dus en niet efficiënt. Tussen de melding en een oplossing ging zoveel tijd verloren.”

Met BetterStreet stuur je zowel een foto door van het probleem als de precieze locatie. Als die informatie in het systeem wordt ingevoerd, komt ze automatisch terecht bij de juiste persoon. Tegelijkertijd blijft de persoon die het probleem heeft aangekaart op de hoogte van de stand van zaken van zijn melding. Voor de gemeente is het platform een boordtabel van uit te voeren werken, die telkens opnieuw wordt bijgewerkt. “Uiteraard is het niet de bedoeling dat de burgers die werken zelf organiseren. Maar het systeem maakt het mogelijk dat de gemeenten op een efficiëntere manier het onderhoud organiseren van de openbare ruimte. En dat is in het belang van iedereen. We hebben vastgesteld dat als de gemeenten over correcte informatie beschikken, ze dan redelijk goed en snel werk leveren.”

Alle veranderingen zijn in het begin wat moeilijk. Jean-Marc Poncelet is dus op nogal wat weerstand gestuit, behalve bij die mensen die op digitaal vlak al wat mee waren. De minder enthousiaste gemeenten waren vooral bang dat ze in gebreke zouden gesteld worden of dat ze overspoeld zouden worden met ongefundeerde aanvragen die ze onmogelijk zouden kunnen opvolgen. Maar binnenkort filtert een moderator alle ongepaste opmerkingen uit het systeem. BetterStreet zal hoe dan ook niet dienen om aangifte te doen van het illegale tuinhuisje van de buurman, of van zijn bomen die het zonlicht tegenhouden. “We stellen vast dat 98% van de meldingen die op het platform binnenlopen, problemen zijn die er echt toe doen en die de gemeente sowieso zou hebben moeten oplossen,” vertelt de bedenker.

Hulp gevraagd

De minder enthousiaste gemeenten waren vooral bang dat ze in gebreke zouden gesteld worden of dat ze overspoeld zouden worden met ongefundeerde aanvragen die ze onmogelijk zouden kunnen opvolgen. Maar binnenkort filtert een moderator alle ongepaste opmerkingen uit het systeem.

Momenteel hebben vier Waalse gemeenten – Waremme, Ter Hulpen, Crisnée en Olne deze tool al geïntegreerd in hun systeem om werkzaamheden te organiseren.

BetterStreet is in Borgworm sinds 1 maart toegankelijk voor de bevolking. In het begin heeft de gemeente het personeel opgeleid en zijn ze begonnen met de projecten die doorgaans behandeld werden door de dienst voor openbare werken. In een tweede fase is daar het beheer van de openbare gebouwen bijgekomen. Volgens Hervé Rigot, de vroegere schepen van openbare werken van Waremme, “maakt dit instrument het mogelijk om een rechtstreekse relatie aan te knopen met de burger. Dat is belangrijk, in een tijd waarin de mensen zich meer en meer betrokken willen voelen.” De vrees voor te veel werk of een te moeilijke behandeling werden snel van tafel geveegd. “Als de software aangepast is, volstaan tien minuten om het systeem onder de knie te krijgen.” Het is net die eenvoud die van BetterStreet een uniek instrument maakt voor alle werkzaamheden in een gemeente. Of het nu het gevolg is van een interne beslissing, of op vraag van de burgers. De overvloed aan aanvragen waarvoor sommigen vreesden is er niet gekomen. “We krijgen niet meer aanvragen binnen dan vroeger. Over het algemeen zijn het nog steeds dezelfden van wie de meldingen binnenkomen,” vervolgt de schepen. “Maar het is alleen het instrument dat anders is.” Via de website van de gemeente kan iedereen nu ook rechtstreeks volgen hoe de werken vorderen. BetterStreet staat daardoor ook voor transparantie. “We hebben een ploeg van 35 werklui, maar die kunnen niet overal op hetzelfde moment zijn. De burgers kunnen nu zien waar ze precies aan het werk zijn. Nog een voordeel is dat er nu ook veel sneller gereageerd wordt. Vooral als het gaat om sluikstorten, want dat blijft de grootste gesel. Vroeger duurde het soms lang vooraleer we daarvan op de hoogte waren. We hebben dus echt wel onze burgers nodig, die ons helpen om sneller te reageren.”

BetterStreet is een eenvoudig systeem dat ook in min of meer dezelfde vorm in andere landen werkt. “Het is niet ongewoon dat dit soort concepten op hetzelfde moment op verschillende plaatsen de kop opsteekt. Dat heeft te maken met een evolutie op het vlak van technologie en mentaliteit.” Jean-Marc Poncelet heeft hoe dan ook de ambitie om ook buiten Wallonië aan de slag te gaan. Hij denkt dan vooral aan Vlaanderen, maar ook in Noord-Frankrijk heeft hij al contacten gelegd.

De tool zal waarschijnlijk nog evolueren, maar momenteel is er niet veel speling. Het belangrijkste is dat de betrokkenheid van de burgers nog moet groeien. De betrokken gemeenten hebben de mogelijkheid al voorzien om via een PC in het systeem te geraken en het gemeentepersoneel voert ook al de oproepen in die ze telefonisch binnen krijgen. “Het is een degelijk systeem,” besluit Jean-Marc Poncelet. “De transparantie is zowel voor de burger als voor de gemeente een pluspunt, want hoe groter de participatie, hoe groter de efficiëntie.

www.betterstreet.org

Het was al zo vaak aangekondigd, al zo dikwijls uitgesteld, maar de renovatie van de merkwaardige zeventiende-eeuwse Omaliushoeve schiet eindelijk uit de startblokken. Tot grote vreugde van de meerderheid binnen het gemeentebestuur, die al zowat vijftien jaar achter dit project staat.

De werken zouden moeten aanvangen eind 2014. Dit is het laatste hoofdstuk van een verhaal vol verwikkelingen. De verbouwing van de boerderij heeft de gemoederen binnen de gemeenteraad geregeld hoog doen oplaaien. “Er blijven er niet veel meer over die alle stadia van dit dossier hebben meegemaakt,” lacht Francis Hourant, schepen van openbare werken. Het gebouw uit de 17de eeuw, dat bijna helemaal beschermd is, werd in 1999 aangekocht door het Instituut voor het Waalse Erfgoed. Vanaf 2016 zullen de nieuwe gemeentediensten worden ondergebracht in een van de vleugels. In de drie andere komen luxewoningen. De vernieuwde boerderij zal dan grenzen aan een ander gerestaureerd gebouw, de boerderij Saint-Laurent, waarin al 19 sociale woningen zijn ondergebracht.

“We proberen nu al meer dan vijftien jaar die Omaliushoeve nieuw leven in te blazen. Een gezondheidswandeling is het zeker niet geweest, maar we zien nu toch licht aan het einde van de tunnel”, zucht de schepen. Door de omvang van de werken stonden de investeerders niet meteen te springen om zo’n project aan te pakken. In het begin van deze eeuw waren er plannen om hier gîtes, een restaurant en winkels te maken, maar de bouwpromotor kon daarvoor niet genoeg geld bijeen krijgen. Uiteindelijk werd het een publiek-private samenwerking, gesteund door subsidies van de Waalse overheid, die de renovatie tot een goed einde moet brengen. Het prijskaartje wordt geschat op meer dan € 10 miljoen. “We werken met het architectenbureau Garcia en met het bouwbedrijf Thomas & Pirron voor het woongedeelte, dat nieuwe bewoners moet aantrekken en zo mee kan zorgen voor een heropleving van het dorpscentrum. Na het kasteel van de Avouerie en de boerderij Saint-Laurent maakt de restauratie van Omalius deel uit van de opwaardering van ons erfgoed.” Een uniek dossier dus, waarbij de gemeentediensten uit hun uitgewoonde, te krappe lokalen verhuizen naar een authentiekere bestemming. De oppositie wou een nieuw gebouw optrekken om er de werknemers van de gemeente onder te brengen, met het argument dat het goedkoper zou zijn voor de gemeentekas. “Op papier is deze renovatie inderdaad duurder, maar soms moet je wat verder durven te kijken”, argumenteert Francis Hourant. “Met deze aanpassing van een bestaand gebouw restaureren we een uitzonderlijke plek, wat een bijkomend toeristisch argument is. Maar daarenboven zorgen we op termijn voor extra inkomsten op gebied van onroerende voorheffing en personenbelasting. En door nieuwe bewoners aan te trekken zal de economische activiteit in deze wijk ook opnieuw opleven.” Nieuwe winkels, een kindercrèche en een groot saneringsproject met de focus op biodiversiteit zijn het onmiddellijke gevolg van dit omvangrijke project. Anthisnes ligt midden in de Condroz en vleit zich tegen de oevers van de Ourthe aan.

 

“We proberen nu al meer dan vijftien jaar die Omaliushoeve nieuw leven in te blazen. Een gezondheidswandeling is het zeker niet geweest, maar we zien nu toch licht aan het einde van de tunnel.”


Het dankt zijn faam aan de ontginning van steen en graniet, vanaf de middeleeuwen tot het hoogtepunt aan het begin van de 20ste eeuw. De zuilen van de Fragnéebrug en het grote postgebouw in Luik, en zelfs de triomfboog van het Jubelpark in Brussel zijn opgetrokken in steen van Anthisnes. Maar de steennijverheid is in verval geraakt en er zijn nu maar drie groeves meer open. Anthisnes, met meer dan 4.000 inwoners, wil geen slaapstad zijn, weggedrukt in zijn verleden. Men wil hier nieuwe mensen aantrekken, waarbij ingezet wordt op zijn erfgoed, maar vooral op zijn verenigingsleven, zijn scholen, zijn identiteit. “Je mag dit project niet zien als een zoveelste renovatie van een rijk erfgoed. Het achterliggende idee is veeleer een stap naar een duurzame en sociale ontwikkeling, waarbij jong en oud samenleven, waar de sociale cohesie versterkt wordt en waar op die manier nieuw leven wordt ingeblazen in het gevoelige punt van de gemeente”, besluit Francis Hourant.  

Een zijsprong van drie maanden heeft alles veranderd in haar leven, als vrouw en als schilder. Een ontmoeting.

Haar moeder maakte collages, schilderde en etste. Ook haar vader was plastisch kunstenaar, en de invloed van haar ouders heeft haar ook in de kunst gesleurd. Zij drukte haar gravures door haar eigen lichaam als gewicht te gebruiken op een stapel telefoonboeken. Vreemd genoeg blijkt deze atypische techniek voor Sofie de eerste stap te zijn van ‘lichaam aan het werk’. Dat zal uiteindelijk de rode draad worden in haar artistieke parcours. Vanaf haar veertiende studeert ze schilderkunst, etsen en drukkunst aan de Academie voor Schone Kunsten in Luik. Ze is lid van het collectief ‘La Poupée d’Encre’ en geeft les en assisteert in graveerkunst aan het Sint-Lukasinstituut. Die job, zo zegt Sofie, zorgt voor zuurstof te midden van een intens en fascinerend autobiografisch oeuvre. Op dit punt in haar carrière denkt ze erover na om definitief te stoppen met haar erg persoonlijk werk, om zich in de plaats daarvan te richten op thema’s die niet zo dicht bij haar eigen leven staan. Maar ze had geen rekening gehouden met die zijsprong van 90 dagen. Een pauze die de spelregels helemaal veranderd heeft, net als haar werkritme en haar zin voor prioriteiten.

Drie maanden voor het leven

In oktober 2012 bevalt Sofie Vangor van een premature tweeling. Zes maanden daarvoor, toen ze vaststelde dat ze zwanger was, had ze net een tentoonstelling gehad in het Museum voor Schone Kunsten in Luik. Het onderwerp van die tentoonstelling was de dood van haar zus, die op 17-jarige leeftijd overleed. Sofie beschouwde deze reeks heel persoonlijke werken als een eindpunt van haar autobiografische werk. Maar haar zwangerschap eindigde vroeger dan verwacht. Drie maanden te vroeg zelfs. Alles verandert als ze naar het klooster gaat. Het klooster van Saint-Vincent, naast het ziekenhuis van Rocourt, waar ze van haar tweeling zal bevallen. Van de ene dag op de andere komt Sofie terecht in een onbekende wereld, ver weg van haar leven als kunstenares. Nu gaat het om een gevecht voor het leven van haar kinderen. Die strijd laat haar noch de tijd, noch de energie om kunst te maken. Toch houdt ze schriftjes bij, waarin ze alles neerpent over die zijsprong die 90 dagen zal duren. 90 dagen die ze letterlijk huid tegen huid zal doorbrengen met haar kinderen.

WAT IS ‘HUID TEGEN HUID’?
De kraamafdeling van Bogota, afdeling neonatologie, 1978. Om het gebrek aan middelen op zijn afdeling op te vangen, besluit dokter Edgar Rey Sanabria om de vroeggeboren baby’s dicht tegen het lichaam van hun ouders te plaatsen. Zo krijgen ze de lichaamswarmte van 37 graden waarin ze verbleven in de moederbuik. Met deze huid-tegenhuidtechniek wordt ook het tekort aan aff ectie opgevangen van deze kleine, tere wezentjes. Zelfs in 2014 heeft deze techniek nog niet de media-aandacht gekregen die hij verdient. Nochtans zijn de voordelen zowel voor de kinderen als voor de ouders wetenschappelijk bewezen.

 

Twee jaar later

Voor Sofie was deze tentoonstelling niet vanzelfsprekend. Haar schriftjes waren uiteindelijk maar getuigenissen. De kern van het werk, het concept, het materiaal, drongen zich aan haar op als een morele verplichting. Toen ze de afdeling neonatologie mocht verlaten, besefte Sofie Vangor dat wat ze meegemaakt had, zo intiem en zo aangrijpend was, dat het met geen woorden te bevatten was. Het gebrek aan mediabelangstelling, vooral ter gelegenheid van de jaarlijkse dag van de vroeggeboorte op 17 november, doet haar in gang schieten. Als kunstenares, als moeder en ook als vrouw. De werktitel van deze tentoonstelling is aanvankelijk ‘Oorlogszusters’. Ze wil die niet alleen organiseren, maar samen met haar ‘zusters’ in de strijd, de andere vrouwen die ze tijdens haar avontuur ontmoet heeft. Dat de meesten van hen geen kunstenaars zijn, maakt het resultaat alleen maar interessanter.

Universele vragen

Sofie Vangor heeft aan die moeders niet gevraagd om te tekenen of te schilderen, maar om zich uit te drukken in hun eigen taal, om hun persoonlijke visie op hun ervaring te geven. Gemodelleerd op haar eigen parcours dat haar leidde van gravure over schrift tot textiel, heeft ze deze vrouwen een ongelimiteerd vrij podium aangeboden. De vragen die hier gesteld worden zijn universeler dan alleen maar gekoppeld aan hun eigen ervaringen. Hoe bereid ik me voor op een geboorte? Hoe hou ik rekening met het onvoorspelbare en hoe bereid ik me daar op voor? Hoe geraak ik hier door? Hoe kom ik hiervan terug? Hoe kan ik mijn ervaringen delen, hoe denk ik erover na? Al die vragen hebben een tentoonstelling tot stand gebracht die schilderijen, gravures, borduurwerk en video’s van Sofie Vangor vermengt met installaties van andere vrouwen.

 

Inlichtingen

http://sofievangor.blogspot.be

Hij is al dertig jaar ontwerper voor beroemdheden zoals Sharon Stone, Mickey Rourke en Amélie Nothomb. Hij ontwierp hoofddeksels voor tal van gekroonde hoofden. Elvis Pompilio, Luikenaar van Italiaanse afkomst, schakelt nog een tandje bij: hij gaat kostuums ontwerpen voor een opera en ook nog eens een tafel voor San Pellegrino. Een portret van een Waalse ondernemer met veel petten op.

Waar komt uw voornaam, Elvis, vandaan?
E.P.
— Toen ik geboren werd, was mijn moeder 42 en mijn zussen waren al tieners. Een van hen was fan van Elvis Presley. Nog een geluk dat ze me niet naar Fernandel vernoemd hebben.

Ook Elvis hield van hoeden.
E.P.
— Meer nog van petten, vooral militaire.

Als we zien hoe u werkt, valt ons aan de ene kant de volledige controle op over het hele proces, maar aan de andere kant werkt u heel veel samen
E.P.
— Het een kan niet zonder het ander. Om in de modewereld gerespecteerd te worden, moet je je eigen stijl ontwikkelen. Maar als je gevraagd wordt door Chanel of Véronique Branquinho, moet je minstens op hun niveau staan. Werken met de allergrootsten vind ik een echte uitdaging. Zeker in het begin, als dit soort ervaringen nog stressvol is, maar ook boeiend.

Zorgt zo’n samenwerking voor veel nieuwe ideeën?
E.P.
— Eerder op het vlak van persoonlijke relaties. Dat geldt ook voor de relatie met mijn klanten. Elk van hen is verschillend en ik kan hen niet allemaal op dezelfde manier ontvangen. Uiteindelijk, of het nu gaat om een evenement, de vorm van een kledingstuk of een modeshow, het belangrijkste is dat je je werk goed doet.
In de mode vormen hoeden een apart vak. Als ik hoofddeksels ontwerp, wil ik me niet beperken tot één doelgroep: hoeden voor kinderen, voor klassieke of trendy mensen, wintermutsen… Ik ken geen grenzen. Er zijn ontwerpers die alleen maar hoeden maken voor huwelijken, maar mij interesseert dat niet.

Bent u bevriend met andere hoedenontwerpers?
E.P.
— Nee. In de modewereld ontmoeten we elkaar niet zo vaak. Tenzij bij een of andere samenwerking. De mensen werken hard. Er zijn wel feesten waar we elkaar ontmoeten, maar dat wil niet zeggen dat we vrienden zijn.

Wat is voor u het belangrijkste: een hoed ontwerpen voor Madonna of voor koningin Mathilde?
E.P.
— Ze zijn allebei goede ambassadrices voor mijn vak. Al wil ik niet alleen voor sterren of prinsessen ontwerpen. Laten we zeggen dat die twee beroemdheden het me mogelijk gemaakt hebben om mijn horizon te verruimen. Ik hou ervan om de ene dag een hoed te ontwerpen voor een baby van een half jaar en de volgende dag voor een mevrouw van 102. Ik hou van afwisseling. Voor sommigen is een hoed maken voor Madonna een schan-de omdat ze vulgair overkomt. Voor anderen getuigt de creatie van een hoed voor de koningin van slechte smaak. In mijn ogen is er geen verschil. Ik beschouw het als een beloning dat ik hoeden mag maken voor mensen die wereldberoemd zijn, die veel reizen en die overal binnenkomen.

Een goede relatie is de sleutel…
E.P.
— Natuurlijk. Elke persoon is belangrijk. Over het algemeen verloopt alles altijd goed. Ik ben nogal gemakkelijk en open, ik hou van alle soorten mensen en ik pas me aan elke situatie aan. Gelukkig maar, want in dit beroep moet je mondain zijn, maar niet meteen fan worden van wie dan ook.

“In de mode vormen hoeden een apart vak. Als ik hoofddeksels ontwerp, wil ik me niet beperken tot één doelgroep: hoeden voor kinderen, voor klassieke of trendy mensen, wintermutsen… Ik ken geen grenzen. Er zijn ontwerpers die alleen maar hoeden maken voor huwelijken, maar mij interesseert dat niet.”

 

Is er een verband tussen een hoedenmaker en een kapper?
E.P.
— Ze werken allebei rond het hoofd, met dit verschil dat je een hoed kan afzetten, waardoor je snel van look verandert. Een kort kapsel vereist geduld. Omdat je een hoed kan afnemen als je dat wilt, voel je je vrijer. Maar het klopt dat een hoofddeksel iets mysterieus heeft en zelfs nog in 2014 iets intimiderends. Ik heb dat sinds het begin van mijn carrière gemerkt, toen de mensen nog veel minder gewend waren een hoed te dragen dan vandaag. Laten we zeggen dat ik ze een beetje in de mode heb gebracht.

Is het hoofd een intieme plek van het lichaam?
E.P.
— Nee. De mensen laten hun hoofd zien en ze kunnen het niet verbergen.

Toch raakt een hoedenmaker het hoofd aan, net zoals een kapper.
E.P.
— Ja, maar als de mensen bij mij komen praat ik met hen, ik stel ze op hun gemak. Want een hoed blijft iets ongewoons en men aarzelt toch wat. Maar over het algemeen zijn mijn klanten al gewend aan hoeden, ze durven meer, ze zijn opener.

Moet je koppig zijn als hoedenmaker?
E.P.
— Hoeden maken en hoeden maken is twee. Ikzelf maak hoofddeksels. Een hoed maken betekent voor mij uit het niets een vorm ontwerpen die past bij een klant. Elke fase is belangrijk. Vanaf de creatie over de zorg en zelfs hoe de media reageren. Je moet alles in de hand houden. Om een bekende en erkende hoedenmaker te zijn, moet je inderdaad een beetje ‘koppig’ zijn. Maar goed, dat is zo in elk beroep.
Aan de andere kant kan je ook een kleine buurthoedenmaker zijn – let op, ik heb daar enorm veel respect voor – je koopt je basismateriaal en zet er wat fruit op. Zoiets is natuurlijk niet zo veeleisend op elk niveau.

Als je internationaal bekend bent, over heel de wereld verkoopt en je hebt overal winkels, dan gaat daar toch enorm veel werk in zitten.
E.P.
— Klopt. Ikzelf presenteer collecties waarmee je niet te vroeg maar ook niet te laat mag komen. Ze moeten er op het juiste moment zijn, en je moet voldoende voorraad hebben. Elke nieuwe collectie is telkens weer een risico: je kan je vergissen of net die dingen maken die in de smaak vallen. Echt ontwerpen wil zeggen dat je nooit trends volgt.

U heeft net ook kostuums ontworpen voor een openluchtopera, La Bohème van Puccini. Uw werkterrein wordt nog uitgebreider.
E.P.
— Ik was op dat gebied niet aan mijn proefstuk toe. Maar elke keer als ik een modedefilé opzette, en dat zijn er al heel wat, heb ik altijd de kleren en accessoires ontworpen die bij de hoeden pasten. Voor het grote publiek is dat misschien nieuw, maar ik heb altijd objecten en kleren gemaakt om als accessoires te dienen voor mijn hoeden.

Maar het centrale thema blijft de hoed?
E.P.
— Dat is uiteindelijk wat ik het beste kan. Daarin kan ik me het meest onderscheiden van andere ontwerpers en kan ik me volledig uitdrukken.

Elvis Pompilio, het eenmansorkest?
E.P.
— Ja, vooral op het vlak van de promotie van mijn producten. Laten we zeggen dat je een beetje van alles moet zijn: man van de wereld, psycholoog, harde werker. Dit beroep vergt veel kwaliteiten en ik zeg dat zonder overdrijven, want ik heb het niet over mezelf in het bijzonder.

“Natuurlijk. Luikenaars zijn Belgen op z’n Frans, minder Germaans dan de Vlamingen, met een Franse geest, revolutionair en anarchistisch. Dat is ook de reden waarom men hier nogal wat verrassende dingen durft te presenteren, met kunstenaars als Jacques Lizène of Jacques Charlier.”

 

Bent u een Italiaanse Luikenaar of een Luikenaar van Italiaanse afkomst?
E.P.
— Ik ben een Italiaan van Luik. Mijn familie is afkomstig uit de Abruzzen, om precies te zijn uit Pescara, een stad die op dezelfde hoogte ligt als Rome. Pompilio is trouwens een Romeinse naam die afgeleid is van Numa Pompilius, de tweede koning van Rome na Romulus.
Maar eigenlijk interesseren nationaliteiten of religies mij niet. Ik ben wat dat betreft een individualist en ik hou iedereen te vriend. Ik hecht dus niet veel belang aan identiteit. Maar het klopt, ik heb nog altijd een Italiaans paspoort, maar ik ben van Luik.

Een stad met een nogal anarchistische traditie. Heeft u dat beïnvloed?
E.P. — Natuurlijk. Luikenaars zijn Belgen op z’n Frans, minder Germaans dan de Vlamingen, met een Franse geest, revolutionair en anarchistisch. Dat is ook de reden waarom men hier nogal wat verrassende dingen durft te presenteren, met kunstenaars als Jacques Lizène of Jacques Charlier. Het surrealisme is Belgisch, maar niet uitsluitend Brussels. Ik heb veel in Vlaanderen gewerkt en ik durf te zeggen dat er uiteindelijk niet zoveel verschillen zijn tussen die twee gemeenschappen. Walen zijn spontaner, lachen meer, stellen zich sneller open. In Vlaanderen gaat dat stapje voor stapje. Eerst leren kennen, rustig aan doen. Maar uiteindelijk lachen Vlamingen net zo hard.

U bent trouwens een Luikenaar die in Brussel woont. Dat zie je niet vaak.
E.P. — Ja, ik ben gek op Luik en ik ben blij dat ik daar ben opgegroeid, dat ik er gestudeerd heb en dat ik er op mijn 24ste vertrokken ben. Om te doen wat ik wilde, moest ik naar Brussel uitwijken om overal dichter bij te zijn. Hier klopt het hart van de mode, meer nog dan in Antwerpen. De hoofdstad biedt een etalage op de wereld en ziet er dankzij Europa en die mengelmoes van nationaliteiten ook meer uit als een wereldstad. Dat gezegd hebbende, is de reputatie van Luik als passievolle stad zeker waar.

In Luik heerste vroeger een prins-bisschop. Heeft de hoed een katholieke oorsprong of heeft het meer te maken met macht?
E.P. — Aanvankelijk meer met macht, maar het heeft met allebei te maken, met de kerk en met de macht. Je mag trouwens nog steeds niet een kerk binnen met een hoed op. Maar eigenlijk hou ik me niet echt bezig met dat soort zaken.

Dacht u aan Magritte toen u hoeden begon te ontwerpen?
E.P.
— Ik heb plastische kunst en kunstgeschiedenis gestudeerd. Maar ik heb nooit aan één artiest in het bijzonder gedacht. Het surrealisme in het algemeen heeft me meer beïnvloed dan een bepaalde kunstenaar. En het is niet zo dat als er een hoed op een schilderij staat, me dat meer aantrekt dan een landschap. Ik probeer me niet te laten inspireren door bestaande zaken. Uiteraard zullen er verwijzingen zijn die altijd terugkeren in mijn werk, maar dat is dan onbewust.

Elvis Pompilio heeft kostuums ontworpen voor de opera La Bohème van Puccini, in het kader van een reeks openluchtopera’s, georganiseerd door de vereniging ‘Opéra pour tous’. In de zomer werden ze opgevoerd in het Prinsbisschoppelijk Paleis in Luik, in het kasteel van Bois-Seigneur- Isaac in Braine-l’Alleud en in het kasteel van Ooidonk in Oost-Vlaanderen.
www.operamobile.be

 

U staat aan het hoofd van een KMO. Denkt u dat dit de toekomst is voor Wallonië?
E.P.
— Ik hoop het, want wat blijft er anders nog over? Mensen moeten zich in beweging zetten en dit soort initiatieven nemen door KMO’s op te richten en opnieuw waarde te hechten aan bepaalde beroepen waarvan je de producten zowel in warenhuizen als op meer ambachtelijk vlak vindt. En waarvan de productie niet noodzakelijk duurder hoeft uit te vallen dan zaken die industrieel of massaal in het buitenland gemaakt zijn. Het is belangrijk om de geest te bewaren van kleine bedrijven en van het ambachtelijke.

Heeft u de indruk dat deze vorm van ondernemen aan het terugkomen is?
E.P.
— Die is nooit weggeweest, vooral dankzij Italiaanse en Portugese migranten die hier zijn komen wonen. Dit is in Italië de meest voorkomende bedrijfsvorm. Je ziet de toekomst van Europa in dit soort ondernemingen. Wat rest ons nog? Cultuur en wat mooie stenen? Het zijn dat soort verschillende initiatieven en die kwaliteit die we moeten nastreven.

Een aantal van uw werken staat in musea: Musée Grevin, het Modemuseum in Parijs. Is dat een bekroning en bestaat het gevaar niet dat zoiets verstarrend werkt?
E.P.
— Dat klopt allebei. Voor mij is het belangrijk dat de dingen blijven leven. Een hoed leeft alleen maar als hij gedragen wordt. Desondanks moet je wel aanwezig zijn in musea, want dat is een bekroning. Maar het is geen doel op zich. Net zoals de Leopoldsorde opgespeld krijgen. Dat is bevredigend, maar het verandert niets.

U werkt met beelden, met design en stijl. Welke definitie van Wallonië zou u op dat vlak geven?
E.P.
— In Wallonië zetten veel mensen zich af tegen de massa. Ze maken mooie dingen en ze zijn misschien minder arrogant dan elders, of ze nu wafels maken of hoeden. Het zijn geen opscheppers, maar misschien verkopen ze zichzelf niet genoeg.
Het verouderde beeld verdwijnt. Steden spannen zich in om iets moois en vernieuwends neer te zetten, zoals Luik met het Guilleminsstation. En het is maar goed ook dat het stadsbeeld evolueert. Dat bewijst dat er zaken in beweging zijn, dat er een wil is om te veranderen.

Bio Express

1961  Hij wordt geboren in Luik.

1987  Opening van zijn eerste atelier in Brussel, waar hij ontwerpt voor de modeshows van grote namen als Dior en Valentino.

1990 — Opening van zijn eerste boetiek in het centrum van Brussel. Later opent hij ook nog winkels in Antwerpen, Parijs en Londen. Zijn creaties worden eveneens verkocht in de Verenigde Staten en Japan.

2005  Elvis Pompilio eindigt op de 84ste plaats van de RTBF-uitzending ‘Le plus grand Belge’ (De grootste Belg).

2014  Elvis Pompilio ontwerpt de kostuums voor de opera La Bohème.

 

Inlichtingen

 

www.elvispompilio.com

Videos

Of we hem nu een mentor, coach, verbinder, redenaar, trainer, gids of Jedi noemen… Fred Colantonio is iemand die, toen hem de schellen van de ogen vielen, de grootsheid van de mens en de overvloed aan onontgonnen mogelijkheden zag.

Een uur in zijn gezelschap geeft je meteen energie maar ook vertrouwen in jezelf, in je bedrijf en in alles wat je doet. Hij laat je luisteren naar je eigen wensen en geeft je de kracht om ze waar te maken. Hij is als een aspirientje dat je hoofdpijn verlicht en je kalmeert. Hij is als een glas vers sinaasappelsap dat je energie geeft voor de rest van de dag. Hij is dat vleugje zuurstof dat je helpt om even op adem te komen waardoor je een pauze durft in te lassen in je beroepsleven en je op een andere manier naar jezelf durft te kijken. Deze inspirator is 36 jaar en tegenwoordig consultant, congresspreker en auteur van verschillende boeken over internet, marketing en relationele strategieën. Zijn laatste lezingen over de mentaliteit van winnaars zijn gepubliceerd onder de titel L’attitude des Héros (De houding van de helden). Ze zijn het resultaat van zeven jaar bezinning en een regelrechte hit. Zijn boeken Inspiration en Action (de eerste twee delen van een trilogie) zijn bestsellers. Daarin toont hij aan dat carrières van buitengewone mensen zoals Steve Jobs, Richard Branson of Oprah Winfrey voor iedereen bereikbaar zijn. Fred Colantonio doorkruist heel België en geeft lezingen in Frankrijk, Kroatië en Portugal om over zijn ervaringen te vertellen en ze te delen met een ieder die zichzelf wil overstijgen en ten volle wil leven.

Een routineus of een gepassioneerd leven

Sommige gebeurtenissen of dingen die we hebben meegemaakt, hoe klein ook, beïnvloeden een belangrijk deel van ons leven. We kunnen gemotiveerd raken door onze passies, door inspirerende mensen die we ontmoeten, of door toevalligheden (waar Fred overigens niet in gelooft) die later vanzelfsprekend lijken. Het leven van Fred Colantonio zit er vol mee. In 1996 gaat hij criminologie studeren aan de rechtsfaculteit van de Luikse Universiteit. Hetzelfde jaar dat e-mail zijn intrede doet in de academische wereld. Wellicht een detail. Of niet, natuurlijk. Hij komt uit een arbeidersgezin en combineert studeren met een studentenbaan in een grote winkel om zo een deel van zijn studie te bekostigen. “Die baan aan de kassa was sociologisch gezien heel interessant. Toen al bestudeerde ik het menselijke gedrag, zonder dat ik me daarvan bewust was”, vertelt Fred. Gedrag analyseren groeit uit van een hobby tot een beroep. In 2001 maakt hij zijn afstudeerscriptie over illegaal downloaden van muziek, een baanbrekend werk dat zijn twee passies combineert: internet en muziek. Zijn scriptiebegeleider is niemand minder dan de internationaal erkende doctor in de criminologie Georges Kellens. Fred leest een werk van de Australische professor Peter Grabosky, een specialist in cybercriminaliteit, en stelt aan professor Kellens voor om in zijn volgende lessen aandacht te besteden aan de problematiek van cyberpiraterij. Tegen elke verwachting in stelt de befaamde professor hem voor om zelf die les te geven. Dat zal hij drie maanden later doen. Samen met een medestudent gaat Fred, niet zonder enige druk, de uitdaging aan. Historisch gezien wordt dat zijn allereerste lezing… Een paar maanden later, op het Internationaal Criminologiecongres, wordt Fred uitgenodigd aan de tafel van professor Kellens, die zich in het gezelschap bevindt van professor Grabosky himself.

Dat soort details maken een mens. Fred studeert cum laude af met een 19 op 20 voor zijn eindscriptie, iets waar hij en vooral zijn ouders heel trots op zijn omdat zij altijd in hem geloofd hebben. Hij ontvangt zijn diploma in de aula De Méan, dezelfde plaats waar hij een paar jaar later een cursus digitale marketing zal geven. Weer zo’n detail. Daar en dan wordt Fred Colantonio zich ervan bewust dat hij meer aankan dan wat hij dacht, door zich een winnersmentaliteit eigen te maken.

Met een bijkomend masterdiploma Criminaliteit en organisaties stapt hij de beroepspraktijk binnen als criminoloog. Een vaste baan, een duidelijk afgebakende carrière, maar wellicht een te rustig leventje voor deze levensgenieter die gefascineerd is door menselijke relaties en het leven in het algemeen. Naast zijn gewone bestaan maakt Fred websites met de Mac die hij gekocht heeft van zijn eerste salaris. Hij maakt zijn eerste website voor een afdeling van de faculteit Politieke Wetenschappen van de Luikse Universiteit. Dat is een schot in de roos. “Ik heb daar heel veel lof voor gekregen”, herinnert Fred zich. Zijn werk wordt de hemel in geprezen en hij onderbreekt zijn loopbaan om als freelancer te gaan werken. In het begin is het lastig, vooral op financieel vlak. “Ik heb opnieuw moeten leren vragen, iets wat fundamenteel is in ‘L’attitude des Héros’. Ik heb geleerd dat je in beweging moet blijven en dat het werk niet vanzelf komt aanwaaien. Ik had daarvoor nog nooit een website ontwikkeld, maar ik had de wil om dat te doen. Ik ben dus op een paar deuren gaan kloppen en ik heb me dat eigen gemaakt. Ik ben daar almaar beter in geworden en langzaam maar zeker ben ik gegroeid.”

Bij de opstart van zijn activiteiten krijgt hij opleidingscheques waarmee hij heel diverse cursussen kan volgen aan de HEC Business School. Hij volgt er alle opleidingen op het gebied van communicatie en marketing. “Ik heb daar ongelooflijke docenten ontmoet die me de ogen openden op het vlak van improvisatie, durf en marketing. Tot op de dag van vandaag zijn dat mijn Jedi’s. Zonder hen zou ik niet staan waar ik nu sta.” Hoe overtuig ik? Hoe verkoop ik mezelf? Tijdens zijn studie criminologie bestudeerde Fred de negatieve betekenis van ‘tot de daad overgaan’, nu wordt hij geboeid door de positieve betekenis ervan. In de opleidingen ziet hij enorm veel overeenkomsten met zijn studie. Bij een van die cursussen stelt hij een vraag over marketing op het internet, waarop men hem vraagt om zelf een lezing daarover te geven. Dat wordt zijn eerste echte training met als titel Hoe maak ik een website voor nul euro? De geschiedenis herhaalt zich. Fred gaat opnieuw een uitdaging aan waar hij vooraf niet op voorbereid was. Maar hij ontdekt vooral zijn talent als spreker, de roeping om zijn kennis en ervaring over te dragen en te delen. In zes maanden tijd staat zijn agenda voor de helft volgeboekt met trainingen. Al snel merkt hij hoe moeilijk het is om de trainingen te combineren met zijn communicatiebedrijf. Vanaf 2010 wijdt hij zich volledig aan zijn trainingen, die vanaf dan de vorm aannemen van seminars en conferenties voor honderden mensen. “Het web is de rode draad door mijn carrière, maar het zijn de mensen die me echt interesseren.”

De winnersmentaliteit

In februari 2012 wordt hij uitgenodigd om over internet te komen praten op Salon Objectif Com. Daar heeft hij het voor het eerst over de ‘winnersmentaliteit’, een onderwerp dat hem uitermate boeit en waar hij al jaren onderzoek naar doet. Het wordt een enorm succes. Het publiek is laaiend enthousiast, Fred wordt overdonderd. Hij is ervan overtuigd dat succes het gevolg is van de combinatie van een winnende manier van denken en een winnende manier van doen, met als resultaat die winnersmentaliteit. De bekendste mensen ter wereld hebben de weg naar het succes gevonden met precies dezelfde kaarten die wij allemaal bij aanvang toebedeeld kregen. Tijdens zijn lezingen vertelt hij anekdotes uit het leven van Steve Jobs (Apple), Richard Branson (Virgin) of Oprah Winfrey (Harpo Productions), mensen die zijn idee van succes belichamen. “Ik geloof in het vermogen van mensen om zichzelf te overstijgen, om dingen te doen die elk op hun manier het verschil kunnen maken en die de wereld kunnen veranderen. Ik denk dat het bij de meeste mensen een beetje is zoals met de software die ze gebruiken: standaard benutten ze maar twintig procent van hun mogelijkheden.’” Daar is dit genie van de persoonlijke marketing van overtuigd. In Inspiration, het eerste deel van zijn trilogie over de winnersmentaliteit, schetst Fred Colantonio het portret van die overdonderende persoonlijkheden, zet hij de verschillende aspecten van hun karakters in de schijnwerpers (zes attributen van de winnaar) en belicht hij hun carrières (hoe word ik een winnaar in drie stappen?).

Na de inspiratie is het de beurt aan Action, zijn tweede boek uit de reeks. Nog altijd gebaseerd op hetzelfde recept en op de verhalen van succesvolle captains of industry, pept Fred zijn lezers op en dwingt ze letterlijk om tot actie over te gaan. Ze moeten vijf principes toepassen volgens zeven graadmeters voor succes, altijd geïnspireerd door grote triomfen in de zakenwereld en zelfs door fictiehelden. Hij wil ons tonen dat we allemaal tot grote dingen in staat zijn en op ons niveau een positieve invloed kunnen hebben, net zoals die mensen die wij als rolmodel beschouwen. “Iedereen kan op zijn eigen niveau verder komen dan hij of zij dacht. Ieder heeft zijn berg, ieder heeft zijn eigen top”, voegt Fred er nog aan toe. Het laatste deel van de trilogie verschijnt in februari 2015 en zal gaan over de betekenis van wat we doen. Wat als bepaalde figuren die ver boven de gewone zakenwereld uitstijgen nu eens zijn geslaagd omdat ze door hun houding de onderliggende redenen van hun daden hebben kunnen overbrengen? Dan is het een kwestie van Waarom we dingen doen, vooraleer we ons afvragen Hoe we ze doen. Want de dingen die we echt uitmuntend doen, zijn vooral dingen die ons hart sneller doen kloppen en die ons echt boeien.

We hebben allemaal onze helden, bekende en minder bekende. Misschien onze moeders of onze broeders, mensen die we ooit eens ontmoet hebben of met wie we al een heel leven samenleven. “We zijn allemaal iemands held.” Laten we ons inspireren, zoals Fred het vraagt, laten we dingen doen, terwijl we een betekenis vinden voor wat ons bezielt.

BIBLIOGRAFIE

Signification – Vind wat u bezielt. De winnersmentaliteit, verschijnt in februari 2015;

Action – Na de inspiratie, de uitdagingen van de actie. De winnersmentaliteit, 2014;

Inspiration – Uw winnersmentaliteit, geïnspireerd door de allergrootsten. De winnersmentaliteit, 2013;

Communication professionnelle en ligne – Media en sociale netwerken begrijpen en gebruiken. EdiPro, 2011.

Référencement, e-marketing et visibilité web – Dertig praktische tips voor beslissers en webmasters. EdiPro, 2010.

Manager van het jaar Marc du Bois is tegenwoordig nog de enige familiale aandeelhouder van de Groep Spadel (Spa en Bru). Een portret van een man die trots is op zijn Belgische afkomst.

De jonge vijftiger Marc du Bois is een echte captain of industry. Hij heeft een visie en duidelijke ideeën over de strategie die een bedrijf moet volgen dat elk jaar miljoenen liters water en limonade produceert. In afwachting van zijn dienstplicht deed de jonge master in de toegepaste economie (Université Catholique de Louvain) een RVA-stage van een halfjaar bij Coca Cola. Na zijn diensttijd werkte hij vijf jaar bij L’Oréal. Na aanvullende studies in het Amerikaanse Colorado verkaste hij op 16 mei 1994 naar Spadel. Daarmee trad hij toe tot de Groep Spadel waarvan de geschiedenis al sinds 1923 verbonden is met die van zijn familie. In dat jaar werd zijn grootvader, Ernest du Bois, aandeelhouder van het toen twee jaar oude bedrijf Spa-Monopole. In de loop der jaren werd de familie du Bois meerderheidsaandeelhouder van het bedrijf dat onder leiding van Guy Jacques du Bois in 1980 werd omgevormd tot de Europese Groep Spadel.

Nieuwe mogelijkheden

Eerst aan de zijde van zijn vader en later aan die van zijn broer, begint Marc meteen te vernieuwen en introduceert hij Spa in de ziekenhuizen. Die operatie werpt haar vruchten af en hij gaat op dezelfde voet verder met de marketing van Bru. De reclamecampagne daarvan zal overigens in 1996 de prestigieuze Grand Effie Award veroveren. Het concept van het parelende water dat synoniem staat voor rijkdom en zuiverheid vormt ook vandaag nog de kern van de campagnes van Bru. Marc du Bois krijgt dan de leiding over de pas opgerichte Business Development -afdeling en wordt meteen ook verantwoordelijk voor de tot dan toe verlieslatende Britse afdeling.

Dan is er die fatale 22 september 2000, de dag waarop zijn broer, Guy Bernard du Bois, omkomt bij een auto-ongeval. Marc weerstaat de druk om de zaak te verkopen en gaat voor een duobaan met Jean-Philippe Despontin, die een jaar daarvoor was aangesteld als algemeen directeur. Vanaf dat moment werken ze twaalf jaar samen, totdat Marc in 2012 besluit de teugels alleen in handen te nemen.

“Tegenwoordig is het onze ambitie om onze ecologische voetafdruk terug te dringen door te werken aan de drie P’s (People, planet, profit) van duurzame ontwikkeling: energiebeheer, verpakkingen, bescherming van de hulpbronnen, de natuurlijkheid van onze producten, biodiversiteit…”

 

Hoe kan je vandaag de dag alsmaar groter worden en jaarlijks dubbele groeicijfers presenteren als een waterbron per definitie niet verplaatst kan worden? “Spadel beheert vijf industriële sites in drie landen. In België hebben we de site van Spa Monopole. Dat is de grootste en belangrijkste van de groep, met meer dan 400 werknemers. Dan hebben we ook nog die van Bru-Chevron. In Frankrijk heb ik in 2004 de bronnen van Wattwiller in de Vogezen gekocht en vorig jaar nog het mineraal water van Ribeauvillé en het merk Carola. Onze vijfde site, Brecon Carreg, bevindt zich in Trap, in Wales. Dat water is een succes in Groot-Brittannië.”

People, Planet, Profit

Om alles in goede banen te leiden, heeft Marc een strategisch plan ontwikkeld dat op drie pijlers steunt. De eerste is innovatie. “In onze branche kan je aan de inhoud weinig veranderen. Het mineraalwater van Spa zal altijd hetzelfde blijven, maar je kan er een smaak aan toevoegen. Elk jaar moeten we iets nieuws aan de consument presenteren. Die is daar gek op.” De tweede pijler is de operationele perfectie. “Een voorbeeld: in september verhuizen we naar een gebouw waar heel Spadel één enkele verdieping zal innemen. Dat zal de communicatie ten goede komen en er zullen meer informele contacten zijn. Ik geloof sterk in dat soort zaken.” En de derde pijler is duurzame ontwikkeling. “Tegenwoordig is het onze ambitie om onze ecologische voetafdruk terug te dringen door te werken aan de drie P’s (People, Planet, Profit) van duurzame ontwikkeling: energiebeheer, verpakkingen, bescherming van de hulpbronnen, de natuurlijkheid van onze producten, biodiversiteit…’’

Ondertussen blijven de producten wel verankerd in de streek waar ze gemaakt worden. “We zouden Spa inderdaad in New York kunnen verkopen, maar hoe meer je je verwijdert van je verzorgingsgebied, hoe meer jouw product een luxeproduct wordt met een grote ecologische voetafdruk. Het is onze ambitie om onze producten lokaal te verankeren, met een beperkte afdruk. Waarom zou ik Italiaans water drinken? Als je een fles Spa drinkt, heb je een Belgisch product en je zorgt voor werkgelegenheid voor mensen die hier hun belastingen betalen. Zo draag je bij aan de regionale en nationale economie. Dat is het belangrijkste.”

Manager van het jaar en baron

De strategie van Spadel werd in 2014 op twee heel verschillende manieren beloond. In februari werd Marc du Bois door Trends/Tendances uitgeroepen tot Manager van het jaar. Twee maanden later kreeg hij van koning Filip de titel baron. “Ik heb dat in alle rust en nederigheid aanvaard. Zoiets mag je niet naar het hoofd stijgen. De titel van manager bekroont het werk van een heel team en niet uitsluitend dat van mij. Ik draag deze titel trouwens op aan al mijn medewerkers. Aan de mensen waar ik altijd op kan rekenen, ook op de mindere momenten in mijn leven. Ik ben hen veel verschuldigd.” Wat die titel baron betreft, “de koning heeft mij die toegekend, maar die gaat toch vooral naar een familie van Belgische ondernemers, die in België actief zijn, die trots zijn op de eenheid en het behoud van dit land. Ik heb daar heel uitgesproken ideeën over. Iedereen moet zichzelf blijven. Mijn devies is: een vergeten burger, een gerust leven. Ik neem niet vaak het woord. Ik heb dat niet nodig. Ik zorg wel dat de zaken blijven rollen. De cijfers liegen immers niet. En voor de rest, nou ja…’”

Het bedrijf Franki uit Flémalle blijft groeien en investeert de komende jaren flink in het buitenland.

In de Belgische bouwsector is Franki een speler waar je niet omheen kan. Je komt ze op tal van bouwplaatsen tegen. Het verhaal begint meer dan een eeuw geleden als Edgard Frankignoul samen met Edmond en Armand Baar de ‘Compagnie Internationale des Pieux Armés Frankignoul’ opricht. Het doel van de onderneming is de uitbating in heel België van het in 1909 aangevraagde octrooi voor de in de grond gevormde betonnen heipaal met verbrede voet: ‘de Frankipaal’. Al snel is dat procedé zo succesvol dat het bedrijf verschillende contracten binnenhaalt.

Twintig jaar later baten een dertigtal licentiehouders wereldwijd dit octrooi uit. Dankzij de grote vraag naar heipalen (die in de loop der jaren worden aangepast), kan het bedrijf groeien en zijn activiteiten uitbreiden. Franki bouwt in de jaren dertig een stevige reputatie op als specialist op het gebied van diepe funderingen en levert de ene topprestatie na de andere. We hebben aan Franki onder meer de Basiliek van Koekelberg te danken, het Résidence Palace in Brussel en ook nog de in 1931 in een recordtempo gegraven tunnel onder de Schelde in Antwerpen.

“Onze hoofdactiviteit heeft betrekking op de civiele bouwkunde. Dat is altijd een belangrijke tak van het bedrijf geweest. Daarnaast houden we ons bezig met constructie, restauratie en renovatie van gebouwen, maar ook met herstel van beton en de sanering van bouwterreinen.”


In 1954 overlijdt oprichter Edgard Frankignoul. In Luik wordt er een laan naar hem vernoemd. De Golden Sixties bevestigen de leiderspositie van het bedrijf over de hele wereld. Dan, na jaren van voorspoed, onrust, ups en downs, komt Franki in 1998 in handen van de Belgische bouwgroep Willemen, een familiebedrijf met meer dan 2.000 werknemers, en daarmee een van de grootste spelers in België. Een historisch keerpunt dat het Luikse bedrijf de mogelijkheid biedt om zijn activiteiten nieuw leven in te blazen en zich opnieuw te tonen in de wereld van de bouwnijverheid. Franki is vandaag actief in de Waalse en Brusselse regio met een stevige ambitie om ook in de buurlanden aan de slag te gaan, waaronder het noorden van Frankrijk en Luxemburg.

Een visie, twee richtingen

“Ook al maken we deel uit van een belangrijke groep, we behouden onze eigen identiteit en onze bijzonderheden”, stelt commercieel directeur Denis Bosson meteen. Met de heipalen wordt niet meer gewerkt. Rekening houdend met de technologische ontwikkelingen richt Franki zich op twee grote sectoren. “Onze hoofdactiviteit heeft betrekking op de civiele bouwkunde. Dat is altijd een belangrijke tak van het bedrijf geweest. Daarnaast houden we ons bezig met constructie, restauratie en renovatie van gebouwen, maar ook met herstel van beton en de sanering van bouwterreinen.”

Te midden van de vele bouwwerken heeft Franki ook een stevige reputatie opgebouwd in de realisatie van bejaardenhuizen, zoals de instelling die in 2015 geopend zal worden in Quaregnon. Het wordt een laag-energiehuis, gebouwd met duurzame materialen en met een capaciteit van 118 bedden. ‘We hebben ons gespecialiseerd in energetische optimalisatie door te anticiperen op de regels en onze eigen normen vast te leggen. Zodanig dat we erkend worden als experts in de blowerdoortest’, gaat Denis Bosson verder. In die test wordt een gebouw onder druk gezet om zwaktes in de afdichting op te sporen. Hoe minder lucht er uit een gebouw ontsnapt, des te beter is het huis gedicht, zeg maar passief. Als het om grote gebouwen gaat, wat vaak het geval is voor Franki, maken ze vaak gebruik van tussentijdse afdichtingstests. Dat worden dan ‘oriëntatietests’ genoemd, die de mogelijkheid bieden om optimaal in te grijpen en de kwaliteit van de luchtdichtheid te garanderen tijdens de verschillende fases van het bouwproject.

Op deze manier bouwt Franki in Braine-L’Alleud een nieuw kantoorgebouw voor 400 mensen, The Genesis, met een totale oppervlakte van 6.000 m². Het is het eerste kantoorpand (bestemd voor de verhuur) in Waals- Brabant dat beantwoordt aan de eisen van een passiefhuis. Een echte uitdaging die in een recordtijd moet worden verwezenlijkt, want het gebouw wordt in juni 2016 in gebruik genomen. Meteen de kans om dat hardnekkige vooroordeel de wereld uit te helpen dat in de bouw alles steevast te laat is? “Meestal is het omgekeerde waar, want een bouwproject dat blijft aanslepen, kost veel geld. Bij elk project proberen we te anticiperen op mogelijke problemen en risicovolle situaties op te lossen voordat het echt misgaat. Doorgaans zijn we eerder klaar dan gepland.”

Opnieuw internationaal

In een land met zo’n concurrerende markt moet je soms vechten om een contract binnen te halen. “België is al goed volgebouwd. Wat de infrastructuur en het wegennet betreft, geraken we stilaan verzadigd. Als er een aanbesteding wordt uitgeschreven, schrijft de hele sector daarop in.” Voor een bouwonderneming met de omvang van Franki is het dus noodzakelijk om zich meer in de richting van het buitenland te ontwikkelen. “Daarom hebben we twee vestigingen geopend over de grens, in Luxemburg en in Slowakije, waar we nog verder willen uitbreiden, met name in de civiele bouwkunde”, gaat algemeen directeur Philippe Beaujean verder. “We zetten ook voet aan wal op het Afrikaanse continent, waar we bij verschillende grote projecten betrokken zijn, bijvoorbeeld een stuwdam in Ghana.”

Met een verwachte omzet voor 2014 van € 120 miljoen wil Franki zijn positie versterken en vooral zijn plaats opeisen binnen een 100% nationale groep, tegenover de reuzen van de sector. “De groep Willemen is de grootste familiebouwgroep van België. En we zijn van plan dat te blijven. Beslissingen worden hier genomen en we zijn dus niet afhankelijk van externe maatregelen.” Franki is bouwmeester van verschillende kunstwerken zoals de tunnel van Cointe, de Zandvlietsluis, de stuwdammen van Eau d’Heure en zelfs de metro van Singapore en zou daar graag de komende jaren nog andere omvangrijke referenties aan toevoegen, zij het in België of ergens anders.

Knauf is een multinational met een familiale achtergrond die gespecialiseerd is in alles wat te maken heeft met de binnenafwerking van een gebouw. Van de vloer tot de muren en het plafond staan de producten van Knauf voor diversiteit en vernieuwing.

Vijf schuine blauwe letters op een witte achtergrond. Iedereen kent het logo van Knauf. Het bedrijf richt zich op professionele stukadoors, architecten, doe-het-zelfzaken en particulieren. Of het nu gaat om Deutsche Qualität of Belgian Quality, de groep is van oorsprong Duits, maar heeft ook een lange geschiedenis in Wallonië.

Aan de basis ligt een familietraditie

De oprichting van de multinational Knauf is vooral een familieaangelegenheid. We keren terug naar 1932, het jaar waarin twee Duitse broers het bedrijf oprichten. Karl en Alfons Knauf zijn jonge mijningenieurs die zich focussen op de winning en ontginning van gips, het erts dat aan de basis ligt van pleister. Dat zou binnen korte tijd een noodzakelijk element worden in de bouw en bij de afwerking van gebouwen.

Toen de groep naar het buitenland uitbreidde, kozen ze in 1974 voor Engis in de provincie Luik. Familielid Lothar Knauf trouwde met een meisje uit Luik en vestigde zich daarna in Wallonië. Hij zou directeur blijven van de productie-eenheid tot hij 65 werd in 2009. Knauf Engis wordt de maatschappelijke zetel van de Belgische divisie. Hier wordt pleister in bulk geproduceerd en in de hele Benelux verkocht. Georges Massart, directeur Human Resources, verklaart de bevoorrechte positie van zijn fabriek: “Wij zijn een van de oudste buitenlandse filialen en werden gedurende 35 jaar door een familielid geleid. Het gaat hier in zijn werk zoals in een multinational, maar het familiegevoel blijft behouden in de kern van de bedrijfscultuur. Wij behoren niet toe aan aandeelhouders of aan de beurs, maar aan de eigenaars.”

In 2002 slaat Knauf in Wallonië een nieuwe richting in als ze het Amerikaanse Owens Corning overnemen, een bedrijf dat gespecialiseerd is in glaswol. Dat leidt tot de oprichting van Knauf Insulation in Visé. In België zijn er nog twee andere locaties voor de productie van gipsen platen, blokken en tegels: in Wielsbeke (West- Vlaanderen) en Baudour (Henegouwen). In België werken ongeveer 850 mensen voor de groep. Wereldwijd zijn er 220 productielocaties in 60 verschillende landen, goed voor 25.000 werknemers en een omzet van meer dan € 6 miljard.

“Naast gips verkopen en produceren we pleisterplaten, tegels, glaswol en verschillende accessoires. We zijn wellicht de enigen die alles kunnen leveren voor de afwerking in een gebouw. Zeg maar alles wat de stukadoor in zijn hele carrière nodig heeft, tot en met de bepleisteringsmachine.”


Vernieuwing en variatie als basisthema

‘Samen vernieuwen’ is een van de slogans van Knauf. Innovatie is daarom het speerpunt van deze marktleider. Commercieel afgevaardigde Michael Mlynarski spreekt van een “bijna halfjaarlijkse vernieuwing die de markt niet achternaholt, maar in alle domeinen varieert en innoveert”. En er zijn heel wat vernieuwingen. ‘Ecofin’ bijvoorbeeld, een nieuwe pleister voor professionals. Of de tegellijn ‘Klinkers Garden Landscape’, de nieuwe plastic pleisterverpakkingen en ‘Sheetrock’, een voegpasta, klaar voor gebruik. Knauf is dus niet alleen maar gips. Michael Mlynarski kan dat bevestigen: “Naast gips verkopen en produceren we pleisterplaten, tegels, glaswol en verschillende accessoires. We zijn niet tot alles in staat, maar we zijn wellicht de enigen die alles kunnen leveren voor de afwerking in een gebouw. Zeg maar alles wat de stukadoor in zijn hele carrière nodig heeft, tot en met de bepleisteringsmachine.” De groep heeft zelfs een opleidingscentrum waar de theorie wordt omgezet in praktijk voor haar professionele klanten, architecten, handelaars en ook voor de gebruiker.

Zowel voor professionals als voor doe-het-zelvers

Knauf richt zich niet uitsluitend op bouwprofessionals en architecten, ondernemers of handelaars. De onderneming beantwoordt ook aan de behoeften van de particuliere klant met haar reeks producten voor de kleinhandel. In de meeste gevallen gaat het wel degelijk om dezelfde producten, maar ze worden op een andere manier verpakt. In een doe-het-zelfzaak vind je dus gipsplaten van 60 centimeter in plaats van 120 of emmers van 10 kilogram die handiger zijn dan die van 25. Aan de andere kant worden producten zoals ‘Turbo Beton’ alleen maar aan Jan met de pet en zijn vrouw verkocht, zodat ook zij kunnen genieten van beton dat onmiddellijk klaar is voor gebruik.

De doe-het-zelver vindt op de website van Knauf trouwens alles netjes uitgelegd aan de hand van instructies en handleidingen. Zo vind je bijvoorbeeld in de online Doe-het-zelfgids van Knauf verschillende tips om een muur af te werken, een barst te herstellen of een vloer of muur te betegelen, korrelpleister aan te brengen of bakstenen te voegen. Met de rubriek ‘Ik zoek een stukadoor’ vind je snel een professional in jouw buurt. Knauf Belgium heeft ook een eigen YouTubekanaal met verschillende filmpjes waarmee je technieken kunt leren om je huis vanbinnen helemaal af te werken.

De toekomst ziet er stralend uit

Knauf is nu al meer dan dertig jaar aanwezig in Engis, en heeft alles om op koers te blijven. Commercieel afgevaardigde Michael Mlynarski wijst op de plannen voor de toekomst op het gebied van bouw en renovatie. “Om de situatie samen te vatten, het is duidelijk dat nieuwbouw momenteel in een dipje zit. Je vindt meer en meer rijtjeshuizen en appartementen. Aan de andere kant verminderen zowel het bewoonbare aantal vierkante meter, als de gemiddelde oppervlakte en de hoeveelheid materialen. In deze fase van de conjunctuur ziet het er dus goed uit.” Bij Knauf weten ze dat het jaar 2015 even veelbelovend als 2014 zal zijn.

KNAUF, VINCENT VAN GOGH EN MONS 2015

Wat is de link tussen Mons, Culturele Hoofdstad van Europa in 2015, en Knauf? De renovatie van het huis van Vincent Van Gogh. De schilder woonde in Cuesmes van augustus 1879 tot oktober 1880. Hij zou zich helemaal inleven in het leven van de mijnwerkers. Hij daalde zelfs af in de mijn. Zijn ervaringen in de Borinage zijn van grote invloed geweest op zijn latere werk. Op een bepaald moment wou men het huisje afbreken, maar het werd in de jaren 1970 van de sloop gered door een aantal vrijwilligers. Er zijn nog herstelwerkzaamheden uitgevoerd tussen 2005 en 2007. Knauf maakt deel uit van een consortium van bedrijven die samenwerken om dit huis met zijn rijke geschiedenis te renoveren. Toen het project werd gepresenteerd, zagen ze bij Knauf meteen dat dit een mooie uitdaging was. Hun opdracht is het werk aan de isolatie en aan de binnenafwerking. Michael Mlynarski legt uit waarom dit project hen zo interesseert: “Een van de redenen is dat de provinciale scholen en het Forem (Waalse tegenhanger van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening) met een aantal stagiairs deelnemen aan de renovatie van het huis van Van Gogh. Het wordt wellicht de eerste keer dat die studenten Bouwkunde de kans krijgen om aan een concreet project mee te werken. Zelfs wie niet geïnteresseerd is in kunst kent de wereldberoemde Vincent Van Gogh. Ze gaan dus daadwerkelijk meewerken aan de afwerking van dat huis.” Het consortium maakt zich sterk dat het huis, dan ter waarde van bijna € 275.000, in 2015 helemaal opgeknapt zal zijn.

Your opinion counts